terug  begin  verderprepost
[p. 35]

Hoofdstuk II
Verwanten en buren

‘Veel liever wil ik, dat uwe Vrienden (= verwanten) u dikwijls komen bezoeken, mids zij u geene ongelegenheid aandoen, of den tijd ontsteelen...Dan het geen, waarin Vrienden te kort schieten, zullen uwe Buuren moeten vergoeden...Gij zult dus wel doen, goede en welmeenende Buuren hoog te achten, nooit hen onverschillig te behandelen; maar met de uitterste minnelijkheid te bejegenen, al waren ze van eenen laagen rang: want gij kunt in gevallen komen, waarin eene oogenblikkelijke hulp gevorderd wordt, die men, zonder de ongelegenheden te vergrooten, niet zo ras van veraf woonende Vrienden kan ontvangen. Maar overloopt hen niet, of gij hebt hetzelfde van hun te verwagten, en zult uwe vrijheid verliezen.’

Johannes Florentinus Martinet, Huisboek voor vaderlandse huisgezinnen, Amsterdam 1793, pp. 76, 80.

1. De verboden graden

Het is een zo goed als universeel verschijnsel dat een samenleving aan sommige personen op grond van hun onderlinge verwantschap verbiedt een huwelijk aan te gaan. Ter rechtvaardiging van dit verbod of uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid is in elke samenleving wel gezocht naar een reden of een verklaring voor dit verbiedend optreden. Holland in de 17de en 18de eeuw vormde op dit alles geen uitzondering. Onderzoek naar deze zogenaamde verboden graden van verwantschap en de opgeworpen redenen en verklaringen, in het bijzonder in Holland, zullen, naar we hopen aan te tonen, een eerste inzicht verschaffen in de verwantschapsbetrekkingen in Holland in de 17de en 18de eeuw.

In de opvattingen die een verklaring zoeken te geven voor het verschijnsel der verboden huwelijken tussen verwanten, kan een indeling worden gemaakt.1 Ten eerste bestaat er de wijd verbreide maar bepaald niet algemeen aanvaarde mening dat huwelijken onder bloedverwanten schadelijke gevolgen voor het nageslacht zouden opleveren. Antropologen zouden kunnen tegenwerpen dat huwelijken tussen neef en nicht in veel samenlevingen een consequent toegepast verschijnsel zijn zonder dat van enig nadelig gevolg iets blijkt. Al in de 18de eeuw wees de ook in de Republiek veel gelezen Duitse oriëntalist en theoloog Michaëlis op het uitblijven van lichamelijke ontaarding bij die volken uit de oudheid onder welke het trouwen onder nabestaanden veel voorkwam.2 In de hier geraadpleegde bronnen die meningen van overheid en kerk, juristen en moralisten weergeven, komt men deze redenering niet tegen of Van den Honert moest daarop doelen toen hij schreef dat degene die een nabestaande huwde, zich schuldig maakte aan een misdaad en aan roekeloze

[p. 36]

onvoorzichtigheid tegenover zijn kinderen.3 Misschien echter had hij iets anders in het hoofd dat als tweede hoofdopvatting genoemd kan worden, n.l. de mening dat de mogelijkheid een bloedverwant te huwen aanleiding zou geven tot ‘eene vroegtydige ontucht’, vooral tussen broers en zusters, die van kindsbeen af in één huis wonen.4 Dat een natuurlijke afkeer de mens zou tegenhouden van seksuele omgang met zijn bloedverwanten is een derde theorie die in de 19de eeuw door Westermarck is verdedigd. Eind 18de eeuw ontkende Nuys Klinkenberg deze redenering met klem, in een opmerkelijk modern aandoend betoog wees hij op de invloed van opvoeding en onderwijs.5 Een van oudsher populaire vijfde opinie luidt dat huwelijken tussen verwanten tot verwarring in de gezagsverhoudingen aanleiding zouden geven. Het huwelijk brengt een intimiteit met zich mee die onverenigbaar is met het vereiste respect voor bepaalde verwanten. Met een enkel voorbeeld kan deze redenering in zijn beginsel verduidelijkt worden. Hugo de Groot schreef dat aangezien in het huwelijk de man de meerdere is, een huwelijk tussen moeder en zoon onmogelijk is daar de mindere, het kind, de meerdere zou worden. Een fraai exempel uit 1768, komende uit de pen van het Hof van Holland, over het huwelijk van een man met zijn aangetrouwde tante, luidde, dat ‘niet zonder reeden het Huwelijk van een Man met de weduwe van zijn Moeders Broeder onder de verbodene gestelt (wordt), want hier door zoude de Moeye (= tante) koomen onder de magt van haar Neev, de Suster de Schoonmoeder worden van haar Suster, en de zoon de Broeder van zijne Moeder’.6

Een zesde, laatste theorie verdient, mede omdat hij goed toepasbaar is op de inhoud van dit hoofdstuk, een bredere inleiding. Kernachtig wordt deze theorie samengevat door de 19de-eeuwse antropoloog Tylor: ‘Again and again in the world's history, savage tribes must have plainly before their minds the simple practical alternative between marrying-out and, being killed out’. Nog tamelijk recent heeft de Duitse socioloog Schelsky in zijn Soziologie der Sexualität deze opvatting breder verwoord.7 Het verbod te trouwen met bepaalde personen, per cultuur verschilt de reikwijdte van het verbod, heeft een sociale functie. Trouwen binnen de eigen groep zou een beletsel zijn voor het opbouwen van sociale relaties. Door te trouwen met een vreemde vrouw vergroot de man zijn kring van bekenden en voorkomt hij dat buiten zijn bloedverwanten niemand bereid zal zijn hem steun te verlenen. Hoe meer nu de samenleving op verwantschapsbetrekkingen gebaseerd is of anders gezegd, hoe minder er maatschappelijke organisaties bestaan die functies op economisch en sociaal gebied vervullen, des te verder zullen de verboden zich uitstrekken een ander tot huwelijkspartner te kiezen. Deze theorie, een toespitsing op de verboden huwelijken van de in het vorige hoofdstuk genoemde specialisatietheorie, heeft voor de gezinshistoricus duidelijke voordelen boven de eerder behandelde theorieën. Degenen met wie wel gehuwd mag worden, worden als ‘vreemden’ betiteld, de grens van wie wel en wie niet als verwant

[p. 37]

beschouwd wordt, ligt dus in de wetgeving van de verboden graden. Veranderingen in de wetgeving worden als veranderingen in de verwantschapsbetrekkingen opgevat.

Ook in de Republiek had deze theorie aanhangers. Op de nationale synode te Middelburg in 1581 werd gesteld dat door niet met een neef of nicht te huwen ‘de vrientschap te beter tot andere geslachten mach uitgesaeit worden’. Van den Honert schreef speciaal met betrekking tot het toezicht over iemands kinderen dat er geen ander middel is ‘als dat de mensch sig door het huwelik verswagere aan een erelik geslagte, dat hem vremd, oft soo heel na bestaande niet was. Want sulks doende, wint hy vrunden van die verpligting door het huwelik...Daar hy in het tegendeel als hy ten huwelik nam een sijner na-bestaande, het getal sijner vrunden, sijnde van die nauwe betrekking tot hem datse verschuldt sijn de voogdyschap over syne kinderen te ontfangen geensins vermeerdert.’8 Simon van Leeuwen, de man die zo graag een staatkundige rol van belang had willen spelen, gaf de politieke variant van deze theorie: huwen binnen de eigen familie maakt een klein aantal geslachten zo machtig dat overheersing en oorlog het gevolg moeten zijn.9 Wanneer we nu met de theorie van Schelsky als uitgangspunt de verboden graden meer in detail gaan bezien, zijn twee opmerkingen op hun plaats. Ten eerste wil hier niet beweerd worden dat juist deze verklaring voor het bestaan van verboden graden de beste is, daar gaat het niet om, van belang is dat de mening van Schelsky een vruchtbaar uitgangspunt voor de bestudering van verwantschapsrelaties biedt. Ten tweede spelen bij het verbod van dit of dat huwelijk, bijvoorbeeld tussen oom en nicht, nog bijzondere redenen die hieronder nog aan de orde zullen komen.

Vóór de Reformatie werden de verboden graden in de Nederlanden geregeld door het kanoniek recht. Eeuwenlang had dit kerkelijk recht huwelijken tot in de zevende graad van de kanoniekrechtelijke graden berekening verboden waarna in 1215, later op het concilie van Trente bevestigd, het verbod tot de vierde graad beperkt werd. Wat dit kon betekenen is enigszins af te lezen uit de onderstaande geslachtsboom (figuur 1) waarin echter niet de kanoniekrechtelijke, maar de in de Republiek gebruikelijke romeinsrechtelijke telling getekend is.10 Kijkt men daar naar de generatiegenoten van de ik-figuur, dan was het katholieken verboden de kleinkinderen van de over-oudoomskinderen te huwen, volgens kanoniek recht de vierde, romeins recht de achtste graad. De katholieke kerk baseerde zich naast bijbeluitspraken ook op conciliebeslissingen. Reformatorische schrijvers aanvaardden uitsluitend de bijbel als leidraad en daardoor werden de verboden verder teruggedrongen. Zo zou zich in door de Reformatie beïnvloede landen, zoals de Republiek, een nadere beperking van de verboden graden voltrekken. Men kan deze beperking in kerkhistorisch perspectief plaatsen zoals hierboven is aangeduid. Ook of daarnaast is het mogelijk de theorie van Schelsky te volgen, de verschillen in

[p. 38]



illustratie
Figuur 1 Geslachtsboom
Bron: S. van Leeuwen, Het Rooms-Hollands regt, Amsterdam 173210, p. 39


[p. 39]

wetgeving in katholieke en protestantse gebieden zouden dan wijzen op verschillen in de sociale functie die verwantschapsbetrekkingen vervulden. Men denke hierbij aan wat in het vorige hoofdstuk gezegd werd over het onderscheid tussen Frankrijk en Engeland. Natuurlijk kan deze redenering niet te strak worden doorgevoerd. Om bijvoorbeeld alleen op grond van onderling verschillend recht te besluiten dat de bewoners van het tot de Republiek behorende Staats-Brabant minder diepgaande contacten onderhielden met hun verwanten dan hun zuiderburen in Spaans, later Oostenrijks Brabant zou te ver gaan.

Toen tijdens de Opstand de burgerlijke overheid de wetgeving en rechtspraak in huwelijkse zaken van de katholieke kerk overnam, vaardigde zij in 1580 de Politieke Ordonnantie uit die onder meer het huwelijksrecht, en zo ook de kwestie der verboden graden, regelde.11 De Politieke Ordonnantie verbood ten eerste de huwelijken tussen bloedverwanten in de rechte lijn, dus tussen ouders en kinderen, grootouders en kleinkinderen, enzovoorts. Ten tweede werd het huwelijk tussen broers en zusters verboden. Ten derde waren huwelijken van ooms en tantes met hun nichten en neven of de afstammelingen van de laatsten niet toegelaten. Niet onbelangrijk voor vroeger tijden, hadden deze verboden ook betrekking op huwelijken van ouders met stiefkinderen en van broers en zusters van halven bedde. Gold dit de bloedverwantschap, in de afgebeelde geslachtsboom kan de lezer de verboden relaties terugvinden, in aanverwantschap waren dezelfde verboden van toepassing. Man en vrouw zijn één schreef de Politieke Ordonnantie Genesis 2:24 na, waardoor geen man of vrouw mocht trouwen met die bloedverwanten van de overleden huwelijkspartner die tot deze in een verboden betrekking stonden.12 Men kan hier overigens ook uit opmaken dat verwanten van de ene partner niet als familie werden beschouwd van verwanten van de andere partner. Door een huwelijk werden niet twee families in een verwantschapsbetrekking aan elkaar geklonken, maar een individu met de familie van zijn huwelijkspartner.13

Terecht stelde Van Apeldoorn dat bij de meningsvorming over de verboden graden de Kerk en dat geldt ook de overheid, niet van een scherp omlijnd beginsel is uitgegaan. Zowel de Politieke Ordonnantie als de synodes verwezen als bron naar de Heilige Schrift, namelijk Leviticus 18:6-18 en 20: 11-21 en naar romeins recht. Ook introduceerden zij het naar zijn wezen vage begrip ‘eerbaerheyt’ op grond waarvan huwelijken die in de genoemde bijbelteksten of zelfs in de Politieke Ordonnantie niet uitdrukkelijk verboden werden, toch als ontoelaatbaar werden opgevat.14 Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meningen over wat wel en niet als huwelijk door de beugel kon, soms uiteenliepen. Om de grenzen van de verwantschapsbetrekkingen verder af te tasten, zullen we op een aantal van die meningsverschillen ingaan. We zullen daarbij gebruik maken van uitspraken van de Staten van Holland op verzoeken om dispensatie van het

[p. 40]

beletsel der verboden graden. Op de bevoegdheid van de Staten en hun beleid in dezen, komen we later terug.

Ten eerste verbood de Politieke Ordonnantie in bloedverwantschap het huwelijk tussen neef en nicht, dus met de kinderen van oom of tante, niet. In Leviticus was deze verbintenis niet verboden en het argument van de verwarring in gezagsverhoudingen dat we eerder tegenkwamen bij het huwelijk tussen tante en neef of oom en nicht, was hier niet van toepassing. Bezwaren leefden echter toch wel. Op een aantal synodale bijeenkomsten werd, met toegeven dat ‘Gods woort ende de geschreven rechten’ geen verbod uitspraken, een dergelijk huwelijk toch afgeraden omdat ‘het nyet stichtelyk is’, tegen de eerbaarheid in zou gaan.15 De jurist Brouwer meende in een veel geciteerd en lijvig werk over het huwelijksrecht dat het huwelijk tussen neef en nicht zo dicht bij de door God verboden huwelijken stond dat het beter was van de op zichzelf wettige daad af te zien omwille van de nabijheid van de onwettigheid.16 De overheid legde neef en nicht echter geen moeilijkheden in de weg.17

Een tweede probleem werd gevormd door het feit dat Leviticus sommige huwelijken verbood, maar over analoge gevallen niet repte. Deze onvolledigheid speelde zowel ten aanzien van bloed- als van aanverwantschap. Leviticus verbood bijvoorbeeld wel het huwelijk met de zuster van de vader of moeder, maar niet dat met de broer van de vader of moeder. Kerk en overheid stelden zich op het standpunt dat de in Leviticus genoemde verboden uitgebreid dienden te worden tot alle soortgelijke gevallen, ‘dewijl hier volkoomen de selve Trap van naabestaande Maagschap is’ zoals de theologische faculteit van de Leidse universiteit in 1711 adviseerde.18 Punt van discussie vormden met name huwelijken in aanverwantschap. Noch de bijbelse voorschriften, noch het romeinse recht verboden het huwelijk met de dochter van de broer of zuster van de overleden echtgenote. Dat dit huwelijk tussen de oom en zijn aangetrouwde nicht, ondanks het verbod in de Politieke Ordonnantie, voorkwam zou opgemaakt kunnen worden uit het feit dat de synodes er regelmatig schande van spraken en in 1605 meenden ‘dat onlanx sodanige huwelycken veel gevallen syn met grooter ergenisse’.19 Onder juristen waren er echter wel die de rechtmatigheid van deze huwelijken wilden verdedigen.20 Eind 18de eeuw meende Michaëlis, wiens werk in verschillende uitgaven in het Nederlands te raadplegen was, dat alleen die huwelijken verboden waren die uitdrukkelijk in Leviticus als zodanig waren aangemerkt. Nuys Klinkenberg volgde hem hierin.21 Voor het huwelijk tussen oom en aangetrouwde nicht wilden de Staten wel eens dispensatie verlenen, ook al stond de oom ten opzichte van zijn nicht ‘in de plaetse van vader’. In 1581 hadden de Staten zich zelfs zo ver vergeten te verklaren dat dit huwelijk niet met de Politieke Ordonnantie in strijd was. Mede door deze uitspraak was een verwarring ontstaan waar een herhaald verbod in 1664 een einde aan moest maken.22 Een ander huwelijk waar Leviticus over zweeg was de verbintenis met de

[p. 41]

zuster van de overleden vrouw. In de Politieke Ordonnantie was dit huwelijk buiten enige twijfel verboden. De Staten stonden het in 1601 weliswaar ‘by ooghluyckinge’ toe, maar in 1620 spraken ze gemelijk de wens uit ‘meerder niet gelijcke schandaleuse versoecken in dese Vergaderinge tot oneere van deselve voorts te brengen’.23 Ook later waren de Staten niet te vermurwen. Wel was het huwelijk met de vrouws zuster in 1689 al eens verdedigd en in 1781 betoonde Van Oosten de Bruyn zich er zelfs een warm voorstander van. Wie zou beter, schreef hij, de met de kinderen achterblijvende man kunnen bijstaan dan zijn schoonzuster die zonder stiefmoederlijke onhebbelijkheden de opvoeding ter hand zou nemen?24

Een derde probleem vormden huwelijken met aanverwanten van de overleden huwelijkspartner. De Politieke Ordonnantie legde deze, tenzij men ze onder het begrip ‘eerbaerheyt’ wilde rangschikken, geen duimbreed in de weg: alleen de huwelijken met bloedverwanten van de overleden huwelijkspartner werden daar verboden. Toch leefden er bij kerkelijke en wereldlijke instanties bezwaren tegen huwelijken van dit tweede soort aanverwantschap zoals men het wel noemde.25 In deze huwelijken moet er onderscheid gemaakt worden tussen de rechte lijn en de zijlijn. In de rechte lijn deed zich soms het geval voor dat een man wilde trouwen met de stiefmoeder van zijn overleden vrouw. In 1698 meende het Hof dat een dergelijk huwelijk niet in strijd was met de letter van de wet, maar wel met ‘de Eerbaerheyt, ende explicite bij de Civile Roomse wetten’ verboden was. In 1736, en dit is de enige uitbreiding die de Politieke Ordonnantie heeft ondergaan, werden huwelijken met de overleden vrouws stiefmoeder en mans stiefvader uitdrukkelijk verboden.26 Toch hebben de Staten vóór en na 1736 de hand wel eens over het hart gestreken. Een paar huwelijken in de zijlijn vormden voor sommigen een steen des aanstoots. Herhaaldelijk gaven synodes als hun mening te kennen dat het ‘een oneerlyck ende onbehoorlick houwelyck’ is om de weduwe van de broer van de eigen overleden echtgenote tot vrouw te nemen.27 De kerkeraad van Boskoop zag in 1733 zelfs ‘eenige bekommeringe’ in een huwelijk van een man met de weduwe van een overleden man die weer eerder gehuwd was geweest met de zuster van zijn overleden vrouw en ried omwille van de eerbaarheid de trouwlustigen aan van hun plannen af te zien. Terecht zagen de Staten in deze beide gevallen geen moeilijkheid.28 Evenmin zag het die in een huwelijk met de weduwe van de broeder van de moeder van de overleden vrouw, de aanverwante tante van de echtgenote. Dat sommigen ook hier bezwaren voelden blijkt onder meer uit de reserves die Van Leeuwen uitsprak die het ‘om eerbaarheidswil’ niet zeer betamelijk achtte.29

Wilde iemand huwen met een persoon die binnen de verboden graden viel, dan stonden twee wegen voor hem open, namelijk, al klinkt dit wat obligaat; de illegale en de legale. Illegaal wil zeggen dat door het verzwijgen van de aard van de verwantschapsbetrekking of door het afleggen van valse verklaringen gepoogd werd de autoriteiten te misleiden. In het

[p. 42]

hoofdstuk over de partnerkeuze zullen we daar meer over zeggen. Soms waren gezagsdragers bereid een oogje dicht te doen. Een opmerkelijk geval deed zich, weliswaar niet met betrekking tot trouwen maar tot ongehuwd samenwonen, in Wassenaar voor. Daar werd in 1755 aan Jan Jacobsz. Vermeulen en Aaltje Jans. Hoogkamer het huwelijk geweigerd omdat zij de zusters dochter van zijn overleden vrouw was. Ongehuwd en blijkbaar ongestoord leefden ze daarna met hun zeven kinderen samen tot in 1766 een nieuwe baljuw aantrad die op grond van incest een criminele procedure jegens hen op gang bracht. Hun verzoek om dispensatie van de wet werd door de Staten afgeslagen.30 Eerder haalden we uitspraken van synodes aan dat verboden huwelijken voorkwamen. Dit alles suggereert dat plaatselijke gezagsdragers soms iets door de vingers zagen of zich om de tuin lieten leiden. Het versluiert ook de vraag, totdat systematisch genealogisch onderzoek heeft plaatsgevonden, in hoeverre de verboden graden in acht genomen werden.

Welke verboden huwelijken in trek waren en welke argumenten daarvoor gehanteerd zijn, geeft de dispensatiepraktijk aan waarnaar nu en dan reeds is verwezen. Dispensatie van de verboden graden stond bij de kerk in een kwade reuk en ook juristen en overheid hadden hun scepsis omdat, heette het, van Gods wetten niet te dispenseren viel en het tot kleinachting van de wet aanleiding kon geven.31 In incidentele gevallen wilde de overheid wel dispensatie verlenen. De bevoegdheid daartoe berustte volgens juridische auteurs bij de hoogste wetgevend macht, de Staten van Holland, ook al was dit niet wettelijk vastgelegd.32 Dat de Staten het dispenseren van de graden niet aan lokale organen wilden overlaten, blijkt allereerst hieruit dat ze bij het opstellen van de Politieke Ordonnantie het overigens niet uitgevoerde plan hadden een apart lichaam voor de beoordeling van moeilijke gevallen op te richten.33 Ten tweede kan men uit het feit dat de Staten het recht om dispensatie te verlenen van de drie aan het huwelijk voorafgaande huwelijksafkondigingen slechts in uitdrukkelijke delegatie van bevoegdheid aan lagere organen uit handen gaven, opmaken dat zij meenden dat het dispenseren van huwelijkse wetten aan de Staten toekwam.34 Tenslotte, voorbeelden van het verlenen van dispensatie van verboden graden door lagere organen zijn mij niet bekend.35 De bij de Staten van Holland ingediende verzoeken om dispensatie geven mijns inziens daarom een goed beeld om welke verboden graden het handelde en wat het beleid van de Staten was.

Men moet onderscheid maken tussen de verzoeken van christelijke inwoners van Holland en leden van de Joodse Natie. Om met de eersten te beginnen, de Staten moesten tussen 1580 en 1795 een beslissing nemen over ruim 70 requesten, waarvan ruim 25% in de jaren na 1780 werd ingediend. Op één na hadden alle verzoeken betrekking op huwelijken in aanverwantschap. Ver boven de andere uit stak in aantal het huwelijk van de oom met de nicht van de overleden echtgenote, met 32 requesten. Het

[p. 43]

betreft een ‘bekend’ geval, ook na 1795 zou vooral om dit huwelijk dispensatie worden aangevraagd.36 Op afstand volgden huwelijken als met de zuster van de overleden vrouw, met de weduwe van de broer van de moeder en met de stiefmoeder van de overleden echtgenote. In hun requesten zetten de indieners die voorzover de gegevens daar duidelijkheid overscheppen vooral uit middengroepen afkomstig waren, zoals een meester timmerman, herbergier, een binnenvader in een weeshuis, hun motieven om te trouwen uiteen. Aan hun persoonlijke redenen willen we op dit moment voorbijgaan, maar wel willen we aandacht schenken aan een in het kader van dit hoofdstuk interessant aspect van hun argumentatie. Naast een beroep op onwetendheid, als ‘eenvoudige Landlieden’ of ‘Burgerlieden’ zoals het soms heet, verraadt zich in de verzoekschriften veelvuldig de hand van deskundige adviseurs die verwijzen naar ter zake doende literatuur en precedenten en, vooral in de jaren na 1780, het begrip aanverwantschap ter discussie stellen. Kan iemand nog wel een aanverwant, een bloedverwant van de echtgenoot of echtgenote, genoemd worden als de huwelijkspartner overleden is? Een concreet voorbeeld kan ter verduidelijking dienen. In 1792 verzocht Pieter Thijssen uit Beverwijk bij de Staten om dispensatie omdat hij wilde huwen met zijn overleden vrouws broeders dochter. Hij poneerde dat de aanverwantschap wel plaats had gehad maar ‘door het overlijden, zoo van des... Suppliants huijsvrouw, als van haaren Broeder...die al voor ruym twaalf jaaren overleeden is, reeds lang is gecesseerd’.37 Dit argument van het zogenaamde afsterven van de aanverwantschap door het overlijden van de persoon die de aanverwantschap tot stand brengt, moet de regenten niet geheel vreemd in de oren geklonken hebben. Zelf hanteerden ze deze redenering waar het de opvolging in een publiek lichaam betrof: een verwant die bij leven iemands intrede in bijvoorbeeld de vroedschap verhinderde, stond na zijn dood niet meer in de weg. Volgens sommige juristen was dit beginsel eveneens op huwelijken van toepassing maar toch ging het hier om een minderheidsstandpunt, in het algemeen werd geoordeeld dat de aanverwantschap op grond van wettelijke fictie en betamelijkheid bleef voortbestaan.38 Gaat men er echter van uit dat de redenering niet alleen als handigheidje in de requesten gebruikt werd, maar zo bij de indieners leefde, dan houdt dat in dat na de dood van de huwelijkspartner de kring van verwanten naar het gevoelen van de betrokkenen een inkrimping onderging.

Wat was het beleid van de Staten ten opzichte van de verzoeken om dispensatie? Fockema Andreae die een korte beschouwing hieraan wijdde, concludeerde dat de beslissingen nogal eens ongelijk waren.39 Op een aantal gevallen en uitspraken zijn we in het voorgaande al gestuit. In het algemeen kan gezegd worden dat de animo voor verlening van dispensatie niet zeer groot was, 35 verzoeken werden afgewezen, 28 toegestaan terwijl op een aantal geen beslissing volgde of dispensatie niet nodig werd geacht. Coulant wilden de Staten soms zijn bij het huwelijk van de oom met de

[p. 44]

nicht van de overleden echtgenote, van de man met de stiefmoeder van de overleden echtgenote en van de man met de weduwe van moeders broeder. Aan requesten in de eerste twee gevallen werd door de genoemde beschikkingen van 1664 en 1736 getracht een einde te maken. Opvallend is dat in de jaren '80 van de 18de eeuw toen, zoals vermeld, zeer veel verzoeken ingediend werden, de Staten zeer vrijgevig waren in het verlenen van dispensaties, met name in de genoemde oom-nicht en tante-neef gevallen. Dit streek zeer in tegen de haren van de leden van het Hof die de Staten gewoontegetrouw adviseerden en meenden dat dispensatie onder slechts buitengewone omstandigheden plaats kon vinden en dat te grote gulheid tot veronachtzaming van de wet kon leiden. Op hun aandringen werd in 1789 een ‘Waarschouwing’ gepubliceerd die de verboden van de Politieke Ordonnantie herhaalde en aan de dispensaties een eind zou maken.40 Men kan zich afvragen of er bij de Staten sprake was van een welbewuste, maar niet doorzettende beleidswijziging of dat men tevoren uit slordigheid de kwestie uit de vingers had laten glippen. Voor de eerste suggestie zou kunnen pleiten, maar deze kwestie verdient een apart onderzoek, dat de in de 17de eeuw levende bezwaren tegen huwelijken met aanverwanten aan het afkalven waren. We verwezen bijvoorbeeld naar de vraag of de verboden in Leviticus voor uitbreiding vatbaar waren. Ook zou betoogd kunnen worden dat aan de werken van natuurrechtgeleerden ontleende ideeën veld wonnen. Van Oosten de Bruyn bijvoorbeeld betoogde dat het enige verbod dat uit het natuurrecht af te leiden was, het huwelijk tussen ouders en kinderen was.41

Min of meer terloops willen we aandacht schenken aan de speciale positie die twee geloofsgroepen in Holland tegenover de verboden graden innamen. Katholieken moesten naast de verboden in de Politieke Ordonnantie ook rekening houden met de verdergaande kanoniekrechtelijke bepalingen. Het recht van dispensatie hiervan berustte bij de paus maar kon door uitdrukkelijke of stilzwijgende delegatie van bevoegdheid door anderen worden uitgeoefend. De praktijk in de Hollandse Zending lijkt te zijn geweest dat deze verzoeken ten tijde van de apostolisch-vicarissen door dezen behandeld werden en later vooral door de nuntius en Rome afgedaan werden, tot ongenoegen van de aartspriesters die ruimere volmachten wilden hebben.42 In Holland verblijvende joden kwamen wat betreft hun huwelijksgebruiken regelmatig in aanvaring met de Politieke Ordonnantie. Ze waren gewoon in eigen kring die huwelijken te sluiten die volgens hun eigen wetten toegestaan, maar door de Politieke Ordonnantie verboden waren. Was het niet de plaatselijke magistraat die moeilijkheden maakte, soms ontstonden deze binnen de Joodse Natie zelf. Huwelijken die niet volgens de Politieke Ordonnantie gesloten waren, waren nietig en daarop beriep om een voorbeeld te noemen één der partijen in een joodse erfenisprocedure te Amsterdam in 1656 zich. In dat jaar en in 1712 geboden de Staten, evenals de magistraat van Amsterdam in 1622 al had gedaan,

[p. 45]

de joden hun huwelijken voortaan volgens de in Holland geldende wetten te voltrekken. Pleidooien van de Joodse Natie dat in o.a. Venetië en Hamburg de joden toegestaan werd hun eigen wetten te volgen, dat men eerder hier te lande nooit moeilijkheden had gemaakt en een verzoek om een permanente dispensatie van de Politieke Ordonnantie richtten niets uit.43 Vooral in de tweede helft van de 18de eeuw verzochten joden veel om dispensatie, de Staten moesten over ongeveer 130 verzoekschriften beslissen. Uit deze requesten blijkt ook welke de gewraakte huwelijken waren. Bijna altijd ging het om het huwelijk met de zuster van de overleden echtgenote en dat tussen oom en nicht. Om dispensatie van het verbod te huwen met de weduwe van de overleden broer, het Leviraatshuwelijk, werd slechts éénmaal, door een Sefardische jood gevraagd.44 Een opmerkelijk licht op de relatief grote tolerantie waarin joden zich in de Republiek konden verheugen, werpen de adviezen van het Hof op de dispensatieverzoeken. Het Hof maakte onderscheid tussen rijke en arme joden, hetgeen meestal neerkwam op een verschil tussen de Sefardische of Portugese en Askenazische of Hoogduitse joden. Inzake de Portugese Natie ‘welke uit hoofde der Commercie van veel belang voor deeze Republicq is’ en voor wie het aantal vrouwen ‘onder de fatsoenlijke Joden hier te lande’ niet groot genoeg was ‘om altijd buiten hare Familien te allieeren’ meende het Hof meestal voor dispensatie te kunnen adviseren. Anders lag dat echter bij de Hoogduitse joden die in meerderheid met niet meer dan een paar bezittingen in hun ransel de grens van de Republiek overtrokken. Tegen dispensatie voor hen adviseerde het Hof regelmatig ‘alzoo de groote vermenigvuldiging van zoodanige Arme Jooden niet wel voordelig voor de Republicq kan gereekent worden, en dezelve ook moogelyk meerdere gelegenheid hebben om Huwelyken aan te gaan met Persoonen van geen ongelyken Rang’.45 De Staten verleenden de gevraagde dispensatie meestal zonder mankeren.46

Zo hebben we via de verboden graden een eerste afbakening tot stand gebracht in de verwantschapsbetrekkingen in Holland. We zijn daarbij uitgegaan van de theorie van Schelsky die de personen die buiten de verboden graden vallen als ‘vreemden’ opvat. Dat voor tijdgenoten nog andere argumenten speelden dan het uitbreiden van vriendschapsbetrekkingen in de samenleving, willen we beslist niet ontkennen. Regelmatig verwezen zij naar romeins of goddelijk recht of deden ze een beroep op de ‘eerbaarheid’. Ook hebben we uiteengezet dat de meningen over de verboden graden beslist niet eensluidend waren. Met die reserves meen ik dat de kring van personen die men als verwant erkende en die men wat betreft leeftijd kennen kon, in de afgebeelde geslachtsboom de vierde graad niet te buiten ging: ouders, broers en zusters met hun kinderen, oom en tantes met hun kinderen. Dit geldt zowel de eigen bloedverwanten als die van de echtgenote of echtgenoot. Overleed deze, dan is het niet onmogelijk dat naar het ‘gevoelen’ van velen de bloedverwanten van de huwelijkspartner

[p. 46]

niet meer als verwant erkend werden. Zoals gezegd, het ging hier om een eerste afbakening, hoe met andere bronnen de verwantschapsbetrekkingen in Holland ontsluierd kunnen worden, zullen we in de volgende paragrafen onderzoeken.

2. Moralisten over verwanten en buren

Als moralisten over het huwelijk schreven, en dat deden ze graag en veel, dan ging hun aandacht vooral uit naar problemen rond het kiezen van een huwelijkspartner: op welke eigenschappen moet men letten, aan wie moet men toestemming en raad vragen en aan welke plichten moeten de huisgenoten zich houden. Over contacten van het gezin met familieleden en buurtgenoten schreven ze weinig. De laat 18de-eeuwse schrijver Martinet bijvoorbeeld, besteedde in zijn Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen niet meer dan een handvol van de 548 bladzijden aan de verhouding van het gezin met familie en buren.47 Alice Carter die bij lezing van Cats op hetzelfde verschijnsel stuitte schreef dat problemen met verwanten blijkbaar geen grote rol speelden.48 Die conclusie kan men trekken, maar ook kan men het zo opvatten dat schrijvers van stichtelijke werken geïnteresseerd waren in huwelijk en gezin en niet in familieleden of buren. Dat juist het gezin zeer belangrijk geacht werd blijkt ook uit de mening dat het gezin en niet andere sociale eenheden als de stut van de samenleving werd beschouwd. ‘De particuliere Huys-gesinnen zijn het beginsel ende den oorspronck van alle politijcke ende kerkelicke vergaderingen...een levendigh beelt, een recht model van een Republijcke ende een fundament van order, die onder de menschen in Politie ende kercke moet onderhouden werden’, werd wel opgemerkt. Deze mening stond beslist niet op zichzelf, door velen die over huwelijk en gezin schreven, werd zij gedeeld.49

Is het dus zo dat de belangstelling in de eerste plaats niet naar de omgang van het gezin met anderen uitging, helemaal zwijgen deed men er niet over. Vóór daar op in te gaan moet opgemerkt worden dat de vraag naar de samenstelling van het huishouden, in hoeverre bijvoorbeeld verwanten bij een gezin inwoonden, later breder aan de orde zal komen. Voor goed begrip van dit hoofdstuk is het juist te weten dat familiehuishoudens in Holland zelden voorkwamen en dat het huishouden meestal uit ouders, kinderen met eventueel personeel bestond. Moralisten stonden snel klaar als het er om ging te waarschuwen tegen de gevolgen van een uithuizig leven. Het ging daarbij niet alleen om de ‘diehards’ die van leer trokken tegen het bezoeken van herbergen, dansgelegenheden en ‘lichtveerdige comediën’. Aan het slot van de 18de eeuw zag Martinus Bodisco in een prijsverhandeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, in onmatigheid bij spel en het zoeken van gezelschap buitenshuis, één der oorzaken van het weinige geluk in de gezinnen in zijn tijd. Veelvuldig verblijf buitenshuis gaat ten koste van tijd die aan het gezin besteed had

[p. 47]

kunnen worden.50 De bovengenoemde Martinet hield zijn lezers voor dat familieleden het gezin te stade kunnen komen als het althans verstandige en deugdzame lieden zijn zodat ‘uw goede naam daardoor winne’. Graag zag hij familieleden op bezoek komen ‘mids zij u geene ongelegenheid aandoen, of den tijd ontsteelen’ door bijvoorbeeld over nutteloze zaken uit te weiden. Een zelden gebracht bezoek aan familieleden, zo concludeert hij, is aangenaam, maar herhaalde bezoeken worden lastig.51 Naast deze algemene opmerkingen roerden moralisten met name twee kwesties aan waarin verwanten een rol kunnen spelen. Bij de keuze van een huwelijkspartner kunnen familieleden en kennissen advies geven. Die van de eersten is natuurlijk van minder gewicht dan de mening van ouders omdat verwanten ‘een meer afgeleide en min regelrechte invloed op ons genoegen hebben’. Een andere schrijver klaagt er echter over dat men maar al te vaak nalaat bloedverwanten om advies te vragen.52 Een tweede kwestie waarbij familieleden betrokken kunnen worden is als tussen de echtgenoten moeilijkheden zijn ontstaan. In beginsel geldt de regel deze niet openbaar te maken, het zal niet gewaardeerd worden en men zal gemeden worden ‘als voor de pest’. Onder vier ogen moeten de echtgenoten tot een oplossing zien te komen en lukt dat niet dan moet men verstandige lieden ter bemiddeling roepen, ‘is het mooglijk, uit hun eigen geslacht’. De Vos staat weer veel gereserveerder tegenover de inmengingen van familieleden of vrienden.53 Ook niet altijd zal de band tussen familieleden daar even geschikt voor zijn geweest. Met betrekking tot familiedagen die volgens een laat 18de-eeuwse encyclopedie wekelijks of maandelijks gehouden werden werd opgemerkt dat ‘de Familie eenig recht heeft op onzen ommegang’, maar dat verveling en kleinachting het gevolg kunnen zijn van ‘het verschil van humeur, beroep en liefhebberyen’.54

De zojuist geciteerde bron stelde dat de familiedagen bezocht werden door ‘Ouders, Kinderen, Zusters, Broeders enz.’. Een dergelijke opsomming van met name genoemde verwanten tot wie men in een speciale relatie staat vindt men wel meer. In de catechismus van Poudroyen wordt geleerd om naast de ouders ook eerbied te hebben voor ‘Grootvader, grootmoeder, over-groot-vader, over-groot-moeder, schoonvader, schoonmoeder, stiefvader, stiefmoeder, ooms, moeijen, vooghden’. Elders heet er een ‘natuerlijke genegentheyt’ te bestaan met ‘Grootvaders, Oomen, Broeders, Susterlingen, Neven, Nichten, Moeyen en Susters... als ook Schoon-Vader, Schoon-Moeder, Schoon-Soonen, Schoon-Dochteren en diergelyke die met vrientschap aan malkander verbonden zyn, gelijk de zenuwen aan malkander hangen’. Koelman vraagt te bidden voor bloedverwanten en nabestaanden, n.l. ouders, kinderen, broers en zusters, ooms en tantes, neven en nichten.55 Het zal de lezer opvallen dat hier van dezelfde familieleden sprake is als we bij de verboden graden tegenkwamen.

Het is jammer dat de hier geraadpleegde schrijvers zich zo in stilzwijgen

[p. 48]

hullen waar het de burencontacten aangaat. Een vroeg 17de-eeuws, in 1658 nog herdrukt, katholiek werkje is het meest mededeelzaam. Het beveelt ‘de ghebuerlicke vriendtschap’ ten zeerste aan. Buren kunnen elkaar bijstaan als er behoefte is aan water en vuur, spijs en geld, elkaar helpen bij ziekte en honger of troosten en raadgeven. Voor de deur zitten kouten of het bijwonen van een ‘blijde maeltijdt’ der buren raadt de schrijver ook aan tenzij zotternij en roddel de plaats innemen van christelijke degelijkheid. Kortom, als ‘generalen reghel’ moet men zijn buren behandelen ‘als oft het al inwoonders van den selven huyse waren’. De woorden van Martinet steken hier pover bij af. Buren moet men zijns inziens nooit onverschillig behandelen want als men direct hulp behoeft, zijn familieleden ver weg. Maar, maant hij ten opzichte van de buren, ‘overloopt hen niet, of gij hebt hetzelfde van hun te verwagten, en zult uwe vrijheid verliezen’.56

3. Verwanten in correspondentie en mémoires

Door de bronnen die we voor ons onderzoek gekozen hebben, valt het meeste licht op de middelste en lagere sociale groepen. De hogere kijken slechts nu en dan om de hoek. Voor de geschiedenis van het gezin onder de hoogste groepen, adel, patriciaat en wat men wel ‘brede burgerij’ genoemd heeft, is apart onderzoek nodig met eigen bronnen. Men kan dan denken aan gepubliceerde en ongepubliceerde correspondentie, verder materiaal dat in familiearchieven soms te vinden is zoals dagboeken en opstellen, en reeds verschenen literatuur waaronder de in overvloed gepubliceerde genealogieën gerekend moeten worden. In deze paragraaf kan niet meer dan een aanzet tot de bestudering van verwantschapsbetrekkingen bij de hoogste groepen gegeven worden door middel van enkele gedrukte bronnen. Nederland is zoals bekend arm aan gedrukte ‘ego-documenten’. Voor de hier bestudeerde periode komen niet meer dan drie bronnen in aanmerking: de correspondentie van De Witt en van de gebroeders Van der Goes en de mémoires van Coenraet Droste. Een korte introductie van deze drie bronnen is op zijn plaats. Ten aanzien van de correspondentie van Johan de Witt moet bedacht worden dat deze niet integraal uitgegeven is. Hoewel de uitgevers bepaald niet krenterig waren in het opnemen van familiecorrespondentie, geeft het niet publiceren van op het eerste gezicht wat onbenullige brieven toch een scheef beeld van de verwanten met wie De Witt contacten onderhield.57 Vanzelfsprekend mag men er ook niet van uitgaan dat De Witt model kan staan voor de gemiddelde regent. De drie broeders Van der Goes onderhielden tussen 1659 en 1673 een levendige briefwisseling. Zij behoorden tot de katholieke tak van het geslacht Van der Goes, bekend onder meer door de twee landsadvocaten in de 16de eeuw van wie de broers in rechte lijn afstamden. Anders dan hun protestantse verwanten te Delft die regentenposities bekleedden

[p. 49]

stonden zij buiten het patriciaat en vulden hun leven in de advocatuur en met het beheer van landerijen. De correspondentie ontstond toen Willem van der Goes die in een duel zijn tegenstrever doodde, de wijk naar het buitenland nam waar hij een kleine twintig jaar zou blijven.58 Coenraet Droste (1642-1734) was een niet zo hoge militair - in 1676 begon hij overigens al te rentenieren - die door zijn moeder geparenteerd was aan het Dordtse regentengeslacht Ruysch. Hij bleef ongehuwd en zijn niet bijster werkzaam leven leverde nu ook weer niet erg boeiende stof op, maar zoals Fruin, die zijn op rijm gestelde mémoires opnieuw uitgaf, reeds schreef, bij gebrek aan beter krijgt de middelmaat waarde.59 Zoals gezegd kunnen deze drie bronnen niet meer dan een aanzet geven waarbij we aandacht zullen schenken aan de vraag met welke familieleden contacten werden onderhouden en waaruit deze bestonden. Opmerking verdient het nog dat in uitgegeven bronnen als deze de genealogische betrekking tussen verwanten al geheel of grotendeels door de uitgever is uitgezocht en dat bij het tegendeel deze met niet veel moeite is te achterhalen, het betreft immers veelal patricische geslachten.

Het begrip ‘verwantschap’ is uiteraard betrekkelijk en als men wil achterhalen hoe ver men ging in het iemand als verwant beschouwen, dan moet het criterium voor verwantschap bij de bron zelf worden gezocht. Als verwant in onze drie bronnen zijn die personen opgevat die door de schrijvers zelf als verwant worden aangeduid, door ze ‘oom’ of ‘neef’ te noemen. Dit heeft tot consequentie dat personen die door de schrijvers niet als verwant worden aangemerkt maar in een zelfde verwantschapsbetrekking tot de schrijvers staan als zij die wel verwant worden genoemd, er buiten vallen. Door Droste worden bijvoorbeeld van zijn vier zusters echtgenoten, er twee ‘zwager’ en twee bij de naam genoemd.60 Hoewel de laatste twee tot hem in eenzelfde verwantschapsbetrekking staan als de eerste twee, lijkt het wel zo consequent ze als zodanig niet mee te rekenen: men komt anders met achterneven en achter-achterneven enz. in moeilijkheden als er toevallig één door de schrijver verwant wordt genoemd en anderen met hun naam alleen figureren. Gaat men van het geschetste principe uit, dan worden door Johan de Witt ruim 85 mensen in zijn brieven als familielid beschouwd, door de gebroeders Van der Goes 39 en door Coenraet Droste 31. Het verschil tussen De Witt enerzijds en de andere scribenten anderzijds is evident en wordt voor een belangrijk deel, hoewel niet volkomen, verklaard door het feit dat De Witt als gehuwd man contacten met de familie van zijn vrouw Wendela Bicker onderhield.61 Kijken we naar de samenstelling van deze verwanten, dan treffen we naaste bloedverwanten aan als ouders, broers en zusters, ooms en tantes, aanverwanten als de ouders van de echtgenote en zwagers en vooral grote aantallen ‘neven’ en ‘nichten’. Een hoog aantal aan iemand bekende verwanten wordt logischerwijze altijd bereikt door de zijlinie. De Witt noemt 54 keer iemand neef en nicht, bij de gebroeders Van der Goes

[p. 50]

bedraagt hun getal 28, bij Droste 10. Een paar aspecten van deze verwantschapsbetrekkingen kunnen nader beschouwd worden. In bloedverwantschap ging bij de gebroeders Van der Goes en bij Droste de kennis tot aan de nakomelingen van de gemeenschappelijke overgrootvader. Op de eerder afgedrukte geslachtsboom kan men het nazien. Om een voorbeeld te noemen. Martinus van der Goes schreef aan zijn broer Willem dat ‘Neef Andries van der Goes’ burgemeester van Delft zou worden. Hun gemeenschappelijke overgrootvader was Adriaen van der Goes (1505-1560), de landsadvocaat, en ze waren van elkaar dus achter-achterneven. Over de kinderen van deze verre neef schreven de broers overigens ook.62 Bij De Witt strekte de kennis tot aan de afstammelingen van nog één generatie verder terug en deze personen die tot de raadpensionaris in de achtste graad van verwantschap stonden werden nog overtroffen door De Witts ‘neef’ Johan de Witt Johansz. met wie hij een hartelijke relatie onderhield. Ze hadden dezelfde over-over-over-grootvader die in 1507 was overleden.63 In aanverwantschap werden de echtgenoten of echtgenotes van neven of nichten ook als verwant beschouwd. De broers Van der Goes schreven veelvuldig over hun ‘neef Gool’, de bekende oriëntalist Jacobus Golius die gehuwd was met een achter-achternicht.64 Als ‘oom’ of ‘neef’ werden ook de bloedverwanten van de echtgenote opgevat. Interessant is dat ook aanverwanten van het tweede soort als familielid benaderd werden. Droste betitelde de Leidse burgemeester Diederik van Leeuwen, de echtgenoot van de halve zuster van de vrouw van zijn oom als ‘syn verwant’.65 Hier zouden meerdere voorbeelden van te geven zijn, ook als de aanverwantschap afgestorven genoemd zou kunnen worden omdat het familielid dat de aanverwantschap tot stand bracht overleden was. In de briefwisseling van Van der Goes komt enkele malen Willem de Groot ter sprake. Deze was gehuwd met de zuster van de echtgenoot van hun eigen zuster Agatha van der Goes. Ook lang na haar overlijden sprak men over ‘neeff De Groot’.66 Een opmerkelijke variant is ook dat De Witt het echtpaar Jacobus Trip en Margaretha Munter als zwager en schoonzuster betitelde, blijkbaar omdat Jacobus Trip eerder gehuwd was geweest met de zuster van de vrouw van Johan.67 Het is duidelijk dat deze vergaande noties van aanverwantschap reden tot twijfel kunnen geven over het zogenaamde afsterven van aanverwantschap waar in de paragraaf over de verboden graden sprake van was. Twijfel kan men ook hebben of iedereen die als ‘neef’ of ‘nicht’ betiteld werd ook in het gevoel als zodanig beleefd werd. Toen De Witt van de ontvanger van de gemeene landsmiddelen Utenbogaert hulp kreeg bij een financiële transactie noemde hij hem ‘Mijn Heere ende Neve’ en ondertekende met ‘UEd.'s oodtmoedige dienaer ende geaffectionneerde cousin’. Met voorbijgaan aan de vaak omslachtige galanterie van vroeger waar men zich niet op moet blind staren kwam het de raadpensionaris goed uit in dit geval het ‘neefschap’ te beklemtonen. In omgekeerde richting gebeurde dit vaker. Regelmatig

[p. 51]

werd De Witt door ‘neven’ benaderd die zijn bemiddeling vroegen voor het verwerven van een baan.68

De kring van verwanten die we met hulp van de drie bronnen getrokken hebben is aanzienlijk wijder dan uit de bevindingen uit de vorige twee paragrafen vermoed had kunnen worden. Binnen deze wijde kring kan echter nog een tweede nauwere kring getekend worden waarbinnen die verwanten zich bevinden met wie regelmatig en op vriendschappelijke wijze werd omgegaan. Deze komt meer met de eerder gemaakte conclusies overeen. Het viel te verwachten dat de ongehuwden in onze drie bronnen, en vooral dan Coenraet Droste, er bekaaider afkwamen in hun contacten dan De Witt. De rentenierende en rijmeldende militair ging zoals uit mededelingen over logeerpartijen en het maken van een reisje blijkt, vooral om met zijn moeder, zusters en tantes, zijn moeders zusters. Bij verdere verwanten bleef hij overigens ook soms. Van zulke ondernemingen hoort men bij de gebroeders Van der Goes weinig, hun correspondentie staat vol met de mededelingen die men in brieven over familieleden kan verwachten: huwelijken, geboortes, sterfgevallen, opmerkingen over de carrière of zaken van dies en gene, plus net datgene waaruit blijkt dat voor enkelen de belangstelling dieper zit. Het meest schreven ze over de zwakke gezondheid van hun broer en zusters, over hun zwagers en vooral over hun neef en nicht Adriaen en Maria Graswinckel, hun zusters kinderen. Omdat de vader, de erudiete maar in een bijna constante staat van dronkenschap verkerende Simon Graswinckel, zich aan zijn vrouw en kinderen weinig gelegen liet liggen, voelden de broers zich voor hen verantwoordelijk.69 Voor een aantal verre neven en nichten legden de broers ook veel belangstelling aan de dag. De kring van familieleden met wie De Witt vertrouwelijk omging valt vooral af te lezen uit het over en weer logeren, het vragen en geven van adviezen, het pogen gerezen moeilijkheden uit de wereld te helpen. De Witt had sterker contact met de familie van zijn vrouw dan met eigen familie, ook nadat Wendela Bicker in 1668 overleden was. Dat betrof met name de vier zusters van zijn vrouw en hun echtgenoten. Met de Amsterdamse koopman Jean Deutz, gehuwd met Geertruid Bicker correspondeerde De Witt over hun gezamenlijke financiële operaties en zaken die de familie aangingen. Naast dezen ging hij met een aantal ooms en tantes van hemzelf en zijn vrouw om en met zijn broer en zusters die hem een zeer warm hart toedroegen. Neven en nichten nodigde de raadpensionaris soms uit of bezocht hij.70 Zijn familiecontacten onderhield hij zeer goed en politieke beweegredenen waren daar niet vreemd aan. We raken hier een onderwerp, welke rol familiebetrekkingen in het politiek, maar ook economisch leven speelden, waar we verder aan voorbij zullen gaan. Aan de hand van de correspondentie van De Witt - men leze zijn brieven en de antwoorden daarop aan de oom van zijn vrouw, Cornelis de Graeff, heer van Zuidpolsbroek en burgemeester van Amsterdam - zou daar veel over te zeggen zijn, maar het is te verdedigen dat we ons dan meer

[p. 52]

op het gebied van de politieke dan de gezinsgeschiedenis begeven.71 Ons tot ons eigenlijke onderwerp beperkend, kunnen we dit korte overzicht afsluiten met de opmerking dat onder de hoogste groepen in de geraadpleegde bronnen de verwantschapsbetrekkingen uitgebreider waren dan uit de verboden graden en de woorden van moralisten op te maken viel, ofschoon de meer intensieve contacten met die eerdere bevindingen redelijk overeenkwamen.

4. Een bron en haar problemen

In wat in dit hoofdstuk voorafging hebben we de vraag met welke verwanten het gezin omging en waaruit die omgang bestond benaderd via de kwestie van de verboden graden, via schrijvers van moralistische boeken en via ‘ego-documenten’ uit de hogere sociale groepen van het eind van de 17de eeuw. In de volgende paragraaf zullen we van processtukken gebruik maken. Omdat bij de aanwending van deze bron voor de kwestie die in dit hoofdstuk ter discussie staat een aantal bronnentechnische problemen spelen, behandelen we deze in een aparte paragraaf.

Zoals in het Voorwoord aangeduid en in de bijlage breder uiteengezet wordt, maken we in dit en de volgende hoofdstukken veelvuldig gebruik van processen die om huwelijkse zaken zijn gevoerd. In de procesdossiers of in de aantekeningen die op de procesrol geplaatst werden, treden verwanten soms naar voren als personen die een getuigenverklaring afleggen. Men kan zich nu afvragen of de verwanten die als getuige optreden representatief zijn voor de contacten die een individu of gezin met de familieleden onderhoudt. Hier speelt nu een eerste probleem. Familieleden konden zich, evenals nu, beroepen op hun verschoningsrecht. Wettelijk was daarover niets vastgelegd, gewoonterecht moest daar vorm aan geven. Er lijkt geen eensgezindheid te hebben bestaan over de vraag tot in welke graad verwanten zich mochten excuseren. In de laat 18de-eeuwse uitgave van Merula's bekende werk over het procesrecht wordt gesproken over ‘tot in de zesden graad’. Van Wassenaer gaat niet verder dan achterneven. De verschoning betreft zowel bloed- als aanverwanten waarbij volgens Merula de aanverwantschap geacht werd op te houden te bestaan bij de dood van degene die deze tot stand bracht.72 Het verschoningsrecht trok de verwantenkring dus wat ruimer dan de verboden graden. Nu is het niet alleen zo dat familieleden misschien niet wilden getuigen, ook was het in zekere zin gunstiger als de procederende op andere getuigen terug kon vallen. Familieleden behoorden tot degenen die in hun getuigenverklaring door de tegenpartij gewraakt konden worden, van wie de geloofwaardigheid op grond van hun verwantschap in twijfel kon worden getrokken.73 Tegenstanders vergaten niet in de stukken dit te vermelden. Zo werd over de verklaringen van vier zusters en zwagers gezegd dat zij zijn ‘geen persoonen dewelke ten deese als neutraal kunnen werden geconsidereert off

[p. 53]

waar aen... volkomen gelooff naar rechten kan werden gegeeven maar ter contrarie sulke die uijt hoofde van de natuurlijke affectie die sij weegens de naauwe betrecking welke sij tot de impretante sijn hebbende, allesints suspect voorkomen moeten en daarom ook moeten in regte voor geen valable getuijgen werden geconsidereert...’.74 Het was ter beoordeling van de rechter in hoeverre familieleden als getuigen een zaak schaadden. Het ligt voor de hand dat een partij het liefst niet zijn meest naaste familieleden als getuige zou verzoeken op te treden.

Als tweede probleem speelt de vraag of van die familieleden die een getuigenverklaring aflegden, de familierelatie precies werd opgegeven in de desbetreffende attestatie. In een voor juristen die als advocaat of rechter met de praktijk te maken hadden geschreven handleiding als die van Merula wordt er inderdaad op aangedrongen aan de getuigen o.a. te vragen ‘...Of sij Partyen kennen en hoe; of zy een van Partyen bestaan of niet, en hoe na’.75 Verreweg de meeste getuigenverklaringen zijn echter voor de notaris opgemaakt om eventueel later voor de rechter onder ede bevestigd te worden. De notarissen hadden zich bij het opmaken van attestaties aan regels te houden die in hun handleiding uitvoerig beschreven worden. Ze moesten letten op de geloofwaardigheid van de getuigen omdat verklaringen die ‘door Vrinden gegeven worden’ (vrinden = verwanten) bij de rechter geen geloof verdienden.76 Of de notaris daar altijd evenveel zorg aan besteed heeft betwijfel ik en uit zichzelf zullen familieleden niet snel hun verwantschap uit de doeken hebben gedaan. Daarom voelde in 1700 een gedaagde man zich verplicht een getuige van de tegenpartij te wraken omdat de getuige ‘is van de vrienden van 's moeders sijde van de impetrante, soo als uijt de gelijckheyt van de naam’ blijkt. De notaris had inderdaad verzuimd te vragen of Pietertje Abrahams de Bock familie was van de moeder van de procederende, Trijntje Abrahams de Bock.77

Naast familieleden die een getuigenverklaring afleggen, zijn er ook veel verwanten die in de procestukken zo nu en dan om de hoek komen kijken, bijvoorbeeld omdat vermeld is dat ze gepoogd hebben te bemiddelen bij huiselijke twisten of bij een bepaalde gebeurtenis aanwezig waren. Bij hen speelt het tweede probleem ook een rol. De familierelatie van uitvoerig of terloops figurerende personen in de stukken tot de procesvoerende, wordt soms niet geopenbaard hoewel de bovengenoemde handleidingen voor notarissen daar wel op aandrongen. Men kan dan ook op personen stuiten die naar dezelfde familienaam luisteren als degene die het proces voert zonder dat uitdrukkelijk gesteld wordt of de twee familie zijn en waaruit hun eventuele verwantschap bestaat. Bij bronnen als correspondentie of mémoires treft men weliswaar hetzelfde probleem aan, maar zoals eerder opgemerkt is, valt het daar meestal makkelijker de identitieit van personen te achterhalen.

Een laatste probleem wordt gevormd door de vraag of op de verwant-

[p. 54]

schapsterm waarmee iemand in een processtuk wordt aangeduid, staat gemaakt kan worden. Men moet onderscheid maken tussen de verwantschapsterm die men tegenover een derde, bijvoorbeeld de notaris, bezigt of tegen de verwant zelf, zoals in een brief. Door een paar voorbeelden uit processtukken en uit de correspondentie van De Witt kan het probleem worden verduidelijkt. Dat men zich tot de schoonvader en schoonmoeder in een gesprek of brief kan wenden met ‘vader’ en ‘moeder’ en omgekeerd de schoonzoon en schoondochter met ‘zoon’ en ‘dochter’ aangesproken kunnen worden is een ook ons niet onbekend verschijnsel.78 Het doet zich ook eigenlijk niet voor wanneer men tegenover een onbekende de schoonmoeder ter sprake brengt, men zal dan om verwarring te voorkomen niet de term ‘moeder’ gebruiken. Toch is het nog oppassen geblazen. In een aantal 16de- en 17de-eeuwse Leidse ondertrouwacten komt de benaming ‘schoonmoeder’ en ‘behoude schoonmoeder’ voor terwijl het om een stiefmoeder ging. Bij het mannelijke equivalent deed zich dit ook voor.79 In brieven worden zwagers en schoonzusters met ‘broer’ en ‘zuster’ aangeduid hetgeen eveneens het geval is met de zwagers en schoonzusters van de echtgenote. De Witt noemt in een brief aan een derde Jean Deutz, echtgenoot van een oudere zuster van Wendela Bicker, ‘mijn broeder’ en in dezelfde brief ook een keer ‘mijn schoonbroeder’.80 Niet alleen dus tegenover de zwager zelf, hier overigens nog de zwager van de echtgenote, maar ook tegenover anderen werd de term ‘broeder’ gebruikt. Bij ooms en tantes speelt naast het ook heden ten dage aanwezige probleem dat in eerste instantie niet duidelijk is of het om een oom van vaders of moeders zijde gaat, ook de kwestie of de als ‘oom’ aangemerkte een bloedverwant, bijvoorbeeld moeders broeder of een aanverwant, moeders zusters echtgenoot, is. Daarbij kunnen ooms en tantes van de huwelijkspartner ook als zodanig beschouwd worden. In een brief aan zijn vader schreef De Witt over ‘mijn Oom... De Graeff’ met wie hij de moeders broeder van zijn vrouw bedoelde.81 Dat de benaming ‘neef’ of ‘nicht’ vele betekenissen heeft zagen we in de vorige paragraaf al. Naast de verwarring tussen ‘oom-zeggers’ en ‘neef-zeggers’ pleegt ‘neef’ wel als synoniem voor achterneef, verre neef of zelfs ‘bloedverwant’ gebruikt te worden.82 Ook hier geldt weer, de lezer zal het zich uit de vorige paragraaf herinneren, dat de echtgenoot van bijvoorbeeld een achternicht, ‘neef’ genoemd wordt, ook tegenover derden. Het is duidelijk dat een diepgaand onderzoek nodig zou zijn om systeem te brengen in de vroeger tegenover derden gebezigde verwantschapstermen en in de aanspreekvormen.

Deze problemen maken de procesbron voor onderzoek naar verwantschapsbetrekkingen niet onbruikbaar. Er zal rekening mee moeten worden gehouden dat familieleden liever niet dan wel als getuige naar voren geschoven werden. Hun identitieit zal vaak verborgen blijven. Uit een directe aanduiding of uit het verband zal moeten blijken wie met een bepaalde verwantschapsterm is bedoeld.

[p. 55]

5. Verwanten en buren in processtukken

In de vorige paragraaf zagen we dat wil men het optreden van een verwant als getuige of diens vermelding in een processtuk als maatstaf gebruiken voor de contacten die de procesvoerende met zijn familie onderhoudt, deze weg niet begaan kan worden zonder vallen en klemmen tegen te komen. Een probleem werd gevormd door het verschoningsrecht. Dit zou het aantal een verklaring afleggende familieleden kunnen doen dalen. Ook hun identitieit zou verborgen kunnen blijven. Tot slot zou een vertekening kunnen ontstaan: naaste verwanten die een hechte, maar voor het proces daarom ‘verdachte’ band met de procederende onderhielden, zouden minder snel als getuige optreden dan verdere, meer ‘neutrale’ familieleden. Een belangrijk obstakel blijken deze kwesties niet te zijn. Van de ongeveer 950 getuigen die een verklaring aflegden in ruim 180 dossiers bleken er nog geen 40, of 5%, familie van de procederende te zijn. De garantie dat onder de getuigen niet veel meer verwanten schuil gaan die hun relatie verhulden, ligt hierin dat in veel gevallen de attestanten zelf de familierelatie openbaarden, dat de tegenpartij niet vergat op verwantschapsbetrekkingen te wijzen en dat getuigen die blijkbaar geen familie waren verklaarden de procederende te kennen van het werk of omdat ze in dezelfde buurt woonden. Ook al zou het percentage verwanten onder de getuigen in werkelijkheid iets hoger gelegen hebben, hun aantal blijft beperkt. Of men dit op moet vatten als een teken dat familieleden bij voorkeur niet gevraagd werd getuige te zijn of dat andere personen dan verwanten evenzeer in aanmerking kwamen, zal nog moeten blijken.

Welke familieleden waren het die de man of vrouw die een proces moest voeren als getuige bijstonden en welke familieleden kwamen in verklaringen of andere stukken voor zonder zelf attestant te zijn? Men moet wel rekening houden met het feit dat de meeste processen om huwelijkse zaken die hier gebruikt werden als bron, tussen ongehuwden werden gevoerd. Een vrouw tegen een man omdat deze de vader zou zijn van een kind dat hij niet als het zijne wilde erkennen of omdat de ene partij de andere wilde dwingen tot trouwen op grond van gegeven trouwbeloften. Minder dan de helft van de processen werd tussen gehuwden gevoerd, bijvoorbeeld om ontbinding van het huwelijk. Het gevolg van deze situatie is dat contacten met aanverwante familieleden logischerwijs minder op de voorgrond zullen treden dan met bloedverwanten. De kring van familieleden die als attestant optrad kan klein worden genoemd. Op een enkel ‘verdwaald’ ver familielid na, ging het om ouders, broers en zusters en zwagers. In de vorige paragraaf wezen we op het probleem van de benamingen, maar dat deed zich hier slechts voor in een enkel geval. Broers en zusters bleken door het dragen van de familienaam of ondubbelzinnige verwijzingen degenen te zijn waar men hen volgens onze terminologie voor houdt. Zwagers waren de echtgenoten van zusters. Was de kring van verwanten die als getuige

[p. 56]

optraden dus niet ruim, de kring van familieleden die anders dan als attestant in de processtukken een rol speelden, was aanmerkelijk gevarieerder. In totaal gaat het om ongeveer 150 genoemde familieleden in ruim 180 dossiers. Naast de zojuist genoemde verwanten, vinden we nu verder nog schoonzusters, ooms, tantes, neven en nichten. Het probleem van de vage identiteit van genoemde verwanten doet zich nu in sterkere mate voor. Ouders terzijde gelaten, dat met hen de eigen ouders en niet schoonouders bedoeld werden is door de context altijd boven twijfel verheven, bestaat ongeveer de helft van de in de processtukken vermelde familieleden uit personen van wie de preciese verwantschapsbetrekking tot de procederende partij niet bekend is. Kijken we eerst naar de bekenden. Broers en zusters zijn altijd degenen die dezelfde ouders hebben als degene die het proces voert. Met zwagers wordt meestal de zusters man of vrouws broeder bedoeld, een enkele keer, de vrouws zusters man. Voor schoonzusters geldt het analoge geval. Ooms en tantes zijn de broers of zusters van de ouders, bij ooms ook wel de echtgenoten van de zuster van de vader of moeder. Onder de onbekenden wordt een groot deel gevormd door ‘neef’ en ‘nicht’. Slechts eenmaal is het duidelijk om welke relatie het gaat, n.l. een moeders zusters dochter van de procesvoerende. Neven en nichten vormen dus de blinde vlek in deze optocht van familieleden. Zou men nu de verwanten van wie de juiste familierelatie bekend is, als representatief beschouwen voor alle vermelde verwanten, dan bestaat de kring van verwanten die in de processtukken van een man of vrouw voorkomen uit ouders, broers en zusters, ooms en tantes en de huwelijkspartners van de laatste vier familieleden. Het treft dat het om dezelfde familiebetrekkingen gaat waarover in de eerste twee paragrafen van dit hoofdstuk werd gesproken.

Twee nadere opmerkingen kunnen nog worden gemaakt. Ten eerste valt er een soort frequentieverdeling te maken van het aantal malen dat bepaalde familieleden genoemd worden. Met die reserve dat binnen een groep van 150 verwanten aan kleine verschillen niet te veel waarde gehecht moet worden, treden verwanten van de procederende op in de volgorde van ouders, zusters, broers, ooms, tantes, zwagers, neven, nichten en schoonzusters. De reeks maakt in die zin een ‘normale’ indruk, en geeft daardoor de suggestie dat deze gegevens over verwanten geloofwaardig zijn, dat degene met wie samengewoond wordt of in elk geval is, het meest is genoemd. Ten tweede is het opvallend dat meer familieleden van een procederende vrouw dan van een procederende man genoemd worden. Het is mogelijk dat dit veroorzaakt wordt door een grotere hulpbehoevendheid van de vrouw die haar eerder dan een man een beroep op familieleden doet doen. Ook kan een geringe mobiliteit van de vrouw een rol spelen. Overigens doet het verschijnsel zich ook voor bij echtparen. Uit de stukken van processen om scheiding van tafel en bed en echtscheiding blijkt dat het echtpaar meer contacten onderhield met de familie van de

[p. 57]

vrouw dan van de man.83 De correspondentie van De Witt leidde ook al naar deze vaststelling. Uit onderzoek naar modern familieleven is deze conclusie eveneens getrokken.84

Tot zover zijn de verwanten die in processtukken figureren in algemene termen ter sprake gekomen, weten we welke familieleden door de procederende partijen verzocht werden een getuigenverklaring af te leggen en welke familieleden in een of ander verband in de stukken ter sprake kwamen. Waaruit dit verband bestond, zal nu aan de orde komen. Het is voor de vraag naar de bemoeienissen van familieleden met een echtpaar of een individu verhelderend ook naar de invloed te kijken van buren of instellingen als kerk en gilde. We zullen hier naast de contacten met verwanten uitsluitend die met buren in ogenschouw nemen. Logischerwijs ligt gezien het bronnenmateriaal de nadruk op thema's die met de geschiedenis van huwelijk en gezin in verband staan. Wel is het goed te bedenken dat als hier de totstandkoming van het huwelijk of huwelijkse problemen ter sprake komen, alleen aandacht geschonken wordt aan de rol van verwanten daarbij. De zo aangeroerde onderwerpen komen in latere hoofdstukken verder aan bod.

De zogenaamde vaderschapsacties of processen waarin een vrouw door de rechter een man als vader over haar kind aangewezen wilde krijgen, geven informatie over de bemoeienissen van familie en buren met de ongehuwde moeder. Het ligt voor de hand dat zij de aandacht - die uit roddel of hulp kon bestaan - trok. Haar werd gevraagd wie de vader was en onder welke omstandigheden een en ander zich voltrokken had.85 Meer bemoeienis dan het bevredigen van nieuwsgierigheid was vereist bij de bevalling. In het hier gebruikte materiaal vond deze in bijna alle gevallen plaats onder leiding van een vroedvrouw. Bij ongehuwde moeders was de vroedvrouw niet alleen wegens haar hulp een belangrijk persoon, maar ook omdat zij vóór de vrouw beviel deze vroeg wie de vader van haar kind was. De verklaring die de vroedvrouw hiervan aflegde was als bewijsmateriaal bij de vaderschapsactie een noodzakelijk onderdeel zoals uit het volgende hoofdstuk nog zal blijken. Deze verklaringen van de vroedvrouw werden medeondertekend door andere aanwezigen bij de geboorte. Uit deze getuigenverklaringen blijkt dat naast familieleden, vooral buurvrouwen gevraagd werd de aanstaande moeder hulp te verlenen. Familieleden van de ongehuwde moeder traden meestal niet op als getuige om te bevestigen dat de vrouw een bepaalde man als vader opgegeven had, blijkbaar omdat de buurtbewoners geloofwaardiger werden geacht. De aanwezigheid van familie blijkt echter vooral uit het feit dat de bevalling plaatsvond ten huize van de moeder, zuster of tante van de vrouw.86 De overige vrouwen waren meestal ten getale van vier of vijf op komen dagen.87 Men kan zich voorstellen dat in de stad het niet zeer moeilijk moet zijn geweest hen bijeen te krijgen op het uur dat dit nodig was. In 1699 bijvoorbeeld woonden vier bij een bevalling aanwezige vrouwen allen in of bij hetzelfde steegje te Am-

[p. 58]

sterdam als de moeder.88 Op het platteland impliceert een uitlating als ‘daar omtrent in de buurt wonende’ dat het oproepen meer moeite gekost zal hebben. Toch lijken noch afstand noch het tijdstip problemen geschapen te hebben. In 1724 verklaarde de vroedvrouw Annetje Aarts dat toen ze naar Ursem te hulp geroepen werd ‘sij te dien eynde voorstelde dat enige vrouspersoonen moesten werden gehaalt tot adsistentie waarop de drie laatste getuygen ontboden synde, oock ilico daarop sijn gecomen’. In dit geval woonden de te hulp geschotenen niet in dezelfde plaats. Ter coördinatie haalde de een de ander in zo'n geval op.89 Niet zelden gebeurde dit 's nachts.90 Men kwam ‘tot adsistentie’ zoals het in de zojuist aangehaalde zinsnede heet of elders ‘om naest godt, hulpe van verlossinge aen haer te doen’.91 Die hulp zal praktisch, maar ook geestelijk van aard geweest zijn als de vrouw die moest bevallen zich op de ‘oever des doods’ bevond zoals men het wel noemde. Niet alleen ter ondersteuning spoedden buren zich naar de aanstaande moeder, maar ook als ‘getuijgen’ hetgeen mede blijkt uit de uitroep van Maria Jansz. Meurs uit Nieuw-Beierland in 1718 die de naam van de vader openbaarde ‘voor Godt en de Bueren’.92 Toch waren ook bij de geboorte van wettige kinderen waar getuigen niet nodig waren, buren aanwezig ter assistentie.93 Het is goed te bedenken dat deze diensten ‘als gebuuren’ verleend werden en niet in reglementen geïnstitutionaliseerd waren zoals bijvoorbeeld wel het geval was bij de verplichte burenhulp bij het begraven in sommige steden. Concluderend kan men stellen dat deze hulp van buren bij bevallingen, nog meer dan die van familieleden misschien, zowel in de stad als op het platteland in een dringende behoefte voorzag en blijkbaar tot de sociale verplichtingen werd gerekend.

In het hoofdstuk over de partnerkeuze zal ter discussie staan welke invloed ouders hieromtrent uitoefenden en welke wettelijke mogelijkheden binnen hun bereik lagen. Evenals nu was de toestemming van ouders voor het sluiten van een huwelijk tot een bepaalde leeftijd nodig. Op een enkele uitzondering na die hier niet ter zake doet was de toestemming van verdere familieleden wettelijk niet vereist. Uiteraard betekent dat niet dat ze feitelijk buiten spel stonden. In processen om het afdwingen van trouwbeloften zien we familieleden soms op de achter- of zelfs voorgrond aan het werk. Verwanten werden soms ter bemiddeling aangezocht of namen zelf initiatieven als ze dat nodig achtten. Een oom van Marytje Hogervorst uit Stompwijk waarschuwde de aanstaande echtgenoot van zijn nicht, een kleine boer uit Voorburg, haar niet te bedriegen. Elders werd de hulp van een oom ingeroepen om een wat nukkige vader de toestemming voor het huwelijk te ontfutselen. Overigens viel deze eer ook nietfamilieleden wel te beurt.94 Familieleden lijken soms, al is het op afstand, iets in de melk te brokkelen te hebben gehad bij het sluiten van het huwelijk. In Amsterdam zou de voor het gerecht gedaagde waagdrager Gerrit Blaauwpot Janszoon ‘met en beneffens sijne moeder en vrinden,

[p. 59]

omme te geven alle respect aan de Moeder en Vrinden van de impetrante, bij des impetrantes Moeder en Vrinden sijn gekomen en van derselve voor so veel noot het Consent tot het huwelijk... hebben versogt...’95 In dit geval was wettelijk alleen de toestemming van de moeder vereist. Familieleden waren wellicht om financiële belangen die met het huwelijk gemoeid waren, aanwezig. Men kan dat afleiden uit een voor het huwelijk van een Haagse juwelier belegde bijeenkomst waar een meegekomen broer om een verhoging van het bedrag bedelde dat de vader van het meisje had toegezegd. Familieleden waren ook aanwezig bij het opmaken van actes van huwelijkse voorwaarden, een geschikte bron voor het onderzoek naar verwantschapsbetrekkingen.96 Soms ging de bemoeienis van verwanten verder en kon het weerstreven van broers en zusters of verdere familieleden als ooms en tantes trouwplannen waar de direct betrokkenen het al over eens waren, stremmen. Een duidelijk voorbeeld is het voorgenomen huwelijk van Jacob Mensingh, drossaard en dijkgraaf der stad en landen van Zevenbergen die een burgemeestersdochter uit Steenbergen huwen wilde. Zijn grootvader en oom verzetten zich, ook al stonden ze juridisch zwak. Het is om die reden een duidelijk voorbeeld omdat Mensingh geen ouders meer had. Dat is in de meeste gevallen waar we andere familieleden dan ouders verzet zien aantekenen, het geval.97 Men zou daaruit de conclusie kunnen trekken dat andere familieleden dan ouders niet primair met de huwelijkssluiting te maken hadden tenzij ze door overlijden van de ouders, of tenminste van de vader, hun plaats innamen.

Bij een echtpaar konden huwelijkse problemen voor buitenstaanders aanleiding zijn een poging tot verzoening te wagen. Die buitenstaanders waren vooral familieleden, althans volgens de processtukken, en ook wel buurtgenoten. Broers probeerden een zich misdragende man ‘broederlijck ... te vermanen’ terwijl in 1765 de Amsterdamse broodbakker Jan Schutstal zijn aangetrouwde neef en beroepsgenoot van wiens echtgenote hij oom was, apart nam en ‘uyt hoofde van de bloedverwantschap’ een gooi deed de ‘eendragt en rust’ tussen hen te herstellen.98 Vanzelfsprekend werd inmenging niet beschouwd. Twee broers schreven hun zwager dat ‘UEd. vrou, onsen zuster... heeft om reeden onzen hulp versoght die wij uijt betrekking tot haar Ed... niet konden weygeren’ en elders dat ‘zij toevlugt heeft genoomen tot haare Familie..., ons met nadruk heeft versogt assistentie en goede Raade...’ De neef van de bovengenoemde Amsterdamse bakker sprak met betrekking tot een bemiddelingspoging van buren zelfs over de ‘ridicule handelwijze van zich onversocht in de particuliere zaaken van een anders huyshouden te mengen’.99 Geeft deze uitspraak wellicht aardig een scheiding weer tussen gezin en buitenwereld, er waren voorvallen waarin die scheiding minder scherp was. Zoals we in het hoofdstuk over huwelijksontbinding zullen zien was mishandeling van de vrouw door de man een omstandigheid die nogal eens tot procederen aanleiding gaf. Vóór het zover kwam was natuurlijk reeds het nodige

[p. 60]

gepasseerd. Aanwezigen lieten zoals te verwachten valt niet na om uitbarstingen te voorkomen. Het waren hier weer vooral buren die intervenieerden of inwonende dienstboden. Men trok een in een gewelddadige bui verkerende man weg of hield zoals enkele dienstboden verklaarden een oogje in het zeil.100 Buren waren blijkbaar ook de meest aangewezen personen om een veilig heenkomen bij te zoeken, tenzij een familielid nabij woonde. Alida Veelink verklaarde in 1776 vaak genoodzaakt te zijn haar mans ‘woede bij de buuren te ontvluchten’.101 Wanneer het om een onderdak van langere duur ging, trok een man of vrouw die de echtelijke samenwoning verliet, echter naar het ouderlijk huis of dat van een broer of zuster. De afstanden die soms overbrugd moesten worden, van Alphen naar Amsterdam, van Den Haag naar Montfoort maken begrijpelijk dat buren als eerste buffer en toevluchtsoord fungeerden.102

De wijze waarop de contacten die met familieleden en buren bestonden, in deze paragraaf benaderd zijn, kende een beperkt karakter omdat de gebruikte bron vooral inlichtingen verschaft over zaken die met gezinsleven in verband staan. Dat impliceert ook dat de draagwijdte van de conclusie beperkt moet zijn. Houdt men dat in het oog dan kan gesteld worden dat buren en familie elkaar in hun hulp waar die nodig was aanvulden. Buren waren onmisbaar voor plotseling optredende, kortstondige hulp. Dat bleek bij het uit de hand lopen van ruzies en bij geboorten waar familie weliswaar niet ontbrak, maar de aanwezigheid van buren toch van eminent belang schijnt te zijn geweest. Familieleden waren vooral actief bij steun van langere duur zoals het in huis opnemen van een gehuwde zoon of zuster en bij ‘familiezaken’ als de toestemming voor een huwelijk en de regelingen die daaromtrent getroffen moesten worden. Uit welke verwanten de familiekring bestond is aan het begin van deze paragraaf al kort samengevat. Over één kwestie is niet gesproken, de sociale achtergrond van degenen over wie geschreven is. Van een groot deel van de procederenden is dit onbekend. Bij de bekenden handelde het meestal om lieden uit de lagere middengroepen als een bakker, wijnkoper, klerk of waagdrager met soms uitschieters naar boven en naar beneden. Zeer uitdrukkelijk kon in dit hoofdstuk over de laagste groepen niet geschreven worden. Aan de hoogste groepen was een vorige paragraaf gewijd.

6. Wijk en buurt in de stad en op het platteland

Eerder constateerden we dat de hulp van buren bij de geboorte van kinderen van groot belang was. Ook bij huiselijke twisten zagen we hen optreden. Het gaat hier uiteraard niet om twee op zichzelf staande activiteiten, maar om een meer in het algemeen bestaande burenhulp. In het merkwaardige werk Nederlands displegtigheden wordt verteld dat het vanouds gebruikelijk was ‘dat de buuren, niet min dan de bloedverwanten, malkanderen in leven, en sterven getrouwelyk bystonden, en in allen nood

[p. 61]

de behulpzame hand aanboden’. Het boek noemt speciaal de hulp bij de ‘kinder-baaringe’ die de kraamvrouw later uit erkentenis een vrolijke maaltijd, het zogenaamde ‘kindermaal’ ontlokte. Later in de 18de eeuw schrijft Le Francq van Berkhey in zijn Natuurlyke historie van Holland over met name de Leidenaren dat onder hen een gemeenzaamheid leefde die kon leiden tot een vergaande zucht om over andermans zaken te praten, maar ook tot ‘eene gezellige behulpzaamheid onder elkander’. En hij besluit, ‘een Gebuur in nood niet by te staan, oordeelt men den bittersten schemp en de hoogste veragting waardig’.103 In deze paragraaf zullen we op een aantal aspecten van deze gemeenzaamheid inhaken.

Elke stad kende wel een door de overheid ingestelde administratieve indeling in wijken of buurten met wijk- of buurtmeesters die door het stadsbestuur benoemd werden. Deze bestuurders moesten toezien op de binnenkomst en het vertrek van personen, vooral waar het armen en vreemdelingen betrof en een zeer waakzaam oog hebben voor onruststokers, vagebonden en bedelaars.104 Deze wijkorganisatie diende dus de handhaving der openbare orde. Daarnaast kon een geïnstitutionaliseerd buurtleven bestaan met bepalingen over o.a. burenplichten en ontspanning in buurtverband. Of dergelijke buurtorganisaties in alle Hollandse steden bestonden, dat zou men uit een opmerking van Boxhorn uit 1632 kunnen opmaken,105 is nog de vraag. Het antwoord zal afhangen van wat men onder buurtleven en buurtorganisatie wil verstaan. Er heeft een verschil in organisatieniveau bestaan. In Leiden en Haarlem was het buurtleven gereglementeerd door keuren die door het stadsbestuur waren uitgevaardigd. In Den Haag bestond een grotere vrijheid van organisatie. Een buurt stelde desgewenst een eigen reglement of ‘buurtbrief’ op en legde deze, maar soms jaren na de opstelling van de ‘buurtbrief’ ter goedkeuring aan de overheid voor. Nog zwakker was de organisatie in Amsterdam. Een keur uit 1548 gaf een buurt de vrijheid om bijeenkomsten te houden. Buurtbrieven of reglementen bestonden niet evenmin als vastgestelde burenplichten op de plicht tot brandwacht na. In de 16de eeuw vonden door het stadsbestuur georganiseerde wedstrijden tussen buurten nog plaats maar deze werden later blijkbaar niet meer gehouden, wellicht door de enorme bevolkingsexplosie en binnenkomst van vreemdelingen eind 16de en begin 17de eeuw. Dat neemt niet weg dat buurtbijeenkomsten mogelijk zijn geweest.106 Het is duidelijk dat hoe meer het buurtleven georganiseerd was en hoe meer de overheid er bemoeienis mee had, des te groter de kans is op gegevens over het buurtleven te stuiten. Daarom zullen we nu spreken over Den Haag, Leiden en Haarlem.107

Het doel van de buurten leren we kennen uit de Leidse en Haarlemse keuren en de Haagse buurtbrieven. De Leidse keur uit 1593 die met enkele aanvullingen of wijzigingen nog enkele malen herhaald is maar pas in 1833 essentieel in inhoud veranderde sprak over de taak van het bestuur van de ‘Gebuerte’ om de ‘goede vrede ende Burgerlijcke eenigheyt’ onder de

[p. 62]

buurtbewoners te bevorderen. Precies dezelfde bewoordingen kozen in 1670 de Haarlemse bestuurders in hun ‘Generale ordonnantie op alle de gebuurten’ die de Leidse als voorbeeld schijnt te hebben genomen, maar ze voegden er de hoop ‘dat alle de Gebuurten in goeden Eendracht onder de Gehoorzaamheyd van die van den Gerechte deezer Stad’ leven, aan toe. De Haagse buurtbrieven verschillen lichtelijk van elkaar, spreken over ‘continuatie van goede Buurschap ende vermeerderinge van vrientschap’ of ook over het doel ‘in tijde van nood, den anderen getrouwelijk bij te staan’ terwijl net als te Leiden uit de bepalingen blijkt dat de handhaving van orde en rust tot de functie der buurten wordt gerekend. Kortom, de buurten streefden twee doeleinden na: orde en ‘goede Buurschap’. Om met het ordeaspect te beginnen, zowel in Leiden als in enkele Haagse buurtbrieven, werd zulk een hardhandig optreden tegen de echtgenote dat burengerucht ontstond, bestraft met ‘ten behoeve van de buurte een ham’ of een vastgestelde geldsom. Ontstond ‘twist of gekijf’ tussen buurtbewoners, dan moesten de ruziemakers weer op straffe van een geldsom of de blijkbaar begerenswaardige ham hun geschil eerst voorleggen aan het bestuur van de buurt voor ‘een buyrlick ende vrindtlijck Accoordt oft Verdrach’. Daarna pas, en na elkaar eens vriendelijk in de ogen te hebben gezien, mocht de een de ander voor het gerecht dagen. Op deze wijze werd dus geprobeerd om geschillen in der minne op te lossen en het werk van de rechtbank te ontlasten. Of deze opzet slaagde is niet te achterhalen maar een enkele maal vindt men op de procesrol bij huwelijkse zaken de vermelding dat de ‘Heer van de Gebuurte’ zich al met de twisten bemoeid heeft.108 Speciaal in Haagse buurtbrieven vindt men nog bepalingen over de verwijdering van as en vuilnis van de straat en worden de buren opgeroepen om bij oproer of brand op te komen om diefstal door profiteurs te voorkomen. De ‘goede Buurschap’ werd bewezen door zoals we uit een Haagse buurtbrief citeerden, elkaar in nood bij te staan. In reglementen vervat waren alleen burenplichten bij het sterven en begraven, n.l. de aanwezigheid bij het verscheiden van een naaste buur, het halen van de draagbaar en hulp bij de ter aarde bestelling. Deze publieke bemoeienis met het sterven en begraven die in zijn functionaliteit verder ging dan praktische hulpverlening verdient een diepere behandeling dan hier mogelijk is.109 Er zullen verder veel ongeschreven verplichtingen zijn geweest zoals we eerder met de hulp bij geboortes zagen. De ‘Buurschap’ kwam verder tot uitdrukking in het beleggen van buurtvergaderingen en het houden van buurtmaaltijden, althans in Den Haag en Leiden. Deze ‘Hooven, Maeltijden, ofte Teeringen’ vonden per jaar, of eens in de twee tot vier jaar plaats en duurden volgens de Haagse gegevens vooral in de 17de eeuw meerdere dagen. In Haarlem waren deze buurtfeesten uitdrukkelijk verboden en was bepaald dat de inkomsten van de buurt in plaats van verteerd, verdeeld moesten worden.

We raken hier een der organisatorische aspecten van het buurtleven.

[p. 63]



illustratie
1. Leidse school, 1622, Gezicht op de buurt Pryly, Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden.
In sommige Hollandse steden bestond een georganiseerd buurtleven. Deze buurtorganisaties hadden tot doel gerezen problemen in de buurt op te lossen en het saamhorigheidsgevoel in de buurt te bevorderen. Daartoe werden o.a. buurtvergaderingen en buurtfeesten gehouden. Buurten lieten ook eigen penningen slaan. In Leiden hadden buurten tot de verbeelding sprekende namen als: De vier Keyzerrijken van Constantinopel, Roode Zee en Woud zonder Genade. Dit schilderij biedt uitzicht op de buurt 't Graafschap Pryly.


[p. 64]

Inkomsten verkreeg de buurt uit boetes zoals boven al even aangestipt werd, en uit verplicht af te dragen geldsommen bij koop, verkoop of huur van huizen, bij binnenkomst of vertrek in en uit de buurt en bij huwelijken. In Den Haag bestond er ook nog een vrijwillige contributie. Het beheer over deze gelden en het bestuur van de buurt berustten bij de ‘Heer’ of ‘Deken’ van de buurt, geassisteerd door nog een aantal personen. De buren hadden in de verkiezing van de ‘Heer’ een belangrijke stem, of door het recht hem zelf aan te wijzen of door het opstellen van een nominatie waaruit het stadsbestuur een keuze deed zoals in Leiden. Enige kennis van zaken konden de buren zich in dit opzicht wel verwerven, omdat de omvang van een buurt gemiddeld de 300 of 500 personen niet te boven zal zijn gegaan.110