|
|
|
| | | | | |
De taaie levenskracht van het sterke werkwoord.
In de ontwikkeling van de germaanse talen is een duidelijke
tendentie op te merken tot vereenvoudinging van het vormen-systeem, tot
nivellering en afschaffing van overbodige onderscheidingen. Wij zien dat aan
de sterke inperking van de buigingsklassen van de substantiva, aan het verval
van de naamvals-vormen, en van de persoons- en modusvormen bij het werkwoord.
De functie van de naamvallen is overgenomen door voorzetsel-constructies, door
strengere woordschikking en andere middelen. Bij het verbum werden de
persoonsvormen hoe langer hoe meer overbodig doordat hun functie overging op
begeleidende pronomina of nomina; de modi werden in ruime mate vervangen door
modale woordjes en omschreven werkwoordsvormen.
Dat betekent een geleidelijke overgang van het synthetische
taaltype, dat de oudgermaanse talen vertoonden, tot het analytische van de
moderne germaanse taal. Hoe verder de germaanse talen deze weg zijn opgegaan,
hoe ingrijpender de vereenvoudiging in het algemeen is van wat wij de
morphologie noemen: de grammatische middelen tot uitdrukking van betrekkingen
en verhoudingen aan het woord zelf. Van de drie westgermaanse cultuurtalen is
het Engels hierin het verst gegaan: in zijn germaanse bestanddelen is het bijna
een monosyllabische taal geworden, terwijl de mogelijkheden van morphologische
distinctieven aan het woord sterk zijn beperkt. Het conservatiefst is het
Duits; het Nederlands vormt niet alleen geografisch, maar ook in zijn stadium
van ontwikkeling het middenstuk. Men behoeft slechts een vluchtige blik te
slaan op de verbale en nominale flexie, met alle bijzonderheden van modus,
genus, casus enz., om zich van de globale juistheid dezer rangschikking te
overtuigen.
Te midden van dit vereenvoudigde en op ‘efficiency’
berekende grammatisch systeem staat het sterke verbum in zijn wonderlijke
grilligheid en onregelmatigheid als een zonderling anachronisme. Met recht mag
het genoemd worden een ‘taaloudheid’, waarvan men zich verwonderen
kan dat het nog niet is opgeborgen in het ‘museum van
taaloudheden’, om met Verdam te spreken, | | | | die weliswaar de
term in andere zin bezigde
1) dan hier is bedoeld.
Na de zoëven beschreven ontwikkeling, die bijna omwenteling mag
heten, is het morphologisch voorkomen van het verbum in de westgermaanse talen
geworden als volgt. Eén voorname categorie, die van het tempus, is in
stand gebleven, zelfs scherper gedifferentieerd: in de ene taal duidelijker dan
de andere heeft zich een perfectum afgetekend tegenover een imperfectum, een
onderscheiding waarvan de oudgermaanse dialecten nog slechts de eerste aanloop
kenden. Het imperfectum, formeel het oude praeteritum, wordt op de oude
‘synthetische’ wijze gekenmerkt door een vormverandering aan het
woord zelf; het perfectum op ‘analytische’ wijze door
hulpwerkwoorden met het participium. Dit laatste is, met de infinitief, een
vorm geworden van zeer groot belang. De gebruiksfeer van beide is sterk
uitgebreid
2) in verband met de toeneming van de omschreven temporale en
modale vormen. De infinitief heeft functioneel beschouwd generlei aanspraak
meer op de oude aanduiding ‘infinitivus praesentis’. Het is een op
zich zelf neutrale werkwoordsvorm, die zijn nadere betekenis (futurum,
imperatief, optatief, potentialis, vraag) eerst krijgt door de vergezellende
hulpwerkwoorden: ik zal eten; je moet eten; kun je niet eten?; je mag
eten, enz. Ook het participium, dat wij op historische gronden nog wel
aanduiden als ‘verleden’ of ‘voltooid deelwoord’, is
door die benamingen in zijn functie volstrekt niet gekarakteriseerd. Men denke
slechts aan het gebruik in zinnen als: een straatweg wordt aangelegd;
terwijl de baan schoongeveegd werd; ingerukt!
‘Infinitief’ en ‘praesens’ sluiten zich
formeel nauw bij elkaar aan, zo zij nog onderscheiden zijn: in het Engels is de
formele | | | | onderscheiding van bijna geen betekenis meer. Zo is dan
morphologisch het verbum van een moderne germaanse taal, veel meer nog dan in
het Oudgermaans, getypeerd door de vier vormen, waarvoor ik gemakshalve de oude
benamingen behoud: 1. praesens + infinitief; 2. en 3. praeteritum enkel- en
meervoud; 4. participium. Het oude viertal wordt, gelijk wij nog nader zullen
zien, hoe langer hoe meer tot drie gereduceerd, doordat enkel- en meervoud van
het praeteritum tot elkaar naderen; in het Engels, ook op dit punt het
radicaalst van de drie westgermaanse cultuurtalen, is dit proces voltooid in de
volkomen afschaffing van het verschil.
Ongedwongen laten zich deze drie of vier hoofdvormen in twee groepen
verdelen: enerzijds de groep praesens-infinitief, die zich nauw aansluit bij de
stam van het werkwoord, en anderzijds de groep praeteritum-participium, waarin
die stam door suffigering of interne wijziging veranderd wordt. Hoe meer de
verschrompeling van de uitgangen de infinitief en het praesens doet naderen tot
formele identiteit met de stam, hoe scherper de twee groepen zich tegen elkaar
aftekenen. Had het Engels niet nog de -s als uitgang van de derde
persoon, dan zou voor die taal de indeling kunnen zijn: groep 1 = de stam,
groep 2 = de gewijzigde stam.
Gemakshalve wil ik hier in 't vervolg de eerste groep aanduiden als
de ‘primaire’ vormen tegenover de ‘secundaire’ van de
tweede groep. ‘Primair’ en ‘secundair’ doelen hier dan
niet op historische volgorde van het ontstaan der vormen - al zouden de
benamingen bij het merendeel van de werkwoorden ook uit dit oogpunt niet geheel
ongepast zijn -; ook zijn de termen geheel los te denken van de betekenis die
in de vergelijkende grammatica er wel aan is gehecht: zij beogen alleen de
verhouding weer te geven, zoals die zich aan het moderne morphologisch besef
voordoet.
Sedert de oudgermaanse tijd zijn er, in het groot gesproken, twee
manieren om deze hoofdvormen van het werkwoord formeel te markeren: de sterke
flexie, die gekenmerkt was door een vrij grillige wisseling van het
stamvocalisme, en de zwakke flexie, in het Gotisch naar klassen
gedifferentieerd, waarvan de sporen ook in het Oudwestgermaans nog duidelijk te
zien zijn. In de middelperiode echter zijn deze klassen samengevloeid. En zo
hebben wij gekregen een uitermate praktische, eenvoudige | | | | en
evenmatige morphologische figuur: de onveranderde werk-woordstam in de primaire
vormen, diezelfde stam met duidelijke en gemakkelijk te hanteren
onderscheidingsmerken in de secundaire vormen. De groep van de aldus
flecterende werkwoorden werd gestadig uitgebreid doordat bijna alle nieuw
gevormde verba er zich bij aansloten. Zo kreeg de zwakke flexie, door haar
eenvoud en gerieflijke hanteerbaarheid reeds aantrekkelijk, langzamerhand een
overweldigende numerieke meerderheid.
Wie dit verloop aanzag b.v. in de vijftiende eeuw, en de algemene
richting in de ontwikkeling der germaanse talen kende, zou de voorspelling
hebben durven wagen dat omstreeks het jaar 2000 de doelloze en lastige
verscheidenheid in de verbale flexie zou ongedaan gemaakt zijn door een
algehele overwinning van het eenvoudige en regelmatige type. Maar het is anders
gelopen. Wel zien wij ieder opkomend mensengeslacht het proberen met
slaapte, zingde e.d. Telkens weer rammelt de jongste generatie aan de
zware ketenen der traditie. Maar even grif staat en stond een ouder geslacht
gereed om te verbeteren en weer vast te klinken wat los dreigde te raken. En
heeft de kleine mens eenmaal ervaren dat zijn verstandige poging om naar
redelijke analogie praeterita te vormen door de volwassenen als stumperigheid
wordt gewaardeerd, dan worstelt hij nog lang, eer hij zeker is van de juiste
vormen. Geen treffender demonstratie van het archaïstische in de sterke
flexie dan het krampachtig tasten van een intelligenten zesjarige, die zijn
taal phonologisch en phonetisch en syntactisch volkomen beheerst, maar bij
gelegenheid verklaart dat het 's nachts gevriesd heeft of met
cumulatievormen als liepte en gingde haspelt. Met dat al is de
positie van de ‘sterke’ flexie nog zo onverzwakt, dat wij het in
onze grammatica's nog niet aandurven - wat men in het Engels al doet - de
kleine groep afwijkende en onderling zeer uiteenlopende sterke werkwoorden aan
te duiden als de ‘onregelmatige’ tegenover de overgrote massa van
regelmatige werkwoorden die wij hardnekkig ‘zwak’ blijven
noemen.
Er zijn wel enkele successen behaald: een aantal sterke werkwoorden
is inderdaad zwak geworden, geheel of gedeeltelijk: in het laatste geval is de
regelmatige vorm alleen nog in het praeteritum doorgedrongen. Waarom het
participium gewoonlijk vasthoudender was, komt straks ter sprake. In het
Nederlands hebben vooral de sterke werkwoorden van de klasse varen-
voer-gevaren een veer gelaten: bakken, lachen, laden, schaven, | | | |
waden, waken, wassen zijn grotendeels genormaliseerd, nadat
zij in het oudere Nederlands veelal een ie-praeteritum naar de
reduplicerende klasse hadden gehad. Overigens zijn de vanouds reduplicerende
werkwoorden ook sterk aangetast. Laten wij groeien buiten beschouwing,
dat al heel vroeg zwakke vormen heeft gekregen, dan blijven nog heten,
raden, scheiden, spannen, stoten, vouwen, vloeken, waaien, zaaien, om maar
de meest gebruikelijke van deze groep te noemen.
Wat de a-oe-klasse betreft, zal de normalisering voor een
belangrijk deel daaraan zijn toe te schrijven, dat één van de
secundaire vormen, het participium, in de meeste gevallen zich niet door
klankwisseling van de primaire onderscheidde: naast laden stond
geladen, naast lachen: gelachen. Het morphonologisch principe der
klankwisseling werd verzwakt, doordat het niet meer op alle
secundaire vormen van toepassing was: één stap in de richting van
afschaffing van dit principe was al gedaan. Misschien is het dan ook niet
toevallig, dat scheppen en heffen, die in de deelwoorden
geschapen en geheven wel klankwisseling vertoonden, taaier zijn
gebleken. Maar beseffen-besief (besoef)- beseven, dat in hetzelfde geval
verkeerde, heeft het moeten afleggen.
Voor de reduplicerende werkwoorden gold ten dele hetzelfde motief
(spannen-gespannen; stoten-gestoten); bovendien waren zij vanouds al
zeer trefbaar door hun bijzonder afwijkend voorkomen, terwijl hun primaire
vormen door een bonte afwisseling in vocalisme allerminst iets als een systeem
vormden en zodoende elkaar in het geheel niet steunden.
Overeenstemming tussen de primaire vormen en het participium bestond
ook bij de meeste werkwoorden van het type geven-gaf- gegeven, en
inderdaad is ook van deze numeriek niet zeer sterke groep een groot gedeelte
zwak geworden sedert de middeleeuwen: kleven, kneden, leken en weven.
Meten is een goed eind op weg: het praeteritum mat moet in
beschaafde omgangstaal hoe langer hoe meer wijken voor meette.
Wij mogen ons niet voorstellen met de aanwijzing van deze factor het
gecompliceerde spel van analogie en herklassering geheel te hebben doorschouwd.
Èn de geredupliceerde èn de a-oe-klasse hebben op hun
terugtocht nog tactische voordelen behaald. Nemen wij als de grote
tegenstelling ‘sterk’ en ‘zwak’, dan zijn de voordelen
van de reduplicerende klasse het geringst: de praeteritumvocaal die hier
thuishoorde is overgegaan op verba van andere ook reeds sterke klassen:
be- en verderven, helpen, | | | |
sterven, werpen,
zwerven, heffen, scheppen.
1) Daarentegen heeft de groep van
varen en dragen nog in betrekkelijk late tijd zoveel werfkracht
gehad, dat bij een paar veel gebruikte zwakke werkwoorden het klankwisselend
praeteritum van die klasse vaste voet heeft gekregen, nl. jagen en
vragen.
Ook waaien is met woei in deze invloedsfeer
getrokken.
Zoëven werd al vermeld dat bij de aanwinsten van het
regelmatige flexietype in de laatste eeuwen dikwijls het participium de sterke
vorm behield: geladen bleef naast laadde bestaan, lachte
heeft nog niet tot gelacht geleid. Vermoedelijk is dit zó te
verklaren, dat het sterke participium, sedert ge- het normale prefix van
het participium was geworden, al één voornaam morphologisch merk
met het regelmatige participium gemeen had: het was om zo te zeggen half
regelmatig. De uitgang was, bij het prefix, vergeleken, wel niet indifferent,
maar toch functioneel lang niet zo gewichtig als de klankwisseling in het
praeteritum, die hèt afwijkende was geworden, hèt
characteristicum van het sterke werkwoord. Op dit centrale punt richtte zich
allereerst het streven tot normalisering; was dàt veroverd, dan kon het
participium ook de regelmatige vorm krijgen, maar het volgde nog niet
automatisch. Om dezelfde redenen verdraagt zich, bij het omgekeerde verloop,
ook vroeg met gevraagd en joeg met gejaagd.
De grote uitzondering is geweest tegenover was. Nu was
het verbum substantivum door de grilligheid van onverwante of niet meer als
verwant herkende vormen (ben, is, zijn, was) van een zodanige
onregelmatigheid, dat zelfs de groepering van primaire tegenover secundaire
vormen hierin niet is terug te vinden. Dat zulk een zonderling paradigma in
zijn ontwikkeling onberekenbaar is, behoeft niet te verwonderen, en men zal bij
| | | | de verklaring van de ondergang van gewezen de homonymie met
gewezen, deelwoord bij wijzen, ten hoogste als bijkomende factor
laten gelden.
Buiten de overgangen in groepverband naar de regelmatige flexie, die
hierboven zijn besproken, zijn er nog enkele geïsoleerde gevallen van
normalisering, zoals dorsen, barsten, kruien, spuwen en
(ver-)helen. Het is niet mijn bedoeling voor elk van die naar een
oorzaak te zoeken. Voor de eerste vier, in het bijzonder voor spuwen zal
isolering, declassering ten gevolge van apart klankverloop wel meegewerkt
hebben tot verzwakking van het weerstandsvermogen.
Van meer belang is een andere, minder ingrijpende nivellering, die
ingetreden is bij de sterk gebleven werkwoorden. De oude veelvormigheid is
beperkt doordat veelal in het praeteritum de klinkers van enkel- en meervoud
gelijk gemaakt zijn in de west-germaanse cultuurtalen, die nog enkel- en
meervoud onderscheiden, nl. het Nederlands en het Duits. Al dadelijk is hierbij
op te merken, dat door deze vereenvoudiging het morphonologisch principe van de
klankwisseling verstevigd wordt. Het is duidelijk dat een stel vormen
binden-bond-bonden of binden-band-banden de morphonologische
scheidslijn tussen praesens en praeteritum scherper trekt dan het minder
duidelijk antithetische oudere type binden-band-bonden. Verder blijkt
terstond, dat het Nederlands de pinnen van de klankwisselende flexie nog
steviger heeft ingeslagen dan het Duits, doordat het alle
secundaire vormen onderling gelijk gemaakt heeft: ndl.
bond-bonden-gebonden tegenover dui. band-bunden-gebunden. Juist
als bij de zwakke of regelmatige werkwoorden staan nu in het Ndl. de primaire
en secundaire vormen scherp afgetekend tegenover elkaar. Dat verhoogt de
levensvatbaarheid van het systeem, en ook, zoals wij nader zullen zien, de
expansieve kracht.
Deze vereenvoudiging valt het duidelijkst in het oog, en wordt
daarom veelal het nadrukkelijkst geconstateerd, bij de werkwoorden van het type
binden. Intussen heeft hetzelfde - waarschijnlijk al vrij vroeg -
plaatsgehad bij de groep van grijpen en die van bieden en
buigen: in ieder geval hebben tegenwoordig de dialecten, die
ê en ē, ô en ō nog
onderscheiden, meestal de ē en ō die
oorspronkelijk in het meervoud thuishoorde. Het Algemeen Nederlands kent de
differentiatie tussen de twee ee- en de twee oo-klanken niet
meer, en zo geldt ook voor deze | | | | klassen - die in het participium
vanouds dezelfde klinker hadden als in het meervoud van het praeteritum - het
beginsel: eenzelfde klinker in alle secundaire vormen.
Minder duidelijk spreekt de toenadering tussen enkel- en meervoud
van het praeteritum in de groep van eten en nemen. At en
aten, nam en namen hebben wel niet dezelfde klinker, maar toch de
twee klinkers die in dag en dagen, pad en paden in vaste
en nauwe onderlinge betrekking staan. Men mag zeggen dat bij nam en
namen de gelijkheid is verkregen voorzover het phonologisch systeem van
het Nederlands dat toeliet bij behoud van de bestaande groepering van vaste en
losse aansluiting, of - wil men liever - van korte (d. w. z. niet verlengbare)
en lange (d. w. z. verlengbare) klinker. Dat er inderdaad naar toenadering of
gelijkmaking in deze zin is gestreefd, komt duidelijker uit in die oostelijke
dialecten, die de vanouds lange â als een å-klank
onderscheiden van de in open lettergreep verlengde korte a: men vindt
daar nl. gewoonlijk in het meervoud de klinker die aan de verlengde
ā beantwoordt, niet de ṓ, die de
regelmatige voortzetting is van â. Een stap verder heeft bv. het
Roermonds gedaan, waar de oo uit â ook in het enkelvoud is
gedrongen, zodat nu èn enkelvoud èn meervoud de lange klinker
hebben. In andere richting, ten gunste van de vast aangesloten of korte
klinker, hebben hollandse dialecten die verdere stap gedaan: daar treft men
nam-namme(n), zat - zatte(n) aan. In deze werkwoordklassen houdt evenwel
in het Hollands veelal en in het Alg. Ndl. steeds het participium zijn van het
praeteritum afwijkende klinker, zodat de eenheid van alle secundaire vormen
hier niet is bereikt.
Zonder verder op de nogal uiteenlopende en belangwekkende
dialectische bijzonderheden in te gaan, wil ik hier alleen nog vermelden dat de
door Mej.
Hol bestudeerde sterke verba met umlaut in het
participium deze umlaut niet zelden hebben doorgevoerd in alle secundaire
vormen, zodat men bv. bij gieten dezelfde tegenstelling krijgt als in de
algemene taal: geut-geuten- (e)geuten. Soms strekt deze
uniformisering van de secundaire vormen zich ook uit over groepen die in de
algemene taal een afwijkend participium hebben behouden, als bv.
steken-steuk-steuken-esteuken. Bij
Overdiep Stil. Gr. 305 staat een overzicht van de
sterke buigingsklassen in het dialect van Huizen (N.-H.), dat laat
zien hoever het streven naar gelijkmaking daar heeft doorgewerkt. | | | |
Hiermee is het overzicht vrijwel volledig van de regulering die in
de loop der eeuwen de sterke flexie heeft ondergaan: een klein gedeelte is
geheel of gedeeltelijk tot de regelmatige (zwakke) werkwoorden overgegaan, een
-ander deel heeft door nivellering tussen de secundaire vormen een minder
grillig uitzien gekregen.
Daartegenoyer staan echter veroveringen op de regelmatige flexie.
Wij zagen boven al, dat de verba met klankwisseling a-oe op hun
terugtocht nog voordelen behaalden. Van een terugtocht kan men in ‘t
geheel niet spreken bij de klasse van grijpen: hier zien wij eerder een
bescheiden, maar geregelde aanwinst.
1) Al spoedig na de ontlening wordt prijzen
in het Hoogduits sterk; in het Nederlands handhaven de zwakke vormen zich wat
langer, maar thans is het pleit beslecht, nu een zwak prijzen, nog als
denominatief gevoeld, semantisch definitief van het sterke prijzen
gescheiden is. Kwijten en spijten hebben in het Nederlands een
geschiedenis die enigermate met die van prijzen te vergelijken is; ook
zij zijn van uitheemse oorsprong. Wijzen bewaart in gewijsde nog
de herinnering aan zijn zwak verleden. Van (ge)lijken zijn geen sporen
van zwakke buiging meer over, behalve in de 2e en 3e pers. enkelvoud van het
praesens in oostelijke dialecten (die ie hebben, en niet de verkorte
klinker i als in grip(s) bij grijpen). Zelfs de langere
dialectische vorm lijkenen heeft niettegenstaande zijn voor een sterk
verbum ongewone primaire vorm geen zwakke flexie meer.
2) Met schijnen staat het
evenzo als met lijken. Belijden is sterk geworden langs de merkwaardige
omweg van de hypercorrect ingevoegde d. Voor vrijen aanvaardt de
Woordenlijst van
De Vries en
Te Winkel, door
Beets in de 7e druk bewerkt, sterke flexie naast de
normale zwakke.
Brill ging in 1870 in zijn
Nederlandsche Spraakkunst (I, 327) al verder,
toen hij vrijen onder de | | | | sterke werkwoorden opnam, en
alleen voor een bepaalde betekenisnuance nog zwakke flexie liet gelden.
Daarentegen zien wij sedert 1870 verdere voortgang van de sterke verbuiging,
als
Brill bij hijsen nog zwakke vormen naast de sterke
erkent, evenals bij mijden en vermijden en het minder
gebruikelijke aantijgen; bij deze werkwoorden, althans bij hijsen
en (ver)mijden, is thans het proces voltooid. Anders staat het
weer met hijgen en krijsen, die Brill als normaal sterk aangeeft
met óok zwakke vormen. Een belangwekkend voorbeeld is voorts
stijven, dat juist in de meest alledaagse, concrete betekenis sterk is
geworden.
Het is te begrijpen dat ook werkwoorden met ei in deze sfeer
worden getrokken. Een aardig geval is uitscheiden, gemeenzamer dan het
simplex scheiden, en wellicht door velen niet meer als een compositum
daarvan gevoeld: schee uit en uitgescheeën zijn wel als de
gangbare beschaafde vormen aan te merken. Ook van breien hoor ik
dikwijls vormen als gebreeën jumpers; zelfs meen ikzelf, die aan
gebreide vasthoud, langzamerhand daarmee het odium van overdreven
correctheid op mij te laden. In hollandse dialecten is ook reizen veelal
sterk. In een meisjesboek, waarvan ik helaas titel en bladzijde niet kan
terugvinden, vond ik vrijgepleten als participium bij
vrijpleiten: een vorm die men zonder aarzeling als foutief zal
brandmerken, maar intussen de kracht van de tendentie tot
ver‘sterk’ing treffend illustreert.
De oorzaak van deze opmerkelijke expansieve kracht van het
flexietype ij-ee moet wel voornamelijk gelegen zijn in de onderlinge
gelijkmaking van de secundaire vormen, waardoor deze onregelmatige werkwoorden
een zekere regelmaat verkregen, en in de scheiding tussen de hoofdvormen
dezelfde systematiek vertoonden als de regelmatige zwakke verba. De
consolidatie van het klankwisselend flexietype door deze logische groepering
van de vormen heeft de aldus vereenvoudigde verba niet alleen sterker gemaakt
in de strijd tegen de overmacht van de regelmatige verba, maar zelfs ze in
staat gesteld op de regelmatige veroveringen van betekenis te maken.
Om dezelfde reden heeft het type bergen, gelden nog
schenden, schenken en zenden kunnen annexeren; van wenken
komen sterke vormen dialectisch voor, en litterair bij
Gorter in de
Mei; ook erven, orf, georven is
dialectisch zeer gewoon, en uit beschaafde mond geenszins ongehoord. Bij
winden-wond heeft zich dingen aangesloten. Het eveneens
gereguleerde type buigen-boog-bogen-gebogen heeft succes gehad met
fluiten, pluizen en spuiten, | | | | terwijl de sterke
flexie van ruilen, hoezeer in westelijke dialecten verbreid, evenals die
van juichen en wuiven onder het niveau van het beschaafd is
gebleven. Fuiven-foof-gefoven is zeker van oorsprong een opzettelijke,
schertsende formatie, maar heeft opgang gemaakt doordat het zich kon aansluiten
bij de gereguleerde en daardoor expansieve groep met ui in de primaire
en oo in alle secundaire vormen. Dat de klasse van grijpen de
sterkste werfkracht heeft betoond, zal wel liggen aan de grote getalsterkte van
deze groep, alsook misschien aan de betrekkelijke talrijkheid van zwakke verba
die hetzelfde stamvocalisme hadden en daardoor voor annexatie in aamerking
kwamen.
Uit het voorgaande blijkt al voldoende, dat de klankwisselende
verbale flexie in het Nederlands geenszins een fossiele rest is. Een uitlating
als die van
Meillet, Caractères généraux des
langues germaniques 149: ‘le groupe ne s'est enrichi de formes
nouvelles que par exception’ kan men nauwelijks voor het Nederlands
toepasselijk achten, en zeker niet zal men er mee instemmen dat de sterke
werkwoorden ‘tendent à, sortir peu à, peu de
l'usage’.
Bovendien is juist in de laatste eeuwen dit flexietype versterkt op
een heel andere wijze dan totnogtoe werd besproken. Deze versterking hangt nauw
samen met een germaanse eigenaardigheid, die bij uitstek tot de
‘caractères gén´raux’ behoort en de
morphologische revolutie van de germaanse talen zeer heeft bevorderd: namelijk
het zware initiale accent. Een late nawerking hiervan is de tendentie tot
apocopering van de ə aan het einde van de ongeaccentueerde
slotsyllabe
1), waardoor het Nederlands met een grote rubriek van woorden
genaderd is tot de monosyllabische gedaante van het Engels, en zich verder
verwijderd heeft van het Duits, dat hieraan lang niet in dezelfde mate heeft
meegedaan.
Om licht doorzichtige redenen is de eindklinker van het zwakke
praeteritum bij dit proces ontzien. Zodra echter het praeteritum, door welke
oorzaak dan ook, een stamvorm vertoonde die van die van het praesens afweek, is
de apocope doorgegaan.
2) Zo
krijgen wij aanwinsten als bracht, dacht, kocht,
zocht, had; ook dorst, mocht en wist zijn
hiertoe te rekenen.
Misschien zal iemand er bezwaar tegen maken, dat het type
| | | |
bracht, kocht enz. op één lijn gesteld
wordt met de vanouds sterke praeterita, omdat er in bracht e.d. meer
verandert dan de stamklinker. Dit bezwaar, voortkomend uit de historische
beschouwing van moderne toestanden, is van hedendaags grammatisch standpunt
ongegrond. Want niemand maakt er bezwaar tegen dat vriezen-vroor,
zien-zag, komen-kwam, houden-hield, slaan-sloeg
‘sterk’ genoemd worden. En hierin is de verandering in het
praeteritum even ingrijpend en even weinig tot de stamklinker beperkt als bij
brengen-bracht. Het kenmerkende voor het huidige taalgevoel van de
zwakke of regelmatige verba tegenover de andere is gelegen niet in de
klinkerwisseling, maar in de stamverandering. Bij de
‘gewone’ verba blijft de stam onveranderd, maar krijgt een
verlengstuk dat het praeteritum in het enkelvoud tweesyllabig maakt. Bij de
‘onregelmatige’ verba wordt de stam zelf veranderd en het enkelvoud
van het praeteritum blijft éénsyllabig. Vervangt men de
tegenstelling klankwisselende en niet-klankwisselende
verba door de ongetwijfeld juistere: stamwisselende en
niet-stamwisselende verba, dan behoren bracht, dacht
en kocht tot de stamwisselende groep. Dat de stamwisseling bij sommige
verba tot klinkerwisseling beperkt blijft, bij andere, zoals zien,
houden, brengen, kopen, meer ingrijpend is, doet niet af
aan het feit, dat al deze verba gevoeld worden als te behoren tot dezelfde
morphologische groep. De uitgang van het participium is, gelijk wij reeds
zagen, tegenover de wisseling in het praeteritum van zeer ondergeschikt belang
geworden sedert ge- het typerende prefix van het participium bij
alle verba werd. De uitgang was trouwens allang weinig markant in
gezien en bij de veelal in de grammatica's als
‘onregelmatig’ erkende werkwoorden gaan, staan en doen
(gegaan, gestaan en gedaan). Het behoeft wel geen betoog, dat wij
ook deze werkwoorden tot de stamwisselende klasse rekenen. Het praeteritum
dede bij doen is dan ook volgens hetzelfde procédé
behandeld als brachte enz.
Een andere weg is de meer gemeenzame vorm dee gegaan. Hier is
de syncopering van intervocalische d, met syllabeverlies, dienstbaar
gemaakt aan de inlijving van dit toch al onregelmatige werkwoord bij de
stamwisselende groep. Het klankproces was hier te vergelijken met vree
uit vrede, kou uit koude, hei uit heide.
Zoals de apocope van slot-e bij werkwoorden met onveranderde stam in het
praeteritum niet doorging, zo bleef ook de syncopering van d achterwege
in gevallen als vleien-vleide, | | | |
bouwen-bouwde. Zodra
echter het praeteritum, door welke oorzaak dan ook, in stamvorm van het
praesens verschilde, kon de uitgang -de vervallen, en dit is dan ook
geschied in wou. Weldra zal zoude het veld geheel geruimd hebben
voor zou, terwijl zeide ook al archaïstisch begint te worden
tegenover zei. En als lei bij leggen niet min of meer naar
het hoekje van de vulgarismen gedrongen werd, zou het stellig weldra even
gewoon zijn als zei.
1)
Bij konde dat tot kon werd, is zelfs geen algemene
klanktendentie aan te wijzen, die voor deze inlijving bij de stamwisselende
groep aansprakelijk te stellen is. Sedert konnen als praesens vorm het
afgelegd heeft tegen kunnen, was er blijkbaar geen reden meer om de
overbodige uitgang -de in konde te handhaven. Men kan zich zelfs
afvragen of het in onbruik raken van de vorm konnen in praesens en
infinitief niet bevorderd is door de neiging om het praeteritum in stamvocaal
tegenover het praesens te differentiëren.
Al de werkwoorden, die op deze wijze zich aansloten bij de
stamwisselende groep, behoren tot de meest voorkomende. Enerzijds is dit een
bewijs voor de expansie-kracht van de stamwisselende werkwoorden, anderzijds
betekenen juist zulke veroveringen een machtige versterking van de positie
dezer groep.
Het is verder de moeite waard op te merken dat vele van de hier
besproken aanwinsten van het stamwisselende flexietype behoren tot de
praeterito-praesentia. Deze werkwoorden van onverdacht sterken huize hadden in
het Oudgermaans, ter | | | | voorziening in de behoefte aan een
verleden-tijdsvorm een zwak praeteritum gekregen: got. kunpa, skulda
enz. Dit had de eerste stap kunnen zijn in de richting van verdere
normalisering dezer buitenissige werkwoorden naar het regelmatige
‘zwakke’ type. Maar in het Nederlands heeft die ontwikkeling een
scherpe bocht gemaakt: de werkwoorden zijn opnieuw stamwisselend geworden.
1)
In het Duits hebben deze praeteritopraesentia wel heel wat
onregelmatigs behouden, maar het algemene beeld gaat toch veel meer naar de
zwakke verba toe dan in het Nederlands: muss-musste, soll-sollte
vertonen al een heel wat regelmatiger aanzien dan hun nederlandse verwanten.
Ook de andere factoren, die in het Ndl. meegewerkt hebben tot aansluiting van
afwijkende zwakke werkwoorden bij de vanouds sterke, hebben in het Duits geen
invloed in die richting uitgeoefend: brachte en dachte zijn wel
niet geheel regelmatig, maar handhaven toch ongerept hun normale
‘zwakke’ praeteritumdistinctief; habte-gehabt, sagte-gesagt,
legte-gelegt zijn onberispelijk.
Het Nederlands, dat in het algemeen verder is gegaan dan het Duits
in het nivelleren van vroegere grammatische onderscheidingen, heeft dus de
kloof tussen stamwisselende en regelmatige, d.i. zwakke, werkwoorden niet
overbrugd, maar verdiept. En het Engels, het radicaalste van de drie in
vereenvoudiging van het grammatisch systeem, heeft grosso modo de sterke flexie
naast de zwakke behouden, en het totale beeld is er sedert het Oudengels niet
veel regelmatiger op geworden. Bovendien zijn in het Engels veel talrijker dan
in het Nederlands de zwakke werkwoorden, die door een bijzonder klankverloop
tegenwoordig stamwisselend moeten heten: keep-kept (bij dit type hebben
zich verschillende vanouds sterke verba als Greep, sleep aangesloten),
flee-fled, shoe-shod; mean-meant, feel-felt, kneel-knelt; bleed-bled,
feed-fed, meet-met; have-had, make-made; zelfs het oorspronkelijk franse
catch heeft caught als praeteritum. Bij think-thought,
bring-brought, seek-sought, die de nederlandse tegenhangers in intensiteit
der stamverandering nog overtreffen, sluit zich buy-bought aan. Voorts
dragen de oude praeterito-praesentia het hunne bij om het algemene beeld van de
engelse verbale flexie verward en grillig te maken: can-could,
shall-should,
| | | |
may-might, waarbij het
‘optatief-praesens’ will-would zich waardig aansluit. Een
verwarring en grilligheid, die onweersprekelijk de taaie levenskracht toont van
de stamwisselende flexie. Enigszins generaliserend mag men zeggen: hoe
radicaler een westgermaanse taal het algemene proces van vereenvoudiging en
systematisering heeft doorgemaakt, hoe vaster de onregelmatige stamwisselende
flexie is komen te staan.
Wie deze toestand paradoxaal noemt, moet bedenken dat het verloop
der taalontwikkeling door zo velerlei van te voren niet berekenbare factoren
wordt bepaald, dat het altijd een waagstuk is, over de grote lijn in die
ontwikkeling iets als een voorspelling te doen. Ten hoogste kan men achterna
zulk een algemene lijn aanwijzen. Zo zouden wij er ons ook bij kunnen
neerleggen, dat de algemene richting, die wij in de germaanse taalgeschiedenis
kunnen opmerken, niet is te herkennen in de verbale flexie. En daarmee zouden
wij ontheven zijn van de verplichting tot verklaring van de paradoxaal
schijnende toestand.
Het is inderdaad niet nodig en niet gewenst, te zoeken naar een
verklaring, die van alle feiten en bijzonderheden rekenschap geeft. Wel kunnen
wij althans één belangrijke omstandigheid aanwijzen, die voor het
behoud en de versterking van de stamwisselende flexie gunstig is geweest. Deze
namelijk, dat de wisseling de beklemtoonde syllabe treft. Zo bleef die
wisseling in het centrale punt van de aandacht, en een opkomende neiging tot
opruiming vond geen steun in de tendentie tot verzwakking van de onbeklemtoonde
syllaben, welke tendentie b.v. de aantasting van de casus- en persoonsvormen
zozeer in het gevlij is gekomen. Diezelfde verzwakking heeft juist het besef
van de verbale stam verlevendigd, en naarmate de verbale vormen werden
gereduceerd tot de stam en niets meer, werd de morphologische wisseling van
stam een steeds duidelijker sprekend onderscheidingsmerk. En zo vertoont de
taal, die het hevigst de consequenties van het germaanse initiale accent heeft
getrokken, het Engels, ten aanzien van de stamwisselende flexie juist een zeer
archaïstisch beeld.
Den Haag, April 1940.
C.B. van Haeringen.
|
1)In zijn rectorale rede Een museum, van
taaloudheden (1909).
2)De grote frequentie van de infinitief
blijkt op eigenaardige wijze in de kindertaal. Het is zeer gewoon dat de eerste
verbale vorm die het kind verovert, de infinitief is: slapen, eten,
lopen enz. gaan dikwijls, zij het in phonetisch nog onvolkomen vorm, aan de
persoonsvormen vooraf. De reden hiervan is dat het kind, zolang het nog niet
meer dan een of twee woorden achtereen spreekt, de infinitief het meest hoort
en daardoor het eerst abstraheert uit de vele omschreven vormen (zie de
voorbeelden met eten enige regels verder in het artikel). Om dezelfde
reden hoort ook het participium tot de eerste werkwoordsvormen: min of meer
geslaagde reproducties van gedaan, gekregen, (op)gegeten e.d. komen al
vroeg voor vooral in het stadium van de uit twee woorden bestaande
zinnen.
1)Deze veroveringen zijn niet van zo grote
betekenis als de officiële taal doet vermoeden. Heffen en
scheppen en werpen zijn geen volks-taalwoorden. En voorzover de
genoemde werkwoorden wel tot de volkstaal behoren ( bederven, helpen,
sterven, zwerven), is het ie-praeteritum dialectisch weinig
verbreid. (Daarentegen is wier( d) bij worden, in
litteraire taal als archaïstisch-statige vorm gewaardeerd, zeer gewoon in
dialecten). De ie, die in het praeteritum van de groep van
bakken enz. indrong (zie boven blz. 245), is geen blijvend succes
geweest, maar eerder mede oorzaak geworden dat bakken-biek e.d.
losraakten van varen-voer, dragen-droeg en daardoor in
weerstandsvermogen verminderden.
1)Wanneer schrijven niet met lat
scrîbo oerverwant, maar daaraan ontleend is, dan is de overgang
van dit werkwoord wellicht de oudste annexatie van de klasse van grijpen
in het Westgermaans. Want het zal dan aanvankelijk wel zwak geweest zijn, zoals
oudnoords skrifa gebleven is. Maar dit is slechts een bijzonderheid, die
geheel los staat van het latere verloop in het historische Nederlands en ten
dele ook in het Duits.
2)Dat trouwens zo'n dactylische infinitief,
en formele aansluiting bij de echt zwakke frequentativa, geen voldoend
voorbehoedmiddel is, toont twijfelen, dat in hollandse dialecten veelal
sterk is: twefel- getwefelen.
1)Zie hierover N.T. XXXI, 241 vlgg.,
322 vlgg.
2)Vgl. N.T. XXXI, 243 vlg.
1)Waarom lei ongunstige vooruitzichten
heeft, terwijl zei een roem-volle carrière maakt - het in
Zuid-Nederland wel gebruikte zegde zal die carrière
geen hindernis meer in de weg leggen - durf ik niet uitmaken. Ik vermoed dat
het samenhangt met de in het laatste paar eeuwen streng getrokken scheiding
tussen leggen en liggen, d.i. met de definitieve vonnissing van
leggen ‘liggen’. De mensen nl. die op dit tere punt tot de
onzekeren of tot de stelselmatige zondaars behoorden, gebruikten dikwijls
lei = ‘lag’, trouwens ook wel lag =
‘legde’. Dit laatste is waarschijnlijk in de school weggewerkt door
er op te hameren dat het bij liggen hoorde, terwijl lei afgeraden
werd - ook in de toelaatbare betekenis ‘legde’ -, omdat het door
zijn klankwisseling tegenover het praesens twijfel liet. De meest doelmatige
bestrijding van een ongewenst lei bij liggen was het propageren
van een regelmatig zwak leggen-legde-gelegd (zonder lei)
tegenover een sterk liggen-lag-gelegen, waardoor alle onzekerheid werd
opgeheven.
1)Met uitzondering alleen van deugen
en gunnen. Misschien volgt nog durven: het is zeer wel mogelijk,
dat dorst het in de toekomst tegen durfde moet
afleggen.
|
|