[p. 18]
III
Hier viel het alaam uit de laatste handen
- het was een zwaard, het was een wierookvat -,
nadat de God voor 't laatst gesproken had,
eer hij de berg werd met de rode wanden.
Onder des hemels ogenloze schouwen,
azuren holte van fossiele licht,
bulten sindsdien zijn mondeloos gezicht
en reuzenrug en schilferende vouwen.
Het binnensteens gekraak is dieper sterven,
zich vaster zetten in een later tijd,
't beginnen rinkelen in eeuwigheid
van een kristal dat uitbot op de scherven.