terug  begin  verder
[p. 16]

II

 
In de trechter van hun ingewanden
 
spannen de vogels snaren,
 
uit de onderwereld aangelande
 
vogels roepen maren.
 
 
 
Zij doen dat op een vurig wiel,
 
ik hoor hun lange messen kriepen
 
als op de slijpsteen van een ziel
 
die mij de goden schiepen,
 
 
 
gillend hun boodschap, gensters die
 
in 't rad der wentelende tijden
 
overslaan van wie naar wie
 
en die zij thans aan mij belijden,
 
 
 
mijn ziel, kwartier van welke maan,
 
van welke bronnen blinkend,
 
drijvend als een losgespoeld orgaan,
 
zwervende scherf licht in zand zinkend.
 
 
 
De stof der eeuwen kleeft haar aan.
 
De lagen stof van dode dingen
 
waarin zich dun de tekens slaan
 
van wat wij zijn, muurtekeningen
[p. 17]
 
en fossielen, vorm tegen de wil
 
van lang stollende kraterwanden.
 
En gaat de spraak dan van een vogelgil
 
die uit de trechter van zijn ingewanden
 
 
 
kermt en in de rotsen krast
 
de orakelspreuk, de boodschap aan verdorden:
 
dat er is sap, dat er is bast,
 
dat er is Christus vlees geworden, -
 
 
 
prent zich mijn sprakeloze ziel,
 
drukt zij haar roodgekrijte spoor,
 
wordt zij een glinsterend fossiel,
 
en gillen de vogels door.
terug  begin  verder