terug  begin  verderprepost
[p. 14]

Twee

De vroegste bewuste herinneringen: groene tintelende bewegende vlekken hoog boven mijn hoofd, de kronen van de reuzen-waaierpalmen in de Plantentuin van Buitenzorg. Ik zit of lig in een wagentje dat door mijn moeder wordt voortgeduwd. Dat moet geweest zijn in 1919 of 1920. Ik was ongeveer twee jaar oud. Omstreeks die tijd gingen mijn ouders met verlof. Het beeld van een stuk scheepsdek met hoornvormig gebogen witte ventilatiepijpen valt dus daar ergens op zijn plaats in de kaleidoscoop van die eerste jaren.

Wij woonden in Rotterdam. Ik herinner mij een groot besneeuwd park in de schemering van een wintermiddag. Tussen de kale bomen een paviljoen, een muziektent of zoiets, en achter de heggen, network van takken, reeksen lichtjes: in de huizen worden een voor een de lampen aangestoken. Ik wandel aan de hand van mijn vader, zuigend op een polkabrok, een hard, kantig naar vanille smakend stuk kandij.

Thuis: meubels in de zogenaamd Oud-Hollandse stijl, zwarte gedraaide, of uit houten balletjes opgebouwde stoelpoten en -leuningen, gevlochten zittingen. Aan de muren constellaties van Chinese borden, krissen en sarongs, de geijkte tropeeën van de Indischgast.

Bezoeken aan mijn grootouders van vaderskant, beiden geboren en getogen Rotterdammers, en aan hun huis vol attracties: roodpluchen voetenbanken, met koperen stoven er in, het Javaanse kamponghuisje zo groot als een schoenendoos, uit dunne bamboe gevlochten, met een deurtje waar zelfs een kinderhand niet doorheen kon, de zeven porseleinen Chinezen op een rij, wier hoofden, op pennetjes gestoken, los op hun schouders lagen - men kon die hoofden

[p. 15]

ad infmitum verwisselen en ze, hoe dan ook, door een vingerduw eeuwig ja en amen laten knikken - de Braziliaanse reuzenspin, de torren en vlinders, opgeprikt achter glas, het trommeltje met boterbabbelaars, het glas koude zoete thee op het aanrecht in de keuken.

De andere grootouders in Amsterdam, in een grachtenhuis als een labyrint. Ik kwam er heel zelden. Aan één van die schaarse bezoeken heb ik een herinnering bewaard. Wij logeerden daar, als ik mij niet vergis, ter gelegenheid van een familiediner. In het vreemde bed, in de onbekende door het schijnsel van een waxinelichtje met grillige schaduwen gevulde kamer, gilde ik, uit een droom opgeschrikt, in wilde angst om mijn moeder, die beneden aan tafel zat. Zij kwam en bleef bij mij, tot mijn grootmoeder - in krakende tafzij, glinsterend van sieraden, met een glas wijn in de hand - blind en doof voor mijn protesten haar van mij weghaalde.

Mijn geliefkoosde speelgoed bestond uit een aantal namaak-beesten, geërfd van een ouder nichtje. Er was een groot varken bij met kortgeschoren zalmkleurig zijden haar, en een spaniel met één wit en één zwart oor, en melancholieke bruinglazen ogen. Eens gooide ik al deze dieren uit het zolderraam, omdat ik op straat het draai-orgel hoorde spelen en de gebruikelijke cent in een papiertje niet bij de hand was. Ter gelegenheid van mijn derde verjaardag werd ik op mijn paasbest vereeuwigd. In optocht ging het naar het atelier van de fotograaf. Het meisje droeg in een wasmand mijn beesten achter ons aan. Ik heb dat portretje nog: geflankeerd door varken en hond en een dozijn andere speelgoed-dieren: een kind met kunstig gekweekte pijpekrullen (de marteling van te moeten slapen met een hoofd vol papillotten) en de ironische, niet onwelwillende glimlach van een hooggeplaatst personnage dat representatieplichten waarneemt.

Plotseling kreeg ik een broer. Ik herinner mij de schok. Ik werd met het meisje meegestuurd om boodschappen te doen. Zij wees mij in de lucht een grote, langzaam en laag over de huizen zeilende vogel. ‘Kijk, daar gaat de ooievaar. Die heeft net wat voor je thuisgebracht, een verrassing.’ De verrassing lag in een wieg met lila strikken.

Mijn broer was nog een zuigeling toen wij weer teruggingen naar Indië. Van die tweede zeereis is mij méér bijgebleven. In ieder geval

[p. 16]

herinner ik mij heel goed een excursie in Tanger. Vóór mijn vader in het zadel reed ik op een ezel door nauwe steile straten. De zon scheen verblindend op witte raamloze muren aan weerszijden. De ezel had gekleurde wollen pompoenen aan zijn hoofdstel. Hij wasemde een sterke lucht uit, vermengd met de geur van het leer van zadel en tuig. Over een muur hingen rode bloemen. Een jongen met een fez op het hoofd sprong, telkens weer, hijgend omhoog, reikend naar de takken. Tenslotte kreeg hij er een paar beet. De bladeren van de bloemen voelden koel in de hand en geurden bedwelmend. Maar voor wij bij de boot terugkwamen, waren ze al verwelkt.

 

Wij reisden op een klein passagiersschip, de Patria. Ik dwaalde de hele dag over het dek, in de nabijheid van de volwassenen die alleen of in groepen op hun rieten stoelen met verlengstukken-voor-de-benen lagen te praten, te lezen of voor zich uit te staren. Achter de hoge, blinkend geschuurde, koperen drempels stond ik binnen te kijken in het voor mij verboden gebied, de rooksalon en het trappenhuis waardoor men naar de eetzaal kon afdalen. Het rook aan boord naar rubber en bier en teer en vage etenswalm. In de hut was het benauwd. Het stampen van de machines deed de wanden trillen. De karaf van het wastafelglas rinkelde onophoudelijk. Onder de patrijspoort siste het schuim. De weerschijn van de zon op het water wierp op de witgespoten cabinemuur een cirkel van flitsend licht. Op het dek zat ik urenlang achter de verschansing gehurkt, door de openingen tussen de stangen starend naar de gemarmerde blauwgroene golven in de diepte. Kwallen in alle kleuren van het spectrum dreven eenzaam of groepsgewijze in de doorzichtige bovenste waterlagen als monsterbloemen, vervuld van het geheimzinnige leven van de zee. Er stond een piano op het dek. Van tijd tot tijd ging daar een van de passagiers zitten spelen. Een bepaalde wijs kwam telkens weer terug, werd meegezongen: Daar komen de schutters, daar komen ze an...

 

In Soerabaja ging ik naar de kleuterschool. Ik herinner mij alleen nog maar dat ik daar vele dagen doorbracht met het in duizenden snippers scheuren van kranten. Het wil me niet meer te binnen schieten waar-

[p. 17]

voor die snippers werden gebruikt. Het scheuren was een fascinerende bezigheid, die ik ook thuis met hartstocht bedreef. In de kleine achtergalerij van ons huis trok ik al het beschikbare papier uit elkaar tot de kleinst mogelijke stukjes, die ik dan de volgende dag in een kussensloop mee naar school nam. Het beeld van die achtergalerij, met uitzicht op de bijgebouwen, de put, de strook grint die we tuin noemden en de dikke vracht van rose en wirte bruidstranen tegen de pagger, blijft voor mij verbonden aan de melodieën van twee kinderliedjes die ik toen bij voorkeur,zonder ophouden, zat te neuriën Moriaantje zo zwart als roet... en O, mijn lieve zwartkop. Ik moet ook telkens denken aan mijn moeder, die in kimono heen en weer loopt naar de spenkast, met haar sleutelmand aan de arm, aan de kruidenierswaren in grove bruinpapieren tuitzakken, aan de zoete zware smaak van die kleverige bruine suiker die men goelah djawah noemt.

 

Kinderloze kennissen van mijn ouders namen mij eens mee naar een balmasqué in de soos. Van het feest zelf herinner ik mij maar weinig, des te meer van wat daar aan voorafging, het uitzoeken van een costuum in een grote winkel vol carnavalspraal, waar dieren- en clownskoppen van papier-maché op de planken van de kasten grijnsden, zijden maskers in trossen omlaag bengelden, tarlatan, goud- en zilverlamé over de toonbanken stroomden. Ik werd een vlinder, met vleugels van gaas en trillende voelsprieten. Hoogtepunt: dat ogenblik op de avond van het feest, dat ademloze, met de armen voorzichtig naar weerskanten opgeheven staan wachten in de voorgalerij, een kersvers, ongerept blauw en zilveren vlindertje, schitterend in het lamplicht. Alles wat daarna kwam, een anticlimax. De zalen van de soos: een chaos van serpentines en confetti, vlaggen en slingers, ballons die, ontsnapt, hoog tegen de zoldering hingen of, leeggelopen, als verschrompelde vodden overal verspreid lagen. Een doolhof van palmen in potten, van schots en scheef dooréén geschoven stoelen en tafels. Het - na de onder toezicht van de volwassenen nog vrij stijlvol verlopen polonaise - ordeloze hossen en springen van honderden kinderen deed de over de dansvloer gestrooide talk in wolken omhoogstuiven. In de greep van kleffe handjes verflenste het gaas, de vleugels raabten ver-

[p. 18]

bogen bij het kruip-door-sluip-door spelen, de voelsprieten hingen geknakt na een dolle ronde In Holland staat een huis. Ik verloor ook de strikken van mijn schoenen. Eén voor één moest ik de attributen van mijn vlinder-zijn prijsgeven. Geen limonade, geen taartjes, in steeds nieuwe overvloed door snel her- en derwaarts schietende djongossen rondgereikt, konden een tegenwicht vormen voor het verlies van mijn waardigheid.

 

In die tijd had ik een vriendje dat Marinus heette. Omdat zijn vader zee-officier was, woonde hij in de marine-wijk in Tandjong Priok: blokken vrijwel gelijkvormige witte huizen met paviljoens in nog kale tuinen, onderling verbonden door rechte straten en zijstraten. Tussen het huis van Marinus en de zee was alleen een asfaltweg, waarop hier en daar nog jonge regenbomen een ijle schaduw wierpen. Vooral deze bomen vormden voor ons een onuitputtelijke bron van vermaak. Niet omdat ze mooi waren in hun bloeitijd: pralende reuzentuilen tegen de van zonnegloed tintelende hemel. Integendeel, wij wachtten met ongeduld tot de laatste bloesem was afgevallen, tot de lange harde peulen met pitten er in van de takken omlaag hingen. Om de vorm van die peulen noemden wij de bomen dan ook Laarzenbomen. Wij zochten onder de stammen naar die door de zonnehitte gedroogde doppen waarin men de pitten kon horen rammelen.

Bij Marinus in de achtergalerij hing een rekstok. In een poging de verrichtingen van mijn vriead aan dit toestel te evenaren, viel ik eens achterover op de tegels. Ik kreeg een bijzonder grote buil op mijn hoofd, die met enig ceremonieel door Marinus' moeder in de schemerdonkere spenkamer met Hollandse roomboter-uit-blikwerd besmeerd. Tijdens de rustige middag die het noodzakelijke gevolg van dit ongeluk was, ontdekten wij het Boek. Het lag in de logeerkamer, onder in de kast: oude afleveringen van eenaardrijkskundig tijdschrift in een halfvergane leren band. Argeloos bladerend stuitten wij plotseling op een plaat die ons de adem benam. Op een eenzame rots in zee vier skeletten, twee grote en twee kleine. Wij wisten zelfs niet van afbeeldingen wat een geraamte was. Hoewel wij dus niet begrepen wat de plaat eigenlijk voorstelde, klopte het hart ons in de keel. Wij vroe-

[p. 19]

gen inlichtingen aan de baboe, die op degalerij stond testrijken; met een schepje vulde zij beurtelings haar twee ijzers met gloeiende houtskool.

‘Oeah, orang-orang mati’, zei ze alleen, enigszins verachtelijk, toen wij met het boek kwamen aandragen.

Dode mensen dus. Dood. Gebogen over de afbeelding herhaalden Marinus en ik fluisterend dat woord. Dode mensen. Dode kinderen.

Wij bladerden verder, maar de andere platen interesseerden ons niet meer. Wij verlangden met een heimelijk fel verlangen naar datgene waar we bang voor waren. Marinus deed het eerst een greep terug. Het plaatje op de bladzij, daar waar het boek openviel, had geen andere functie dan die van richtingaanwijzer. Het kwam - dat wisten wij - nog na ‘de’ plaat. Verder tenig dus. Die gevlekte pagina kwam voor ‘de’... Dáár. Op de kale rots, de beenderen. De schok was niet minder groot dan de eerste keer, maar anders. Er was een element in van huivering wekkend genoegen. Wij sloegen het boek dicht en grepen toen opnieuw op goed geluk tussen de bladzijden. Daarmee was een nieuw spel geboren, een spel waar wij niet met anderen, ouderen, over spraken. Adieu rekstok, vaarwel laarzenbomen!

 

Mijn verjaardag valt in Februari. Ik was dus al zes en een half jaar, toen ik naar de eerste klas van de lagere school ging. Uit practische overwegingen kozen mijn ouders de school die het minst ver van ons huis lag. Dat dit een katholieke school was, vonden zij een kwestie van ondergeschikt belang. In de geheimen van Aap, Noot, Mies en van het telraam werd ik dus ingewijd door de nonnen. Gewapend met lei, griffels en sponzendoos stapte ik iedere ochtend door het hoge bedauwde gras op de bermen langs de weg. In de lucht hing die eigenaardige Indische morgengeur van rook en fris loof en vochtig asfalt. De katjongs van de stadsreinigingsdienst waren nog overal bezig de straten te vegen en te besproeien. De schaduwen werden snel korter.

De school bestond uit een reeks gelijkvloers gelegen lokalen met helder wit gekalkte muren, rondom een vierkante speelplaats. Jonge boompjes stonden op regelmatige afstanden van elkaar in beschermende kokers van kippengaas. Twee oude tuinlui zaten er de hele dag op hun hurken onkruid te wieden. Als het regende, brachten de

[p. 20]

kinderen het vrije kwartier door in de pendoppo, die door een op palen rustend hoog dak beschutte tegelvlakte. Er was ook een kapel, maar daar kwam ik, als outsider, nooit binnen. Het verschil tussen katholieke en niet-katholieke leerlingen werd door de consciëntieuze zusters streng gehandhaafd; ongelukkigerwijs was ik dat jaar het enige niet-roomse kind in de eerste klas. Ik vormde er een kaste apart. Wanneer de anderen in de kapel waren of godsdienstonderwijs hadden, zat ik in een leeg lokaal met mijn leesplankje of een tekenschrift. Het beeld van een dergelijke klas staat mij nog duidelijk voor de geest. De witte wanden, de lange rijen lege zwarte schoolbanken. De jampotten met kembang sepatoe en bruidstranen op de balustrade die lokaal en galerij scheidde. Hoog tegen de muur, boven de lessenaar van de mère, dominerend: het crucifix.

De nonnen roken naar stijfsel en wierook. Bij iedere stap ritselden hun wijde witte kleren, stootten de kralen van de rozenkransen aaa hun gordel met zacht tikkend geluid tegen elkaar. Soms werden er kleine vergulde en gekleurde plaatjes uitgedeeld, met afbeeldingen van heiligen en engelen. Deze kaartjes schenen mij buitengewoon begeerlijk toe, een onderscheidingsteken, het bewijs van een soort van magisch verbond tussen de zusters en de ingewijde kinderen. Het meisje naast mij had er een sigarendoosje vol van. Bij het uitdelen (de mère deed dit, zoals alles, op een bruuske, zakelijke manier) werd ik overgeslagen. Terecht: de non dacht waarschijnlijk dat het geen zin had mij dergelijke plaatjes te geven. Ik was een van die, overigens zeldzame, leerlingen die wel het onderwijs volgden, maar verder buiten de religieuze sfeer gehouden dienden te worden. Met het oog op mogelijke reacties bij mij thuis koos zij het zekere voor het onzekere. Mij ontging vanzelfsprekend de logica van dit gebeuren. Wanneer de prentjes uitgedeeld werden, voelde ik mij, telkens opnieuw, buitengesloten. Dit periodiek terugkerende, schijnbaar onbelangrijke, voorval accentueerde de uitzonderingspositie die ik innam. In de vriendelijkheid en het geduld van de mère en de zang- en gymnastiekzusters meende ik altijd een ondertoon van reserve te horen: jij hoort er niet bij. Het ritueel in de kapel, het recht van toegang tot die schemerige ruimte (door de half openstaande deur had ik eens een glimp

[p. 21]

opgevangen van kant en zilver en brandende kaarsen, van bloemen en levensgrote roomwitte beelden, en ramen van gekleurd glas), de geheimen van de godsdienstles, de toespelingen in de klas op dingen die ik niet begreep, waarvan ik nog nooit gehoord had, dit alles stond tussen mij en de andere kinderen. Ik was niet opgenomen in de groep, en ik wilde niets liever dan mij opgenomen voelen.

Die onzekerheid uitte zich indirect. Ik was te jong om te beseffen dat ik mij onzeker voelde. Ik hield veel van tekenen. Mijn ouders bestudeerden met verbazing en welgevallen de vellen vol engelen en feeën (immers wezens die wonderen teweegbrengen) en gekroonde, met strikken en ingewikkelde ornamenten versierde prinsessen, wier belangrijkheid nog werd geaccentueerd door het grote verschil in omvang met de omgeving: gewone stervelingen reikten niet hoger dan de knieën van deze in haast Byzantijnse praal verstarde poppen.

Er was een spel dat ik altijd speelde vóór het slapengaan, vermoedelijk omdat het een uitlaatklep vormde voor mijn verlangen naar mededeelzaamheid. Ik koos instinctief het voor mij stilste uur van de dag, de enige ogenblikken dat ik ongestoord alleen was en doen kon wat ik wilde. Vaak heb ik mij later afgevraagd waarom ik toen de behoefte had dat spel, waarin toch niets beschamends school, geheim te houden. Binnen, de witte klamboetent stelde ik mij een huis voor. Ik zette de kussens en de goeling rechtop tegen het witgelakte traliewerk van hoofd- en voeteneinde, en gaf ze namen en een identiteit. Ik weet nog dat de goeling George heette, een naam die mij toen om de vreemde, moeilijk uit te spreken, klanken boeide. Fluisterend kroop ik heen en weer van de een naar de ander. Er werden in dit gezelschap bij monde van mij alleen lange gesprekken gevoerd. Bewoog mijn broer in zijn slaap, of hoorde ik de voetstappen van mijn ouders bij de deur, dan dook ik bliksemsnel in slaaphouding.

 

Ons huis was altijd vol muziek. Mijn moeder gaf in die tijd pianoles, zij trad ook wel op, alleen of met violisten en zangers. Zij studeerde uren per dag. Ik zat graag op de grond onder de vleugel. Ik zag de pedalen op en neer gaan onder mijn moeders energieke voetbewegingen en hoorde vlak boven mij de klanken bonzen en trillen in het

[p. 22]

hout, altijd met dat merkwaardige doffe slissende bijgeluid, veroorzaakt door het langs elkaar heen schuren van de viltlagen op de toetsenhamertjes. Toonladders ruisten heen en weer, accoorden ontstonden, fascinerend in steeds wisselende klankkleur. Het beeld van het huis waar wij toen woonden, van de meubels en hun schikking in de kamers, van bomen en struiken, en de hemel buiten de ramen, de geuren en kleuren, de lichtval zelfs, en van de aard en volgorde van de dagelijkse gebeurtenissen, het beeld ook van mijn driejarige broer die in de binnengalerij op zijn vliegende hollander zonder ophouden rondrijdt om de tafel, zal in mijn herinnering altijd verbonden blijven aan die tonenreeksen in mineur en majeur, aan de melodieën van bepaalde composities van Bach en Brahms en Chopin.

Boeiend vond ik ook het inwendige van de vleugel. Staande op een stoel onderzocht ik die matglanzende spelonk waar de zwarte figuurtjes van het notenschrift via mijn moeders beweeglijke vingers op wonderbaarlijke wijze hoorbaar werden. De hamertjes wipten op en neer, er ging een trilling door de snaren, zowel door de lange dunne vlijmscherpe als door de dikke koperrode glanzende koorden en strengen die een laag brommend geluid lieten horen wanneer ik er met een vinger aan trok.

 

Wat weet ik nog van die jaren? De alles-overheersende indruk is die van rechte nieuwe pas-geasfalteerde straten in de buitenwijken van Soerabaja, van witte huizen achter palm- en pisangbomen en dichte heggen en gekalkte muurtjes. Tuinen vol kleur van canna's en bougainvillea, en boengoer als verfrommeld vloeipapier in pasteltinten, kembangsepatoe: rode klokvormige kelken met lange meeldraden, hangend tussen het groen als balletdanseressen die in tutu's hoog op slanke benen balanceren. De gloed van de zon op al dat witte en groene en bontgekleurde. Boven alles, verblindend licht, de hemel. De geuren van gemaaid gras en melatti, van overrijpe mangga's en doerians, van trassi en etenskruiden en de rook van houtskoolkomforen, de kookwalmen van warongs langs de weg, de lucht van heet asfalt en kalimodder. De geluiden: het koeren van duiven in de loofkoepels van hoge bomen, het schorre roepen van tokkè's, 's avonds,

[p. 23]

zodra de lampen aangestoken werden en de insectenjacht begon. De kreten van kooplui op de weg, het krakende geluid waarmee hun manden op en neer deinden in het juk, het geratel van de wielen van een dogcar, claxons in de verte, en altijd, overal, die onderstroom van huiselijke bedrijvigheid in woningen en bijgebouwen, in de tuinen en achter de paggers van de kampong, geluiden van vegen en stampen en water scheppen. Datalles de dagelijks waarneembare werkelijkheid, het altijd aanwezige, als vanzelfsprekend aanvaarde. Een wereld, berstens vol kleur en geur en geluid, die zich bij iedere stap uitbreidde, rijker werd, nieuwe beelden bood. De achtergrond van mijn vroege kindertijd, die wereld: een glanzend web geweven uit duizenden en kleine zintuiglijke waarnemingen. Een wereld, geproefd, genoten, en voor altijd in het geheugen gefixeerd, nog zonder de correctie van het verstand, de inmenging van gevoelens en gedachten.

 

Eens was er een kinderkerstfeest bij een Deense suikermagnaat. Het werd gevierd in de tuin, waar de melancholiek neerhangende takken van tjemara's (die treurwilg onder de naaldbomen) met veel kunst- en vliegwerk gedwongen waren een vracht van bonte slingers en ballen en electrische kaarsen te torsen. Méér dan de grootscheepse geschenken die uitgedeeld werden - kinderserviezen en poppenameublementen -, méér dan de taarten en ijstorens, de ratels, toeters en van klatergoud blinkende feestmutsen, lokte mij de tuin, die in de gloed van Bengaals vuur telkens weer tot een nieuw, nog toverachtiger décor herschapen werd. Later, thuis, trachtte ik deze gewaarwordingen te doen herleven. Door stukjes gekleurd glas bekeek ik de bekende omgeving. De wereld: een gedeelte van de voor- of achtergalerij, onze ordelijk aangelegde tuin, de weg buiten het wit-gepleisterde muurtje, de bomen en de daken aan de overkant, badend in het zonlicht, heel die heldere werkelijkheid verscheen in telkens andere gedaante - diepgeel, als met goud overgoten, groen als een oord op de bodem van dezee, of gedrenkt in de bloedrode en paarse gloed van een naderende apocalyps.

 

Soms - ik vermoed wanneer mijn vader vacantie had - gingen wij de

[p. 24]

bergen in. Van het verblijf in hotels en bungalows is mij weinig of niets bijgebleven. Maar ik herinner mij momenten van tochten. Een bergbestijging te paard, een lange moeizame rit over steile paden, door een troosteloos, spookachtig woud van haast kale, kromgegroeide dwergbomen bij de boomgrens ergens op een vulkaan. Het deinen op de rug van een klein ruig-behaard paard, de scherpe uitwasemingsgeur van het dier dat zo behendig over de stenen klauterde. Mijn moeder in een draagstoel, getorst door vier koelies. Het kamperen voor de maaltijd tussen de reusachtige zwerfkeien in de gedeeltelijk drooggekomen bedding van een rivier. Het beeld van een krater - de Lawoe, de Papandajan?-, de bodem geelgroen gekleurd door zwavel, de borrelende hete modder, de stoomwolken opstijgend tussen het gesteente.

Dan natuurlijk het spelevaren op het meer van Serangan, watervlakte binnen een krans van dichtbeboste bergen, of het zwemmen in een met een primitieve bilik-schutting omheind bergbad, waar het water in de schaduw van waringins ijskoud was en helder als kristal, waar scholen blinkend-geschubde vissen wentelend en kerend pijlsnel onder de oppervlakte voorbijschoten.

prepostterug  begin  verder