[p. 32]
La noue
I
Nabij kuitetende neusvis en barbeel
ligt zij op slib van de rivier,
de handen in water en bloeiend wier.
Zijzelf iets tussen slijmvis en plateel,
een dun en ademend ovaal
van verend vlees in een verlicht foedraal.
De losgeraakte geur van geiteblad
opent haar dieper dan mijn woord vermag
terwijl ik haar van bloem en twijg gerief.
Ik zeg haar wel hoe op een ochtend ik hier zat
en voor mijn neus een rosse muishond zag,
maar niet dat op zo'n uur mijn moeder stierf.
[p. 33]
II
Aan de rivierarm steekt het licht
zijn hete veders in haar huid
van raffia en gladde biezen.
Neusvissen zoeken hun evenwicht
terwijl zij rond forellekuit
hun porseleinen lip doen vriezen.
Zij voelt die wel. Zij voelt de rat
ook die een zoete stengel riet
fijnkapt met bekketrekken.
En die met haar gemeenschap had,
en die zij over 't heuvelcircus ziet
zijn bruine vleugels strekken,
de buizerd op de zwarte graat
van een ardennenbult,
hem zal zij blijven voelen.
Maar dan omdat hij samengaat
met wie haar lichaamsholten vult,
haar buik, haar borst, haar raderen en spoelen.
[p. 34]
't oosters serpent dat in haar keel
wil slapen liggen met zijn kop
en dat haar veilig maakt als vol gedronken
naast een orakeleik in stuivend meel
tussen het oeverriet en hete veren op
haar huid van vlechtwerk, korrels, vonken.
[p. 35]
III
De boer maait hier geen gras, maar riet,
moerasspirea en vergeet-mij-niet,
tot strooisel van zijn kalf met paarlemoeren hoef.
Ik vang blauwe libellen voor mijn haak.
Een jonge hesseling slaat er zijn kaak
in. Water is lava. Drink en proef,
zegt zij in theegeur achter de heuvelen
van haar gevouwen uilevleugelen
boven de groeve van haar lichtetende liezen.
Zij ligt als had een schaduw haar gewurgd.
Als welke huurling sta 'k voor welke burcht
met smaak van ijzer aan mijn kiezen.
[p. 36]
IV
Zij praat over een wilde kat
die in de bramen werd gezien
met in haar bek een jonge lijster,
dun bloed was op de keel gespat,
dorpslieden met geweer raakten nadien
in de oude steengroeve 't spoor bijster.
Ik zocht het nest, de jonge pelzen
op harig gras en snijdend lis,
nabij de poel waar stenen splijten
onder de wortelgreep der elzen
zocht ik omdat een dier geschapen is
om spelend in mijn hand te bijten,
zegt zij terwijl zwart bloemzaad springt
op haar gepelsde vel en ik
de brand word van mijn veertig lenten.
Likt haar de vlam van het instinct,
snijdt haar gegil door riet en slik,
nijpt in haar wonden het gezwel der enten,
[p. 37]
drijft in haar bast mijn krakend schroot,
dan ben ik haar, dan ben ik ook de boot
die haar naar 't rijk der doden vaart
over een rode zee op perkamenten kaart,
nu ik haar aanraak en veras
op het gedroogde kruid van mijn moeras.