Leven in debreedte alleen: in-compleet zijn. Eenzelvig-heid, de angst dat iets of iemand anders het ‘ik’ van zijn onbeperkte vrijheid zou kunnen beroven: incompleet-zijn.
Wat baat het in staat te zijn alles waar te nemen, wanneer er geen sprake is van ook maar één enkel ding diep begrijpen? Wat heeft het voor zin veel mensen te kennen, wanneer men niet tenminste, één vriendschap, één liefde met inzet van het volledige ‘ik’ kan winnen? Die vele aanlopen tot vriendschap, tot liefde: voor een tiende, voor de helft, voor driekwart zich overgeven om dan plotseling om een nuance in houding, gedrag of woorden van de ander alles terug te nemen, onherroepelijk afgestoten, overtuigd van de onmogelijkheid van vereniging. Desondanks toch niet bij machte zijn in de ontoereikendheid, het tekort van alle menselijke verhoudingen te geloven. Altijd weer, gedreven door het verlangen naar een orde van méér zijn dan ‘ik’, de poging ondernemen, totdat een onverhoeds uit het niets oprijzende slagboom de weg verspert.
Lijden om het onvermogen samen te smelten met die ene andere mens die de begeerde weder-helft schijnt te zijn, wiens wezen vanaf de eerste ontmoeting een ongekend hartstochtelijke drang tot responsie heeft gewekt. Geplaatst zijn voor de keuze: wéér onverrichterzake zonder de genade van vervulling terugkeren tot zichzelf, of volhouden: geduldig wachten voor de gesloten hekken tot opengedaan wordt, of de hindernissen ‘nemen’ als een renpaard, of mollengangen graven naar de ander, door het donker en de wildernis en het schijnbaar ondoordringbare heen. De hoop niet opgeven, de moed niet
verliezen, evenmin zich tot de gevolgtrekking eenheid laten verleiden door de vertrouwelijkheid, de vervoering van één vluchtig ogenblik.
In de vechouding tot de gekozen ander bereid maar tegelijkertijd waakzaam zijn in de volste zin van het woord ‘engagée’. Een heel leven is niet voldoende om de mogelijkheden van dit samen-zijn uit te putten.
Het huwelijk, het samen-leven in gezinsverband, de gemeenschappelijke zorg en verantwoordelijkheid voor de kinderen en het huishouden in de ruimste zin van dat woord, is meer dan wat anders ook een toetssteen. Hier wordt de voortdurende herhaling - tot aan de grens van het onverdraaglijke toe - van altijd dezelfde handelingen, reacties, situaties: ervaring, levende werkelijkheid, Er zijn in verband met die ontdekking drie verhoudingen mogelijk: die van de uit plichtsbesef of gebrek aan vitaliteit geboren berusting in de dingen zoals die nu eenmaal zijn, die van het verzet en de afwijzing, resulterend in onophoudelijke wrijving tussen de individuen die samen het gezin vormen en, al te vaak, in de ontbinding van dat gezin, en tenslotte die van het zich bewust zijn van de in die schijnbare monotonie, die zogenaamde ‘sleur’, verborgen mogelijkheden tot groei. Zo gezien kan het huwelijk zijn: een leerschool tot vorming van de enig aanvaard-bare, want creatieve zelftucht, de gelegenheid om in het klein te streven naar wat in groter verband in menselijke gemeenschappen tot nog toe een vrome wens moest blijven: naar het dienen met inzet van de volledige vrije eigen persoonlijkheid van het belang van het geheel. Het huwelijk: een van de meest vruchtbare mogelijkheden om het inzicht te winnen, dat het kiezen tegen het ‘ik’ en zijn onmiddellijke eisen en behoeften geen remming of beperking of dwang hoeft te betekenen, maar vaak is een ‘reculer pour mieux sauter’ in de zin van een innerlijke verruiming, bewust-wording.
De ontmoeting met de ander is altijd een uitdaging, een oproep tot groei, tot de doorbraak, de metamorphose. In de ontmoeting wordt het ‘ik’ ertoe gedwongen zich rekenschap te geven van wat het zoekt, wat het wil; zichzelf tot niet-zijn oplossen òf de ander met huid en
haar als deel van zichzelf bezitten; krijgt het onophoudelijk de gelegenheid te leren inzien dat het hier niet gaat om ‘ik’ of ‘jij’ maar om een nieuwe eenheid samengesteld uit ‘wij’. Wie niet rijp is voor de verandering moet zich for better or worse door de problematiek van de ontelbare varianten van de ik-jij-verhouding heen worstelen.
De pijn van dit openbreken van zichzelf. De eis is niet, dat men het eigen ‘ik’ verloochent, uitdrijft, vernietigt, om plaats in te ruimen voor de ander, of dat men uit wat dan liefde heet willoos, weerstandsloos wordt, noch dat men deze overgave van de partner verlangt. De eis is dat ‘ik’ in zijn volledigheid, zijn meest intense geladenheid, te laten samensmelten met de totaliteit van de ander, tot er een nieuwe werkelijkheid is ontstaan, en dan uit die eenheid te bannen wat niet groeien kan.
Het misverstand in de liefde: menen dat men met inzet van zijn hele ‘ik’ de ander zoekt, terwijl men in feite met behulp van die ander het ‘ik’ wil dienen. Niet weten dat het doel ‘wij’ zou moeten heten, en dat men pas de mogelijkheid van een orde, bestaande uit méér dan ‘ik’, méér dan ‘jij’, beseft, als men de ander durft liefhebben gelijk zichzelf.
Ons eerste kind werd geboren op de 11e November 1944. De weeën begonnen op de avond van de dag tevoren, juist toen wij naar bed waren gegaan in het slaapkamertje onder de dakpannen (op onze kast lag als een in-elkaar-gerolde slang het dikke touw waarmee de illegalen die 's nachts in het benedenhuis sliepen, zich in geval van onraad door een dakluik in het aangrenzende pakhuis konden laten zakken). Het was al ver na Sperrtijd; terwijl mijn man bij een arts in de buurt ging opbellen om een vervoermiddel te krijgen, pakte ik de benodigde kleren in een koffertje. Tegen middernacht kwamen wij in de kliniek, ergens in een huis in Oud-Zuid. De zusters, die in een kamer vol drogende luiers om een kacheltje zaten, gaven mijn man voor zijn lange wandeling terug naar huis met het oog op mogelijke aanhouding een briefje mee: op straat wegens bevalling. Ik was er niet gerust op; in het vreemde bed, waarin bij wijze van kruik een paar hete stenen in doeken gewikkeld waren neergelegd, in die donkere kamer, waar andere vrouwen zacht lagen te ademen of kreunden in hun slaap,
woelde ik van de ene zij op de andere. Ik was bij het schijnsel van een flets blauw nachtlicht op de gang in bed gekropen, de kamer om mij heen was volkomen onbekend, ik wist niet hoeveel bedden er stonden, en waar. Iets wits, hoogs, stond naast mijn hoofdeinde tegen de muur, ik tastte er langs; een wieg. In de vroege ochtend, toen ik met de vrouwen die zichzelf al of nòg konden helpen, in de badkamer was, kwam de pijn met volle kracht opzetten. Een zuster zei, dat ik wel naar de verloskamer boven kon gaan, twee trappen op, laatste deur rechts in de gang, zodra er iemand tijd had, zou die komen zien hoe het er mee stond. De tocht omhoog scheen eindeloos, ik hees mij van trede tot trede, meer hangend dan leunend op de balustrade, bemoedigend toegesproken door een werkster die met een lysoloplossing het portaal dweilde. In de verloskamer kropen de uren traag voorbij. Er was een ruitje stuk in een van de bovenramen, kille tocht neutraliseerde de straling van een electrische kachel, waaromheen overigens ook al weer een driedubbele rij van luiers te drogen hing. Toen de dokter geconstateerd had dat het nog wel een halve dag duren kon, werd ik weer alleen gelaten; men zette een bel naast me neer met het verzoek die niet dan in geval van de hoogste nood te gebruiken. Dit was geen hardvochtigheid; heel de ochtend hoorde ik de zusters (er was te weinig personeel) jachtig trap op trap af draven. Hardop pratend tegen mijzelf trachtte ik een middel te vinden om zo goed mogelijk iedere nieuwe aanval te doorstaan. Het bed was hoog en hard, bood nergens houvast, alleen aan de spijlen van het hoofdeinde, koude onwrikbaar stevige staven, maar zo dun, dat mijn nagels in de palm van mijn hand drongen wanneer ik ze omklemde. Boven mij, tegen het plafond, hingen vier lampen van melkglas, halve bollen, ondoorzichtig wit maar sterk spiegelend. Viermaal zag ik mijzelf caricaturaal misvormd als in een lachspiegel, telkens met andere variaties in eigen proportie en verhouding tot het mij omringende. Hier was mijn hoofd groter, daar schenen mijn voeten reusachtig, aan het andere einde van het grillig verkreukelde laken; in iedere lamp blonken de instrumentenkastjes en geëmailleerde voorwerpen rondom het bed met even andere glans, hadden zij iets andere schaduwpartijen. Het electrische kacheltje glom rood tussen al dat witte,
grijze, zilverige, een robijn, een boos flonkeread oog. Wanneer ik naar dat kwartet van spiegelbeelden keek, schenen zij heel andere dingen voor te stellen. Licht en donker, de bleke vlekken van mijn gezicht en handen, de schittering van glas en metaal, de gloed van de electrische staven vormden samen viermaal een geheimzinnig tableau. Ik hoefde mij niet in te spannen om in het eerste een kamer te zien, met wijd openstaande ramen; het licht daarbuiten was rossig, diffuus, een zonsondergang, waargenomen door een bladerdak, of door een scherm heen, in de kamer stonden stoelen in wanorde, waar overheen witte kledingstukken in plooien neerhingen, op de grond lag een mandoline, in de vensterbank een verkreukelde brief. Er was uit die kamer juist iemand in haast vertrokken, die daar in dolce far niente, zingend en spelend in de gloed van de ondergaande zon had gezeten. In de tweede lamp lag dezelfde kamer weerspiegeld, maar nu was er een deur opengegaan, in de donkere gang daarachter stond een gestalte met een brandende kaars in de hand; de dueña, dacht ik, die verschrikt naar binnen kijkt, zoekend naar de aan haar hoede toevertrouwde. De derde lamp fascineerde mij het meest, ik meende een perron van een groot verlaten station te zien, in de verte brandde een rood seinlicht. Er stond een groep te wachten, het viel niet uit te maken van hoeveel mensen, dicht tegen elkaar aangedrongen. Dit is het vertrek, zei ik hardop, le départ, een naam voor een schilderij. Le départ, maar waarheen? De vierde lamp gaf nog meer raadsels op: een heksenkeuken, de werkplaats van een alchimist, met een blinkende ketel boven het vuur. Naar le départ keerden mijn ogen na elke pijnaanval terug. Waar gaan die daar boven naar toe, waarom, vroeg ik, alsof het einde van de kwelling zou afhangen van het antwoord. Tenslotte greep ik ten einde raad in blinde angst aaar de bel. Een uur later werd het kind geboren, een meisje. Het was grauwwit van kleur. De dokter hield haar bij de voetjes omhoog en sloeg haar zachtjes. Na een tijd scheen het alsof het bloed ging stromen, de huid werd lichtrood. Het kind begon te huilen.
Een kindje als een roos, met zachte bolle wangetjes, een hoofdje waarin men het leven geheimzinnig kon voelen kloppen achter de fontanel.
Ogen van ondoorzichtig blauw, die nog niets bewust zagen, kleine tot vuisten gebalde handjes altijd ter hoogte van de oren op het kussen. Zij sliep in de schaduw van het witte gordijn, haar slaap had een oneindig aantal zachte geluiden: zuchten, smakkend proeven, slikken, haast huiverend ademhalen, het begin van een schreeuw, hoog en dun als die van een vogel.
Onze kamer in het grachtenhuis was van haar vervuld. Haar luiers hingen in guirlanden van muur tot muur te drogen, haar kostbare voorraad Nutricia-flessen sierde de schoorsteenmantel. 's Nachts warmden wij haar melk op een oud waxine-komfoortje, dat was het eerste waar zij met aandacht naar keek; de ring van gele vlammetjes stond weerspiegeld in haar ogen.
Op oudejaarsdag, zes weken na haar geboorte, moesten wij de stad ontvluchten. Nog voor de dageraad gingen wij op weg, met het onmisbare in rugzakken. Het kind sliep tussen kruiken in een oud groentenkistje, een geïmproviseerde reiswieg. Wij liepen langs de weg door de Haarlemmermeer naar Oegstgeest bij Leiden, een dagtocht. Links en rechts de velden in het vale licht van die laatste dag van het jaar' 44, natte sneeuw stoof over ons heen; soms moesten wij schuilen onder een van de viaducten. Bij een boer warmden wij melk voor het kind. Behalve zo nu en dan een eenzame voedselzoeker op een fiets met houten banden of achter een handkar, en een colonne Duitse vrachtwagens, kwamen wij niets en niemand tegen. In het bevroren gras van de berm lagen hier en daar de verroeste resten van stukgeschoten auto's, en brokken beton. De boerderijen, eenzelvig in elkaar gedoken als dieren in de winterslaap achter bomen en bosjes onder de lage loodgrijze hemel.
Wij brachten die volgende maanden door bij mijn schoonouders. De werkelijkheid kromp samen tot het leven in de huiskamer, de zorg om het kind, de dagelijkse tochten naar de centrale keuken. Wanneer de benauwenis van het wachten mij te machtig werd, ging ik naar de kamer waar de wieg stond. Was zij wakker dan nam ik haar op de arm. Zelfverzonnen liedjes zonder kop of staart neuriënd liep ik met haar heen en weer langs de ramen. Buiten, bet winderige kale land, de torens van Rijnsburg aan de horizon. Kraaien zaten in de takken van
de nog bladerloze bomen. Op de straatweg in de verte, als vette insecten in mimicry, een rij met bruin en groen gevlekt zeildoek bedekte vrachtwagens van de Wehrmacht. Ik voelde tegen mijn hals de nog ongecoördineerde rukbewegingen van dat kleine warme hoofd. Zij rook, als alle babies, naar melk en talk en vaakgewassen wol. Ik klopte haar zacht op het ruggetje, een gewoontegebaar. Terwijl ik aan andere dingen dacht, zong ik door. Altijd betrapte ik er mijzelf na een tijd op, dat ik eindeloos een refreintje uit mijn eigen kindertijd herhaalde: ‘Trararetje, trararetje een koetje en een klein paardje’. (Een kamer vol schaduw, een naderend lichtje, mijn moeder met een nachtmutsje op het haar, de stem van mijn vader. Hoe lang geleden die veiligheid, die snelle troost? Waar zijn zij nu, leven zij nog, zijn zij dood, dood, dood?)
Die eerste werkelijke dag van de vrijheid. Wij namen haar mee naar Leiden, waar iedereen op de been was, zingend, dringend, juichend, en tilden haar op zodat zij de vlaggen kon zien wapperen. Zij was niet bang voor het geschreeuw en evenmin voor de kaallen van de rondom ons ontploffende voetzoekers.
Een week later keerden wij terug naar Amsterdam, met de schuit, over de Brasemer en de Westeinder. Een triomfantelijke intocht, achter het stadion langs, door de vaarten en grachten naar de aanlegplaats aan de Singel. Op de luiken over het ruim zaten wij in de voorjaarszon als herboren groetend de bomen, de boogbruggen, de huizen, de mensen op straat.
De geboorte van het kind en de eerste paar maanden van haar bestaan waren, zonder twijfel door mijn lichamelijk aandeel daaraan, iets dat ik toch vooral als ‘ik’ onderging. Haar leven: twee jaar bij ons, met ons, en haar plotselinge dood echter zijn - ik ben mij daarvan bewust geworden toen ik geprobeerd had onder woorden te brengen wat dit alles voor mij betekend heeft - eens en voor altijd deel van de ‘wij’-werkelijkheid. Wanneer ik het vanuit mijzelf alleen wil beschouwen, het als een individueel beleven tracht te beschrijven, ben ik onvolledig, erger, bega ik een onrecht. Zelfs de persoonlijke verhouding tot het
kind, het in eigen hart en ziel ondergaan van vreugde en verdriet om harentwil, zijn niet meer los te maken uit de eenheid ‘wij’. En wat zich hierbinnen voltrekt is, dat weet ik nu, niet rechtstreeks mededeelbaar.
Misschien ben ik nog eenmaal onder de druk van bijna niet meer te verdragen pijn teruggedreven in de eenzaamheid van ‘ik’. Aan de andere kant staat juist dat ogenblik scherp in mijn geheugen gegrift als een bewust verblijven in een overgangsgebied.
Wij gingen op een warme dag in de vroege zomer van '47 naar Westerveld om de urn uit te zoeken. Van de volle boomkronen, van de begroeide aarde stroomde een gloed van leven. Men gaf me een klein zwart busje in de hand, het deksel was met een loodje verzegeld. Wanneer ik het bewoog, hoorde ik binnenin een droog ritselen en rammelen, als van zeer kleine steentjes. Achter een van de parkwachters liepen wij naar de plek van bestemming, op de helling van een heuveltje, onder een boom. Ik zei tegen mijzelf: dit is mijn kind geweest, een klein warm lichaam, zacht haar, handjes, voetjes, een kloppend hart, een helder stemmetje. Er is niets van haar overgebleven dan een handvol as in een bus. Ik stond met die resten in mijn hand, mij bewust van het viermaands embryo van het andere, nieuwe kind in mij, niet bij machte dit alles te rijmen, maar evenmin in staat het zinloos te vinden. Pijn en de sensatie van verlichting, in de dubbele betekenis van het woord, stroomden verblindend samen.
De kinderen voorlezen. In hun nachtgoed zitten zij naast mij, ieder aan een kant. Hun blote voetjes steken uit de pijpen van hun pyjamabroeken. Het licht schijnt op hun gladde, glanzende, ronde hoofdjes. Van bovenaf gezien liggen him wimpers als zwarte waaiertjes op hun wangen. Het kleintje begrijpt geen woord van het verhaal, zij vraagt alleen iedere vijf seconden: waar ben je? en eist dan dat ik de plaats op de bladzij aanwijs. De oudste is er volledig in, zij zit met aandachtig gebogen hoofd; wanneer ik iets oversla of een zinsdeel met eigen woorden omschrijf, valt zij mij onmiddellijk in de rede en zegt hoe het moet zijn. Het is een geliefde, vaak voorgelezen geschiedenis, ik geloof dat zij die uit het hoofd kent. Zij zou uren kunnen luisteren; het kleintje wordt gauw rusteloos en klimt en springt dan achter ons
op het bed heen en weer. Zij hangt over mijn schouder en tracht mijn wollen vest dicht te knopen. ‘Jij krijgt het zo warm als een eekhoorntje’, belooft zij met een vlei-stem. Even later keert zij een volle knikkerzak om, zodat de stuiters tot in de verste hoeken van de kamer rollen en zingt daarbij haar lijflied: ‘O die arme Ding, Ding, Ding, viel met zijn neus in het wa-ha-ter, en toen kwam er een snoek, en die beet hem in zijn broek, en toen kwam er een reus en die beet hem in zijn neus...’
De verleiding van het gekke woorden en bizarre combinaties verzinnen is te groot voor de oudste. Vergeten het verhaal. ‘En toen kwam er een spin, en die beet hem in zijn kin, en toen kwam er een olifant en die beet hem in zijn hand...?
Gierend van het lachen tuimelen zij over elkaar heen. Door dreigementen noch smeekbeden laten zij zich in bed jagen. Na eindeloos toe en vooruit en kom nou mijnerzijds zijn zij bereid te gaan slapen, op voorwaarde dat ik het zg pakketten-spel met hen zal spelen. Ik moet de kamer binnenkomen en doen alsof ik hun twee in-elkaar-gerolde lichaampjes voor verloren pakjes houd.
‘Wat zou dat zijn, wat is dat zwaar, even optillen’, enz enz. Het is pas mooi wanneer er veel verbaasde uitroepen aan te pas komen. De bedoeling is dat de pakketten achteloos in de bedden gegooid worden, waar zij zich dan plotseling als kinderen ontpoppen. Hoe kon ik verwachten dat het daarna stil zou worden?
Zij willen een slokje water, een zakdoek onder het kussen, vaseline op een onzichtbare kwetsuur, een bepaalde pop in bed, een zuurtje in de mond - ik citroen, ik frambozen. Er moet een po onder het bed gezet, een nachtlichtje in de gang aangestoken worden. Dan pas staan zij toe dat ik hen, terwijl zij half onder de dekens liggen te sabbelen op het snoepje, ergens op hun zachte warme kruintjes een nachtzoen geef. Nauwelijks zit ik binnen met de krant, of ik hoor het tap-tap-tap van blote voeten in de gang. Aarzelend komt de oudste de kamer in. ‘Mamma, ik wou je wat vragen.’ ‘Zeg het maar.’ ‘Wat gebeurt er eigenlijk als de wereld vergaat?’ ‘De wereld vergaat niet, nog lang niet.’ ‘Ja maar, wat gebeurt er àls de wereld vergaat?’ ‘Ik weet het niet, kind.’ ‘Jawel, je weet het wel, als je maar even nadenkt.’
‘Als de wereld vergaat, zijn er al lang geen mensen meer.’ ‘Waar zijn die dan?’ ‘Als het zover is met de wereld dat die bijna vergaat, dan kunnen er hier geen mensen meer leven.’ ‘Zijn die dan dood?’ ‘Ik denk het wel.’ ‘Hebben die dan een doodskop?’ (in het sprookjesboek staat ergens een afbeelding van een skelet, door de kinderen ‘de dode mijnheer’ genoemd). ‘Ja, datis best mogelijk.’ ‘Hoe zijn ze doodgegaan?’ ‘Kind, dat weet ik niet. Gewoon. Iedereen gaat eens dood.’ ‘Door een bom?’ ‘Wie heeft jou van bommen verteld?’ (zij trekt het gezicht van kinderen die voelen dat er sprake is van een taboe). ‘Mamma, kunnen er eigenlijk bommen vallen, nu nog?’
Wat moet ik daarop antwoorden? Tot mijn geruststelling toont zij zich even plotseling voldaan als daarnet weetgierig. Terwijl ik haar naar bed terugdraag, wil zij nog even weten of het waar is dat er in een bad vol water honderdduizend mal joen ontelbaar druppels zijn. Ik beaam dit en dan rolt zij zich als een egeltje in elkaar onder de dekens. Vijf minuten later komt het kleintje op háár beurt de huiskamer binnen, zij houdt haar afzakkende pyjamabroek met beide handen omhoog over haar bol bloot buikje.
‘Wat wil je?’ ‘Ik zie de gele maan’, zegt zij verheugd en gewichtig. Ik moet haar een hand geven en met haar meegaan naar het slaap-kamertje. Zij tilt het gordijn op. ‘Zie je wel? Kijk maar. Hij doet niets’, verklaart zij, alsof zij het hemellichaam uitgevonden en aan het uitspansel geplaatst heeft.
Nauwelijks ben ik terug in mijn stoel of een tweestemmig geroep stijgt omhoog. Zij willen hun vader zien, voor het traditionele allerlaatste toedek-ritueel. Pas nadat dit naar behoren is uitgevoerd, wordt het werkelijk stil.
Ik sta in de niet-verlichte huiskamer door het raam te kijken naar de straat, naar de huizenblokken aan de overkant. Achter vitrage-nevels de gele en witte gloed van lampen. Boven de daken, de glasheldere staalblauwe hemel. Het is windstil, er beweegt geen blad aan de bomen op het pleintje. In de kamer hiernaast: het gerikketik van de schrijfmachine van mijn man. Bij de buren studeert iemand Scarlatti. (Al luisterend aar die vertrouwde klanken ben ik hier en nu en tege-
lijkertijd hoe ver weg, in hoe oneindig veel tijdseenheden van mijn jeugd, een golf van herinneringen: gedachten, bewustzijnstoestanden, waarnemingen, associaties, opgeroepen door pianomuziek.)
Door het open raam dringt de gedempte geluiden-chaos van de stad-bij-avond, al vermengd met dat na inval van de duisternis zo duidelijk hoorbare suizen, dat wij stilte plegen te noemen.
Plotseling, zonder dat ik er op verdacht ben geweest, heb ik gedurende een onmeetbare spanne tijds, zowel eeuwigheid als ogenblik, die ervaring die zich niet in woorden laat vangen (er zijn hier geen andere mogelijkheden dan non-sens stamelen of zwijgen); zoals een vliegende vis, op eigen kracht uit het water omhoog gesprongen, voor één kort moment vogel is, en zweeft door dat hem onophoudelijk lokkende, vreemde ea vooralsnog dodelijke element, lucht.
Dit is dus gegroeid uit wat aanvankelijk als een poging tot rekenschap over de opzet van dat seer voorlopige ‘Boek der geschiedenis’ bedoeld was. Het boek van mijn geschiedenis is het echter ook niet geworden. Nu ik het geschrevene bekijk, die mélange van herinneringen en ontboezemingen, citaten en bespiegelingen, valt het mij op hoeveel ik verzwegen heb. Niet onbewust: waar ik geschrapt of achterwege gelaten heb deed ik dit, omdat ik meende dat de afstand tussen mij en wie dit onder ogen krijgt, kleiner dreigde te worden dan de goede smaak toelaat. Geen biecht, geen exhibitionisme op papier, geen uit subjectieve doeleinden geschetste, eenzijdige en daardoor misschien on-ware portretten van anderen. De geschiedenis van wat bij uitstek een privé aangelegenheid is, liefde, vriendschap, verdriet en vervoering, misstappen, dwaasheden en hard werken, laat zich niet direct vertellen. Wat heb ik gehoopt toen ik aan deze bij voorbaat al onvolledige en dus nooit tot een gaaf geheel te voltooien legkaart begon? Dat de oprechte wens zonder vermomming, dat is zonder angst of valse schaamte of wantrouwen door de woorden heen door te dringen tot de mens die de lezer is, voldoende excuus zou zijn voor de onbescheidenheid om het bladzij na bladzij over 'ik 'ste hebben? Ik ben uitgegaan van de veronderstelling dat het mogelijk zou zijn zonder toevoeging van dichterlijke verbeelding de eigen ervaringen te
gebruiken als bouwstof voor iets dat niet alleen mijzelf aanging. Ik meende dat eerlijkheid en een zekere mate van inzicht daartoe voldoende waren. Al schrijvend heb ik mij echter rekenschap moeten geven van de remmingen en beperkingen, onherroepelijk aan een dergelijke onderneming verbonden.
Wie de waarheid tracht te vangen door natuurgetrouwe weergave van de ‘werkelijkheid’ krijgt een vlakke prent waaraan juist de leven-suggererende dimensies ontbreken, een beeld, bedrieglijk gelijkend op het gezochte, maar een schim. De waarheid laat zich alleen verbeelden met behulp van een precédé dat niet op fotografische nauwkeurigheid is gericht:’...savoir mentir pour exprimer la vérité’ (Marcel Arland).
Het meest wezenlijke in een individu, dat wat hem het diepst vervult, het hevigst beroert, kan niet langs directe weg overgebracht worden, of het moest zijn in de intimiteit van een gesprek onder vier ogen, een brief, een bekentenis. Het is mogelijk uiterlijke gebeurtenissen en waarnemingen te vertellen, een standpunt, een overtuiging te formuleren, van voorkeur of tegenzin te getuigen. Maar wie het eigene wil herscheppen tot iets dat allen aangaat, en dat voor ieder als zodanig herkenbaar is, verwijdert zich, zodra zijn creatieve vermogen wordt ingeschakeld, verder en verder van de strikt ‘eerlijke’ weergave van het eenmaal beleefde. Om het essentiële uit de chaos te lichten en te onderstrepen moet men kiezen, rangschikken, en het resultaat van die activiteit dekt zelden of nooit de ervaren werkelijkheid. De vlucht voor de ‘roman’ uit behoefte aan geestelijke hygiëne berust op een misverstand, een gebrek aan inzicht. De onzindelijkheid waarmee men wil afrekenen, is niet in het genre maar in eigen hoofd en hart. Het ligt aan onszelf of de werkelijkheid onder onze pen de gedaante aanneemt van ‘fictie’ of ‘gelijkenis’. Het is, ook dit, weer een kwestie van bewust-wording. Met deze legkaart heb ik mijzelf opnieuw bewezen dat schrijven en leven één zijn. ‘Tell all the truth but tell it slant.’ (Emily Dickinson)
Al met al zou ik gedoemd zijn dood te lopen in onvruchtbare mystiek (onvruchtbaar, want door mij gezocht als een nieuwe illusie om de vroegere die ik gewogen en te licht bevonden heb te vervangen)
warmeer ik niet onophoudelijk mijzelf critisch blijf toetsen op waarachtigheid, dat wil zeggen, wanneer ik niet blijf controleren of de schalen van mijn innerlijke balans niet te eenzijdig doorslaan, nu eens in de richting van abstracties, dan weer in die van al te zeer zintuiglijk leven. Uitbreiding ad infinitum van mijn werkelijkheden en daarbij de voortdurende waakzaamheid van dat ene keuze-bepalende, groeikracht bevattende element dat ik bij gebrek aan een betere term bewust-zijn wil noemen. Streven naar die staat van het ‘ik’ van waaruit men de andere mens het dichtst benaderen kan, waar het sum-pathein een levende en levenwekkende ervaring wordt - want zònder die werkelijkheid ben ik, alle ontvankelijkheid, goede bedoelingen en intelligentie ten spijt, in-valide, niet tot groeien in staat.
Schrijven daarom: niet in de eerste plaats als doel op zichzelf, als roes, als emotioneel stofwisselingsproces, als de uit onlust om eigen onvolledigheid ondernomen weergave van schijn, maar vooral om datgene uit te drukken dat belangrijker is dan het schrijven zelf: bewust leven.
Het inzicht wordt gegeven om geleefd, dat wil zeggen van ogenblik tot ogenblik wáár gemaakt te worden. Daarom kunnen wij niet spreken van inzicht bezitten. De waarheid zet uit naarmate wij zelf groeien. Nooit achterhalen wij haar. Ik geloof dat dit onophoudelijk méé-groeien zin en doel van het mens-zijn is.
De ‘wereld’ afzweren? De ‘illusie’ verloochenen? Waarom? Alles hoort er bij. Hoe meer wij als ‘er bij behorend’ beschouwen, des te minder zullen wij verdringen. Een beperkt, hermetisch gesloten, ingekapseld ‘ik’ impliceert een met repressies geladen onbekende ruimte daaromheen, een ontzaglijk gevaar. Leven dus, maar hoe? Als die schelpdieren, die him eigen klein veilig domein zó gebouwd hebben dat het water van de oceaan er ongehinderd in en uit kan stromen.
Ik heb getracht uit de chaos van grillig gevormde stukjes een samen-hangend beeld bijeen te zoeken, maar mijn arbeid heeft geen ander resultaat opgeleverd dan dit inzicht: de legkaart is incompleet en, hoe dan ook, altijd alleen maar een fragment van een onvoorstelbaar veel groter geheel.