In het oude stadje Weerburg wonen drie heel geleerde heren. Die zijn zó geleerd dat ze alle haartjes van hun hoofd af gedacht hebben. Eén is erbij, dat is de grootste, die heeft een gouden medaille gekregen voor zijn geleerdheid.
Elke dag zijn ze bezig met de weerkalender. Dat is geen eenvoudige zaak. Probeer maar eens te voorspellen, of het over een maand zal regenen of waaien, of het heet of koud zal zijn. Iets zo maar zeggen, is niet zo moeilijk, maar komt het ook uit?
De drie weermannen van Weerburg praten over niets anders dan het weer. Het is hun hobby.
Als ze 's morgens bij elkaar komen, begint het al:
‘Goede morgen, mooi weertje vandaag!’
‘Ja, het staat op onze kalender: na regen komt zonneschijn.’
‘Maar een korte regen maakt soms grote plassen.’
‘En er is geen zonneschijn zonder schaduw.’
Een echte weerkalender is natuurlijk nooit af. Daarom hebben de weermannen altijd werk.
Nu zitten ze bij elkaar en vanwege het mooie weer hebben ze het raam open gezet.
Professor Van der Storm, dat is de geleerdste van de drie, heeft juist uitgerekend dat ze de 364e dag van het jaar moeten voorspellen.
‘Heren, het is duidelijk dat...’
Verder komt de weerman niet, want er komt een zonderling toestel naar binnen gevlogen, zo maar door het open raam. Met grote verschrikte ogen kijken de geleerden door hun brillen naar die vreemde indringers.

De schrik duurt niet lang, want de koffer landt heel zacht op de grote tafel. In de koffer zitten twee vriendelijke mannetjes. En beleefd zijn ze ook, want ze zetten hun muts af en ze buigen diep.
‘Jullie komen als een donderslag bij heldere hemel’, roept professor Van der Storm.
‘Maar we komen toch recht van de zuidpool’, zegt Puk, ‘in onze vliegende koffer.’
‘En vliegen jullie altijd zo maar bij de mensen binnen?’ vraagt de dikste van de drie.
‘We konden er echt niets aan doen’, vertelt Puk. ‘De koffer brengt je altijd waar je wezen moet. Toen we van de zuidpool kwamen, vloog de koffer steeds rechtdoor. We konden niet eens meer stoppen.’
‘Het is ongelooflijk’, zegt de derde weerman, ‘recht van de zuidpool. Als we op de zuidpool woonden, vrienden, waren we gauw klaar met onze weerkalender. Elke dag sneeuw en ijs. Meer niet.’
De drie geleerden willen die vliegende koffer wel eens goed

bekijken. Puk en Muk laten trots zien, wat de koffer allemaal kan.
Ze vertellen het hele verhaal. Eerst over de ballonreis en over de Arabische krant van de sultan van Ploef. En dan over de reis in de vliegende koffer. Maar waar is nu de weerkalender?
‘De echte weerkalender hebben wij alleen’, zegt professor Van der Storm trots. ‘Maar omdat jullie van zo ver gekomen bent, mogen jullie hem meenemen voor Batje de tovenaar. Wij maken zelf wel weer een nieuwe. Dat doen we graag. We doen niets liever.’


Dan neemt de professor het blad papier waar de kalender op staat. Er zijn nog twee lege hokjes: voor de 364e en de 365e dag. Snel neemt de prof een potlood en vult in: Hier en daar een bui, maar ook opklaringen. En bij de laatste dag: Opklaringen, maar ook hier en daar een bui.
Hij lacht tegen zijn vrienden.
‘Als we het zó invullen, is het altijd goed.’
Dan legt hij met een plechtig gebaar de weerkalender op de bodem van de vliegende koffer.
‘Doe veel groeten aan Batje. Zeg hem, dat hij maar eens iets gezelligs moet toveren, iets geks, op de elfde dag van de maand.’
Puk en Muk bedanken de drie geleerden die zo aardig voor hen zijn. Dan stappen ze op hun koffer en even later zweven ze boven Weerburg, nagewuifd door de vriendelijke weermannen.