|
|
|
| | | | | |
Vervoegde voegwoorden in het Oosten.
Onder de titel ‘Congruerende voegwoorden’ heb ik
indertijd in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterkunde, LVIII,
161 vlgg., gewezen op het eigenaardige verschijnsel, dat voegwoorden in
westelijke dialecten soms in hun vorm ‘congrueren’ met een
meervoudige persoonsvorm van een werkwoord, en wel als ze een ondergeschikte
zin inleiden waarin zo'n meervoudige persoonsvorm voorkomt. Die
‘congruentie’ doet zich o.a. voor bij de voegwoorden as, of,
dat en omdat. Men hoort in Zuid-Holland en elders
1): De meide gaan maar uit azze ze zin
hebbe; Vraag es ovve ze vanavend komme; Ze ken niet mee, omdatte de kindere
ziek benne. Ook bij andere verbindingswoorden is het op te merken, b.v.
betrekkelijke voornaamwoorden: Jonges dieë van anpakke wete; Ik weet
niet watte we d'ran doen motte
2), enz.
De meervoudige werkwoordsvorm is vereist. Uitgesloten zijn zinnen
als De meid gaat maar uit azze ze zin heb en Vraag es ovve Gerrit
vanavend komp; hier past alleen as en of. De binding aan die
werkwoordelijke vorm spreekt zo duidelijk, dat men met enig recht van
‘vervoegde’ verbindingswoorden kan spreken. Dat heeft
Van Ginneken gedaan in een later artikel, Onze
Taaltuin VIII, 1 vlgg.
Verder moeten het bepaald ondergeschikte zinnen zijn.
Nevenschikkende voegwoorden als want en maar kennen de
‘vervoeging’ niet. Een zin als Ik ken niet mee, wante de kindere
benne ziek is onmogelijk; evenzo Ik ga mee, mare de kindere blijve
thuis. Dat gebonden zijn aan de onderschikking zal wel verband houden met
een trek van de woordschikking die de ondergeschikte zin kenmerkt, nl. dat de
persoonsvorm, als er ook bepalingen of voorwerpen in de zin voorkomen, op
grote, vaak zelfs op de grootst mogelijke afstand van het onderwerp komt te
staan. Men denke aan een zin als De kachel
| | | |
trekt niet,
omdat de wind in de verkeerde hoek zit, en
vergelijke daarmee De kachel trekt niet, want de wind zit in de
verkeerde hoek. Er zit blijkbaar achter die ‘vervoeging’ van
het verbindingswoord een streven om die ongewenste afstand tussen onderwerp en
persoonsvorm wat te overbruggen, de zin wat overzichtiger te maken, door met
die ‘uitgang’ van as, of enz. vast vooruit te wijzen op de
vervoegde werkwoordsvorm. Die neiging tot het slaan van een brug heeft evenveel
recht van bestaan als de persoonsvorm enkelvoudig is, maar daar is er niet zo
een voor de hand liggende aanleiding om die neiging te bevredigen: de
enkelvoudige vorm heeft niet zo een markante uitgang waarop
‘vooruitgegrepen’ kan worden; al de meervoudsvormen onderscheiden
zich typerend van de enkelvoudige door hun tweesyllabigheid
1)
In Noord-Holland - op de nauwkeurige geografische begrenzing komt
het niet aan - is dat anders. Daar wordt het voornaamwoord je verbonden
met de meervoudige persoonsvorm: je lope, je komme enz.; vandaar dat in
Noord-Holland azze, ovve e.d. ook bij je voorkomen: azze je
morgenavend even ankomme.
Strikte grammatische regel is dat ‘vervoegen’ van
verbindings- | | | | woorden in het Westen niet; het moet niet,
maar het kan. Het wordt dus niet als een ‘fout’ tegen
het grammatisch systeem gewaardeerd, als men een verbindingswoord in de hier
omschreven positie niet vervoegt, en zinnen maakt als dat (niet
datte) we geen kole meer in huis hadde of as (niet
azze) de meide zin hebbe. ‘Waarvan dat al of niet vervoegen
afhangt, laat ik in het midden; misschien is het spreektempo van invloed
erop.
Al die westelijke feiten waren nodig als inleiding tot de bespreking
van een oostelijk azze, ovve en datte, dat, zoals we
zullen zien, anders geconditioneerd is. Maar eerst nog, bij wijze van overgang,
iets over oostelijke congruentieverschijnselen die wél met de westelijke
op één lijn staan. Daar waar in het Oosten doe nog in
gebruik is, heeft de daarbij behorende persoonsvorm van het werkwoord een wel
zeer gemarkeerde uitgang. In het Gronings is dat -st, en daar hoort men
(Ter Laan,
Proeve van een Groninger spraakkunst, 110): Ik
wol dast riek wast; Hou kwam dat toch dast zo kwaod wörst?; Kwaojong daste
biste. In Enschede is de uitgang van de tweede persoon
-s, en
Bezoen vermeldt in zijn
Klank- en Vormleer van het dialect der Gemeente
Enschede § 73 vormen als was ‘wat je’,
das ‘dat je’, ofs ‘of je’. Ook van
congruentie met de meervoudsvorm van het werkwoord vinden we melding gemaakt
uit het gebied waar die meervoudsvormen -en of -n als uitgang
hebben en zich door tweesyllabigheid van de enkelvoudsvorm onderscheiden. Bij
Ter Laan, Proeve 111 in lezen we: ‘Als er we of ze
op (dat) volgt, hoort men vaak datten inplaats van dat. 't Is
't beste datten wie der vot hin goan. Ik leuf datten ze verlegen
zitten.’ (De formulering is minder gelukkig: men zou daaruit afleiden
dat de voornaamwoorden we en ze de veroorzakers van het
datten zijn, maar dat is niet juist, het zijn de werkwoordsvormen. Toen
ik de heer Ter Laan hierop wees, in een brief van oktober 1953, gaf hij dat ook
terstond toe.) Licht kan een noordoostelijke lezer, eenmaal op het verschijnsel
opmerkzaam gemaakt, de voorbeelden aanvullen met andere verbindingswoorden als
dat: het zou me verwonderen, als die ‘vervoeging’ zich tot
dat beperkte.
Er zijn dus ook in het Oosten onmiskenbare voorbeelden van
congruerende verbindingswoorden op te merken. Maar nòch datten,
azzen nòch datte, azze zijn te verwachten, zou men zeggen, in
het uitgestrekte oostelijke gebied waar de meervoudige werkwoordsvor- | | | | men, in het praesens althans, allemaal -t hebben: wy speult,
ie of ieluu speult, zy of ze speult
1). Voor dat gebied kan men met
recht zeggen dat de meervoudsvorm van het werkwoord, zoals die in deze
voorbeelden optreedt, niets bijzonder markants heeft tegenover het enkelvoud.
Daar waar geen doe meer bestaat, hebben alle drie de persoonsvormen van
het meervoud dezelfde uitgang als de tweede en derde persoon enkelvoud. Wat in
dit gebied markant en door twee-syllabigheid afwijkend is van de rest, is
alleen de eerste persoon enkelvoud ik speule
2). Had men dus daar de neiging om het verbindingswoord te laten
congrueren in de ondergeschikte zin, dan zou alleen de ik-vorm daarvoor
in aanmerking komen. Maar het is onmiddellijk duidelijk dat die
‘vervoeging’ geen kans kon krijgen. In een umdatte ik piano
speule of een ovve ik piano speule zou immers die -e
uitvallen. Het zou worden of ik en umdut ik, precies zoals naast
ik speule en ik neme staan speul ik en neem ik.
Er valt dus in dat gebied van het ‘eenheidsmeervoud’
niets te vervoegen of te congrueren, zou men zo zeggen. Maar nu doet zich het
merkwaardige feit voor, dat in dat gebied van wy en zy speult
wèl verlengde vormen van verbindingswoorden voorkomen, en
nog wel van het type azze, ovve, datte, dat we juist hier allerminst
zouden verwachten. Daarop heeft enkele jaren geleden de heer
G.J. Lodeweges, Deventer, mij opmerkzaam
gemaakt. Hij gaf me voor Deventer o.a. de volgende zin: Ik geleuve datte wy
't mit hum maar 's prebeert. En toen herinnerde ik me dat ook in het
Dedemsvaarts zulke | | | | verlengde voegwoorden wel voorkomen, b.v.
azze en ovve: Azze wy de törf niet verkoopn kunt. Kuj my ook
zegn ovve wy by de börgemeester terechte kunt? Ook met betrekkelijke
voornaamwoorden: Dat snaore datte wy toe op de mark eköcht hebt. Ik
wete gerust niet meer watte wy d'r nog meer an doen mut.
Zo'n azze, ovve, datte nu komt nooit voor bij
het meervoudige zy of ze.
1) Zo is het aan de Dedemsvaart, zo is het ook in
Deventer. Zo is het verder in Rijssen, volgens
mededeling van de utrechtse neerlandicus
G.D. Pas, geboren en getogen Rijssenaar. Onmogelijk zijn
zinnen als Azze ze de törf niet verkoopn kunt en Zy vraogt ovve
ze by de börgemeester terechte kunt; hier moet het as en
of zijn. Ook geen azze of ovve, als het onderwerp niet een
pronomen, maar een meervoudig substantief is. Uitgesloten is b.v. Vraogt ies
ovve die lu by de börgemeester terechte kunt, en evenzeer Azze de
skippers de törf niet verkoopn kunt.
Met andere woorden: de verlengde vorm van de onderschikkende
verbindingswoorden is bepaald gebonden aan een volgend w y.
En een of andere geheimzinnige fonetische invloed van de w kan er niet
achter zitten. Het is as Willem komp en of wievn on-deugnd bint
en dat water kòld is: geen sprake van azze, ovve en
datte vanwege de volgende w. Het is wy dat het hem doet,
en niets anders.
Aan de correspondentie met de heer
Lodeweges werd ik herinnerd door een stukje van Dr.
Jo Daan in Taal en Tongval X, 62. Mej. Daan heeft
een student,
J. de Haan, een voorlopige proef laten nemen met een
vragenlijst waarin voorkwamen de zinnen als we klaar zijn en als ze
dood zijn. Wat me in het resultaat daarvan terstond trof, was de absolute
afwezigheid azze ze in het Oosten. Dat klopt met wat zoëven hier is
opgemerkt.
De heer De Haan heeft zijn bevindingen in kaart gebracht, en Dr.
Daan was zo vriendelijk, mij die kaart te laten inzien. Van die kaart nu krijgt
men wel sterk de indruk dat het oostelijke azze we beperkt is tot het
gebied van het ‘eenheidsmeervoud’. Al de plaat- | | | | sen waar
De Haan het heeft gesignaleerd, liggen binnen de grenzen
van het terrein dat Dr.
Adriana R. Hol voor dat eenheidsmeervoud heeft
afgebakend in haar kaart van de ‘eerste en derde persoon van het meervoud
in het praesens’, Taalatlas, afl. 6, nr. 3.
De dialectgrammatica's leveren niet veel op.
Sassen,
Het dialect van Ruinen spreekt, zover ik zie,
over azze en ovve nergens uitdrukkelijk, maar toch zijn er
voorbeelden van azze bij hem te vinden, en die voorbeelden zijn
kostbaar, omdat het alle drie gevallen van azze wy zijn. Twee staan er
in § 156, zoazze wy 't hebt en zoazze wy 't altied edaon hebt, en
een in § 69: 'n aandere kiek op 't leevn azze wy. Misschien zou er
nog wel meer te vinden zijn, maar ik heb niet de moeite genomen om het hele
boek erop door te zoeken. Het zal wel niet te lichtvaardig zijn om uit die drie
voorbeelden te besluiten dat de toestand in Ruinen niet veel
verschilt van die aan de Dedemsvaart, in Deventer en
in Rijssen. Evenmin zal het lichtvaardig zijn, aan te nemen dat
het in de tussenliggende gebieden ook ongeveer zo is, en dan hebben we van
Deventer via Rijssen en Dedemsvaart tot Ruinen al een aardig stuk,
‘Nedersaksen’, al vermeldt
Broekhuysen in zijn boek over Zelhem, waar
juist aan de conjuncties opzettelijk een paar bladzijden worden gewijd, er
niets over. Men moet overigens bij die betrekkelijke schaarsheid aan materiaal
wel bedenken dat die verlengde verbindingswoorden voor wy in het Oosten
evenmin grammatisch ‘verplicht’ zijn als de westerse azze's
en ovve's en datte's, en vooral dat ze in het Oosten een scherpe
concurrentie ondervinden van de zeer gebruikelijke allegro-vormen aw, ow
en daw. De citaten van
Sassen wemelen ervan, en we kunnen veilig aannemen dat ook
aan
De Haan een aantal azze-plaatsen zijn ontgaan
doordat de correspondenten als we klaar zijn vertaalden met aw klaor
bint; terwijl ze het even ‘dialectzuiver’ hadden kunnen doen
met azze wy kloar bint.
Maar het komt op de nauwkeurige geografische begrenzing ook niet
zozeer aan. Uit de bovenstaande uiteenzettingen en uit de gegevens van De Haan
is voldoende gebleken, dat in een groot gedeelte van het
‘eenheidsmeervoudsgebied’, en wel uitsluitend vóór
het voornaamwoord wy (en wylu), verbindingswoorden van het type
azze, ovve en datte voorkomen. Verbindingswoorden die er dus net
uitzien, als hun westelijke tegenhangers, maar die onmogelijk op dezelfde
manier te verklaren zijn, omdat azze we komme, ovve we
| | | |
wete e.d. in het betrokken gebied niet bestaan.
Hoe dat azze wy en ovve wy dan wèl te
verklaren? Daartoe wilde ik de aandacht vestigen op een eigenaardigheid van de
verbale persoonsvormen juist in het gebied van het z.g.
‘eenheidsmeervoud’, en juist van de persoonsvorm die bij wy
hoort. Er is namelijk in dat gebied geen volstrekte ‘eenheid’, en
het is juist de eerste persoon van het meervoud die die ‘eenheid’
verstoort op een hoogst karakteristieke wijze. Er is eenheid zolang dat
wy vóor zijn persoonsvorm staat. Het is wy speult en
ie(lu) speult en zy speult, maar als wy achter de
persoonsvorm komt, is de eenheid verbroken: het is speule wy, speul ie,
speult ze; de wy-vorm krijgt de uitgang -e en wordt daarmee
tweelettergrepig. Zo is het aan de Dedemsvaart, zo is het in
Deventer en in Rijssen, zo is het in
Ruinen, en zo is het blijkbaar ook in Zelhem.
Broekhuysen geeft wel geen vormleer van zijn dialect,
maar uit zijn teksten vis ik bij vluchtig doorlezen een vorm op, die die
conclusie wettigt: op blz. 80 lees ik Doar zulle wy wel veur zorgn. Ik
laat helemaal de vraag rusten hoe die eigenaardige vorm bij wy te
verklaren is; ook verdiep ik me er niet in hoe precies de verhouding is tussen
dat speule wy enz. en het griep wy in Enschede:
Bezoen § 94
1).
Het is voor ons doel genoeg, te constateren dat voor de huidige dialectspreker
de bij wy behorende persoonsvorm in de tegenwoordige tijd van
alle werkwoorden op hoogst markante wijze zich onderscheidt van
alle andere meervoudsvormen, als het voornaamwoord achter de
werkwoordsvorm staat. Ja we mogen wel zeggen, na wat boven terloops is
opgemerkt over de onbestaanbaarheid van een speule ik of lope ik,
dat de persoonsvorm vóór wy zich onderscheidt van alle
andere praesensvormen door zijn tweesyllabigheid. Hoe vast de grammaticale
positie van die lange vorm vóor wy is, blijkt uit de behandeling
in het Dedemvaarts van verba als doen, gaon, sloan, staon. Het is wy
doet, goat, sloat, stoat, maar doede wy, goade wy, slaode wy, stoade
wy. Overeenkomstige vormen komen voor in Deventer
(Lodeweges) en Rijssen (Pas), en
Sassen § 82, 1 vermeldt ze voor het Ruinens
2). | | | |
Nu stel ik me voor dat die eigenaardige, door zijn karakteristieke
afwijking van de rest zeer frappante lange werkwoordsvorm, juist en uitsluitend
vóor wy, overgedragen is op de vorm van onderschikkende
verbindingswoorden, eveneens juist en uitsluitend vóor wy. Dat
doet op het eerste gezicht wel wat gedurfd aan. Het heeft immers al heel weinig
van die mooie evenredigheden die we moeten opstellen om een
‘analogische’ vormverandering aannemelijk te maken. Die
evenredigheid die b.v. een jong kind in werking zet, als het door
‘verkeerde’ analogie sterke werkwoorden zwak maakt: spelen:
speelde = stelen: steelde. Dat is een ‘analogiewerking’ die we
ineens doorzien. Maar een ‘evenredigheid’ tussen een werkwoord en
een voegwoord of een betrekkelijk voornaamwoord? Dat is wel erg buiten de
orde.
Toch is het zo gek niet als het lijkt. De grote en treffende
overeenkomst tussen speule wy en azze wy of datte wy is
deze dat wy zo goed als nooit anders een overeenkomstige positie in de
zin inneemt dan na zo'n verbale persoonsvorm of zo'n verbindingswoord. Laten we
normaal noemen de positie met wy voorop, de z.g. ‘rechte
woordschikking’: wy doet, wy leeft, wy speult, enz. enz. Wordt er
nu een ander zinsdeel voorop geplaatst, dat inversie veroorzaakt, dan is het
bijna altijd zo dat er een persoonsvorm vlak vóor wy staat:
Doar doede wy niet an; Starke draank gebruke wy niet; 's Aovns mutte wy op
tied nao bedde; Zuk volk wille wy by ons in huus niet hebn; As 't mooi weer is,
zitte wy aaltied buutn op de baanke. Het lukt niet, wy, buiten de
bijzinnen na een voegwoord, op een uit een oogpunt van zinsindeling en
zinsritme overeenkomstige plaats te krijgen behalve in levendige,
aanschouwelijke zinnen zonder een werkwoor-delijke persoonsvorm als En toe
wy an 't loopn jong! En 's morns wy d'r op uut! In negenennegentig van de
honderd gevallen gaat er in zo'n positie een verbale persoonsvorm onmiddellijk
aan wy vooraf. Zo wordt het begrijpelijk, dat door een soort ritmegevoel
het onderschikkende verbindingswoord vóor dat wy een
overeenkomstige verlenging kreeg.
Tegen deze redenering zou men kunnen ‘opwerpen’, dat ook
na nevenschikkende voegwoorden wy op de overeenkomstige
plaats staat, en in nevenschikkende zinnen komt de verlenging niet voor. Men
kan niet zeggen Hy wil ons wat op de mouwe speldn, mare wy loat ons niet
fopn of Wy mut voort, wante wy mut zien daw (of datte
| | | |
wy!) op tied koomt
1) Tegen die ‘opwerping’ zou aan te voeren zijn, dat
in zulke zinnen na het voegwoord altijd de gewone rechte woordschikking volgt;
het zijn eenvoudig twee ‘hoofdzinnen’ die met elkaar verbonden
worden, en die verbinding is meestal vrij slap; er is gewoonlijk een flink
merkbare pauze tussen. En ook als de spreker met een maar- of een
want-zia begint, dus geen vóorzin van hemzelf is voorafgegaan, is
er die rechte woordschikking. Er is dus niets ‘aparts’ aan, dat
aanleiding kan geven tot inwerking van zinnen met een afwijkend model. Is
hiermee een eventuele ‘opwerper’ nog niet voldoende bevredigd, dan
zou men ook nog kunnen veronderstellen dat er aan dat ‘verlengen’
van het verbindingswoord iets tot uiting komt van een streven tot
‘aanhaken’ van de persoonsvorm die in de ondergeschikte zin vaak op
ongewenst grote afstand van het onderwerp komt te staan. Al is dan de wijze
waarop dat ‘aanhaken’, dat ‘overbruggen’ gebeurt, en de
reden waarom het juist zó en specifiek vóor wy gebeurt,
niet zo onmiddellijk duidelijk als de ‘hollandse’ congruentie bij
onderschikkende verbindingswoorden.
Maar laat ik niet proberen het analogische ‘instinct’
tot in finesses na te rekenen en te verantwoorden. Men kan ook te veel willen
uitrafelen en daardoor te weinig bewijzen. Laat ik desnoods toegeven dat de
afwezigheid van verlengde nevenschikkende voegwoorden een kleine, maar ook niet
meer dan een kleine, moeilijkheid blijft. Daarentegen en daartegenover wil ik
dan een bijzonderheid vermelden, die aan de voorgestelde verklaring een niet
onbelangrijke steun verleent. In de voetnoot op pag. 116 is erkend, dat het
hollandse azze, ovve en datte, als het optreedt bij
verleden tijden van zwakke werkwoorden, analogisch
moet worden verklaard: er is daar immers tussen enkel- en meervoud generlei
verschil. In het Oosten echter is dat anders. Daar wijkt de vorm vóor
wy in de verleden tijden op karakteristieke wijze van de andere
meervoudige persoonsvormen af. In het Dedemsvaarts is het speuldn ze, beetn
ze, maar speulde wy, bete wy. Zo ook in het Ruinens:
Sassen § 81, en het Rijssens (mededeling Pas). Niet
in het Enschedees:
Bezoen § 94. Ook niet helemaal in het Deventers; de
heer
Lodeweges, aan wie ik | | | | enige voorlichting
over Deventer te danken heb, deelt mij mede dat het Deventers in
dezen onderscheid maakt tussen de sterke en de zwakke werkwoorden: het is wel
grepe wy, bete wy, maar speuldn wy, daanstn wy. Intussen zegt men
in Deventer ook hadde wy, dache wy, brache wy: is het misschien zo dat
de ‘gewone’ zwakke werkwoorden (die met goed recht de
‘regelmatige’ zouden kunnen heten tegenover alle andere
werkwoorden) in de richting van de cultuur-taal genormaliseerd zijn? Hoe dat
zij, deze toestand maant tot enige voorzichtigheid met conclusies uit de
schaarse voorbeelden in de teksten van
Broekhuysen, die voor Zelhem wel verscheiden vormen
geeft als toe haaldn ze, kaardn ze (blz. 79), maar als -e-vorm
bij wy maar éen, en wel juist hadde wy (wat hadde wy d'r mee
te maakn, blz. 82), ook een ‘onregelmatig’ werkwoord dus.
Genoeg intussen om te laten zien dat meestal, en in
Rijssen, Dedemsvaart en Ruinen altijd,
de verbale persoonsvorm vóor wy, die merkwaardige -e als
‘uitgang’ heeft. De wy-vorm markeert zich weliswaar in de
verleden tijd niet door tweesyllabigheid tegenover de andere meervoudsvormen -
ook speuldn ze en beetn ze zijn twee-syllabig -, maar wel wordt
de algemene positie van de -e-vorm erdoor versterkt. Het blijkt nu
immers zo te zijn, dat in een vrij uitgestrekt gebied die -e voor
wy optreedt in alle werkwoordsvormen, hetzij
tegenwoordigetijds of verledentijds, hetzij zwak of sterk. Zo dringt zich die
-e-vorm aan het ‘grammatisch bewustzijn’ (of
‘onderbewustzijn’) wel heel sterk op als karakteristiek voor
wy en onafscheidelijk van wy. En het wordt te begrijpelijker dat
die bij wy horende persoonsvorm is overgedragen op verbindingswoorden
die in de overeenkomstige positie vóor wy staan.
Zo kunnen we in het oostelijke azze wy, ovve wy, datte wy,
evenals in hun westelijke tegenhangers, een geval van ‘congruentie’
zien. Die congruentie werkt meer ‘uit de verte’, meer ‘op
afstand’ dan de hollandse, en is aan veel beperkter positie gebonden.
Anderzijds tekent de overeenstemming met de werkwoordsvorm juist door die enge
begrenzing zich scherper af, en kan men, wegens de binding aan éen
persoonlijk voornaamwoord, niet aan het meervoud in het algemeen, met meer
recht nog dan voor de hollandse ‘congruerende voegwoorden’, de term
‘vervoeging’ ervoor toepasselijk achten.
Utrecht, november 1958.
C.B. VAN HAERINGEN.
|
1)Over de geografische verbreiding in
zuidelijke dialecten, en verdere bijzonderheden van de ‘meervoudsvormen
van voegwoorden’ heeft
Fr. Vanacker gehandeld in Taal en Tongval I, 32
vlgg., 77 vlgg. en 108 vlgg.
2)Ik geef de voorbeelden in een enigszins
‘populaire’ transcriptie, zonder naar strenge consequentie te
streven, en verwaarloos fonetische bijzonderheden als b.v. de assimilatie in
jonges tieë, omdat die het lezen maar zouden bemoeilijken, en voor
de zaak waar het om gaat, geen belang hebben.
1). Dat doen ze weliswaar niet in de
verledentijdsvormen van de ‘zwakke’ werkwoorden (wel in die van de
‘sterke’). De zwakke verleden-tijdsvormen zijn niet alleen in
enkel- en meervoud tweesyllabig, maar in de meeste hollandse dialecten zijn ze
zelfs volkomen gelijk: ik, jij, hij pakte onderscheiden zich in niets
van we, jullie, ze pakte. Toch geldt bij de zwakke werkwoorden dezelfde
regel als bij de sterke. Men kan zeggen datte we onze koffers pakte,
maar datte Gerrit z'n koffers pakte is onmogelijk. Dat verzwakt de in de
tekst gegeven verklaring als ‘overbrugging’ geenszins: die
overbrugging is uitgegaan van zinnen waarin een ‘lange’, en door
zijn lengte markante, werkwoordsvorm volgde. En toen eenmaal het
‘grammatisch besef’ zich vastgezet had dat azze, ovve e.d.
bij een meervoudsvorm hoorden, werd de vervoeging ook toegepast daar waar die
meervoudsvorm zich niet scherp tegen de enkelvoudsvorm aftekent. Zelfs in
zinnen waarin helemaal geen werkwoordsvorm volgt. Men kan zeggen Die lui
benne veul rijker azze wij. En op een vraag als Hebbe jullie plezier
gehad? kan men antwoorden Nou, ovve we!
Eigenlijk is het ook al een generalisering van dat grammatische
meervoudsbesef, als het ‘meervoudige’ verbindingswoord optreedt in
een bijzin waar de persoonsvorm onmiddellijk op het onderwerp volgt, zodat er
in feit e niets te ‘overbruggen’ is, b.v. in ze vroege
ovve de kindere kwamme. Mutatis mutandis moet evenzo beoordeeld worden het
groningse kwaojong daste biste, even verder in de tekst genoemd.
1)Hier en verderop geef ik de voorbeelden
naar het dialect van Dedemsvaart, zoals dat in het begin van deze eeuw
gesproken werd. Zelfs ‘vertaal’ ik zinnen uit Deventer en uit
Ruinen in dat Dedemsvaarts. Het komt immers op de juiste weergeving van de
klanken niet aan bij het morfologisch-syntactische verschijnsel dat we hier te
behandelen hebben. En voor de betrouwbaarheid van alle dedemvaartse voorbeelden
kan ik instaan.
In de spelling volg ik de aanwijzingen die de toenmalige
redactie van Driem. Bl. bij het begin van de nieuwe reeks (I, 3 vlgg.)
daarvoor gegeven heeft. Met dit verschil alleen dat ik niet speulen,
maar speuln, niet buten, maar buutn schrijf. Het is
namelijk van belang, zoals straks zal blijken, -n scherp uiteen te
houden van -e, en mogelijke onduidelijkheid die door de
‘schoolspelling’ met -en zou kunnen ontstaan, te voorkomen.
De assimilatie van die -n tot -m in b.v. roepm is niet
aangegeven; ik schrijf dus roepn.
2)Buiten beschouwing gelaten de streek in het
noordoosten waar de -e is geapocopeerd, en waar men dus zegt ik
speul.
1)Ook niet bij het meervoudige ie en
ielu. Maar daar zou het, ook al had de neiging ertoe bestaan, toch geen
doorgang kunnen hebben om dezelfde fonetische redenen als boven bij ik
zijn besproken: een ‘virtueel’ azze ielu en een ovve
ielu zou as ielu en of ielu hebben opgeleverd. Intussen ben
ik ervan overtuigd, zoals uit het vervolg zal blijken, dat de neiging tot
azze en ovve bij ie(lu) niet bestaan
heeft.
1)Bezoen vermeldt zo'n vorm alleen bij de
sterke werkwoorden; als hij het in § 98 over de zwakke werkwoorden heeft,
met streupn als model, noemt hij geen streup wy, maar ik neem aan
dat de zwakke werkwoorden zich in dezen evenzo gedragen als de sterke.
2)Naast die ‘volle’ vormen staan
kortere als doew, goaw, sloaw, stoaw.
1)Het is wel overbodig te zeggen dat dit
theoretische mare en wante niet moet verward worden met de
‘aarzelende’ verlenging van een woord met e..e..e, die na
elk willekeurig woord en ook vóor elk willekeurig woord kan
optreden.
|
|