[p. 47]
Rouw
voor A.L.
Ik leg mijn handen op het glanzend hout.
Koel hout, waarvan de vezel nog likeur
bewaart en smaak wordende geur
van een beloken leven.
De jaren, afgezette lagen,
geven aan 't hout een hart en aangezicht,
veredeld thans, onder het glijdend licht,
van hars tot lak, van vezelstof tot amber.
Zó is het donker hart verkernd
dat er een gladde maan door schiet,
het hoorn van een versteend verdriet
door het verhoornend vlees der vorderende dood.