[p. 21]
VI
Door nevelen en sluiers bloed
een regenboog van marktgeluid.
Door tulpen rook slaan letters roet
en spreekt een priester woorden uit.
Zijn harige lip stulpt en verdunt,
zijn tong is als een goudstuk rond.
Heilige lettergrepen munt
het viscerale teken mond.
Het laatste wat ik heb gehoord
is 't kraken van mijn strottehoofd,
dat naar de ritus werd doorboord
en dan als werkstuk Gods geloofd.
Maar 't laatste wat ik nog moet zien
gewaar te worden tot op 't been
is 't raspen van een goudstramien
textiele licht op oliesteen.
Dat licht, wie heeft het uitgekamd,
een weefsel is 't van godenhaar,
dat lachend licht raspe mijn tand
en bekkeneel tienduizend jaar.