terug  begin  verder
[p. 19]

IV

 
Aanspoelend met de laag van heden,
 
bloedend over de schilfers schist,
 
vloeien wij slapend naar beneden,
 
de poriën vol zaad en gist.
 
 
 
Over de ribben van de berg,
 
de richels en de zilvren daken,
 
een stroom van alcohol en merg,
 
van schot en straling en ontwaken.
 
 
 
Vlammende schimmels in de stroom,
 
bloedvingers van de plant astilbe
 
- en dan ontploft als een atoom
 
op onze kalken mond de silbe,
 
 
 
bliksem van het splijtend woord,
 
gloeiende priem aan 't kerven,
 
die de gespannen tong doorboort,
 
dat rode blad met blauwe nerven.
 
 
 
O kinderen, mijn pulp, mijn wonden,
 
wij die elkaar in de ogen zien
 
ontwaken met de bloedsmaak alle stonden
 
der dagelijkse vleeswording sindsdien.
terug  begin  verder