[p. 20]
V
Het dagelijks ontwaken, lauw
als een gestoken offerdier,
het vogelvrije lichaam rauw
op bed van rokende laurier.
De sprekers worden hier ontspraakt,
maar de ingewanden, blootgelegd
en door het heilig mes geraakt,
trillen een taal door lemmer en hecht.
De violette lever slaat
zijn vlerken van onthoofde draak.
Der nieren zinneloos gelaat
van slechts een uitgebeende kaak,
kropt zijn verzuurde giften op.
En 't uitgesneden hart, obsceen
een opgegraven godenkop
bekranst met druif en edelsteen,
zwelt als een liederlijk orgaan
dat nog zijn dode wanden spant,
tussen een mes van obsidiaan
en porseleinen priesterhand.