‘...onreghtvaerdigh gewelt,...maetigen sigh d'Ouders dickmael aen over haere Kinderen; (n.l.) dat (zij) haer willen dwingen, om een Man of Vrouw tegens haeren wil, en waer van sy een afkeer hebben, te neemen...D'Ouders behoort de maght, om te mogen verhinderen soodanige Houwlijcken, welcke haer Kinderen, door een blinde drift vervoerd zijnde, souden willen aengaen, 't sy tegens de betaemlijckheyd, of tegens haere welvaerd. Maer geensins moogense sigh toe-eygenen 't geweld, om deselve te dwinghen tot een Persoon, welcke haere genegentheyd t' eenemael onaengenaem is’.
Simon de Vries, D'eedelste tijdkortingh der weetgeerige verstanden: of de groote historische rariteitkamer..., Amsterdam 1682-1684, 3 dl., I, pp. 568-569.
Als moralisten over het huwelijk schreven, vormde de keuze van een huwelijkspartner wel het zwaartepunt in hun betoog. Dat komt omdat, zoals we in een later hoofdstuk nog zullen zien, het huwelijk in beginsel als onontbindbaar werd beschouwd.1 Vanuit dat gezichtspunt ligt het voor de hand veel aandacht aan de partnerkeuze te schenken, deze is als het ware het abc van een geslaagd huwelijk. Moralisten drongen er op aan dat men bij het zoeken naar een levensgezel met overleg te werk zou gaan en het huwelijk als een ernstige zaak op zou vatten. Temeer was daar reden toe omdat, zoals eerder vermeld, het gezin dat door het sluiten van een huwelijk werd gesticht, voor de steunpilaar van de samenleving werd gehouden. Werd zo het belang van huwelijk en gezin onderstreept, het huwelijk zelf kende nog een aantal eigen doelstellingen.
Deze doelstellingen kreeg een toekomstig echtpaar bij de bevestiging van het huwelijk te horen van de predikant of de magistraat, al naar gelang men in de kerk of voor het gerecht huwde. Het huwelijksformulier dat in de gereformeerde kerk werd gebruikt, onderscheidde drie oorzaken waarom door God het huwelijk ingesteld was: de wederzijdse hulp en bijstand in het tijdelijk en eeuwig leven, de opvoeding van de kinderen in de vreze Gods en het vermijden van onkuisheid en boze lusten.2 Ook al bestaan er lokale verschillen in de tekst der toespraakjes die magistraatsleden hielden, ze brengen in dezelfde volgorde de drie doeleinden naar voren.3 Een katholiek paar kan over die tekst zo zijn eigen gedachten hebben gehad. Schrijvers van katholieke stichtelijke werken verhulden niet de geestelijke, ongehuwde staat volmaakter te achten dan de gehuwde, maar verschilden bij de behandeling van de huwelijksdoeleinden, ondanks wat meer nadruk op de voortplanting, niet veel van hun protestantse collega's.4 Protestantse
moralisten volgden meestal het huwelijksformulier of brachten kleine variaties aan zoals Nuys Klinkenberg die aan het slot van de 18de eeuw voortplanting en opvoeding het ‘hoofdoogmerk’ en onderlinge hulp en beteugelen der begeerte ‘zijoogmerken’ noemde.5
Zoals gezegd, wilde een huwelijk geslaagd zijn, dan kwam het er op aan de juiste keuze te maken. Een alom aanvaarde richtlijn die in de loop van de hier bestudeerde periode wel met nuanceringen en kritische kanttekeningen aangevuld maar niet fundamenteel aangetast werd, luidde in de woorden van de laat 18de-eeuwse Amsterdamse doopsgezinde predikant Willem de Vos dat het ‘gelukkige, het beste huwlyk, onderstelt, dat 'er in die geenen, welke zich bestendiglyk vereenigen, alle mooglyke overeenkomsten gevonden worden...ter bevordering van het wederzydsch genoegen’6 Bij die overeenkomsten gingen de gedachten van schrijvers over het huwelijk uit naar de leeftijd, de sociale status en de godsdienst. We zullen hun argumenten kort bespreken. Te grote ongelijkheid in de jaren achtte men in strijd met een der oogmerken van het huwelijk, de vermeerdering van het menselijk geslacht. Het leeftijdsverschil zou de hoop op kinderen verminderen en, voegden de 18de-eeuwers er aan toe, brengt de gezamenlijke opvoeding in gevaar. Ook zouden onmin en ontucht uit deze relaties kunnen voortkomen.7 Wel werd er voor gepleit dat de man de iets oudere was in het huwelijk. Een enkele keer vindt men een uitlating over de gewenste leeftijd. Voor de man was deze volgens De Vos bereikt wanneer ‘de verstandige vermoogens behoorlyk ontwikkeld, en de noodige Kunstigheden ter bestuuring en ter handhaving des Huisgezins opgegaderd zyn’ en voor de vrouw wanneer ze seksueel rijp is en ‘de noodige kennis wegens het huishoudelyke opgezaameld’ heeft. Le Francq van Berkhey nu constateerde dat de huwelijksleeftijd steeg naarmate men lager op de sociale ladder stond en dat onder de boeren, de laagst door hem onderscheiden groep, ‘verre de meeste knaapen huwen, omtrent de agt-en twintig of dertig jaaren, met eene wederhelft van ten minste vier- of vyf- en twintig jaaren’.8
Van Deursen gaf kort geleden nog aan dat Cats van sociale mobiliteit weinig moest hebben. Steevast raadde de dichter-raadpensionaris zijn lezers aan niet verder te kijken dan binnen de eigen kring als men op zoek was naar een huwelijkspartner. Een andere 17de-eeuwer meende dat verschil in sociale afkomst de gezagsverhouding in het gezin ongunstig zou beïnvloeden, vooral natuurlijk als de man de sociaal lagere zou zijn.9 In de 18de eeuw dacht men daar in beginsel niet anders over. De Vos meende dat het een vooroordeel is dat geld met geld moet trouwen. Bij het huwelijk gaat het immers om de persoonlijke hoedanigheden en bevalligheden van de ander en de ondervinding wijst uit dat ongelijke huwelijken zeker gelukkig kunnen zijn. Maar toch, ‘hoe valsch, hoe onwaaragtig de gemelde stelregel dus in het algemeen zyn mooge’, grote verschillen zijn gevaarlijk. Deze liggen zijns inziens overigens minder in de sfeer van de hoeveelheid

4. D. Bles (1821-1899), Een verliefd oud weduwnaar, Atlas van
Stolk, Rotterdam.
Volgens de moraal moesten huwelijkspartners
van ongeveer gelijke leeftijd zijn. In geschriften en afbeeldingen
werd kritiek geleverd op verbintenissen waarin men zich niet aan
deze regel hield. In de hier afgedrukte afbeelding van een
19de-eeuwse kunstenaar die graag in 18de-eeuwse stijl en sfeer
werkte, streelt een oud weduwnaar zijn jongere huishoudster, terwijl
op de achtergrond het bed lokt. Vermoedelijk hangt aan de wand een
portret van de overleden echtgenote. Haar is het uitzicht op het
tafereel ontnomen door een gordijntje.
bezittingen als wel ‘in de regelen van beschaafdheid en wellevendheid’. Is er in dat opzicht teveel verschil, zoals tussen iemand uit de ‘gegoeden burgerstand’ en een ambachtsman, dan zou het huwelijksgeluk te lijden kunnen hebben, omdat men zich bij een andere stand minder behaaglijk zou voelen.10
Het zal niet verbazen dat moralisten die bijna allen van professie de godsdienst ingang willen doen vinden bij hun toehoorders, verschil in geloof bovenaan hun lijstje van te ontraden huwelijken hebben staan. Het is ‘een grouwel in de oogen Godts’ waarschuwt Wittewrongel en elke auteur, van gereformeerde, remonstrantse, doopsgezinde of katholieke huize, zou hem dit na kunnen zeggen. Allen zouden instemmen met de teneur van een in 1776 in druk uitgegeven katholieke preek tegen gemengde, rooms-gereformeerde huwelijken.11 Deze zouden tussen de echtgenoten onenigheid en tweedracht brengen en ook De Vos concludeert dat diepgaande geloofsverschillen de weg afsnijden voor aangename gesprekken en troostende opbeuringen. En wat moest er van de opvoeding worden van de kinderen als elke ouder zijn kind in de eigen kerk wil onderwijzen? Renesse vergelijkt die kinderen met muilezels die op geen der ouders lijken. De katholieke preek verkondigt dat de kinderen, tot eigen nadeel, door de verwarring van het geloof afraken.12 De angst voor geloofsafval was uiteraard een belangrijke drijfveer in de polemiek tegen gemengde huwelijken. Gelooft men Wittewrongel, dan kwamen huwelijken tussen katholieken en gereformeerden rond 1660 veel voor, de roomse kanselredenaar telde er wel twintig per jaar, in Amsterdam bedoelt hij waarschijnlijk, en een einde was volgens hem nog niet in zicht.13
Zijn zo de grenzen afgepaald waarbinnen men zijn huwelijkspartner zoeken moet, daarnaast wordt de trouwlustigen voorgehouden aan de liefde voorrang te verlenen boven stoffelijk gewin. Het is niet zo dat het helemaal geen pas geeft op het laatste acht te slaan. Van den Honert meent met wat als een ‘understatement’ op te vatten is, dat men het huwen om het geld van de ander niet hoeft te laten en wel omdat wie zelf weinig bezit en met een arme persoon trouwt, zichzelf en de kinderen in armoede dompelt. Daarom moet men ‘in het huweliken wel sien naa eenige matige besitting van 's werelds goederen’.14 Maar sterker klinken de protesten tegen huwelijken die door de betrokkenen allereerst als een ‘negotie’ beschouwd worden. Vooral de spectatoriale geschriften trokken flink van leer.15 Ook schrijvers van stichtelijke werken en verhandelingen waarschuwden dat geld niet gelukkig maakt, men kan niet anders verwachten dan ‘haet, twisten ende kyvagien’.16 Voor een gezonde grondslag van het huwelijk houdt men deugd, ‘goeden sin ende genegenheydt...tot malkanderen’ en in toenemende mate, liefde. Weliswaar schrijft in de 17de eeuw Hazart al, ‘neemt de liefde weg uyt het houwelyck, ghy neemt de son uyt de wereldt’, maar het begrip ‘liefde’ wordt dan nog vooral opgevat als liefde voor God die zich behoort te uiten in de liefde jegens de ander.17
Later krijgt liefde een meer geseculariseerde betekenis als de voorwaarde voor menselijk geluk die vooral binnen het huwelijk bereikt kan worden. Zo bijvoorbeeld bij De Vos, Martinet en Van Hamelsveld.18
Aan de wijze waarop men aan zijn partner moet komen, wordt al evenveel aandacht besteed als aan de eigenschappen waaraan de gekozene moet beantwoorden. De keuze moet met veel overleg en onderzoek gepaard gaan en vindt een der gewichtigste momenten in de vereiste toestemming van de ouders. Loopt men verschillende moralistische werken op dit thema na, dan is de algemene tendens dat ouders hun kinderen niet mogen dwingen tot een hen onwelgevallig huwelijk, maar dat deze zondigen door een verbintenïs aan te gaan waartegen de ouders zich uitgesproken hebben, met andere woorden, een pleidooi voor een ouderlijk laatste woord.19 Het ligt in de lijn der verwachtingen dat waar 18de-eeuwers zo aandrongen op de liefde als motief om te huwen, zij milder dachten over de noodzaak van ouderlijke toestemming. Inderdaad wordt meer gesproken in termen van goede raad, van het feit dat ouders zich kunnen vergissen, dat het in de eerste plaats een zaak is die de ongehuwde zelf aangaat. Maar dat het toch allereerst om een accentverschuiving gaat blijkt wel hieruit dat de ongehuwde wordt voorgehouden dat het beter is zelf te wijken dan zich van de ouders te vervreemden.20
In een uitstekend artikel wierp de Amerikaanse socioloog Goode de vraag op hoe bij de partnerkeuze een bij uitstek persoonlijke factor als ‘liefde’ zodanig in goede banen geleid kan worden dat de ‘potentially disruptive effects’, liefde slecht immers barrières als klasse en geloof, worden vermeden.21 Op welke wijze daartoe in verschillende samenlevingen in heden en verleden pogingen in het werk gesteld zijn, geeft hij in een korte schets weer. We beperken ons hier tot de wijze die volgens hem in de westerse wereld overwegend heerste. De keuze van een huwelijkspartner was formeel vrij en liefde als motivatie bij het huwelijk werd toegestaan of zelfs aangemoedigd. Het kanaliseren van de partnerkeuze kon dan op twee manieren geschieden. Ten eerste door het bestaan van een hechte organisatie van leeftijdsgenoten. Goode verwijst hier naar de studie van Wikman waar we in het eerste hoofdstuk al kennis mee maakten en die aangaf hoe de periode van kennismaking en definitieve keuze een voor de leeftijdsgenoten min of meer openbaar karakter kende waardoor ‘verkeerde’ voorkeuren voorkomen werden. Ten tweede door de invloed van ouders die met overredingen of dreigementen hun wil konden doordrijven en de sociale contacten van hun kinderen konden begeleiden door de keuze van de te bezoeken school en de uit te nodigen kinderen voor een feestje in eigen hand te houden. Wetgeving kon daarbij de positie van de ouders versterken of zelfs het sluiten van bepaalde huwelijken verbieden. In
hoeverre nu liefde bij de keuze van een huwelijkspartner een rol speelde zal later in dit hoofdstuk besproken worden, in deze en volgende paragrafen zal de omgang tussen partners nader worden belicht met als vraag of en in welke mate deze ‘beheerst’ werd.
De manier waarop de partnerkeuze tot stand kwam zullen we eerst benaderen vanuit de processtukken. Leest men deze, dan is het duidelijk dat het initiatief voor de omgang bij de man lag. Deze liet ‘sijn oogh ende inclinatie’ op een vrouw vallen en maakte de ‘vryagie’.22 Over de ontmoetingsplaatsen van de toekomstige partners staan slechts enkele gegevens ter beschikking. Omgang kon ontstaan omdat men als dienstbaren of commensalen onder één dak huisde23 - het kon dan personen betreffen die niet uit dezelfde plaats afkomstig waren -, bij feestelijke gebeurtenissen als een bruiloft, kermis of anderszins,24 of omdat zij ‘van kints been aff in off omtrent een buurt zijn groot gemaeckt’.25 Hoe vaak buurt- of plaatsgenoten elkaar vonden, valt nog niet goed te berekenen. Als bron kan de (onder)trouwacte dienst doen waarop in sommige steden en dorpen de plaats van herkomst van de huwende genoteerd werd, maar hiervan is tot nu toe vooral gebruik gemaakt voor onderzoek naar migratie en niet naar partnerkeuze. Zo was ongeveer de helft van de in de 18de eeuw in Amsterdam huwenden niet uit de stad afkomstig, maar hoe vaak Amsterdammers onderling wel of niet huwden, is uit de beschikbare cijfers niet te berekenen.26 Op het platteland zal de migratie en daarmee de kans op huwen met een ‘vreemdeling’ minder omvangrijk geweest zijn. Van de in 1747 in het Zuidhollandse Maasland wonende weerbare mannen was 42% aldaar geboren en daarenboven 30% binnen een omtrek van vijf kilometer terwijl slechts 11% buiten een straal van vijftien kilometer het levenslicht had gezien.27
De omgang of ‘conversatie’ kende een verloop dat men in de bronnen in ongeveer gelijke bewoordingen herhaaldelijk tegenkomt. Een voor het gerecht gedaagde jongeman die interesse getoond had voor de dochter van een boekhouder liet verklaren dat ‘zo ras deselve conversatie eenigzints een serieuser oogmerk scheen ten doel te hebben, de ouders (van hem)...gelijk zulks onder fatsoenlijke lieden gebruijkelijk was, voor hun zoon...de permissie verzogt hadden om de Eysschers huis te frequenteeren en acces bij de...eysscheresse te hebben’. Dit verzoek om ‘acces’ of ‘verkeering’ werd overigens meestal door de minnaar zelf gedaan.28 Het moment waarop om ‘acces’ gevraagd werd kon verschillen, maar vond in elk geval plaats nadat de conversatie op gang was gekomen. Het vormde voor ouders, maar ook voor de buitenwereld een teken dat de omgang in een serieuzer, hoewel niet noodzakelijk tot een huwelijk leidende fase was gekomen. Een ander teken was bijvoorbeeld de gemeenschappelijke kerkgang.29 Men kan deze uitingen vergelijken met wat in onze tijd, of tot voor kort, de verlovingsring is, een soort intentieverklaring van een paar, in een publiek vertoon, die niet zonder het voorwerp van gesprek of zelfs
opspraak te worden, opgezegd kan worden. Meer voor het onderling verkeer kon een paar dat in een mondeling uitgesproken trouwbelofte de wens te kennen gaf elkaar te willen huwen, een teken willen bezitten dat deze wens bekrachtigde. In het vorige hoofdstuk zagen we dat de bijslaap lange tijd als zodanig werd beschouwd. Daarnaast wisselde men panden of schriftelijke trouwbeloftes uit. Het gaat hier om twee soorten bevestigingen van trouw die lange tijd naast elkaar in de hier bestudeerde periode bestaan hebben, maar waarbij in de tweede helft van de 18de eeuw de schriftelijke belofte wat meer lijkt te overheersen. Het onderpand dat ‘op trouw’ gegeven werd, bestond meestal uit een gouden of zilveren penning, muntstuk of ring. Sommige commentatoren meenden dat het vooral de gemene man was die er gebruik van maakte.30 De schriftelijke trouwbelofte werd onderhands, soms zelfs met bloed ondertekend, of voor een notaris uitgewisseld.31 Pand en acte gaven de bezitter het gevoel dat het de ander ernst was. Een oom zei bijvoorbeeld in 1704 over de trouwplannen van zijn nicht dat hij er nog geen acht op sloeg ‘want zij hebben malkanderen over en weer geen pandt gegeven’.32 Pand en acte hadden daarbij juridische waarde omdat de trouwbelofte bindend was, later in dit hoofdstuk komen we daar op terug, en met een schriftelijk bewijs stond men uiteraard sterker. Met het oog daarop kan de schriftelijke trouwbelofte meer in zwang zijn geraakt. Ook de, in Amsterdam althans, toegenomen geletterdheid kan hier achter steken.33 Nochtans betekende deze ontwikkeling niet dat het geven van een geschenk, met name de ring, verdween. Integendeel, zoals Voskuil beschreef, werd de ring in de 19de en 20ste eeuw steeds meer een signaal naar de buitenwereld.34 Al met al duurde de omgang van eerste kennismaking, frequentering of het vragen om ‘acces’, het uitwisselen van panden of trouwbeloften betrekkelijk lang. Aan welke tijdsorde gedacht moet worden blijkt uit aanduidingen als ‘over eenige lange jaeren’, preciezer, ‘omtrent’, drie, vijf, zelfs zeven jaar.35 Op de oorzaak van deze lange omgang komen we nog terug.
Hoe de omgang en de partnerkeuze gekanaliseerd konden worden toont een aantal gebruiken die door vooral letterkundige overlevering ons bekend zijn. We kunnen deze gebruiken in twee verschijningsvormen splitsen, ten eerste het nachtvrijen, ten tweede de bijeenkomsten van huwbare jeugd. Ze zijn te vergelijken met wat in het eerste hoofdstuk in ruimer Europees verband de ‘Kiltgang’ en de ‘veillée’ genoemd is.
Op eilanden als Vlieland, Tessel, Wieringen en Huisduinen kwam het nachtvrijen voor onder de naam ‘queesten’ of ‘kweesten’. In zijn Historie der queesters noemt de beschrijver dit ‘een bylegginge ofte onderkruipinge van andere eerlijke, ongetrouwde lieden, om by malkander te volbrengen, 't geen jonge lieden op andere plaatsen gewoon zijn op stoelen of stoepen te doen’, maar dan ten dele op het bed gebeurend.36 De ‘kweester’ vroeg in een nachtelijk bezoek bij het raam van de kamer van het meisje of hij binnen mocht komen en bracht als hem dit werd toegestaan de nacht met
haar op haar bed door. Vóór het aanbreken van de dag vertrok hij weer om een volgende keer terug te keren of een ander meisje te bezoeken. In het nachtelijk samenzijn behoorde geslachtelijke omgang in eerste instantie niet tot de spelregels. Pas als een paar het eens was geworden te zullen trouwen, nam de omgang intiemere vormen aan. Zoals bekend heeft deze manier van nadere kennismaking tot in deze eeuw in Staphorst bestaan.37 Het is mogelijk dat in de vroege 17de eeuw de verspreiding groter was dan de genoemde eilanden. Zo spreekt Cats over het ‘queesten, in de Noorder-quartieren gebruyckelick’ en meent De Roever aanwijzingen te hebben gevonden dat ook in Amsterdam nachtvrijen plaatsvond.38 Maar spoedig moet het zich hebben beperkt tot de Noordhollandse eilanden waar het gebruik aan het begin van de 19de eeuw nog wel werd gesignaleerd.39 Wikman classificeerde in zijn studie over de ‘Kiltgang’ het Noordhollandse kweesten onder de ‘individualisierende Formen der Besuchsgebräuche’.40 Dat is in die zin correct dat de gang naar het raam en bed van het meisje niet volgde op een samenzijn van meerdere jeugdigen. maar desondanks maakt het ‘Einzelbesuch’ deel uit van een ruimer sociaal verband. De kweesters, uitzwermend over vele boerderijen en dorpen spraken onderling af wie waarheen trok, wisselden ervaringen uit en noemden elkaar de meisjes bij wie een vriendelijk of onvriendelijk onthaal was te verwachten. Het zou bij het sociale karakter van het kweesten passen als de kweesters controle op elkaars handel en wandel uitoefenden door een overtreder van bij het gebruik heersende regels met sancties te treffen. Voor een dergelijk gemeenschapsoptreden is echter onvoldoende bewijs aanwezig. We herinneren daarbij aan wat in een eerder hoofdstuk over volksgerichten in Holland is gezegd.41
Meer verbreid waren de bijeenkomsten, in verschillende gedaante, van de huwbare jeugd. Wederom in enkele dorpen in de kop van Noord-Holland kwamen jongeren op een vastgestelde plaats samen, zoals te Schagen, waar jongens en meisjes rond het kerkhof elkaar ontmoetten en de eersten een partner uitkozen voor de duur van de kermis. Deze ‘vrystermarkten’ met hun ‘openlijk verkiezen van een kermisvryster’ konden tot ‘ernstige Liefdehandelingen’ leiden zoals Berkhey stelt.42 In de Zaanstreek vervoegde op een daartoe bestemde avond, op zondag meestal, een jongen zich aan het huis van een meisje in de hoop toegelaten te worden. Meerdere paren die zo gevormd waren, kwamen voor een zogenaamd ‘selschip’ bijeen en brachten ‘te samen den nagt in een vrolyk gezelschap door’.43 Deze berichten hebben alle betrekking op dorpen en kleine stadjes. Men kan zich afvragen of elders, bijvoorbeeld in de grote steden, een dergelijke reglementering eveneens aanwezig was. Bewijzen ontbreken daarvoor. Wel is het zo dat van festijnen als buurtfeesten en bruiloften een toeziende werking kan zijn uitgegaan. Zo vermeldt De Roever, helaas zonder bronvermelding, dat bij betrapping van een paartje, feestgangers de man dwongen te verklaren het meisje te zullen huwen. Ook wanneer de plaat-
selijke mannelijke (stads)jeugd zich in een ‘gilde’ had georganiseerd, kon de omgang een meer aan regels onderworpen karakter krijgen. De Roever wijst in dit verband op een ‘contract’ van een Amsterdams ‘jeugdgilde’ uit 1624.44
In de hogere sociale groepen waren er voor ongehuwden ontmoetingsmogelijkheden door het bestaan van coterieën en het organiseren van festiviteiten. Door het lidmaatschap van De Witt is de bijna geheel adellijke ‘Ordre de l'union de la joye’ uit de jaren vijftig van de 17de eeuw bekend geworden. Naast de schone muzen werd ook de galanterie in dit gezelschap hoog gehouden. Aan het eind van de 17de eeuw wordt herhaaldelijk melding gemaakt van ‘societeyten’ of ‘assemblées’ waar men kaart speelde en zich vertrad. Konden ongehuwden op dit soort bijeenkomsten met andere ongehuwden kennismaken, voor jeugdigen werden wel feestjes georganiseerd die alleen voor hen waren bestemd. Op een in 1750 ter gelegenheid van een bruiloft gegeven ‘danspartij’ viel het voorstel van een gehuwd persoon aanwezig te willen zijn omdat hij een liefhebber van dansen was niet in goede aarde daar hij ‘gehuwd sijnde, niet bij het geselschap soude voegen, dewijl het altemaal uyt jonge juffers en heeren bestaan souden’. Ook de in adellijke kringen verkerende regent Van Hardenbroek heeft het in zijn dagboek menigmaal over een ‘kinderbaal’ waar de ‘jongeluiden’ in een eigen vertrek dansen en rondspringen.45
De functie van zich in jeugdverband afspelende ontmoetingen was dat op elkaars gedrag kon worden gelet - grenzen mochten niet worden overschreden - en dat desnoods sancties tegen een overtreder der normen konden worden genomen. Deze sorteerden uiteraard alleen effect als men in een kleine gemeenschap leefde van lieden die in meer of mindere mate van elkaar afhankelijk waren. Dat we het kweesten op de Noordhollandse eilanden aantreffen, komt hiermee overeen. Op Tessel bijvoorbeeld leefden ongeveer 5000 inwoners in de 18de eeuw, van met name schapenteelt. Volgens Van Cuyk in 1789 stelden de bewoners zich zeer argwanend op tegen vreemdelingen. Ook was hun standsbesef volgens hem gering. Met andere woorden, onderlinge gemeenzaamheid en gemeenschapsbesef werden bevorderd door gelijke economische en sociale omstandigheden. Wikman poneerde dat de ‘Kiltgang’ vooral in gebieden met een geringe sociale differentiatie voorkwam waardoor een gemeenchap bestond met een groot aantal gelijkwaardige huwelijkskandidaten en waardoor ouders weinig bezwaar konden maken tegen een aan hun toezicht zich onttrekkend kennismakingsritueel. Hiermee komt overeen dat Van Cuyk eist dat het kweesten moet plaatsvinden onder lieden van ‘gelyk slag’.46
Als we terugdenken aan het artikel van Goode, dan constateren we dat de twee patronen van omgang die hij voor de westerse wereld signaleerde, omgang die plaatsvond in het kader van de jeugdorganisatie en die door de ouders werd opgezet, zijn teruggevonden in Holland. Maar toch kan men zich afvragen waarom zo weinig van vooral het eerste soort gebruiken in
onze procesbronnen figureert. Gaat het hier inderdaad om zeer lokale gewoontes die in de geschriften van antiquarisch ingestelde schrijvers als Scheltema en De Roever zijn overbelicht? Die indruk ontstaat zeker bij lezing van de doorgaans betrouwbare waarnemingen van Le Francq van Berkhey die meent dat de ‘meer openbaare minnehandel’ in Zuid-Holland niet en in Noord-Holland verre van algemeen voorkwam. Dat de partnerkeuze in Holland allereerst een zaak van de betrokkenen buiten inmenging van anderen was, concludeerde Knappert eerder.47 Men kan zich dat ook voorstellen van jongemannen uit de laagste groepen in de steden die door het gevarieerde aanbod van werk betrekkelijk onafhankelijk van hun ouders waren. Over de laatsten is tot nu toe niets gezegd. Dat is in zoverre terecht dat volgens de processtukken het hen aanspreken met het verzoek om ‘acces’ of toestemming voor een huwelijk pas kwam nadat de ‘conversatie’ al enige tijd bestond. Hun rol in het spel zal nu in het ruimer verband van de huwelijkswetgeving nader worden belicht.
In het eerste hoofdstuk maakten we gewag van de strijd die Reformatie en Contra-Reformatie aanbonden tegen de ‘clandestiene huwelijken’. Deze door de wilsovereenstemming van partners, zonder acht te slaan op vormvoorschriften, gesloten huwelijken kwamen blijkens katholieke visitatieverslagen uit de jaren '60 en '70 van de 16de eeuw ook in de Nederlanden voor.48 In die eeuw ook nam de wereldlijke overheid maatregelen ter garantie van het in het openbaar driemaal afkondigen van het huwelijk en de toestemming van ouders, zoals in Amsterdam in 1524 en 1525 en in een edict van Karel V uit 1540.49 De Trentse decreten die aan de clandestiene huwelijken een eind wilden maken, zijn in de Nederlanden weliswaar afgekondigd, maar in hun uitvoering gefnuikt door de Nederlandse Opstand. Deze maakte in Holland na 1572 een nieuwe regeling nodig wegens ‘d'ongeregeltheden die dagelijkcks so langer soo meer ghepleecht worden in de versamelinge van verscheyden personen’ waardoor de wettigheid van huwelijken op de tocht kwam te staan. Daarbij was er behoefte aan een regeling die protestanten op hun wenken bediende en voor katholieken wier eredienst in 1573 verboden werd, acceptabel werd geacht. Omdat de Reformatie het huwelijk niet langer als een sacrament zag, maar als een instelling die tot de ‘politische regeringe’ behoorde,50 legde ze de wetgeving en rechtspraak in handen van de wereldlijke autoriteiten. Deze handelden wel naar de geest van de Reformatie. Na lokale regelingen in o.a. het Noorderkwartier, Delft en bet Rijnland, vaardigden de Staten een voor heel Holland geldend huwelijksrecht uit, opgenomen in de zogenaamde Politieke Ordonnantie van 1580. Deze zeer summiere regeling, niet meer dan 18 artikelen, is door latere plakkaten aangevuld.51
De Politieke Ordonnantie voorzag in een keuze uit twee soorten huwe-
lijkssluiting, één voor de predikant in de gereformeerde kerk en voor hen die deze vorm niet met hun geweten konden verenigen, een ander voor de magistraat in het stad- of dorpshuis. Het huwelijk kwam tot stand door de ondertrouw en de later volgende bevestiging. Door bij de ondertrouw, meestal met getuigen voor de predikant of magistraat, te verklaren de ander te trouwen was het huwelijk deels gesloten. Maar voltooid werd dat door de bevestiging voor de predikant of magistraat. Het belang van de ondertrouw bij de totstandkoming van het huwelijk blijkt ook hieruit dat deze niet meer door de bewilliging van beide partijen kon worden verbroken.52 Slechts via de magistraat kon een verbreking tot stand komen. In dit opzicht is men het in de loop der tijd minder nauw gaan nemen. Een Amsterdamse regeling uit 1754 verplichtte de overheid de ondertrouw teniet te doen op verzoek van beide partijen.53 In de Politieke Ordonnantie werden, net als in het kanoniek recht het geval was, een aantal huwelijksvereisten en huwelijksbeletselen geformuleerd, maar er werden gewichtiger consequenties dan in de oude kerk aan verbonden. Zo moest het komende huwelijk driemaal publiekelijk afgekondigd worden opdat derden in de gelegenheid waren bezwaren naar voren te brengen, was voor vrouwen beneden de twintig en mannen beneden de vijfentwintig jaar de toestemming van ouders onmisbaar en werden de graden waarbinnen het verboden was te huwen, we zagen het in het tweede hoofdstuk, geformuleerd. Op het niet nakomen werd de nietigverklaring van het huwelijk gesteld.54
De Politieke Ordonnantie was zoals gezegd beknopt en werd aangevuld door nadere verordeningen en gewoonterecht. In sommige steden, bijvoorbeeld te Amsterdam in 1586, 1588 en 1754 en te Leiden in 1658 vond de afkondiging van eigen ordonnanties plaats die soms afweken van die van 1580 voor heel Holland.55 In Amsterdam was het tot 1604 mogelijk om naast de predikant en de magistraat ook voor een notaris te huwen waar ook gebruik van werd gemaakt.56 Plaatselijke keuren verboden soms het huwelijk tussen christenen en joden, maar men nam aan dat over het hele gewest deze huwelijken nietig en strafbaar waren.57 Het gemengd trouwen van christenen van verschillende richting, gereformeerden, katholieken, doopsgezinden, werd niet verboden en de gereformeerde kerk was met enig aarzelen ook bereid deze te sluiten omdat het huwelijk nu eenmaal als ‘politiek’ werd beschouwd. Wel werden de rooms-gereformeerde huwelijken aan banden gelegd die we later in dit hoofdstuk nog zullen bespreken.
We schreven hierboven dat de gereformeerde kerk het huwelijk als een zaak van de ‘politische regeringe’ beschouwde, maar geheel juist is dat niet. Volgens het formulier dat bij de kerkelijke inzegening van het huwelijk gebruikt werd, was dit ‘eene inzetting van God zelven’ en hiermee in overeenstemming zijn uitspraken dat het huwelijk ‘eensdeels Kerkelyck eensdeels Polityck’ of ‘meerendeels polityck’ is.58 Deze opvatting leidde
ertoe dat de Kerk zich met het huwelijk bemoeide door de overheid te wijzen op haar plicht goede regelingen uit te vaardigen, door zelf in te springen waar de overheid dit verzuimde en door handhaving van de kerkelijke tucht onder de eigen lidmaten. Op de 16de- en 17de-eeuwse synodes kwam het huwelijk talloze malen ter sprake. Men sprak over de huwelijken van gereformeerden met ongedoopten (lees, doopsgezinden) of roomsen, over de te vroeg begonnen bijslaap, slecht nakomen van plakkaten e.d.59 Waarheen alle klachten en voorstellen moesten leiden, was een voor de hele Republiek geldende of voor Holland vernieuwde en uitgebreide huwelijksordonnantie. In een niet aflatende ijver en met groot geduld werden de Staten benaderd. Hoewel in 1625 een concept voor een nieuwe regeling in Holland opgesteld was en na 1656 nieuwe hoop gloorde toen de Staten-Generaal voor de Generaliteitslanden een 95 artikelen lang Echtreglement uitvaardigden, besloten de Staten van Holland ‘het voorsz werk te laaten by de Politique Ordonnantie’.60
We willen het betoog nu toespitsen op de bemoeienis van ouders met het huwelijk van hun kinderen. Deze bemoeienis kon er op uitlopen dat ouders en kinderen tegenover elkaar stonden, om hun recht vragend voor de rechtbank. De normale gang van zaken was dat uiteraard niet. Wilden ouders zich niet neerleggen bij de keus van hun kinderen, deze hadden immers de omgang in handen, dan restte hen nog wel een aantal stappen. Allereerst kon de omgang verboden worden waarbij dochters het makkelijkst te verdedigen waren omdat de jongeman de toegang tot het huis kon worden ontzegd.61 Pas in een later stadium zal groffer geschut opgesteld zijn, het dreigen dat bij een doorzetten van een verbintenis onterving, of tenminste een belangrijke inkomstenderving zou volgen.62 Duidelijk zal zijn dat zo'n dreigement alleen effect zal sorteren en plaats zal vinden bij vermogende bevolkingsgroepen. Bij deze ook vinden we gebruikmaking van een mogelijkheid waar we nog te slecht over ingelicht zijn, het onder curatele stellen van familieleden. Meerderjarigen die bijv. als krankzinnig, doof of verkwistend aangemerkt werden, konden door het gerecht een curator over hun persoon en beheer van hun vermogen aangewezen krijgen of zelfs worden opgesloten. Een huwelijk ermee tegengaan kon niet, maar met de administratie over hun goederen kon een ongewenst huwelijk geneutraliseerd worden. De douarière Van Wassenaar stelde in 1777 haar zoon voor, doelend op haar dochter die trouwen wilde met een advocaat van niet-adellijke afkomst, dat te bewijzen viel dat zij ‘het volkome gebruijk van haar zinnen niet altijd magtig’ was. Ook suggereerde ze dat opsluiting in een klooster, quasi voor haar gezondheid, een uitkomst zou zijn. Ze was niet de enige die zo dacht, anderen voegden de daad zelfs bij het woord.63 Deze meer extreme maatregelen troffen vooral meisjes die, zeker in hogere groepen, sterk afhankelijk van hun familie waren. Deze zette daarom ook alle zeilen bij om haar ‘goed’ terecht te laten komen. Aan mildere wenken, het voorstellen van kandidaten en aansporen om van
een bepaald persoon werk te maken, ontbrak het zeker niet. Jakob de Witt deed zijn zoon, de raadpensionaris, suggesties, evenals anderhalve eeuw later de geneesheer Matthias van Geuns zijn zoon deed. In beide gevallen viel de keus toch anders uit.64
Al kwam de rechtspraak er bij de totstandkoming van de meeste huwelijken niet aan te pas, een grijpbare benadering voor de invloed van ouders vormt deze wel. De Politieke Ordonnantie sprak uitsluitend van ouders en sloot verwanten en voogden voor toestemming tot een huwelijk uit, ook als het wezen betrof. Ankum noemde het een anomalie dat een wees voor bijna elke handeling behalve het sluiten van een huwelijk de toestemming van voogden nodig had. Om die reden ook, suggereert hij, waren de meningen van juristen niet eensluidend en weken plaatselijke bepalingen soms van de Politieke Ordonnantie af. In 1588 werd in Amsterdam vastgesteld dat geen geboden gegund zouden worden aan wezen zonder het consent van grootouders, mondige broers en zusters, ooms of tantes en als deze er niet waren, voogden; een nieuwe regeling beperkte in 1754 dit consent tot de laatsten. Ook in Leiden eiste de keur uit 1658 de toestemming van voogden. Elders, bijvoorbeeld in Alkmaar, was het consent van voogden ook gewenst, maar zocht de regeling de sanctie niet in de nietigheid van het huwelijk, maar in de vermogensrechtelijke sfeer.65
Houden we ons echter aan de Politieke Ordonnantie, dan was voor ‘jonge gesellen’ beneden de 25, en ‘jonge dochteren’ beneden de 20 jaar de ouderlijke toestemming onmisbaar. Tegen een afwijzend oordeel van ouders was geen beroep mogelijk. Wel verdedigden sommige rechtsgeleerden de mening dat ‘een hoofdig, gierig, onredelyk Vader’ gedwongen kon worden toe te geven, de Hoge Raad had in die zin zelfs eens beslist, maar recht was deze opinie niet geworden.66 Voor hen die de genoemde leeftijdsgrens waren gepasseerd, bood de Politieke Ordonnantie het perspectief tegen een weigering van hun ouders in beroep te gaan bij het gerecht of de kerkeraad. Deze moesten de ouders oproepen, bij weigering of in gebreke blijven werd dit als ‘consent’ beschouwd, waarna het gerecht een uitspraak zou doen op grond van de door de ouders naar voren gebrachte argumenten. Ouders waren in die zin nog in het voordeel dat, mocht het gerecht de zijde van het kind kiezen, zij in beroep konden gaan bij een hogere instantie. Kregen ouders het ‘gelijk’ aan hun zijde dan konden kinderen volgens een resolutie van de Staten uit 1597, in 1663 herhaald nadat in de fameuze zaak van de Delftse burgemeestersdochter Agatha Welhoeck tegen haar vader het bestaan ervan vergeten was, niet in hoger beroep gaan.67 Van welke argumenten konden ouders zich bedienen? Wettelijk was daar niets over geregeld, maar naar de opinie van Van Leeuwen konden ouders wijzen op de ‘al te grote ongelijkheid van Staat, geslagt en midlen’ wanneer daardoor ontering van een geslacht zou volgen of onmacht om een gezin te onderhouden, op ‘een oneerlijk leven’ van de
gewraakte persoon of op het ontstaan van onverzoenlijke haat tussen ouders en kind als de verbintenis toch zou doorgaan.68
Hoe vaak werd er in dezen geprocedeerd, welke argumenten gaven ouders op, hoe viel de beschikking uit? Ankum concludeerde dat deze procedures voor Hof en Hoge Raad frequent waren. Naar mijn mening moet, althans voor de drie hier bestudeerde plaatsen, het tegendeel vastgesteld worden. Tussen 1671 en 1795 werd het conflict om de toestemming voor het huwelijk in Leiden slechts tien maal aanhangig gemaakt, in Maassluis één maal, in Wassenaar in het geheel niet.69 Daarbij ging het in Leiden nog negen maal om een geschil tussen voogden en pupil, men herinnere zich dat hun consent daar vereist was. Dat onenigheid tussen ouders en kinderen over het huwelijk van de laatsten zo weinig voorkwam als er processen gevoerd werden, zou een uiterst naieve mening zijn. Geloofwaardiger is dat deze conflicten binnenshuis gehouden werden en dat of de ouders of de kinderen bakzeil haalden. Bewijzen voor toegeven van de laatsten zullen we in de volgende paragraaf nog ontmoeten. In de gevoerde processen brachten ouders en voogden wel leeftijdsverschil of te jeugdige leeftijd als bezwaar te berde. Soms werd geageerd tegen vermeend slecht gedrag. Op hetzelfde vlak als een te jeugdige leeftijd ligt het argument dat de jongeman nog in opleiding is en in plaats van aan een huwelijk te denken zich moet bevlijtigen om later ‘sig selfs en een familie op een genereuse weyse te kunnen maintineeren’.70 We bevinden ons daarmee op het materiële vlak, daar klinken de bezwaren het luidst bij degenen die wat te verdedigen hebben. Ouders of familieleden uit patricische geslachten verhieven hun stem tegen een verbintenis met iemand van bescheidener afkomst zoals een predikant, metselaarszoon en dienstbode. De douarière Van Wassenaar klaagt dat het voorgenomen huwelijk van haar dochter met een advocaat, daarbij nog een koetsierszoon, de naam van ‘haer gansche Geslacht’, als het oudste onder de Hollandse adel bekend en beschreven in de Hollandse Ridderschap, zo zal bezwalken ‘dat soo lange er yemandt van de Naem noch overich blijft, aen haer (n.l. haar dochter) niet dan met de grootste walg kan gedencken’. Het verschil in status tussen de advocaat van koetsiersafkomst en de weliswaar berooide maar hoogadellijke freule was natuurlijk groot. Toch schreven de enigszins op hun tenen getrapte advocaten, die de douarière ten dienste stonden, dat ‘alleen op zulke gronden’ het proces voor het Hof niet te winnen was. Inderdaad verloor zij het proces en in het algemeen kan men stellen dat dit soort geschillen, ook al was er sprake van een duidelijk sociaal verschil, in het voordeel van de jongere uitviel.71 In Leiden was dat zo bij acht van de tien vonnissen, de voogden legden zich daar vaak tijdens het proces maar vóór de uitspraak bij het huwelijk neer mits de gemeenschap van goederen uitgesloten werd. Andere voorbeelden van conflicten, uit Gouda en Rotterdam, hadden dezelfde uitkomst.72 Processen voor de Hoge Raad werden meestal ten gunste van de jeugd beslecht. Pas wanneer meerdere ongun-
stige omstandigheden tegen de jongere pleitten, werd in zijn nadeel beslist.73
In de vorige paragraaf hebben we gezien dat met de ondertrouw voor magistraat of predikant het huwelijk al gedeeltelijk gesloten was, slechts nog te voltooien door de bevestiging. De ondertrouw was uitsluitend met toestemming van de magistraat ontbindbaar. Van deze ondertrouw nu moet de trouwbelofte onderscheiden worden. Bij deze gaat het om een tussen twee personen uitgesproken belofte elkaar te zullen trouwen, soms bevestigd met het uitwisselen van een penning, een schriftelijke acte of zoals in het vorig hoofdstuk bleek, aan het eind van de 17de eeuw nog door de bijslaap. Deze trouwbelofte was met wederzijds goedvinden ontbindbaar. Eenzijdig ging dat echter niet. De ene verloofde kon de andere voor de rechter dagen en eisen dat de gedaagde krachtens de eens gegeven trouwbelofte veroordeeld zou worden hem of haar te huwen.74 De gedachte hierachter was dat huwelijken door God beschikt werden. Bij de trouwbelofte werd schriftelijk of mondeling God soms aangeroepen en verklaard, om een voorbeeld te noemen, ‘nooit eenige saligheyt bij God te verkrijgen, noch nimmermeer syn Heyligh aengesicht te moogen aanschouwen, voor dat ik mijn suffisante promesse sal volbragt hebben, om haar in persoon te trouwen’. Kortom, door de trouwbelofte leefde de opvatting ‘voor godt getrouwt te sijn’.75 In het licht van wat nog komen gaat, lijkt het mij geen toeval dat zulke uitlatingen na het begin van de 18de eeuw niet meer gevonden zijn.
De bindende trouwbelofte vraagt om een antwoord op een aantal vragen. Ten eerste is daar de kwestie hoe vaak processen in dezen voorkwamen. Ten tweede vraagt men zich af wat iemand beweegt een tegenstribbelende persoon die gedachten aan trouwen het liefst ver van zich afzet, te dwingen voor het leven met hem of haar in zee te gaan. En tenslotte, wat was de houding van de rechter, welke maatstaven legde hij voor zijn te vellen vonnis aan. Zeker met betrekking tot deze laatste vraag is het jammer dat de rechtshistorische aspecten van de trouwbelofte nog zo slecht zijn onderzocht. Omdat bepalingen zo goed als niet bestaan, moet men te rade gaan bij juridische verhandelingen en rechtspraak.
Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat vóór het geschil de rechter bereikte, de partijen al de nodige meningsverschillen achter de rug hadden. Briefwisselingen zijn de stille getuigen daarvan.76 Meestal zal het gevolg zijn geweest dat de betrokkenen elkaar de belofte kwijtscholden. Soms vindt men ook dat de benadeelde partij ter vergoeding van het geleden nadeel een som gelds uitbetaald kreeg. De 17de-eeuwse jurist Johannes Voet was daar geen voorstander van omdat zijns inziens het huwelijk niet op geld waardeerbaar was, maar de Amsterdamse schepenen
dachten daar toch anders over toen ze in 1707 een vrouw voorstelden ‘haere actie (te) verwisselen in sekere somme gelds, door de ged. aen haer te tellen’. De Leidse rechtsprekers stuurden het daar ook nogal eens op aan.77 Procedures over trouwbeloften konden op verschillende wijzen beginnen. Soms omdat een eenzijdig verbreker daarvan de restitutie eiste van een gegeven penning of schriftelijke acte, begrijpend dat deze zich in een later proces als een boemerang tegen hem kon richten.78 Of omdat een der verloofden plotseling de huwelijksgeboden met een derde liet afkondigen en de andere deze liet stuiten.79 En ook natuurlijk omdat één van de twee begreep dat de ander zich aan zijn verplichtingen wilde onttrekken.
| Leiden | Maassluis | Wassenaar | |
|---|---|---|---|
| 1671-1680 | 7 | ||
| 1681-1690 | 4 | ||
| 1691-1700 | 1 | 1 | |
| 1701-1710 | 3 | 1 | |
| 1711-1720 | 3 | ||
| 1721-1730 | 2 | ||
| 1731-1740 | 3 | ||
| 1741-1750 | 3 | ||
| 1751-1760 | 3 | ||
| 1761-1770 | - | 1 | |
| 1771-1780 | - | 1 | |
| 1781-1790 | 2 | ||
| 1791-1794 | 1 |
Bron: G.A. Leiden, Oud-Recht. Arch., inv. nrs. 44 H-AA; A.R.A., Recht. Arch. Maassluis, inv. nrs. 15-28; A.R.A., Recht. Arch. Wassenaar, inv. nrs. 61-66
Om hoeveel processen ging het in de periode van 1671 tot 1795? Tabel 6 toont dat in Leiden, Maassluis en Wassenaar ze niet bijster talrijk waren. Wel ligt in Leiden het reële aantal per decennium iets hoger, omdat de procederenden soms eerst voor de Vredemakers bijeenkwamen die hen of tot een akkoord wisten te bewegen of doorzonden naar de schepenbank.80 De steekproef die in het archief van de Vredemakers genomen is, in het vorige hoofdstuk spraken we daar over, wijst uit dat met een iets afnemende frequentie rond de tien zaken per decennium voor de Vredemakers werden afgedaan. Het lijkt me weinig zin hebben de absolute cijfers van tabel 6 in relatieve om te zetten, de aantallen zijn te gering. Wel is het goed er op te wijzen dat het afnemend aantal processen in Leiden het bevolkingsverloop weerspiegelt. In de tweede helft van de 17de eeuw bewoog dit zich nog tussen de 60.000 en 70.000 inwoners, in de loop van de 18de eeuw gereduceerd tot ongeveer 30.000. Meestal was de vrouw de aanlegster van
het proces, in Leiden voor ⅔ deel. Deze constatering brengt ons op de motivatie de weg naar de rechtbank in te slaan. Een zeer groot deel van de vrouwen blijkt door hun tegenspeler beslapen te zijn of is al van een kind bevallen. In het vorige hoofdstuk is uitvoerig uiteengezet hoe in zulke gevallen meestal de eis tot trouwen òf doteren gesteld werd. Zij echter die het huwelijk het beste middel achtten om hun verloren eer terug te winnen en wat de bewijsvoering betreft sterk in hun schoenen dachten te staan, beperkten hun eis tot ‘trouwen’. Anderen meenden dat de wellicht met gerucht verbroken verloving een huwelijk voor hun reputatie nodig maakte81 of hadden hun zinnen absoluut gesteld op de partner van hun keuze. Toch was de animo tot procederen inzake de trouwbelofte gering. Illustratief is een uitlating van een Amsterdamse chirurgijnsweduwe die in 1739 verklaarde dat zij ‘siende de weynige geneegentheyt die den gedaagde bij continuatie voor haar toonde te hebben, ook geresolveert was hem niet verder des wegens aen te spreecken, dog dat zij naderhand bevondende dat zij door sijne bijslapinge was beswangert, tot conservatie van haar Eer genoodsaekt was geworden hem in cas matrimonieel te dagvaerden’.82 Een enkele keer wordt gesuggereerd dat de eis tot trouwen alleen maar gedaan werd om door een huwelijk de eigen kas te spekken.83 Kortom, voorzover deze zaken te scheiden zijn, bij de eis tot uitvoering van de trouwbelofte lijkt het minder te doen te zijn om de gedaagde persoon zelf, als wel om zijn of haar geld, of in de meeste gevallen, het treffen van een regeling om de financiële en sociale gevolgen van de zwangerschap op te heffen.
In de meeste processen waren het de twee verloofden die tegenover elkaar stonden. Regelmatig kwam het echter voor dat ouders of voogden door de eisende partij gedaagd werden of zichzelf partij stelden. In het eerste geval eiste de intiatiefnemer tot het proces niet alleen dat de gedagvaarde hem zou moeten trouwen, maar ook dat ouders het huwelijk zouden moeten toestaan. In het tweede geval poneerden ouders ten processe dat zij geen toestemming voor het huwelijk van hun, dan meestal minderjarig, kind gaven zodat van een eis tot trouwen geen sprake kon zijn. Minderjarigen die zich door een trouwbelofte gebonden hadden en op hun schreden wilden terugkeren, konden dit geweigerd consent van ouders als dekmantel gebruiken. Het omgekeerde kwam ook voor. Een 18-jarig meisje liet verklaren dat zij ‘haar toevlugt nam tot de vrijheid welke door het recht aan haar gegeven wierd om namentlijk als minderjarige zig onder de gehoorzaamheid haarer ouders te begeeven en alzo noch bij tijds van haare onvoorzigtigheid terug te komen.’ In dit geval en andere waren ouders er in geslaagd hun kind zo ver te krijgen dat het bereid was van het huwelijk af te zien.84 In een deel van de processen om nakoming van trouwbeloften speelden ouders dus een actieve rol.85 Bij het taxeren van de ouderlijke invloed op de partnerkeuze moet men, bezien vanuit de rechtspraak, met de processen om trouwbelofte rekening houden.
Welke redenen konden aangevoerd worden om een trouwbelofte eenzijdig te verbreken? Onder de rechtsgeleerde auteurs bestond hierover een grote mate van eenstemmigheid.86 Als voornaamste redenen kunnen genoemd worden een ten tijde van de trouwbelofte nog onbekende of nog niet gepasseerde onkuisheid van de ander, het optreden van een zeer ernstige ziekte, het feit dat iemand die zich als welgesteld voordeed maar in de schulden bleek te zitten of een dodelijke en onverzoenlijke haat tussen de verloofden. Opvallend genoeg werd dit laatste argument in de hier geraadpleegde stukken nooit gebezigd.87 Veel partijen die de trouwbelofte tegen de zin van hun verloofde verbraken, probeerden aan te tonen dat deze zich niet gedragen had ‘als een eerbaere doghter’ of man betaamde. Het is eigenlijk wat triest om te zien hoe iemand die vaste plannen had tot trouwen en wiens in het procesdossier aanwezige brieven aan zijn partner daar alleszins van getuigen nu, na gerezen moeilijkheden, tijdens het voeren van een proces en daartoe zeker aangezet door zijn procureur, verklaart dat de ander ‘is van de geringhste en geprostitueerste familie hier te lande’ zodat hij bij een huwelijk zich ‘tot een proij van de werelt’ zou maken.88 Ook al werd sociale ongelijkheid niet als een geldige reden voor het verbreken van een belofte beschouwd, vaak werd er een beroep op gedaan dat het ‘huwelijck soude zijn... beneeden het fatsoen’ van de gedaagde. Succes had dit argument niet, zoals Paulus van Kerckem, zoon van een Leids vroedschapslid en oud-burgemeester ondervond toen hij gevonnist werd een dienstdoende van zijn vader te huwen.89
Meestal echter, zeker als de gedaagde minderjarig was, gooide de verdediging het over een andere boeg. Trouwbeloften kunnen onderscheiden worden in geldige en ongeldige en tot de laatste behoorde de belofte die een minderjarige zonder de toestemming van ouders aflegde. Als leeftijd gold daar 25 jaar voor, onafhankelijk of men man of vrouw was.90 Deze vluchtweg, hierboven werd op deze mogelijkheid gewezen, bood goede hoop voor de verdedigende partij tenzij de ander kon aantonen dat de ouders wel degelijk met de omgang en trouwbelofte ingestemd hadden.91 Soms gooide de aanklager een balletje op of een minderjarige niet als meerderjarig te beschouwen was, als hij buiten het ouderlijk huis ‘syn eygen kost’ verdiende of zich als apotheker had gevestigd.92 Een enkele keer werd wel geprobeerd het ontbreken van ouderlijke toestemming van toepassing te verklaren op meerderjarigen zoals de zoëven al genoemde 35-jarige Paulus van Kerckem in 1724 vergeefs probeerde te doen.93 Nooit gebruikt werd het argument dat men een minderjarige tot zo'n gewichtige en onherroepbare verbintenis als het huwelijk niet mocht dwingen. Toch was deze mening door Van Bynkershoek met een beroep op ‘hoe glibberig en bros het oordeel der Minderjarigen is’, verdedigd.94
Het bewijs van de (geldigheid van de) trouwbelofte was voor de eisende partij uiteraard van doorslaggevend belang, maar ook zeer lastig. Volgens De Groot moest deze even duidelijk bewezen worden als andere zaken.
Dat wil zeggen dat de bekentenis, bijvoorbeeld door een schriftelijke belofte, het opmaken van huwelijkse voorwaarden of door de aantekening van de ondertrouw het beste was, gevolgd door verklaringen van getuigen. Voorwerpen die ‘op trouw’ gegeven waren zoals een penning stonden in minder hoog aanzien ook al beweerde een procureur olijk dat elk uitgewisseld voorwerp goed was al ‘soude deselve maer in Deventer koeken’ bestaan.95 Onlangs is door Voskuil geponeerd dat in de loop van de 16de en 17de eeuw de rechter steeds meer geneigd was een eis tot trouwen af te wijzen als schriftelijk bewijs of getuigen ontbraken. Zijn bron is hier een Vlaardingse sententie uit 1622 waar het zeggen van de man dat er mondelinge trouwbeloften en voorwerpen als een ‘koperen vingerhoet’ uitgewisseld waren, onvoldoende werd geacht.96 Leidse vonnissen van na 1671 lijken deze mening te staven. Daar werd de eis tot trouwen alleen toegewezen als het bewijs volledig geleverd was doordat de ondertrouw al had plaatsgevonden of de gedaagde de gegeven belofte niet durfde te ontkennen. Zaken waarin alleen een mondelinge belofte of een penning ter tafel werden gebracht, beslisten de schepenen in het voordeel van de onwillige.97 Toch ging het niet altijd zo. In Amsterdam werd in 1692 de eis tot trouwen toegewezen mits de eiseres ‘onder eede verclaere, de ring in questie van de ged. op trouw ontfangen te hebben’, in 1695 volgde nog een dergelijk vonnis.98 Kijkt men naar de uitspraken van het Hof en de Hoge Raad, dan wezen deze colleges de eis alleen toe bij een mondelinge of schriftelijke bekentenis van de gedaagde of zeer overtuigende verklaringen van derden. Vonnissen van lagere rechtbanken die met minder bewijs genoegen hadden genomen, werden gecorrigeerd.99 Het heeft er dus alle schijn van dat inderdaad de neiging bestond hoge eisen aan het bewijsmateriaal te stellen, maar dat deze tendens van latere datum is dan Voskuil meende en dat de hogere rechtscolleges hierin vooropliepen. Dat deden deze in nog een ander opzicht, namelijk in het al of niet toelaten van het afleggen van de eed die half bewijs moest aanvullen. In het vorige hoofdstuk hebben we met dit onderdeel van de vroegere rechtspraak kennis gemaakt. Ook ter bevestiging of ontkenning van trouwbeloften boden partijen over en weer aan de eed af te leggen. In het boven aangehaalde Amsterdamse vonnis uit 1692 werd het afleggen van de eed toegestaan. In Leiden werd in ruim 30% van de vonnissen de eed aan de gedaagde toegewezen om zich op die wijze van de hem of haar aangewreven trouwbelofte te zuiveren. Vooraanstaande deskundigen meenden dat de eed in processen om trouwbeloften niet te pas kwam, omdat het hier om uiterst gewichtige zaken ging - gedwongen huwelijken plegen een kwade afloop te hebben merkte Van der Keessel op - die volledig bewijs behoefden. Het Hof van Holland lijkt de eed niet vaak in haar vonnis te hebben opgenomen, de Hoge Raad deed dit in de 18de eeuw uit beginsel niet.100
Hoe vielen de vonnissen uit? In Leiden waren er tussen 1671 en 1795 32 processen om trouwbeloften waarvan er 22 door de schepenen gevonnist
zijn, in de overige gevallen vond er een schikking plaats of trok een partij zich terug. Van deze 22 vonnissen vielen 7 ten gunste van de eis tot trouwen uit, 15 kozen de zijde van de gedaagde, tot trouwen onwillige partij. In Maassluis en Wassenaar werd in het geheel de tot trouwen dwingende sententie niet uitgesproken. In het algemeen kan lijkt mij gezegd worden dat de rechtspraak zich terughoudend en voorzichtig opstelde ten opzichte van de eis tot trouwen. De terughoudendheid blijkt uit aansporingen om, eventueel met een schadevergoeding, tot een vergelijk te komen. De voorzichtigheid treedt naar voren, omdat bij twijfel de gedaagde het voordeel kreeg. De rechtspreker eiste van de aanklager het allerbeste bewijs en wilde althans bij Hof en Hoge Raad, de eed zo min mogelijk of niet gebruiken. Waar deze wel op last van de rechter werd afgelegd, zoals in Leiden, was het de gedaagde die hiertoe geroepen werd. Men kan zeggen dat terwijl bij de vaderschapsacties uit het vorige hoofdstuk de uitspraken in het voordeel van de eisende partij uitvielen, bij de trouwbeloftes de gedaagde partij de gelukkige was. Niet altijd was het uiteraard zo. Bij een zeer duidelijk bewijs zoals een mondelinge bekentenis, een schriftelijke trouwbelofte of geloofwaardige getuigen, hielp er weinig. De minderjarige Zacharias Vatelet had een schriftelijk belofte aan zijn verloofde gegeven, de ondertrouw laten aantekenen, het kind waarvan zij bevallen was als het zijne erkend en het consent van zijn vader gekregen, toen hij zich bedacht en weinig toekomst in een huwelijk meer zag. Zijn procureur verklaarde voor het Hof dat er ‘voor hem geen verdere redenen van Contradictie meer konde overigh zijn’ en verzocht om veroordeling, zoals ook geschiedde.101 In zo'n geval had alleen een bij de trouwbelofte uitgesproken en standvastig ‘neen’ van de ouders of een poging de tegenpartij in discrediet te brengen het proces een andere wending kunnen geven.
Was men veroordeeld tot trouwen, dan was er weinig keus meer. Men kon eieren voor zijn geld kiezen en het beste er van hopen. In hoger beroep gaan en de zaak zo zeker voor jaren slepende houden. De benen nemen, of koppig weigeren aan het vonnis gehoor te geven. In deze beide laatste gevallen was het gevolg hetzelfde. De ander had het recht opnieuw te procederen tot nakoming van het vonnis. Desnoods werd op last van de rechter het huwelijk in afwezigheid van de veroordeelde met gebruikmaking van een onzijdig persoon voltrokken.102
In de codificatieperiode van het Nederlandse huwelijksrecht na 1795 heeft het enige tijd geduurd voordat de mening veld won dat de bindende trouwbelofte beter kon verdwijnen. Toch hebben we daar in dit hoofdstuk al enkele voortekenen van gezien. Aan het bewijs werden hoge, misschien steeds hogere eisen gesteld. Voor de religieuze motivatie van het bindend karakter van de trouwbelofte vonden we na het begin van de 18de eeuw geen bewijzen meer. Parallel hiermee staat de eenvoudiger geworden verbreking van de ondertrouw met wederzijds goedvinden in de 18de eeuw.
Wat betreft de trouwbelofte, het bindend karakter verdween bij wet van 1838.103
In de vorige paragraaf zagen we dat het wel gebeurde dat iemand die geen lust in trouwen had, daar door de rechter toe gedwongen werd. Het omgekeerde kwam ook voor: men wilde graag, maar de wet verbood het. Men denke daarbij vooral aan mensen die elkaar te na stonden in de graden van bloed- of aanverwantschap en aan minderjarigen die stuitten op de onwil van ouders. Trouwlustigen konden zich hierbij neerleggen of geduldig wachten op betere tijden. Maar ook werd wel naar radicalere oplossingen gezocht. Het aantal paren dat die weg koos, moet mijns inziens niet te laag geschat worden.
Ten eerste was daar het plegen van fraude. Het volgende, wel zeer ongewone, voorbeeld toont daar enkele kenmerken van. Jacob van Campen, telg uit een Zeeuws regentengelacht, wilde tegen de zin van zijn moeder met een dienstbode huwen. Met nog een andere trawant begaven ze zich in 1736 gedrieën naar Menen, in Vlaanderen. Daar gaf Van Campens metgezel zich bij de predikant uit voor de secretaris van de Deense gezant, op doorreis met zijn Nederlandse knecht en dienstbode. De laatste zou door de knecht bezwangerd zijn en vanwege de haast en omdat ‘de bruijd op 't uijterste swanger’ was vroeg de ‘secretaris’ om onmiddellijke voltrekking van het huwelijk. De predikant vertrouwde het zaakje niet geheel, maar was toch geïmponeerd en na raadpleging van zijn kerkeraad stemde hij erin toe de proclamaties twee dagen later in de kerk publiekelijk uit te roepen en daarna het huwelijk te voltrekken. Enkele weken later ontdekte hij zijn fout en in een beteuterde brief moest hij toegeven ‘leelijk bedrogen’ te zijn.104 De zaak zelf was uiteraard bizar, maar kende twee veel terugkerende kenmerken van fraude: het afleggen van valse verklaringen en de trouw in een andere dan de eigen woonplaats. In Leiden bedienden regelmatig personen zich bij de ondertrouw van valse verklaringen of keerden de stad en een stremmend ouderlijk gezag de rug toe om elders, voorgevend daar te wonen, de huwelijksgeboden te vragen.105 Soms hielp de magistraat een handje. Schout, schepenen en secretaris van het Noordhollandse Groet moesten zich in 1650 voor het Hof van Holland verdedigen tegen de aantijging voor een goed stuk geld mensen van buiten Groet te trouwen zonder te eisen dat het huwelijk ook in hun eigen woonplaats werd afgekondigd.106 De verschillen die het huwelijksrecht per provincie in de Republiek kende, maakten het soms mogelijk de bepalingen in het eigen gewest te ontlopen door elders te trouwen. De synodes waarschuwden hier herhaaldelijk voor.107 Een geval apart binnen het grondgebied van de Republiek vormden vrije heerlijkheden als Culemborg, Vianen en Ravestein die een eigen wetgeving hadden en zich enige
vrijheid in de rechtstoepassing veroorloofden. In 1640 klaagde Amsterdam ‘dat verscheyde jonge luyden in haare stad’ ter ontwijking van de Politieke Ordonnantie ‘sig begeeven tot Kuylenburg of Vianen, omme aldaar na voorgaande proclamatie in haare pretense trouwe te werden bevestigt’.108 Soms voerde de reis nog verder, naar Kleef of de Zuidelijke Nederlanden.109 Tenzij de op die wijze gehuwden konden aantonen niet de wijk te hebben genomen om met de wet een loopje te nemen, werd het huwelijk in Holland als ongeldig beschouwd. In 1712 bijvoorbeeld sloegen de Staten op advies van het Hof een verzoek om wettiging van een in Utrecht gesloten huwelijk af met als argument dat een éénjarige verblijf aldaar ‘alleen was uytbedacht, om, was het mogelyk, de ordre en wetten deser Provincie daer door te eluderen’.110
Ten tweede was er voor diegenen die hun ouders niet konden vermurwen nog de mogelijkheid van schaking, of zoals men het veelal noemde, ‘doorgaan’. De term schaking roept een beeld op van zeer buitengewone en opwindende gebeurtenissen zoals in de novelle Een schaking in de 17de eeuw van Van Lennep waarin hij de ontvoering uit Den Haag van Catharina van Orléans door Johan Diederick de Mortaigne in 1663 verhaalde. Toch kwam schaking veel voor. Knappert geeft een lijstje dat zonder veel moeite is aan te vullen.111 Wel moet men onderscheid maken, maar niet altijd is dat goed mogelijk, tussen de gewelddadige schaking tegen de zin van de geschaakte en de schaking, dan ook beter ‘doorgaan’ genoemd, voortkomend uit de wil van beide betrokkenen. Ons interesseert vooral de tweede vorm waarin het meisje zich min of meer gewillig laat schaken.
Uit bewaard gebleven processtukken112 blijkt dat het ‘doorgaan’ zoals elke verhouding met de omgang begon. Aarnout Craeyevanger die met Cornelia Velthuysen, een Rotterdamse koopmansdochter, in 1699 doorging, bracht tegen de aanklacht van haar vader in dat hij ‘door eene eerlijcke vrijagie des impetrants dogter ten houwelijk heeft gesolliciteert en oock haare genegentheijt daer op heeft gewonnen’; andere schakers poneerden hetzelfde. Het schortte aan de toestemming van ouders die de ons bekende bezwaren te berde brachten, leeftijdsverschil en onderscheid in staat of zoals van de patriotse officier Hermanus Harten - hij schaakte een gefortuneerd meisje - in 1788 gezegd werd, ‘een verloopen deserteur die voor zo'n jong meysje veel te oud en daer by met veel schulden beswaert is’.113 Minnaars stonden dan voor een tweesprong, moesten ze de omgang beëindigen of deze tegen de wil van de ouders voortzetten. De gedachte aan ‘doorgaan’, de ‘weg in te slaan welke jongeluyden in diergelyke gevallen plegen in te slaan’, in de woorden van Harten, komt men vaak tegen.114
De problemen waar de vermetelen die doorgingen voor kwamen te staan waren groot. Ook al verliep de vlucht onopgemerkt, de vermissing was snel ontdekt. George Everhard en zijn geschaakte jongedame ontsnapten alleen omdat de koets van achtervolgers van de weg raakte. De meeste vluchte-
lingen namen, zo lijkt het, de wijk naar bovengenoemde heerlijkheden als Culemborg en Ravestein of naar Antwerpen. Al snel na het vertrek werden pogingen in het werk gesteld om het doel van het ‘doorgaan’ te bereiken. Wat dit was blijkt overduidelijk uit de brieven die Cornelia Velthuysen vanuit Culemborg aan haar vader en andere familieleden schreef. Op de suggestie weer naar huis te gaan, schrijft ze de eerste, ‘maer mijn lieve papa, ik bidt u dogh dat gij mij met langmoedigheijt gelieft te considereren hoe dat ik dat souw derve doen voor en aleer dat papa mij met sijn eijge hant versekering heeft gegeven dat hij sal consenteren int houwelicks verbont’ en een tante ‘dat UE. gaeren hadt dat ik weer bij mijn paetje lief quam 'twelk ik gaerne wil doen in gevalle papa mijn een schrift van sijn eijgen handt geliefde te senden dat hij in het houwelik met Craijvanger consenteerden’. Met het ‘doorgaan’ werden de ouders dus onder druk gezet. De brieven en andere gegevens doen soms wel eens twijfelen of de ‘eijge vrije en libre wille’ van de geschaakte wel steeds aanwezig was. Anna van Wouw, dochter van de vooraanstaande Haagse arts Van Wouw, klaagde er later over dat zij door haar schaker gedwongen was brieven van soortgelijke inhoud als waaruit zojuist geciteerd is, te schrijven en trouwbeloftes te ondertekenen die eerder gedateerd waren dan de dag van de ontvoering. Aan de andere kant zijn er vele tekenen dat de overtuiging leefde dat het ‘doorgaan’ als de enige uitweg werd gezien. Zo sprak Cornelia Velthuysen haar minnaar toe ‘vermits de groote liefde die zij hem toedroeg alles voor hem te waegen en soet en suur met hem te deijlen’.
Die liefde had men wel nodig want niet alleen zullen zij die waren doorgegaan zeker aanvankelijk in behoeftige omstandigheden hebben geleefd, andere risico's liepen zij ook. Ten eerste dreigde het gevaar dat de schaker crimineel vervolgd zou worden. De Politieke Ordonnantie van 1580 verklaarde de ‘Keyserlijke ende beschreven rechten’ op de schaker van toepassing, dat wil zeggen de doodstraf.115 Zo hoog werd het spel echter niet gespeeld, voorbeelden van straffen spreken van eeuwige verbanning en confiscatie van goederen, maar pardon werd naderhand wel verleend als een verzoening met de familie had plaatsgevonden. Men meende overigens dat als een meisje in de schaking had toegestemd, de straf minder zwaar behoorde uit te vallen.116 Om die reden ook verzekerde de geschaakte veelal dat bij haar het initiatief had gelegen. Bij voortduring werd echter geklaagd over ‘slapheid der justitie’.117 Door synodes en het Hof werd op maatregelen aangedrongen. Het Hof schreef in 1750 aan de Staten ‘dat het voorschreeve quaad... zodanig (is) toegenomen dat door de frequente gevallen, het begrip algemeen schijnt geworden te zijn, dat het zelve straffeloos mag en kan werden gecommitteert’.118 Wel had de Politieke Ordonnantie door opname van een uit 1540 stammende bepaling vermogensrechtelijke sancties aan hen in het vooruitzicht gesteld die geen of pas na het trouwen toestemming voor het huwelijk hadden verkregen. Die maatregelen werden nu echter juist door het ‘doorgaan’ ontlopen,
men dwong immers ouders hun consent vóór het huwelijk te geven.119 Wat het Hof wilde was, in navolging van een Utrechts plakkaat uit 1650, een verordening die degenen die van huis wegliepen direct in de beurs zou treffen. In 1751 was het zover, aanleiding daartoe zal een geruchtmakende schaking in Amsterdam in het voorafgaande jaar zijn geweest.120 Het plakkaat bepaalde o.a. dat jongemannen en jongedochters die doorgingen om hun ouders ‘eerder tot consent van het Huwelyk te constringeeren’ direct onbekwaam verklaard zouden worden om over hun goederen te beschikken, niet van hun familieleden konden erven en dat als ze later nog een geldig huwelijk zouden sluiten, de gemeenschap van goederen uitgesloten werd.121
Of het plakkaat het bedoelde effect had, is moeilijk te zeggen. Wel werden de Staten regelmatig lastig gevallen met verzoeken om dispensatie van het plakkaat door paren die, bijvoorbeeld door het maken van een reisje, vreesden onder de bepalingen van het plakkaat te vallen. Uit de beslissingen van de Staten kan men opmaken dat ze een ruim beleid voerden, ruimer dan het Hof blijkens adviezen juist achtte.122
Modern sociologisch onderzoek heeft bij herhaling uitgewezen dat het gezegde ‘soort zoekt soort’ uit de realiteit is voortgesproten. De Nederlandse gezinssocioloog Kooy geeft aan hoe ook in Nederland echtparen in o.a. leeftijd, sociale afkomst en geloof na tot elkaar staan.123 Eerder konden we vaststellen dat 17de- en 18de-eeuwse huwelijksraadgevers de ‘gelijkheid’ eveneens in hun vaandel schreven. Dat deze regel algemeen was aanvaard, kan blijken uit het feit dat indieners van verzoekschriften om dispensatie van deze of gene huwelijkswet zich haastten te verklaren dat zij ‘van gelijcke fatsoen of conditie, mitsgaders noch van gelijckheydt van jaren’ waren of dat er geen ‘ongelijkheyd was, soo in reguarde van jaere, middelen als andersints, dat van één religie waren en beyden goede negotie deeden’.124 Zulke inlichtingen misten hun invloed niet. Om advies gevraagd over een request schreef het Hof van Holland in 1787 aan de Staten dat ‘een egaliteit, zoo van jaaren als conditie’ van de requestranten een voor hen gunstige beschikking bevorderde.125 In deze paragraaf zal gepoogd worden te onderzoeken in hoeverre deze endogamie, het trouwen van iemand uit de ‘eigen’ groep inderdaad bestond.
Wanneer we een start maken bij de huwelijksleeftijd, moet het voorbehoud gemaakt worden dat we daarover nog slecht zijn ingelicht, wat Holland betreft beschikken we slechts over gegevens met betrekking tot vooral Amsterdam. Peiljaren brachten Hart tot de slotsom dat in de 17de en 18de eeuw de huwelijksleeftijd bij het eerste huwelijk van bruidegoms gemiddeld tussen de 25 en 29 jaar lag, bij bruiden tussen de 24 en 28 jaar.126 De huwelijksleeftijd bewoog zich bij beide geslachten in stijgende richting.
De steekproefjaren 1626-1627, 1676-1677, 1726-1727 en 1776-1777 gaven bij mannen een ontwikkeling te zien van 25 jaar en 8, 27 jaar en 8, 27 jaar en 10 naar 28 jaar en 8 maanden en bij vrouwen van 24 jaar en 6, 26 jaar en 6, 27 jaar en 2 naar 27 jaar en 10 maanden. Een dergelijke ontwikkeling is ook in het Gelderse Duiven geconstateerd waar in de tweede helft van de 18de eeuw de gemiddelde huwelijksleeftijd van mannen zelfs boven de 30 jaar uitkwam.127 De stijgende huwelijksleeftijd valt ook nog op andere wijze te benaderen. In het begin van de 17de eeuw huwde ruim 50% van de Amsterdamse bruiden tussen de 20 en 24 jaar, in de 18de eeuw bedroeg dit ongeveer 32%; tussen de 30 en 34 jaar huwde in de 17de eeuw ruim 7%, in de 18de eeuw 18%.128 De enige andere Hollandse plaats waar gegevens over bestaan is Maasland rond 1747.129 De gemiddelde leeftijd bij het eerste huwelijk bedroeg daar bij mannen 28 jaar en 7 maanden en bij vrouwen 25 jaar en 7 maanden. Verdelen we deze huwenden in leeftijdsgroepen, dan trouwde van de mannen 27,5% jonger dan 24 jaar, 39,8% tussen de 25 en 29 jaar en maar liefst 32,7% ouder dan 30 jaar. Bij vrouwen lagen deze percentages op 50%, 33,6% en 17,4%. Huwen onder de 20 jaar kwam slechts sporadisch voor. Overigens kon voor Maasland nog vastgesteld worden dat daar protestanten wat jonger huwden dan katholieken; pas na nadere verificatie zal men zich wat dit betreft aan een verklaring mogen wagen.
Overzien we deze nog zeer onvolledige cijfers, dan kunnen een drietal opmerkingen worden gemaakt. Ten eerste is de huwelijksleeftijd hoog te noemen. Dit komt overeen met wat voor andere Westeuropese landen gevonden is en waaruit Hajnal, zoals in het eerste hoofdstuk uiteengezet is, het bestaan van het zogenaamde Europees huwelijkspatroon vaststelde. In de volgende paragraaf komen we daar in ander verband nog op terug. Ten tweede was, naar verwachting, de man bij zijn trouwen gemiddeld iets ouder. Helaas strekken de gegevens niet zover om te kunnen zien bij hoeveel procent van de echtparen de man jonger was en het leeftijdsverschil groter dan het gemiddeld verschil was. Men kan slechts concluderen dat door de bank genomen het leeftijdsverschil niet groot was. Ten derde stijgt de huwelijksleeftijd. Het betreft hier een internationaal verschijnsel waar nog geen bevredigende verklaring voor is gevonden. Ook voor de Nederlandse situatie is het daar nog te vroeg voor. Dat de stijging echter van invloed kan zijn geweest op het toenemend aantal onwettige kinderen in de 18de eeuw, werd in het vorige hoofdstuk al geponeerd.
Bij de behandeling van het verzet dat ouders soms tegen het voorgenomen huwelijk van een kind boden en bij het proces om de verbreking van de trouwbelofte zagen we dat nogal eens beweerd werd dat het ter discussie staande huwelijk ‘beneden het fatsoen’ van de betrokkene zou zijn. Dat de sociale positie bij de keuze van een huwelijkspartner een rol speelde weten we dus, niet echter in hoeverre men inderdaad binnen of zeer nabij de eigen sociale groep huwde. Onderzoek hiernaar heeft behoefte aan een
bron die systematisch één of meerdere gegevens verstrekt als beroep, inkomen of opleiding en in sociaal opzicht representatief is. Er is hier een dergelijk onderzoek verricht voor één plaats, Leiden, met gebruikmaking van het zogenaamde kohier van 1749. Na de pachtersoproeren van 1748 werd besloten het pachtsysteem bij het innen van de gewestelijke belasting op te heffen. In afwachting van een definitieve maatregel werd als tijdelijke voorziening plaatselijk een soort hoofdelijke aanslag vastgesteld. Gezinshoofden moesten een bepaald bedrag opbrengen. Hoe men precies aan de uiteindelijke belastingaanslag kwam is niet bekend, wel dat werd gelet op het beroep van het gezinshoofd, het aantal personen dat van zijn huishouden deel uitmaakte en op aanwezige, voor verbruik bedoelde voorraden als turf en wijn. Zoals Diederiks, die de aard en representativiteit van deze bron bespreekt stelt, er werd gekeken naar het consumptiepatroon om tot de aanslag te komen.130 Het kohier maakt daarbij een betrouwbare indruk.
Iemands sociale positie wordt bepaald, dat is hier het uitgangspunt, door het gezin van herkomst tenzij men zich daarvan losgemaakt heeft en zich zelfstandig vestigde. De sociale positie wordt in dit onderzoek gekenmerkt door het bedrag waarvoor een gezinshoofd in het kohier aangeslagen staat. Om het sociale aspect van de partnerkeuze te achterhalen is nu als volgt te werk gegaan. De te onderzoeken groep werd gevormd door hen die in 1750 zich in Leiden in ondertrouw lieten opnemen. Via de bij de ondertrouw opgegeven informatie, naam, burgerlijke staat, beroep, adres en getuigen zoals de vader of moeder, en gegevens uit de doop-, trouw-, en begraafboeken is gezocht naar de vader van de ondertrouwenden, of als deze overleden was, de moeder of latere echtgenoot van deze. Vervolgens is gekeken of de vader of moeder in het kohier voorkwam. Kwam iemand onder eigen naam in het kohier voor, omdat hij of zij zich als alleenstaande gevestigd had of al eerder gehuwd was geweest, dan is op zijn of haar aanslag gelet.
Vóór op de resultaten in te gaan is nog een aantal opmerkingen nodig. Ten eerste gaat het alleen om een momentopname. Soortgelijke bronnen voor andere tijdstippen bestaan wel zoals de familiegelden van 1674, 1715 en 1742, maar naar Oldewelt aantoonde, zijn deze slecht vergelijkbaar.131 Ten tweede konden volgens de geschetste procedure niet alle ondertrouwenden achterhaald worden. Lieden die zelf niet in het kohier voorkomen en blijkens de ondertrouwgegevens van buiten de stad afkomstig waren en geen familie in Leiden bezaten, moesten afvallen. Zo bleven 132 paren over, of ⅓ van alle ondertrouwenden. Tenslotte, hoe representatief zijn deze 132 paren voor de Leidse bevolking? Vergelijkt men de op grond van het kohier door Diederiks verkregen verdeling in belastingklassen van alle Leidse gezinshoofden met een via dezelfde criteria samengestelde verdeling van de bovengenoemde onderzoeksgroep, dan blijkt de laatste voor representatief te kunnen doorgaan.132 De hoogste, rijkste groep is licht
ondervertegenwoordigd (juist zij kozen nogal eens huwelijkspartners buiten Leiden), de laagste groep is oververtegenwoordigd.
Het percentage sociaal gemengde huwelijken dat men vindt is sterk afhankelijk van het aantal gekozen groepen. Op grond van de belastingaanslagen zijn 6 groepen onderscheiden met voor de eerste vijf een klassebreedte van ƒ 10, dus oplopend tot ƒ 50 en een zesde groep die 12% van het geheel uitmaakt die de bedragen boven de ƒ 50 beslaat. In deze groep lopen de aanslagen tot vele honderden guldens op en om het onderzoek overzichtelijk te houden leek het zinloos verdere differentiatie aan te brengen. Tabel 7 geeft nu aan hoe de huwelijkspartner werd gekozen. Bij ⅓ van de 132 paren werd iemand gekozen die deel uitmaakte van dezelfde groep, bij ⅔ is er dus sprake van ongelijkheid. Deze ongelijkheid kent een zichtbare spreiding, maar meestal valt de keuze op een partner die slechts één groep hoger of lager vertoeft. In guldens uitgedrukt kunnen de verschillen zeer gering zijn, men denke aan personen die voor ƒ 9 en ƒ 11 aangeslagen worden. De sociale vermenging doet zich in alle groepen voor, hoewel met accentverschillen. De zesde, hoogste groep recruteert zijn partners het meest uit eigen kring, voor ⅔, de laagste twee groepen spelen onderling sterk leentjebuur terwijl de drie middengroepen hun partner nogal verspreid kiezen. Wie verwacht zou hebben dat de raadgevingen van moralisten om toch vooral de sociaal gelijke te huwen, opgevolgd zouden zijn, komt dus lichtelijk bedrogen uit. Toch is deze uitkomst niet onlogisch. In zijn onderzoek naar de sociale stratificatie van Leiden in 1749 concludeerde Diederiks dat van een ongunstige sociale gelaagdheid, in de zin van een zeer kleine topgroep, een kleine of zelfs ontbrekende middengroep en een zeer grote proletarische groep, geen sprake was. De gelaagdheid toont een geschakeerd beeld zonder zeer grote verschillen tussen hoog en laag.133 Het gevolg daarvan was de sociale vermenging bij het huwelijk.
| Man 3 of meer | sociale groepen | hoger | dan vrouw 9,1% |
| Man 2 | sociale groepen | hoger | dan vrouw 6,8% |
| Man 1 | sociale groep | hoger | dan vrouw 23,5% |
| Man in gelijke | sociale groep | als vrouw 32,6% | |
| Man 1 | sociale groep | lager | dan vrouw 18,2% |
| Man 2 | sociale groepen | lager | dan vrouw 6,8% |
| Man 3 of meer | sociale groepen | lager | dan vrouw 3,0% |
Bron: G.A. Leiden, Secretarie Archief 1575-1851, inv. nrs. 7562, 7573-7574; Doop-, trouw- en begraafboeken
Het is moeilijk te zeggen waarmee deze gegevens vergelijkbaar zijn. Het enige andere Nederlandse onderzoek is dat van Van Tulder over onze eeuw.134 Zijn stratificatie is gebaseerd op beroepsgegevens en via enquê-
temateriaal verkregen. In feite gaat het niet aan ons 18de-eeuws materiaal hier naast te plaatsen, maar een indicatie voor de vraag hoe in een sociaal gedifferentieerde samenleving de huwelijkspartner in sociaal opzicht gekozen wordt, kan een vergelijking toch wel geven. Tabel 8 geeft in vereenvoudigde vorm deze vergelijking. Deze kan treffend genoemd worden. Niet alleen huwt men in beide onderzoeken voor ongeveer ⅓ met de sociaal gelijke, ook werkt de spreiding in beide tabellen in het voordeel van het huwelijk van een sociaal hogere man met een lagere vrouw. De reden hiervoor zal men wel in mannelijk gevoel voor gezag en trots moeten zoeken. Curieus is wel dat De Vos, uit wiens verhandeling over het huwelijk hierboven geciteerd werd, er een legitimiteit aan geeft door te stellen dat de man die een vrouw van lagere rang trouwt haar verheft en die een vrouw van hogere rang huwt, haar vernedert.135
| Leiden | Nederland | |
|---|---|---|
| 1750 | 20ste eeuw | |