terug  begin  verder
[p. 27]

III

 
De rode naad der oogleden laat los.
 
Licht steekt een pijn van honingbij.
 
't Orgaan waarmee ik in de wereld lig,
 
een bek van voorhistorische lamprei,
 
 
 
zengt aan zijn rand, scheurt in zijn vlees.
 
Een everbeer, een olmen bed, een stoel,
 
zij samen donderen over bevroren weg
 
die in de ether ligt naar een verstijfde doel.
 
 
 
Maar ik, verwacht men, ik ontwaak.
 
De dagelijkse zelsmoord moet.
 
Heer, dat ik op een tegel leef gedoog,
 
dat ik een naald word in der eeuwen stoet.
 
 
 
Want de dingen hebben geen maat,
 
de dingen krijgen snuit,
 
zij bijten ons toe,
 
zij barsten ons uit.
terug  begin  verder