|
|
|
| | | | | |
10
‘Kan hij dicht?’ vroeg vader.
‘Ik geloof het wel,’ antwoordde moeder, terwijl ze nog een laatste
blik door de kamer wierp.
De koffer lag gepakt op bed. Beer klapte het deksel dicht en vader
bracht hem naar beneden.
‘Ik ga nog even m'n haren doen,’ zei moeder. Haar hand gleed even
langs Beers wang, toen ze de kamer uitliep.
De laatste minuten thuis. Over enkele ogenblikken zou oom Ber hen
met de auto komen halen.
Beer stond naast zijn bureau voor het raam. Hij dacht aan de weken
die achter hem lagen en het kwam hem voor, alsof hij een reis had gemaakt naar
een ander werelddeel. Of hij was beland in een leven, dat volslagen anders was.
Het werelddeel van een blinde was misschien maar een klein werelddeeltje. Toch
was de reis lang en inspannend geweest. Een reis door de grijze duisternis. Een
tocht door de diepte van het bestaan. Maar bovenal toch een ontdekkingsreis,
omdat hij in de afgelopen weken zoveel over zichzelf, de mensen en het leven
had geleerd.
Toen vader en moeder van het Blindeninstituut waren thuisgekomen,
had Beer hen opgevangen bij de deur. Na moeilijke momenten in het park had hij
zich ten- | | | | slotte heilig voorgenomen, het onvermijdelijke rustig te
aanvaarden. Door er geen drama van te maken, had hij zichzelf én zijn ouders
voor veel verdriet bespaard. Heel merkwaardig was het komende vertrek naar
Bussum - uiterlijk althans - voor Tjeerd het
meest onverteerbaar gebleken. Hij had het eerst niet willen geloven en ontdaan
geprotesteerd:
‘Nee Beer... nee, dat meen je niet!’
‘We zullen elkaar de weekends zien.’
‘Maar... maar dit kan toch niet. We schoten net zo lekker met het
werk op. En wat moeten we nu met die krantenwijk?’ Was Tjeerd bang geweest
terug te zakken in zijn vroegere isolement?
Die morgen aan het ontbijt had Annemiek het even te kwaad gekregen,
toen ze afscheid moest nemen voordat ze naar school zou gaan.
‘Dag Beer, ik hoop...’ En opeens schoot een huilbui los.
‘Nou, nou, zo erg is het niet,’ had Beer haar gesust.
‘Welnee,’ was vader tussenbeide gekomen. ‘Ieder weekend komt hij
thuis, net als de jongens die in dienst gaan.’
In dienst gaan, dacht Beer. Hoe goed drukte die woorden uit, wat er
nu met hem te gebeuren stond. Het dekte ook wat hij met zijn verdere leven
wilde doen. Niet in de militaire dienst maar in dienst van gekreukelde
kinderen. En vooral: die geschonden kinderen als psy- | | | | choloog
helpen op de weg naar een menswaardig bestaan. Dát was zijn doel. En wie een
vast omlijnd doel had in zijn leven, die was zo ongelukkig nog niet.
Buiten klonk getoeter. Oom Ber was gearriveerd. Beer trok zijn
haltertruitje recht. Het was een verschoten grijs, paars-bruin geval, maar hij
was erop gesteld. Ondanks het aandringen van moeder, had hij zijn nette pakkie
maar laten hangen in de kast. Hij wilde in het Blindeninstituut zijn opwachting
maken zoals hij was. Niks meer, maar ook niks minder.
Pas later was het tot hem doorgedrongen, dat het geen enkel verschil
zou maken: vrijwel geen van de kinderen daar zou zijn kleren kunnen zien.
‘Ber is er!’ riep vader van beneden.
‘Ik kom,’ antwoordde moeder uit de grote slaapkamer.
Beer voelde de zenuwen in zijn buik opeens heftig trekken.
Daar ging hij dan. Hij had het gevoel, dat hij opnieuw een episode
in zijn leven had afgesloten. Toen hij het ziekenhuis verliet, leek er een eind
gekomen aan zijn jeugd. En nu? Nu ging hij zijn toekomst tegemoet en stond hij
voor een nieuw begin.
‘Zo, dan zal ik je nu maar eens naar je kamer brengen en je
voorstellen aan de anderen uit het huis, voor zover die nu aanwezig zijn.’ De
directeur was opge- | | | | staan. Dat hoorde Beer aan het schuiven van de
stoel.
‘Zullen we hier dan maar afscheid nemen?’ vroeg Beer en even leek
het, of er een onrustige kikker heen en weer sprong in zijn keel. Hoe eerder
vader en moeder weggingen, hoe beter het was. Zo'n afscheid moest je niet
rekken. Dat had geen enkele zin.
‘Dag Berebop,’ zei vader. Een naampje van heel vroeger en sinds jaar
en dag niet meer gebruikt. Nu onderstreepte het opnieuw die nauwe verbondenheid
tussen hen, zoals ook die klap op zijn schouder en die zoen op zijn wang.
‘Dag liefje. Tot zaterdag.’ Die laatste woorden moesten tonen, voor
hoe tijdelijk dit afscheid was. Toch sprong er ook een kikker in moeders keel.
Ze moest nu snel wegwezen, dacht ze. Want of ze zo rustig en flink kon blijven,
wist ze niet.
De directeur hield de deur open.
‘U hoeft ons niet uit te laten. We weten de weg,’ zei vader.
‘Bedankt voor al uw hulp en goede zorg!’ De stem van moeder had
gelukkig weer een wat steviger klank. In gedachten zag Beer zijn ouders de
speelplaats oversteken en vaders arm lag nu vast en zeker om moeders schouder
heen.
De directeur was de kamer weer ingekomen en scharrelde even tussen
wat papieren op zijn bureau. Een goeie vent, dacht Beer. Vooral om de rustige,
zakelij- | | | | ke manier, waarop hij het gesprek en dit afscheid had
geleid. Geen drama. Het zieligste kind van de wereld was hij ook niet. Nog op
geen stukken na.
‘Zullen we dan maar?’
‘Waar is mijn koffer?’
‘Die heb ik hier. Ja, toe maar. Houd mijn schouder maar vast.’
Ze liepen door een gang naar de deur en gingen naar buiten. Beer
hoorde hoge, opgewonden kinderstemmen in de verte. Was het kleuterschooltje
uitgegaan? De directeur hield zijn passen in.
‘Sorry, ik ben iets vergeten. Blijf hier even wachten, wil je? Ik
ben zó terug.’
Daar stond Beer alleen op de speelplaats van het Blindeninstituut.
Hij luisterde naar de joelende kinderstemmen. Ze klonken net als in het park,
als het bewaarschooltje was uitgegaan:
‘Mijn vader heeft een zeilboot gekocht!’ ving hij op.
‘En mijn vader heeft een caravan. Da's veel fijner. Daarmee kan je
overal naartoe!’
‘Met een zeilboot ook!’
‘Ja, maar die kan omslaan in een storm!’
‘Met een caravan kan je je doodrijden op een grote weg!’
Het was of Gijsje en Jantje de Koning daar in de verte stonden.
Grinnikend in zichzelf bedacht Beer opgelucht, dat er tussen ziende en blinde
kinderen wel | | | | niet zoveel verschil zou zijn. Waarschijnlijk
evenveel vreugde en evenveel verdriet. Evenveel opschepperij, evenveel fantasie
en evenveel angst.
‘Hallo, ben je hier nieuw?’ Een heldere meisjesstem vlakbij.
Hij had haar niet horen toelopen.
‘Ja, ik ben net gekomen. Ik ben Beer Ligthart.’
‘Ik heet Tinka.’ Dat klonk als een halfuurslag op het horloge van de
student.
‘Naast me staat Molly, een kleintje van de kleuterklas. Zelf zit ik
op de Mavo.’
‘Heb je gehuild?’ vroeg Molly.
‘Nee,’ zei Beer.
‘Ik wel, toen ik hier kwam. Ik heb ontzettend gehuild.’ Beer wist
niet goed, wat hij daarop moest zeggen. Een hummeltje van vijf. Was hij zelf
dan niet bevoorrecht, dat hij hier nu pas kwam?
‘Hoe wist je, dat ik hier stond?’ vroeg hij nieuwsgierig. ‘Kan jij
dan zien?’
‘Nog een heel klein beetje,’ antwoordde Tinka en Beer was verrukt
van haar stem. ‘Ik ben eerst op een school voor slechtzienden geweest, maar
mijn ogen gingen steeds verder achteruit. Daarom zit ik al een half jaar hier.
Misschien kan ik later een goed oog krijgen, heeft de dokter gezegd.’
‘Bevalt het je hier?’
‘Oh ja. In het begin moest ik natuurlijk wennen. Het | | | |
is hier anders dan thuis. Maar weet je, je leert hier zoveel, waar je later wat
aan hebt.’
Tot Beers spijt - hij had best wat langer met die Tinka willen
praten - kwam de directeur hem halen.
‘Sorry, dat duurde even. Er kwam ook nog een onverwacht telefoontje
uit
Den Haag.’ Hij pakte de koffer op en Beer
greep hem opnieuw bij de schouder beet.
‘Dag Beer,’ zei Tinka. ‘We zullen elkaar nog wel vaker tegen het
lijf lopen.’
‘Vast wel,’ zei Beer. Hij hoopte het.
De directeur leidde hem over de speelplaats. Ze kwamen bij een huis
naast het hoofdgebouw, waar hij een eigen kamertje zou krijgen.
Het ergste was nu achter de rug, dacht Beer. Hij zag een weg naar de
toekomst voor zich. De eerste stappen op die weg waren reeds gezet, toen hij de
hall van zijn tweede thuis betrad.
Tinka was een aardige naam, dacht hij.
|
|
|