[p. 38]
Le vieux moulin
I
‘Le vieux moulin’ heet in de natte berm een put.
Een laag humus geworden eikebalkenhout
geeft aan twee benden basterdwederik de fut
om erin steil te staan als bomen van een woud.
Zij ligt tussen die twee cohorten stengels in.
Zij drukt tegen hun flanken links en rechts een been
dat opgaat in de heupen van een koningin,
liggend oud goud op een gebarsten molensteen.
Van boven af gezien tussen twee vlekken paars
liggend het gouden vlees van een sibylle Gods
in een Myceense schacht, maar gekmakend barbaars
ook, met haar masker rustend op de schilfers rots
uit bressen van de Ardenner molenkeldermuur.
De stilte wordt verdikt wanneer dat masker breekt,
de hal van de rivierklooflucht wordt rust en duur
als de geklemde kaak loslaat en woorden spreekt:
‘Al wat gij goud wilt noemen is misschien maar brons.
Ik zie op mijn niveau de wortels in de grond
en grijze zwammen van gelijmd nachtvlinderdons,
en mieren langs mijn hand dragen hun larven rond.’
[p. 39]
II
Ik breng haar kampernoeljes op een bed van tijm.
'k Wil weten hoe zij de lamellen kraakt
- eerst de lamellen, dan de kop van witte lijm
met zwezerik - en hoe die beet haar smaakt.
Ik breng haar trossen lindebloemen aan hun lellen,
zij trekt ze er met gekrulde tong uit los,
geelgroene koppen tussen vleugels van libellen,
en kauwt dat bitterzoet tot bloeiend mos.
Maar ik, tussen haar tongrand, kaakvlees, tandenkraal
gemalen door de spasmen van haar smaak-
en slikgebaren, ben die spijs op gouden schaal
als ik door haar fermenten in ontbinding raak.
En of ik nu chitine word rond haar of chijl
haar binnenin - het staat in 't evangelie wel -,
ik nestel mij, ik word een eendagsdiertje, geil
en lyrisch, in de wanden van haar warmste cel.
Sibylle, noem mij. Vind verteerd in 't sap
van al uw weefsels mij, een hoopje haar en tanden.
Plant die kanker. Of duld mij desnoods als grap:
een mannelijke zeeworm in uw ingewanden.
[p. 40]
III
Een glazen hazelworm heeft even opgeglansd,
een ijsvogeltorpedo blauw over de stroom
gezoemd, een geverniste kever zich verschanst
achter een blad, een hagedis zich ingetoomd
onder een hazelaar. En door diens schaduw heen
het wateroppervlak lijkt mollevel en vilt
over de ligplaats van de tweede molensteen,
waarrond een grondelingenzwerm elektrisch trilt.
Zij ziet dat water aan, geschoven in een bres,
uitkijkend op een wijde bocht van brekend licht
en op bemoste schors van een gekloofd stuk es
met buik en dijen traag houdend haar evenwicht.
Zij ziet het water hoe, en ik, hoe zie ik haar:
een hobospeelster, zij herinnert zich haar deugd,
een zalvenkookster, zij zoekt kruiden in een laar,
een rassenmengster wie de kunst der grote moeders heugt?
Maar zij: ‘Gij die uzelf een besseneter noemt,
leg kool in vuur, zuiver uw lip ermee, want als
hij nú beweegt, de molensteen en zijn geboend
zoetwaterkwarts, ik zie, ik zie hem aan uw hals.’
[p. 41]
IV
Langs de meanders der beboste ruggenrij
verheft de mist zijn zuilen als een tempelbrand.
‘Trillende vragensteller met uw keel van klei,
denk niet dat het te lezen is in oogwit en in hand
of niet uit úw gebeent het eerst de schreeuw ontsta
die sterren dooft en in de bochten overstag
gaand tot de duizendschreeuw zich menigvuldige die na
zal galmen in de holten van de laatste dag.
Alsnog is er, onder een microscoop gewet,
het vlijm de tijd dat al uw zenuwharen dissekeert,
de splijtplant en het splijtbeest in uw vlees gezet,
de kerkerkoorts, 't betongetril dat u verteert.
Alsnog de roest, de zurkel van uw longpijptak,
de sponspijn in uw middenrif van stank en roet,
en in de holen loerend over 't watervlak
de onzichtbare barbaren met hun brand en bloed.
Maar zie de mist die u verstikt in deze slenk,
zijn blauw metaal wordt door een licht verchroomd.
Chroom is vanuit de bovenlaag een lichte wenk,
denk ik, van Eén die slaapt en 't lot der wereld droomt.’