terug  begin  verderprepost
[p. 141]

Hoofdstuk V
Patriarchalisme?

‘Getrouwde lieden begeven zich tot het opmaken van een huisgezin, 't welk is een geselschap, van vier of meer persoonen, onder het gebiedt van een huis-vader tot dagelijks gerief van een geluckig leven aengestelt, ...de Regeringe des huis-gezins is by den huis-vader, soo nochtans dat hy tot medegenoot in de regeeringe sijn huis-vrouwe moet kennen, die wel onder hem, maer echter over de kinderen, en dienst-boden gestelt is, sulks het huis-gezin moet gezegt worden van beyde man en vrouw bestiert te worden. Maer om dat de evendrachtigheyt gemeinlijk tweedracht maekt, soo is het van noden geweest, dat de Oppermacht by den man wierde gevoert; 't welk ten allen tijden, by alle volkeren waergenomen, en by de Goddelijke wetten, mede vast gestelt is’.

Ulrik Huber, Heedensdaegse rechtsgeleertheyt, soo elders, als in Frieslandt gebruikelijk, Amsterdam 17263, p. 41.

1. De omvang en samenstelling van het huishouden

Zeventiende- en achttiende-eeuwers beschikten ter omschrijving van de omvang en samenstelling van het huishouden niet over een computer. Toch hadden ze er verstand van. Hun begripsaanduidingen vinden we in woordenboeken, encyclopedieën en werken van allerlei, o.a. letterkundige aard. Een grondig onderzoek naar de betekenis die in vroeger eeuwen aan woorden als ‘gezin’ en ‘huishouden’ werd gegeven, zou zeer wenselijk zijn, maar vooralsnog moeten we ons tevreden stellen met de relatief beknopte artikelen of verklaringen die het Middelnederlandsch woordenboek, het Woordenboek der Nederlandsche taal en Van Dale aan trefwoorden als bovengenoemde wijden. Deze zijn overigens interessant genoeg.1 Het begrip ‘gezin’ kwam in de middeleeuwen als ‘gesinde’ vooral voor in de betekenis van het reisgezelschap of gevolg dat een vorst begeleidde of diens hofhouding zoals in de zin ‘Hoer zalen ende hoer palasen, die sijn vol ghesinne, die hem dienen’. Ook werd het gebruikt zonder de connotatie van dienstbaarheid in de zin van ‘geselscap’. Ook na de middeleeuwen blijven de betekenissen van gevolg, de ondergeschikten aan een voornaam heer voortleven, met name in een poëtisch en plechtstatig verband, bijvoorbeeld bij Heinsius: ‘Wy... begaven ons naar ons slot, daar wy door de deur van den Hof...heimelyk en gants stil inquamen, sonder van iemand van het gesinde gesien te zyn’. Daarnaast komt ook de betekenis op van alle personen die bij iemand inwonen en aan hem ondergeschikt zijn; zonder deze, worden de vrouw, kinderen en verdere huisgenoten als dienstboden bedoeld. Cats schrijft over ‘het gansch gesin, kint, boden, nichten, neven’. Nieuwer is de opvatting ook de man, die als ‘heer’ aan wie het ‘gezin’ ondergeschikt was aanvankelijk buiten de begripsbe-

[p. 142]

paling gehouden werd, onder het ‘gezin’ te begrijpen dat dan bestaat uit hem, de vrouw, kinderen en personeel. De jongste betekenis, volgens het Woordenboek der Nederlandsche taal, sluit de ondergeschikten uit en treedt naar voren in een fraaie zinsnede van Busken Huet: ‘Een liefhebbend echtgenoot, een zorgvuldig vader, ...nooit in koffijhuis of politiek genootschap, maar altijd in den kring van zijn gezin te vinden’. Wel is het zo dat deze betekenis in de middeleeuwen niet geheel onbekend was. Maar hoe overheersend deze betekenis geworden is kan blijken uit de drie verklaringen die Van Dale voor ‘gezin’ noemt: vrouw en kinderen, bijvoorbeeld in ‘met zijn gezin op reis’; de gezamenlijke huisgenoten, de man daarbij inbegrepen; de personen die bij iemand inwonen en hem ondergeschikt zijn, bijvoorbeeld in ‘de boer was juist met zijn gehele gezin aan 't eten’. Wat in het Middelnederlandsch woordenboek als bijbetekenis fungeert, is in ons hedendaags spraakgebruik de hoofdbetekenis geworden.

Eenzelfde ontwikkeling maakte het begrip ‘huisgezin’ door. Wel heeft dit altijd een nauwere betekenis dan ‘gezin’ gehad door de verbinding met het woord ‘huis’. In de middeleeuwen werden de hofhouding, de aan een huis verbondenen bedoeld, ‘des conincx huysghesinde’. Ook later wordt dit woord nog als synoniem aan huispersoneel gebezigd of alleen als vrouw en kinderen die in betrekking tot de vader staan. Deze laatste betekenis komt ‘hier en daar’ in de middeleeuwen ook voor. De nieuwste opvatting is echter die van ‘huisgezin’ als een echtpaar met hun kinderen zoals in de zin ‘Onder het teedrinken, of wanneer het huisgezin gezellig te samenkomt’ in de Willem Leevend van Betje Wolff en Aagje Deken. Zo ook duidt Van Dale het begrip allereerst aan.

Nader onderzoek zou de bovenstaande ontwikkeling die de begrippen ‘gezin’ en ‘huisgezin’ doormaakten nauwkeuriger in kaart kunnen brengen. De vernauwing van het begrip ‘gezin’, van ‘gevolg’ of ‘gezelschap’ naar onze betekenis van een echtpaar met (of zonder) kinderen, lijkt in de 17de en 18de eeuw al een goed eind weegs, of zelfs grotendeels achter de rug te zijn geweest. Dit blijkt ook uit twee korte beschouwingen over de begrippen ‘huisgezin’ en ‘huishouding’ waar nog niet naar verwezen is. In het motto van dit hoofdstuk onderscheidt Huber een echtpaar, hun kinderen en de dienstboden als delen van het huisgezin. Het Algemeen huishoudelyk...woordenboek verdeelt aan het eind van de 18de eeuw de ‘huishoudingen’ in drie klassen, n.l. ten eerste die bestaat uit een vader, moeder en kinderen, ten tweede die van vader, moeder, kinderen en één of meer dienstboden en ten derde die van vader, moeder, kinderen, knechten, meiden, gouverneurs, huishoudsters, tuinlieden enz. Kan het onderscheid tussen de tweede en derde klasse niet zeer wezenlijk genoemd worden, het verschil tussen de eerste klasse enerzijds en de tweede en derde klasse anderzijds is dat wel. Het valt daarbij op, en dat lijkt mij niet toevallig, dat de eerste klasse de ‘allematuurlijkste’ wordt genoemd.2

[p. 143]

Voor geletterde tijdgenoten bestond een huishouden dus uit een echtpaar met kinderen en eventueel het personeel. Huber nuanceert nog wel door onderscheid te maken tussen een ‘volmaekt huis-gezin’, het type dat zoëven genoemd is, en een ‘onvolmaakt’ huisgezin waar de man, de vrouw, de kinderen of ook wel het personeel ontbreken. Wat de omvang van het huishouden betreft, zijn onze zegslieden zwijgzamer. Huber spreekt over ‘vier of meer persoonen’.

Sinds de historische demografie zich met het huishouden in het verleden is gaan bezighouden, is het mogelijk in preciesere termen over het bovenstaande te spreken. Als bron fungeren meestal om fiscale redenen in een bepaalde plaats en een bepaald jaar opgemaakte lijsten van inwoners. De laatsten staan genoteerd in duidelijk afgebakende eenheden, bijvoorbeeld een perceel of een deel daarvan, die als huishoudens te herkennen zijn. Kent men nu het totaal aantal inwoners en het totaal aantal huishoudens, dan is de gemiddelde omvang van deze eenvoudig te berekenen. Als de lijst van goede kwaliteit is, worden de personen per huishouden nader in hun onderlinge relatie aangeduid, een echtpaar, kinderen, inwonende familieleden, dienstdoenden, huurders e.d. Zo'n optekening maakt het mogelijk de samenstelling van het huishouden te onderzoeken, onderscheid te maken tussen huishouden en gezin. Het gaat hier dus niet om een anachronistische opsplitsing, de tijdgenoot maakte deze zelf. Voor Holland beschikken we over gegevens over het huishouden in een aantal steden en plattelandsgebieden. Om deze gegevens meer reliëf te geven, zullen we nu en dan onze blik over de provinciegrens heen richten.3

De omvang van het huishouden is voor een aantal steden bekend. Gemiddeld bedroeg deze in Leiden in 1581 3,9, in 1749 3,6, in 1808 3,5, in Delft in 1749 3,5 en in Gouda in 1622 4,3 en in 1674 3,6. Op Gouda in 1622 na bewegen deze gemiddelden zich dus onder de vier personen per huishouden. Voor het platteland is in Rijnland in 1622 een gemiddelde van 4,7 gemeten, voor de Krimpenerwaard in 1622 en 1680 respectievelijk 4,8 en 4,0 en voor een tiental plaatsen in het Noorderkwartier in vooral de 17de, maar ook de 18de eeuw een gemiddelde van 3,7 personen. Beperken we ons tot de 18de eeuw, dan kan de omvang van het huishouden laag genoemd worden wanneer we naar andere gebieden binnen de Republiek kijken. Op de Veluwe in 1749 telde het huishouden gemiddeld 4,3 personen, in westelijk Noord-Brabant in 1750 4,6, in 1775 4,9 en in 1825 zelfs 5,4. Wel komt het Hollandse cijfer overeen met uitkomsten voor het Friese platteland in 1744, 3,8 personen.4 Uit deze gegevens treedt tussen de Hollandse steden en het Zuidhollandse platteland en in mindere mate het Noordhollandse platteland een aanwijsbaar verschil naar voren. Een dergelijk verschil valt buiten Holland ook, en duidelijker, te signaleren. In de steden op de Veluwe telden de huishoudens 3,8 personen, in de zogenaamde kerkdorpen 4,1 en in de buurtschappen 4,6. Bij een gelijksoortig onderscheid tussen dorpskernen en gehuchten in Brabant waren de huis-

[p. 144]

houdens in de eerste ook steeds kleiner, in 1750 4,2 om 4,9 en in 1755 4,4 om 5,3.5 Een andere differentiatie kan nog gemaakt worden door de omvang van het huishouden te verbinden aan de welstand van het hoofd van het huishouden, tot uitdrukking komend in zijn inkomen, in het ‘taxabel’ zijn, eigen huisbezit, huurwaarde van een woning e.d. Voor Leiden in 1581 en 1749 werd zo de regel bevestigd dat de omvang van het huishouden stijgt naarmate de welstand toeneemt. In het Noorderkwartier kwam dit verschil echter niet zo uit de verf.6

Interessanter vaak dan de omvang is de samenstelling van het huishouden. Het huishouden valt op te splitsen in gezinsleden en overige inwonenden. Onder gezin verstaan we in dit verband gezinshoofden, te weten een echtpaar, weduwe of weduwnaar met of zonder kinderen en alleenstaanden. Onder overige inwonenden verstaan we verwanten, personeelsleden en kostgangers. In tabel 10 wordt deze samenstelling in totalen en percentages gepresenteerd. Reeds bij een eerste blik op de tabel kunnen twee conclusies worden getrokken. Ten eerste bestaat in alle plaatsen en streken die in de tabel zijn vervat meer dan 80% van het huishouden uit gezinsleden. Ten tweede worden de overige inwonenden meer door personeel dan door verwanten gevormd. Een nadere beschouwing van de samenstellende delen van het huishouden kan op deze conclusies een nog helderder licht doen vallen.

Zoals gezegd bedroeg het aandeel van gezinsleden aan de omvang van het huishouden in alle steden en streken in tabel 10 meer dan 80%. Wel zijn er duidelijke verschillen te constateren. Zo liggen de 17de-eeuwse percentages bijna alle hoger dan de 18de-eeuwse en de plattelandse hoger dan de stedelijke. De reden hiervoor is te vinden in het aandeel van kinderen in het huishouden. Zowel uit de totalen als de percentages blijkt dat het huishouden in de 17de eeuw kinderrijker was dan in de 18de eeuw en dat het huishouden op het platteland doorgaans meer kinderen telde dan dat in de stad. Door dit relatief groter aantal kinderen in de 17de eeuw wordt ook de grotere omvang van het huishouden in het vroeg 17de-eeuwse Gouda, Rijnland en de Krimpenerwaard ten opzichte van het laat 17de- en 18de-eeuwse huishouden grotendeels verklaard. Zoals Van der Woude heeft beredeneerd lag in de anderhalve eeuw tussen ongeveer 1500 en 1650 het geboorteniveau hoger dan in de periode daarna tot ongeveer 1800.7 Het effect daarvan wordt nader geïllustreerd door het verschil in het gemiddeld aantal kinderen per gezin in Gouda in 1622 en 1674, namelijk 2,1 en 1,7 en in de Krimpenerwaard in 1622 en 1680, 2,7 en 2,1. Maar ook met een grotere kinderschaar in de 17de eeuw blijft het gemiddeld aantal kinderen per gezin laag. Daarbij telde niet elk gezin kinderen. In 1749 bevonden zich in Leiden slechts in 55% van de gezinnen kinderen, in 1581 en in het Noorderkwartier lag dat een 10% hoger. Onder de gezinnen met kinderen lag het kindertal in het Noorderkwartier en in Leiden in 1581 rond de 2,5,

[p. 145]

Tabel 10 Samenstelling van het huishouden in totalen en percentages in Holland en West-Brabant, 16de-18de eeuw
Steden

  Leiden 1581 Gouda 1622 Gouda 1674 Delft 1749 Leiden 1749
  tot. % tot. % tot. % tot. % tot. %
gezinshoofden 1,6 42,0 1,7 40,2 1,6 45,4 1,6 45,8 1,7 46,1
kinderen 1,6 41,7 2,1 48,8 1,7 48,2 1,3 36,6 1,4 39,2
totaal gezin 3,2 83,7 3,8 88,9 3,3 93,5 2,9 82,1 3,1 85,4
verwanten 0,2 4,7 0,1 2,1 0,1 2,0 0,1 3,2 0,0 0,6
personeel 0,3 6,4 0,1 2,1 0,1 2,8 0,2 6,6 0,2 6,4
overigen 0,2 5,2 0,3 7,0 0,1 1,7 0,3 8,1 0,3 7,7
totaal inwonenden 0,6 16,3 0,5 11,1 0,2 6,5 0,6 17,8 0,5 14,6
totaal huishouden 3,9 100,0 4,3 100,0 3,6 100,0 3,5 99,9 3,6 100,0
Platteland
  Noorderkwartier 17de-18de eeuw Rijnland 1622 Krimpenerwaard 1622
  tot. % tot. % tot. %
gezinshoofden 1,6 41,6 1,8 37,8 1,8 36,8
kinderen 1,8 47,2 2,5 53,8 2,7 56,2
totaal gezin 3,3 88,7 4,3 91,7 4,5 93,0
verwanten 0,1 1,3 0,1 1,3 0,1 1,9
personeel 0,2 6,4 0,3 5,6 0,2 3,9
overigen 0,1 3,5 0,1 1,5 0,1 1,2
totaal inwonenden 0,4 11,3 0,4 8,3 0,3 7,0
totaal huishouden 3,7 100,0 4,7 100,0 4,8 100,0
  Krimpenerwaard 1680 West-Brabant 1775    
  tot. % tot. %    
gezinshoofden 1,6 39,6 1,7 34,7    
kinderen 2,1 51,5 2,3 46,9    
totaal gezin 3,7 91,1 4,0 81,6    
verwanten - - 0,1 2,0    
personeel 0,3 6,2 0,7 14,3    
overigen 0,1 2,7 0,1 2,0    
totaal inwonenden 0,4 8,9 0,9 18,4    
totaal huishouden 4,0 100,0 4,9 100,0    

Toelichting: de totalen zijn in deze tabel afgerond tot één decimaal. De percentages zijn berekend vanuit de totalen die Van der Woude geeft.
Bron: A.M. van der Woude, ‘Demografische ontwikkeling van de Noordelijke Nederlanden 1500-1800’, in Algemene geschiedenis der Nederlanden, V, Haarlem 1980, tabel 21, p. 162
[p. 146]



illustratie
6. Vaderlandsch A-B boek voor de nederlandsche jeugd, Amsterdam 1781, Atlas van Stolk, Rotterdam.
Een blik wordt ons gegund op een huishouden van vader, moeder en drie kinderen met dienstbode, hetgeen ongeveer overeenkomt met de gemiddelde omvang en samenstelling van het huishouden in Holland in de 17de en 18de eeuw. De sfeer van deze afbeelding is eind achttiende-eeuws, de vader wijst zijn kind op de natuurlijkheid van de moeder die haar kind zelf voedt. Ook de dienstbode kan profijt trekken uit de lessen van haar meester.


[p. 147]

in Leiden in 1749 iets lager.8 Een echtpaar met meer dan drie kinderen om zich heen, was een uitzondering.

Gezinshoofden hebben we onderverdeeld in echtparen, weduwen, weduwnaars en alleenstaanden. In 1581 stond in 62% van alle gezinnen in Leiden een echtpaar aan het hoofd, in 1749 was dit een paar procent meer. Beduidend lager liggen de percentages die voor Delft in 1749 en in het Noorderkwartier konden worden genoteerd, 59 en 57%. Dat houdt in dat in rond 40% van alle gezinnen iemand aan het hoofd stond die eens gehuwd was geweest of niet gehuwd was. Beide groepen zijn niet altijd makkelijk van elkaar te onderscheiden. De weduwen en weduwnaars zullen tezamen iets groter in aantal geweest zijn dan de vrijgezellen. Het percentage alleenstaanden is hoog te noemen, het bedroeg in de 18de eeuw 15 tot 20%, hoger overigens dan in de 17de eeuw. Opmerkelijk is de situatie in het Noorderkwartier waar het percentage alleenstaanden met ongeveer 20% hoger ligt dan in steden als Leiden en Delft in de 18de eeuw. De relatief geringe omvang van het huishouden op het Noordhollandse platteland wordt voor een groot deel door het hoge percentage alleenstaanden en het geringe kindertal verklaard. Het percentage alleenstaanden in het Noorderkwartier valt vooral op bij vergelijking met een ander plattelandsgebied, Brabant. Daar werd eind 18de eeuw slechts 9% van de gezinnen door ongehuwde mannen of vrouwen gevormd.9

Nu dan de groep van inwonenden waarvan het aandeel in het huishouden zich in tabel 10 ongeveer tussen de 10 en 15% beweegt. De verwanten vormden onder de inwonenden een minderheid, merkten we zojuist op. Tabel 11 geeft het percentage huishoudens met inwonende verwanten voor alle duidelijkheid nog eens weer. Inwonende familieleden treft men in Holland in de 17de en 18de eeuw in ongeveer 5% van de huishoudens aan.

Tabel 11 Percentage huishoudens met inwonende verwanten in Holland, Overijssel, de Veluwe en West-Brabant, 16de-18de eeuw

% huishoudens met inwonende verwanten
Leiden 1581 13,3
Gouda 1622 6,9
Rijnland 1622 5,0
Krimpenerwaard 1622 6,9
Gouda 1674 5,2
Delft 1749 8,8
Leiden 1749 1,7
Overijssel 1749 20,5
Veluwe, steden 1749 5
Veluwe, platteland 1749 7,0
West-Brabant 1800 ca. 10
Noorderkwartier 17de-18de eeuw 3,6

Bron: Van der Woude, ‘Demografische ontwikkeling’, tabel 20, p. 161
[p. 148]

Het hoogste percentage valt Leiden in 1581 met ruim 13% ten deel, wellicht te verklaren door de immigratie van Zuidnederlandse gezinnen naar die stad. Brabant in de 18de eeuw lag met 10% weer hoger dan Holland, maar bleef toch weer achter bij Overijssel waar in 20,5% van de plattelandshuishoudens familieleden woonden. Vooral broers, zusters en ouders namen hun intrek bij familie, opvallend is daarbij het overwicht van de vrouwelijke familieleden.10 In het vorige hoofdstuk constateerden we dat ouders meer pressie op hun dochters dan zoons uitoefenden om een ‘goed’ huwelijk te sluiten en we suggereerden daar al dat een grotere afhankelijkheid van dochters daar debet aan was. De uitkomsten van de vrouwelijke inwoning bevestigen dit. Personeel was in kwantitatief opzicht van groter belang dan verwanten. In tussen de 10 tot 20% van de huishoudens in Holland vond men inwonende dienstdoenden. In Brabant was dit echter weer ruim twee keer zo veel. Later in dit hoofdstuk zullen we de gelegenheid hebben op deze en andere aspecten van het inwonende personeel breder in te gaan.

Na dit beknopte betoog over het huishouden kan, de conclusies van de auteurs naar wie verwezen is volgend, vastgesteld worden dat de omvang van het huishouden in Holland gering was, gemiddeld telde het ongeveer 4 personen. De samenstelling was eenvoudig. Familiehuishoudens werden niet of nauwelijks aangetroffen. Het nagenoeg afwezig zijn van verwanten verklaart de geringe omvang voor een deel. Aan de andere kant wordt hun afwezigheid gecompenseerd door de aanwezigheid van personeel, ook al blijft dat aandeel eveneens tot bescheiden proporties beperkt. Een zeer belangrijke factor ter bepaling van de geringe omvang van het huishouden in Holland was het groot aantal gebroken gezinnen van weduwnaars en weduwen met of zonder kinderen en het hoge percentage alleenstaanden. Daar komt het gering aantal kinderen nog bij, van kinderrijkdom in zijn gezin kon de 17de en 18de eeuwer alleen figuurlijkerwijs spreken.

Een enkele keer verwezen we naar gebieden buiten Holland, vooral Brabant. Voor beter inzicht in het Hollandse huishouden is een dergelijke blikverruiming zeer dienstig, vooral als we aandacht schenken aan een provincie die slechts éénmaal genoemd werd, Overijssel.11 Slicher van Bath berekende voor het gehele Overijsselse platteland een omvang van het huishouden van 5,2 in 1748. Ook daar trof men in meerderheid gezinshuishoudens, maar toch nog 20,5% familiehuishoudens, hierboven werd naar dit percentage gerefereerd. Interessant zijn de geografische verschillen. In de veeteeltstreken van Salland en Vollenhove maakten de familiehuishoudens slechts 17,6 en 3,8% van alle huishoudens uit, in de akkerbouwgebieden van Salland en Twente 31,4 en 21,7%. Een gelijkgeaard onderscheid deed zich voor bij het inwonend personeel. Akkerbouw, zo luidt de verklaring van Van der Woude voor de lage Hollandse percentages, kwam in Holland (en Friesland) zo goed als niet voor. Overheersend was de veehouderij die weinig arbeidsintensief was en die, samen met een

[p. 149]

geringe bedrijfsgrootte, er toe leidde dat er voor verwanten en inwonend personeel weinig plaats in het huishouden was. Andere factoren van economische aard werkten volgens Van der Woude evenzeer in de richting van een huishouden van geringe omvang en eenvoudige samenstelling, maar we zullen zijn betoog nu niet verder volgen. Overigens moet zijn aantrekkelijke redenering de ogen niet sluiten voor de invloed van factoren van zuiver demografische aard zoals een hoge huwelijksleeftijd en hoog sterfteniveau die het aantal gebroken gezinnen deden toenemen en het kindertal beperkten.12 Los echter van mogelijke verklaringen staat de conclusie dat de omvang en de samenstelling van het huishouden in Holland geringer, respectievelijk eenvoudiger was dan het huishouden in de oostelijke en zuidelijke delen van de Republiek, zoals in Overijssel, op de Veluwe en in Brabant.

Vergelijkingen met het buitenland hebben we tot nu toe vermeden, maar in deze paragraaf is een kijkje in het Engelse huishouden wel zo verleidelijk, omdat demografische gegevens zo concreet naast elkaar zijn te leggen.13 In het eerste hoofdstuk kwam het onderzoek van Laslett naar 100 Engelse gemeenschappen tussen 1574 en 1821 ter sprake. Hij concludeerde dat de gemiddelde omvang 4,75 bedroeg en dat familiehuishoudens zeldzaam waren. In het Noorderkwartier - tot dit plattelandsgebied beperken we ons bij deze vergelijking - lag de omvang gemiddeld al één persoon lager. Een ander verschil is dat op het Noordhollandse platteland 69% van alle huishoudens uit 4 of minder personen bestond tegen 52% in Engeland. In het Noorderkwartier telde 4% van de huishoudens 8 of meer personen, in Engeland 13%. Dit verschil in omvang is te verklaren uit opbouwverschillen. In het Noorderkwartier stond bij 57% van alle huishoudens een echtpaar aan het hoofd, in Engeland bij 70%. Weduwnaars, weduwen en alleenstaanden vond men alhier meer. De laatsten werden in het Noorderkwartier in 20% van de huishoudens als hoofd genoteerd, in Engeland in 12%. Engelse huishoudens telden gemiddeld ook iets meer kinderen, maar meer op de voorgrond treden de uiteenlopende percentages verwanten en personeelsleden. Hier viel er 4 en 18% voor te berekenen, daar 10 en 29%. Inwonende personeelsleden vormden in het Noorderkwartier 6% van de totale bevolking, in Engeland 13%. Het Noorderkwartier is niet representatief voor Holland, maar de andere en eerder voor Holland verstrekte gegevens leiden naar de conclusie dat het Engelse huishouden overeenkomsten vertoonde met dat in Overijssel of Brabant, maar niet met het huishouden in Holland. In de Conclusies, wanneer we de historiografische draad weer oppakken, komen we hier op terug.

We begonnen dit hoofdstuk met de ontwikkeling te schetsen die begrippen als ‘gezin’ en ‘huishouden’ hebben doorgemaakt. Een vernauwing in de betekenis, van ‘gezelschap’ tot ‘gezin’ in het hedendaagse spraakgebruik viel te constateren. Gaat men er van uit dat deze vernauwing in verband staat met wijzigingen in het gezinsleven, dan hoeft deze

[p. 150]

natuurlijk niet te slaan op de omvang en samenstelling van het huishouden, maar kan ook betrekking hebben op een minder op de gemeenschap gericht, minder publiek gezinsleven. De laatste interpretatie lijkt mij zelfs het meest waarschijnlijk. Toch is het aardig met de eerste gedachtengang te spelen. Volgens de oudste bewerkte telling, bedroeg de gemiddelde omvang van het huishouden in een aantal Veluwse dorpen in 1526, 5,5 tot 6,0. Boerenhuishoudens kwamen zelfs op 6,8 personen uit. In 1748 bedroeg de gemiddelde omvang op de Veluwe 4,3. Van der Woude schatte de gemiddelde omvang van het huishouden in het Noorderkwartier in de 16de eeuw op 5,0 tot 5,5 personen. Dezelfde schrijver kwam voor een drietal dorpen in de Langstraat in 1599 uit op een omvang van 5,3 personen.14 Deze cijfers liggen alle beduidend boven de 17de- en 18de-eeuwse gemiddelden. Wel werd in het dorp 's-Gravenmoer in de Langstraat de grotere omvang meer bepaald door een groter kindertal dan door het meer voorkomen van familiehuishoudens, maar uit de vergelijking tussen Leiden in 1581 en 1749 kon blijken dat de huishoudens in het eerste jaar samengestelder van opbouw waren dan later. Wat is er nu fraaier, maar ook speculatiever dan te gissen dat de vernauwing van de begrippen ‘gezin’ en ‘huishouden’ óók een weerslag zijn van wijzigingen in de omvang en samenstelling van het huishouden, al zullen deze nooit zo spectaculair geweest zijn als men lange tijd dacht. Maar er zal nog heel wat taalkundig en demografisch onderzoek nodig zijn om deze veronderstelling te toetsen.

2. De maritale macht

Eeuwenoud is de opvatting dat de man het hoofd van het huishouden en kostwinner behoort te zijn en de vrouw haar plaats moet innemen bij kinderen en huishoudelijke bezigheden. Er is weinig onderzoek voor nodig om vast te stellen dat vooral moralisten daar vroeger niet anders over dachten dan thans of tot voor kort. Interessant is zeker dat schrijvers aan deze opvatting een wetenschappelijke, godsdienstige of empirische legitimatie pogen te geven. Ter verklaring van de bestaande gezagsverhouding tussen man en vrouw riep Hugo de Groot de uit de oudheid stammende theorie der ‘humores’ te hulp die geestelijke verschillen tussen de geslachten fysiologisch wilde verklaren. Hij schreef dat ‘alzoo doorgaens der wijven geslacht, als kouder en vochtiger, minder bequaemheid heeft tot zaken, verstand vereisschende, als 't geslacht der mannen, zoo is het mannelick gheslacht genoegzaam aengeboren eenige opperheid over de wijven’.15 Andere auteurs hadden minder behoefte aan ‘geleerdheid’ en wezen erop dat de man sterker van lichaam is, dat het recht van elk volk de man als heerser erkent of dat de vrouw ‘uit een ingeschapen swakheit’ ondergeschikt moet zijn aan de man, het ‘voortreflyker schepsel’.16 Aan het slot van de 18de eeuw betoogde Nuys Klinkenberg weliswaar dat volgens ‘natuurlyk Recht’ man en vrouw gelijk zijn, maar dat als twee

[p. 151]

mensen huwen, ‘zy eene kleine Maatschappy (beginnen) op te richten, welke zonder orde en ondergeschiktheid, niet bestaen kan’. De natuur en God wijzen nu de man wegens zijn achtbare gestalte en grotere krachten aan om het huishouden te leiden.17 Wordt zo de gezagsverhouding ‘verklaard’, de taakverdeling tussen de echtgenoten krijgt een soortgelijk theoretisch sausje. Van Beverwijck, in zijn beroemde Van de wtnementheyt des vrouwelicken geslachts meende dat God de vrouw ‘tot de binne-sorge’ geschapen had, ‘te weten van sachter vleesch’ en de man bestendig gemaakt had tegen ‘kouw, hitte, reysen, ende rotsen’, dus geschikt ‘tot de dingen, die buyten 's huys vallen’. Hazart liet een soortgelijk geluid horen en betoogde tevens dat de man meer het gezag bezit dat in de verhouding tot de kinderen nodig is en dat hij bekwaam is in het vergaren van goederen, maar dat de vrouw meer uitmunt in tederheid, van belang bij de opvoeding en in het behouden van goederen.18 Uit een opstel van Ockerse over ‘het vrouwelijk character’, een brede verhandeling over het verschil tussen man en vrouw bleef helaas slechts bij een plan, blijkt dat volgens hem eigenschappen als eigenliefde, ‘gezelligheid en levendigheid van omgang’, emotionaliteit, de vrouw ‘de uitmuntendste geschiktheid’ gaven als ‘meisjen, of als huishoudster, of als moeder’.19

Een korte uitwerking van de zinsnede waar de vorige alinea mee begon kan de grenzen en uitgebreidheid van de gezagsverhouding en taakverdeling tussen de echtgenoten verduidelijken. Al of niet onder verwijzing naar het Evangelie werd in huwelijksformulieren van de man gevraagd de vrouw te leiden, onderwijzen, troosten en beschermen en van de vrouw hem te gehoorzamen omdat de man ‘als een hoofd des wijfs’ is zoals Christus het hoofd der gemeente.20 Het mannelijk gezag kende echter grenzen. De man mocht zijn echtgenote niet uitsluiten van het overleg of de ‘Regeeringe van het huys-gesin’, zij had er recht op daar aan deel te nemen. Mannen die hun echtgenotes klein hielden, te klein hielden schrijft Wittewrongel openhartig, werden gegispt, ze gaven zo geen bewijs van liefde jegens hun huwelijkspartners.21 De taakverdeling binnen het huishouden wees naar de zin der moralisten aan man en vrouw niet veel meer dan het hen traditioneel toekomende toe. Zo heette het ergens dat de man verplicht was zijn vrouw ‘te voorsien van spijs ende dranck, van kleedinge ende andere nootsakelickheden...haer voorgaende in een goet exempel, haer onderwijsende, vermanende, opweckende tot goede plichten...haer te betrouwen de huyslicke regeeringe, haer authoriteyt te maintineeren by de kinderen en dienstboden ende andere in 't huysgesin’. Anderen voegden daar aan toe dat de wil van de man gevolgd moest worden bij verhuizingen, de keuze van kleding, de inrichting van de huishouding, de beroepskeuze van huisgenoten.22 In een verhandeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen werd betoogd dat de man zich belachelijk zou maken en zijn gezag op het spel zou zetten als hij ‘de pot kookte, de kinderen reinigde, het huiswerk deedt’.23 Van een uitbreiding van de

[p. 152]

plichtsopvatting van de man in die richting hoort men in moralistische literatuur dan ook nooit spreken, wel van wijdsere activiteiten van de vrouw. Hoewel haar werkterrein primair thuis lag, werd niet uitgsloten dat zij veel buitenshuis moest zijn als haar beroep, ‘om de kost te winnen’, dat nodig maakte.24 Ook werd erop vertrouwd dat de huisvrouw het inkomen en de besteding daarvan van de man in de gaten zou houden opdat verkwisting vermeden zou worden.25

Het is een van de conclusies van Von Wolzogen Kühr geweest in haar twee boeken over de vrouw in de 18de eeuw dat in de tweede helft van die eeuw de status van de vrouw als opvoedster en moeder, huishoudster en echtgenote steeg.26 Nuys Klinkenberg schreef zelfs dat de diensten van vrouwen aan de maatschappij, het baren en opvoeden van kinderen, het besturen van het gezin, onberekenbaar groot waren en dat vrouwen in het algemeen ‘meerder voordeel, aan de Maatschappy, toebrengen dan de Mannen’.27 Dat de belangstelling voor opvoeding in de 18de eeuw groeide mag bekend worden verondersteld en in de volgende paragraaf zal dat nog blijken. In dit verband echter moet opgemerkt worden dat daarmee tevens de positie van de vrouw als opvoedster aan belang won. Aan haar eigen opvoeding moesten hogere eisen gesteld worden om het haar mogelijk te maken om niet alleen aan ‘alle behoeften der kindsheid te gemoet te komen’, maar ook ‘den ijverigen Huisvader, die, in het zweet zijns aanschijns voor het gemeene onderhoud zorgt, te ondersteunen en zijn moeiten door minzaamheid, door een zagt huishoudenlijk bewind, door geschiktheid en orde, door verspreiding van leeven en genoegen te vergelden’. De bestemming van de vrouw lag op het ‘Huiselyk Tooneel van geluk’. Met enige sentimentaliteit werd wel geschreven over het aangenaam doorbrengen van de avonden, de man lezend, de vrouw in de weer met vrouwelijk werk, en beiden zich verheugend in hun vreedzaam samenzijn en hun beider kroost. Dat zulke opvattingen sociaal beperkt waren is duidelijk en blijkt ook wel uit het feit dat het beschreven huiselijk tafereel door een auteur bij ‘zeker Koopman’ in de voornaamste kringen van de ‘Burgerstand’ werd geplaatst.28 In dat milieu nam ook het zelfbewustzijn van de vrouw toe en als vertolkster trad bepaald niet alleen Betje Wolff op. Een anonieme schrijfster meende in 1789 dat de vrouw in waarde gelijk stond aan de man, dat aan de vrouw alleen (cursivering van haar) de zorg over huishouding en opvoeding gelaten moest worden en dat de man in dezen de zaken moest aanvaarden als hij ze voorgeschoteld kreeg.29 Met andere woorden, zou men kunnen zeggen, het toegenomen belang dat aan de opvoedende taak van de vrouw en haar bezigheden als echtgenote gehecht werd, ging gepaard met een wijziging in de gezagsverhouding tussen de echtgenoten. Het is te hopen dat deze uit literatuur voortvloeiende mening aan meer op de realiteit stoelend materiaal getoetst kan worden. Hoe juist waarschijnlijk de conclusie van Von Wolzogen Kühr is, deze mag niet de ogen sluiten voor de grote continuïteit die er bestond in

[p. 153]

het denken over man en vrouw in het gezin. Veel wat eind 18de eeuw met grotere heftigheid en gevoel over de vrouw te berde werd gebracht, lag op dezelfde weg die door schrijvers al eeuwenlang werd bewandeld.

De rechtspositie van de vrouw was een duidelijk andere dan die van de man.30 Vrouwen waren uitgesloten van het bekleden van hogere publieke ambten. Wel moet in haar rechtspositie onderscheid gemaakt worden tussen de meerderjarige, ongehuwde vrouw, weduwe of niet en de minderjarige of gehuwde vrouw. Van een voogdij over de meerderjarige ongetrouwde vrouw was in zijn algemeenheid geen sprake. Bij het bereiken van de meerderjarigheid, 25 jaar, was zij handelingsbekwaam en kon zo zelfstandig optreden bij het aangaan van arbeidsverbintenissen, het sluiten van koopcontracten e.d. De enige uitzondering bestond hierin dat zij bij het voeren van processen een voogd nodig had onder wiens naam het proces gevoerd werd, maar die zich verder afzijdig hield.31 Ten aanzien van de minderjarige vrouw en gehuwde vrouw, lag de zaak anders. Een getrouwde vrouw, in haar zijn we hier het meest geïnteresseerd, stond onder de voogdij of maritale macht van de man. Deze mocht vrijelijk beschikken over zowel de roerende als de onroerende goederen van de vrouw. Wel kon de vrouw dit voorkomen door het huwelijk op huwelijkse voorwaarden aan te gaan of door tijdens het huwelijk, als ze vreesde dat haar man haar goederen zou verkwisten, om een boedelscheiding bij de rechter te vragen. Cats was geen voorstander van de eerste mogelijkheid en hield een pleidooi voor het huwen in gemeenschap van goederen onder het motto dat waar man en vrouw door het huwelijk één zijn, ook het goed tezamen genomen moet worden.32 Het is duidelijk dat de vermogende vrouw daar niet best mee af was. Onderzoek naar het trouwen onder huwelijkse voorwaarden en boedelscheidingen en de sociale verbreiding daarvan, kan hierover meer aan het licht brengen. De gehuwde vrouw mocht in rechte alleen op machtiging van haar man verschijnen. Ook was ze onbekwaam overeenkomsten aan te gaan, maar onder uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de man werd een uitzondering gemaakt voor de openbare koopvrouw. Deze situatie zal verre van zeldzaam zijn geweest. Tevens mocht de vrouw handelend optreden wanneer het huishoudelijke uitgaven betrof. De maritale macht hield verder in dat de vrouw aan de man gehoorzaamheid verschuldigd was, bijvoorbeeld in de echtelijke bijwoning, dit laatste was ook voor de man een plicht, en in het volgen van de man naar een andere woonplaats.

Soms spreken plaatselijke keuren en schrijvers over het tuchtigingsrecht van de man. In het tweede hoofdstuk zagen we stedelijke bepalingen met betrekking tot het buurtleven er melding van maken dat de man die zijn vrouw zo sloeg of mishandelde dat er straatrumoer of burengerucht ontstond, een ham aan de buurt verbeurde.33 Correctie die minder luid verliep, bleef blijkbaar ongestraft. Voor de vrouw werd echter vastgesteld dat ze, als zij haar man tuchtigde, dubbel beboet werd. Nog in 1738 meende

[p. 154]

Cos dat de man die het goed met zijn ega voorhad en wiens zachte vermaningen in de wind werden geslagen, best haar met een ‘handdadige kastydinge’ tot rede mocht brengen. In 1761 verdedigde een Amsterdamse bakker die zijn handen niet voor het kneden van deeg maar voor een ander doel had gebruikt, zich met de opmerking dat hij zijn vrouw ‘door slaan ook wel zo braaf houden kon...en dat het in allen gevalle een man geoorloft was zijn vrouw zo wel te mogen castijden als het aan een vader omtrent zijn kind vrijstond.’34 Verzet tegen het tuchtigingsrecht komt men meer tegen dan een verdediging. Stelden de bovengenoemde buurtbepalingen de grens van het toelaatbare bij de mate van het gemaakte lawaai, in sommige keuren vindt men een algeheel verbod van tuchtiging, zoals te Amsterdam en Beverwijk waar de man met boetes bedreigd werd, maar waar de vrouw die aanleiding tot hardhandig optreden gaf overigens hetzelfde lot moest ondergaan.35 Juristen, De Groot, Brouwer, Arntzenius, verklaarden zich tegenstanders van een tuchtigingsrecht. Ze verwezen daarbij naar de mogelijkheid voor de vrouw om bij de rechter verhaal te halen.36 Moralisten waren evenmin voorstanders van een recht op kastijding. De Utrechtse theoloog Voetius meende dat vrouw en kind bij een voor beiden geldend tuchtigingsrecht ten onrechte in eenzelfde relatie tot de man zouden komen te staaan.37

Hoe vaak mishandeling van de vrouw door de man of omgekeerd voorkwam, valt moeilijk vast te stellen. De hierboven geciteerde Amsterdamse bakker ‘schopte, trapte en sloeg’ zijn vrouw, in Leiden werd in 1709 door een vrouw verklaard dat haar man zich ‘met quaad gedragh, ende voornamentlijk met slaan en smijten’ misdroeg en dat zij ‘sulcx al veele jaaren had uijtgestaan’.38 Niet alleen de man ging zich wel eens te buiten, ook bij de vrouw konden de handen los zitten. Crijn den Haan uit Maassluis klaagde dat zijn vrouw hem sloeg en buiten de deur had gezet.39 Deze gegevens ontlenen we aan door meestal de vrouw aangespannen processen om tot een scheiding van tafel en bed te komen. Daar zullen we in het volgende hoofdstuk over spreken. Kunnen deze processen uiteraard niets zeggen over de vraag hoe vaak mishandeling voorkwam, een vertekend beeld zou ontstaan als we ons in dit opzicht op processen zouden verlaten, van grotere betekenis is de reactie op kwaadaardig gedrag. Deze kon (tijdelijk) ondergaan worden zoals de Leidse vrouw uit 1709 die we zojuist aanhaalden, verklaarde of met gelijke munt worden terugbetaald. Ook kon beklag gedaan worden bij de rechter. Een verdergaande reactie was het huis te verlaten, omdat de samenwoning door het gedrag van de ander niet alleen ‘ondragelijk, maar ook gevaarlijk’ was geworden.40 De achterblijvende partij had dan het recht een proces aan te spannen om de samenwoning, als huwelijkse plicht, af te dwingen. Bijna altijd was het de man die op grond van zijn maritale macht de terugkeer van zijn vrouw eiste, omdat deze zich ‘geen ogenblik buijten of tegen den wil en toestemming van haar man uit zijn huis en samenwoning mag begeeven’, aldus een verbolgen

[p. 155]

echtgenoot.41 Soms begon de man uit eigener beweging het proces en formuleerde zijn eis, soms reageerde hij op een door de vrouw bij de rechtbank ingediende eis tot scheiding van tafel en bed, zijn wens tot terugkeer van de echtgenote was dan dus de tegeneis. De eis tot terugkeer onder de maritale macht kwam in Leiden, Maassluis en Wassenaar tussen 1671 en 1795 niet zeer veel voor, respectievelijk twaalf, zeven en één maal. Voor de Hoge Raad diende volgens Pauw, raadsheer, later president van de Hoge Raad, in zijn tijd - hij noteerde dit in 1777 - zo'n zaak veel. Een toenemend aantal processen om terugkeer onder de maritale macht, valt echter in de drie zojuist genoemde plaatsen niet te constateren. Wat waren de maatstaven die bij de berechting gehanteerd werden, hoe vielen de beslissingen uit? Volgens Pauw behoorde de rechter de man in zijn maritale macht te herstellen tenzij door de vrouw aangetoond kon worden dat haar de samenwoning door wangedrag en wreedheid van de man onmogelijk werd gemaakt. Aan die richtlijn lijkt het hoogste rechtscollege in Holland zich te hebben gehouden. De vrouw werd bevolen de samenwoning te hervatten als ze haar zaak niet waar kon maken. Ook wel nam het college het initiatief, als verzoeningspogingen ijdel waren gebleken, om tot een scheiding van tafel en bed te komen.42 Bij de lagere rechtbanken draaide het daar zeer vaak op uit. Een toewijzing van de eis naar huis terug te keren, vond zelden plaats.43

Een patriarchaal gezag strookt niet met de naam die de Hollandse vrouw had, ze heette heerszuchtig te zijn. Moralisten deden soms hun beklag over vrouwen die de ‘Man aan haare verstandeloose Heerschappij dienstbaar maken’. Ook Le Francq van Berkhey sprak met betrekking tot sommige plaatsen, zoals de vissersstadjes Maassluis en Vlaardingen waar de man vaak van huis was, over het grote gezag van de vrouw.44 In een vergelijking van Engelse met Nederlandse 17de-eeuwse stichtelijke lectuur, concludeerde Alice Carter dat de vrouw in de Nederlanden meer in de openbaarheid trad en een onafhankeljker positie innam dan in Engeland. Ter verklaring van dit verschil wees ze o.a. op de rol die vrouwen tijdens de Nederlandse Opstand gespeeld hadden in het bouwen van barricades en herstellen van wegen en die hen een niet snel uit te wissen gevoel van eigendunk gaf.45 Zonder de bevrijdende invloed die oorlog op maatschappelijke groeperingen kan uitoefenen in twijfel te willen trekken, meen ik toch dat die openbare en onafhankelijke rol van vrouwen van oudere datum dan de Nederlandse Opstand is. Het is een bekend feit dat buitenlanders die de Nederlanden bezochten in hun reisverslag met enige verbazing gewag maakten van de dociliteit van de man ten opzichte van zijn vrouw, de ‘Herrin im Hause’.46 Nu plegen reisbeschrijvingen nogal stereotype van inhoud te zijn en ze schrijven elkaar vaak na. Maar het gaat mij slechts om de datering van de gebruikelijke typering van de verhouding tussen man en vrouw, waarbij uitlatingen van Nederlanders ter controle dienst kunnen doen. Het meest bekend is de beschrijving die Guicciardini in 1567 het

[p. 156]

licht deed zien. Sprekend over de vrouw, schreef hij over het vrije verkeer dat vrouwen met ieder hadden, hun drukke bezigheden in huishouding en handel welke ze soms van de man overnamen waardoor, luidt het in een latere uitgave, wegens ‘oock de natuerlijcke begeerlijckheyt der vrouwen tot heerschappye, sy sonder twyfel veel te seer de mesteresse maken ende somtijds boven maten fier, grootsch ende spijtigh worden’. Vijftig jaar eerder schreef een andere Italiaan dat in de handel en de uitoefening van allerlei beroepen mannen en vrouwen zonder onderscheid werkten.47 De Nederlandse humanisten Hadrianus Junius en Erasmus bevestigen dit. De eerste beschreef in zijn tussen 1566 en 1570 geschreven Batavia de vrouwen als manwijven die onverveerd elk karwei in handel en nijverheid aanpakten, de tweede illustreerde de volgzaamheid van de echtgenoot met een anecdote over een burgemeester uit Bergen op Zoom.48

In de beschrijving van de Nederlanden door Guicciardini werd het verband tussen de lust tot heersen en de economische werkzaamheden van de vrouw gelegd. Dat de vrouw in het economisch leven een actieve rol speelde, bleek uit de zojuist genoemde uitspraken.49 Moeilijker is het echter haar bijdrage statistisch vast te leggen. Het Amsterdamse kohier van de personele quotisatie uit 1742 sloeg alle taxabele personen, lieden die ƒ 600 of meer per jaar aan inkomen binnenkregen of verteerden, aan. Het aandeel van vrouwen die een beroep uitoefenden bedroeg 15% van alle taxabele personen. In 1749 was volgens het ons bekende Leidse kohier van 1749 24,2% van de totale beroepsbevolking van het vrouwelijk geslacht.50 De vrouwen wier arbeid zo achterhaald kon worden, waren in overgrote meerderheid of weduwe of (nog) ongehuwd. In Amsterdam telde men onder de 2164 aangeslagen vrouwen slechts 8 gehuwden, in Leiden stond bij 35 van de rond 2300 vrouwen met een beroep aangetekend dat ze getrouwd waren. Men treft de vrouwen in een grote verscheidenheid van beroepen aan, in Amsterdam bijvoorbeeld als boekhandelaarster, vleeshouwster, stoffenwinkelierster of rentenierster, voor het gemak hier als beroep opgevat. We herinneren er aan dat zojuist werd vermeld dat in Amsterdam alleen taxabele personen in het kohier werden opgenomen. De Leidse gegevens zijn interessanter omdat daar alle personen zijn opgenomen en omdat een vergelijking met de mannelijke beroepsbevolking is gemaakt. Vrouwen vond men in Leiden, het zal niet verbazen, vooral in de textielnijverheid, daarnaast in de overige nijverheid en handel. Vergelijking tussen het werk van man en vrouw leert dat de laatste was ondervertegenwoordigd in overheidsfuncties, maar oververtegenwoordigd als rentenierster en als in de handel werkende vrouw. Dat zo weinig gehuwde vrouwen volgens de belastingkohieren een beroep uitoefenden is een vertekening van de werkelijkheid. Op twee manieren was de gehuwde vrouw actief. Ten eerste oefende in Leiden 10,2% van de mannelijke gezinshoofden een nevenberoep uit. Meestal betrof het een man die in de nijverheid werkzaam was en als bijverdienste een winkeltje dreef. Het is te verwachten

[p. 157]

en aantoonbaar dat de vrouw meestal het nevenberoep van de man op zich nam.51 In het algemeen overigens staan de weinige met een beroep geregistreerde gehuwde vrouwen ook als winkelierster aangemerkt. Ten tweede zal de vrouw haar echtgenoot in zijn hoofdberoep vaak hebben bijgestaan. De gedachten gaan daarbij uit naar met name het boerenbedrijf, het ambacht, de winkel. Om een voorbeeld te noemen, in 1690 werd de wijnhandelaar Nicolaas Kleijn weduwnaar. Hij hief zijn nering op en besloot ‘op een camer te gaan wonen’. Later hervatte hij zijn vroegere broodwinning maar nam wel een meid in dienst.52 Het voorbeeld is niet zo atypisch als het wellicht lijkt. In een volgende paragraaf zullen we zien dat inwonend vrouwelijk personeel vooral voorkwam bij alleenstaande mannen en dat, zoals uit het voorgaande voorbeeld kan blijken, beslist niet alleen voor huishoudelijk werk.

Men zou kunnen verwachten dat een meewerkende gehuwde vrouw in de 18de eeuw in de midden- en lagere groepen aan te treffen was. Of dit juist is en of dit impliceert dat de status van de gehuwde vrouw in die groepen hoger was dan in andere groepen valt helaas niet te zeggen. Een andere nog niet opgeloste kwestie is of de grotere waardering van de vrouw in de literatuur als huisvrouw en opvoedster aan het eind van de 18de eeuw het gevolg was, zoals men vaak wil, van een verdringing van de vrouw uit het maatschappelijk leven.53 In Leiden bedroeg het aandeel van de vrouw in de beroepsbevolking in 1749 24,2% en in 1808 21,7%. Deze geringe teruggang bevestigt een dergelijke veronderstelling bepaald niet. Mij lijkt het genoemde verband ook niet noodzakelijk. Wat in deze paragraaf geconcludeerd kan worden is dat hoewel moralisten een patriarchale gezagsverhouding wel verkondigden, deze toch niet bleek uit de opvattingen van juristen en de rechtspraak over de maritale macht en het tuchtigingsrecht en evenmin uit wat bekend is over de positie van de vrouw in de Hollandse samenleving.

3. Ouders en kinderen

Over de verhouding tussen ouders en kinderen waren wetgevers en schrijvers van juridische boeken zwijgzaam. Regel was wel dat minderjarige kinderen onbekwaam waren en onder de vaderlijke macht vielen.54 Deze omvatte de vertegenwoordiging in rechte van het kind, het recht gehoorzaamheid te mogen eisen en het beheer over het eventuele vermogen van het kind met die beperking dat in ieder geval het onroerend goed niet mocht worden vervreemd. Verder heerste de opvatting dat het een inbreuk op de ouderlijke macht zou zijn als de wetgever zou voorschrijven hoe deze te vervullen. Slechts in algemeenheden liet men zich daar over uit. Ouders waren verplicht de opvoeding ter hand te nemen die zich uitstrekte van het verlenen van onderdak, kleding, spijs en drank tot minder stoffelijke geneugten als ‘onderwijsinge ende leeringe van enige konsten ofte hand-

[p. 158]

werken, naar yders staat ende gelegentheyt’. Op hun beurt waren kinderen gehouden hun ouders te gehoorzamen, te eerbiedigen en te verzorgen als dezen tot armoede mochten vervallen.55 De ouderlijke macht eindigde bij het bereiken van de meerderjarigheid die, na een stijging in de late middeleeuwen en het begin van de moderne tijd, voor zowel jongens als meisjes op 25 jaar was vastgesteld. Ook een vóór die leeftijd gesloten huwelijk maakte meerderjarig, zij het dat een meisje dan van de ouderlijke in de maritale macht overging. Tenslotte kon een door ouders of overheid uitgegeven meerderjarigheidsverklaring een minderjarige tot meerderjarig maken. Veel uitgebreider was de wetgever waar het de behartiging van het belang van wezen betrof, maar veel verder dan zorg over het bezit van wezen gingen deze bemoeienissen niet. Terecht concludeerde Ankum dat het gezien de beperkte omvang van de wetgeving begrijpelijk is dat conflicten tussen ouders en kinderen zelden in een proces uitmondden, behalve in het geval van de toestemming voor het huwelijk.56 Om die reden zullen we ons in deze paragraaf op andere gegevens moeten beroepen.

In welke omgeving groeiden kind en jongere op? Cijfers over inwonend dienstpersoneel die we in de volgende paragraaf zullen verstrekken brachten Van der Woude tot de conclusie dat in het Noorderkwartier niet op grote schaal de gewoonte bestond die in Engeland wel in zwang was dat kinderen vanaf hun twaalfde of vijftiende jaar de ouderlijke woning verlieten om in een ander huishouden te wonen, werken en onderwijs in één of ander vak te krijgen. Kinderen bleven thuis wonen tot ze huwden of zich als alleenstaande vestigden. Werkten ze buitenshuis, dan keerden ze des avonds toch weer naar het ouderlijk huis terug.57 Of dit overal en gedurende de hele 17de en 18de eeuw in Holland de gewoonte was, blijft voorlopig nog een open vraag. In Leiden was dat in 1749 wel zo en vooral treft daar het gering aantal bij hun ambachtsmeester inwonende leerlingen of knechten.58 Illustratief zijn de Leidse ondertrouwgegevens uit 1750. Van de 806 personen die in ondertrouw gingen, nam 48% als getuige bij de ondertrouw de vader of moeder mee. Bij de rest woonden de ouders buiten Leiden of waren meerendeels overleden. Van deze 48% nu die door een ouder vergezeld werd, bleek 76% in dezelfde straat te wonen als de ouders en men mag aannemen dat de ondertrouwende dan nog bij de ouders inwoonde.59 Onder de 24% uitwonenden vormden meisjes de meerderheid en dit is in overeenstemming met wat over inwonend personeel bekend is, namelijk dat het vrouwelijk personeel hierin de boventoon voerde. Terecht wijst Van der Woude erop dat dit betrekkelijk langdurig inwonen bij de ouders van invloed moet zijn geweest op de ‘psychologische, mentale en sociale attitudes van de bevolking’ of in beperktere zin, op de verhouding tussen ouders en kinderen. Een glimp daarvan breekt door in een vijftal merkwaardige zaken voor de schepenbank in Maassluis tussen 1764 en 1786.60 Ouders en zoons stonden daar ten processe tegenover elkaar omdat de laatsten eerder dan hun ouders lief was het huis wilden verlaten en

[p. 159]



illustratie
7. J. Luiken, 's Menschens begin, midden en einde, Amsterdam 1712, U.B. Leiden.
Anders dan in de ons omringende landen, kwam het in Holland weinig voor dat een leerling of knecht bij een ambachtsmeester ging inwonen om een vak te leren. Kinderen verlieten overdag het huis om naar school of het werk te gaan. De opvoeding vond voor een groot deel binnen het gezin plaats.


[p. 160]

daarmee, daar draaide de zaak natuurlijk om, geen geld meer wilden inbrengen of omdat zij zich niet langer aansprakelijk achtten voor door ouders gemaakte onkosten. Uitspraken van de schepenen die over deze zaken juridisch advies van buitenaf inwonnen, geven aan dat zij meenden dat de meerderjarigheidsgrens ook de financiële grens was waar ouders en kinderen zich aan te houden hadden. Dat echter ook twee 32-jarige zoons in het spel waren suggereert dat deze grens nog wel eens overschreden werd. Tonen deze voorbeelden de moeilijkheden die tussen ouders en inwonende kinderen konden ontstaan, representatief zijn ze uiteraard niet. In het vissersplaatsje Maassluis kunnen de zoons die op jonge leeftijd al voor maanden van huis weg op zee verbleven, een onafhankelijkheid hebben verworven die in de ogen van hun ouders eigenzinnigheid was. Kinderen wier beide ouders niet meer in leven waren zullen, meestal bij regeling in een testament of voogdijstelling, soms door tussenkomst van de weeskamer bij familieleden een nieuw huis gevonden hebben.61 Van alle wezen kwam slechts een kleine groep in weeshuizen terecht. De meeste kinderen hadden dus hun ouders, broers en zusters of familieleden als dagelijkse huisgenoten. Vanuit huis trok de jongere tenzij door ouders in het gezinsbedrijf betrokken, naar het werk of de school.

Ook in de Nederlandse literatuur is net als in het buitenland, de vraag gesteld of vroeger het kind als een kleine volwassene beschouwd en behandeld werd en of de volwassene oog had voor de eigen aard van een kind. Deze discussie maakt nogal eens een verwarde en verwarrende indruk. Dat blijkt bijvoorbeeld in de beschouwingen van twee verschillende auteurs over één het hetzelfde werk, De pligten der ouders, in 1673 van de hand van de piëtistisch georiënteerde predikant Jacobus Koelman verschenen, een boek dat in de 19de eeuw nog herdrukt is.62 Noordam meent dat de auteur van dit opvoedkundig werk het kind als een wezen met een eigen aard poogt te zien. In het godsdienstonderricht dat voor Koelman uiteraard voorop staat, moet de opvoeder ertegen waken het kind teveel uit het hoofd te laten leren en het over te belasten. In verhouding tot de capaciteiten van het kind moet de stof behandeld worden en de opvoeder moet geen genoegen nemen met een braaf opgedreund lesje maar dient na te gaan of het kind begrijpt wat het leest. De opvoeder heeft ook rekening te houden met de individuele aard van elk kind. Het betoog van Groenendijk neemt een geheel andere loop. Met een Engels kinderboek als uitgangspunt komt hij over Koelman te spreken. Voor deze waren alle mensen van nature ‘Dienstknegten des Duivels’ en was de eindbestemming van het kind de hel tenzij het door God werd verlost. Zowel voor het kind als de volwassene gold voor Koelman en zijn geestverwanten dat de bekering tot het ware geloof snel moest komen. Van een eigen visie op en benadering van het kind was dus geen sprake. Het is duidelijk dat beide auteurs hetzelfde probleem met andere vragen bestoken en zo tot andere conclusies komen. De eerste neemt de methode die de leermeester in zijn onder-

[p. 161]

wijs toepast als uitgangspunt, de tweede het doel van het onderwijs. De hele discussie over het kind in het verleden zou er mee gebaat zijn als de vraagstellingen zeer duidelijk geformuleerd worden en als door het opstellen van werkbare definities het gegoochel met termen als ‘kind’ en ‘jeugdige’ waar sommige auteurs zich schuldig aan maken, zou worden vermeden. Exemplarisch daarvoor is het, overigens verder verdienstelijke, boek van De Vletter die inzichten uit zijn tijd tot norm verheft door te schrijven dat Betje Wolff en Aagje Deken niet tot een ‘behoorlike waarneming van kinderen’ in staat waren en ‘geen oog gehad (hebben) voor de kleine mensjes’.63 Anachronistisch lijkt het mij ook steeds maar over ‘de ontdekking van het kind’ in de 18de eeuw te spreken.64 Wil de discussie goed op gang komen, dan zal het nodig zijn om òf het bronnenmateriaal te confronteren met hedendaagse begrippen waarbij de onderzoeker deze in een historische context weet te hanteren òf te pogen de visie van de vroegere mens op het kind (kleine volwassene?) te vergelijken met het gedrag van het ‘kind’ zelf.

Stelt men zich niet moeilijk te beantwoorden vragen of bepaalde levensfasen zoals ‘adolescentie’ bij de volwassene en het kind van vroeger bekend waren, maar beperkt men zich tot de kwestie of in de 17de en 18de eeuw een aparte benadering van het kind nodig geacht werd, dan lijkt het antwoord daarop voor Holland als volgt te luiden. Die aparte benadering heeft men vanaf zeker de late middeleeuwen nodig gevonden. Jan van Boendale schreef in de 14de eeuw dat men in het onderwijs met de gemakkelijke zaken moet beginnen, dat men niet teveel ineens van het kind mag eisen en dat ontspanning de studie behoort te onderbreken. Van Maerlant beklemtoonde dat een kind tactvol aangepakt en welwillend aangemoedigd moet worden. In samenhang met deze inzichten dichtte men het kind ook eigen hoedanigheden toe als goedlachs, zelfzuchtig, onvoorzichtig, zorgeloos te zijn.65 De Noordhollandse schoolmeester Dirck Adriaensz. Valcooch onderwees in zijn in 1591 verschenen Regel der duytsche schoolmeesters zijn lezers om jonge pas op school gearriveerde kinderen toch tactvol en met ‘soete coutinghe’ aan te pakken en klaagde tegelijkertijd dat ouders met een beroep op het ‘jonck’ zijn van het kind het liever lieten rennen en spelen dan eens geducht de catechismus te doen leren.66 Het is niet moeilijk om aan te geven dat in later tijd dergelijke noties, dat een kind anders, bijvoorbeeld speels, was en daarom een weloverwogen benadering verdiende, wilde men wat van het kind gedaan krijgen voort bleven bestaan. Door anderen is daar, men denke aan wat zojuist over Koelman gezegd is, al op gewezen.67 Dit inzicht wil niet zeggen dat het anders zijn van een kind ook goedgekeurd, als waardevol beschouwd werd. In recente interpretaties van afbeeldingen van kinderspelen uit de 17de eeuw heet het dat niet het inventieve of vermakelijke in beeld wordt gebracht, maar het dwaze, vergankelijke en ijdele.68 De maatstaf van de volwassene gold. In die zin zijn de uiteenlopende betogen van Noordam

[p. 162]

en Groenendijk over Koelmans De pligten der ouders ook met elkaar te verzoenen: met erkenning dat tegenover het kind een houding moet worden ingenomen die in overeenstemming is met diens aard, wordt het kind voortdurend de spiegel der volwassenheid voorgehouden. Met het voorgaande willen we evenmin beweerd hebben dat in de hier bestudeerde periode geen veranderingen plaatsvonden. Men zou kunnen zeggen dat het bestaande inzicht in de aard van het kind zich in de 18de eeuw verder ontwikkelde. Daar zullen we nu op ingaan.

In de tweede helft van de 18de eeuw openbaarde zich een grotere aandacht voor het kind die zich op tenminste drie terreinen laat beschrijven: een groeiend aantal boeken en verhandelingen over opvoeding en onderwijs, de onderwijshervormingen, en de wassende hoeveelheid in opzet gewijzigde kinderboeken.

In 1761 schreef de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem een prijsvraag uit over de lichamelijke opvoeding van het kind. Door die maatschappij en andere zoals het Zeeuws Genootschap van Wetenschappen te Vlissingen en het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen werd verder tot intellectuele inspanning aangezet door vragen te stellen over zedelijke opvoeding, verbetering van het schoolwezen en de voordelen en gebreken van een openbare of huiselijke opvoeding. Gaandeweg nam de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen onder de pressie van de oprichters zoon, Martinus Nieuwenhuyzen, de rol van voortrekker op het gebied van opvoeding en vooral onderwijs op zich. Deze grote stroom literatuur is tot nu toe in de historiografie nogal stiefmoederlijk bedeeld.69 Een nauwkeurige bestudering daarvan zal aan het licht moeten brengen hoe over de aard van het kind en de mogelijke beïnvloeding door opvoeding gedacht werd. Invloedrijke auteurs als Betje Wolff en Hieronymus van Alphen beschouwden het kind als een van nature met rede begiftigd wezen waar, aanleg en omstandigheden in aanmerking genomen, door de juiste opvoeding iets goeds van te maken viel.70 Geheel aanvaard werd de ‘tabula rasa’ van Locke nooit, maar diens denkbeelden konden hier toch beter gedijen dan de op calvinistische beginselen of invloeden afketsende opinies over de onverdorven natuur van het kind van Rousseau.71 Ook in sommige calvinistische kringen was, we zagen het bij Koelman, opvoeding een zaak van hoge prioriteit. Maar de nieuwe meningen deden hoge verwachtingen ontstaan van de heilzame gevolgen van opvoeding en onderwijs. Deze konden te meer wortel schieten doordat het besef van zedelijk en cultureel verval in intellectuele kringen in de tweede helft van de 18de eeuw groot was. Het verval kon door een goede opvoeding en scholing van het kind tot staan gebracht en ten goede gekeerd worden. Op die wijze werd het kind misschien voor het eerst een object van cultuurpolitiek.72

Concrete maatregelen zijn ten opzichte van het lager onderwijs genomen. Dorps- en stadsscholen voor jeugd tot ongeveer 15 jaar waren be-

[p. 163]

stemd voor leerlingen uit de lagere sociale groepen. Kinderen uit hogere sociale groepen ontvingen huisonderwijs of bezochten de Latijnse school of de ‘Duytse’ en Franse school die meer dan de eerstgenoemde op de praktijk, zoals de handel, gericht waren.73 Kinderen tussen ruwweg 6 en 15 jaar zaten in groten getale, misschien enkele tientallen, er zal hierin nogal wat verschil bestaan hebben, in één schoolruimte die naar onze begrippen weinig geschikt was. De vermenging van leeftijden vond plaats, omdat de samenstelling van de groep leerlingen geregeld wisselde. Immers, schoolplicht bestond niet en kinderen zullen vaak thuis zijn gehouden, omdat ze op het land of in het ambacht mee moesten werken of wanneer ouders niet erg aandrongen op de schoolgang. Door deze wisselende samenstelling is het begrijpelijk dat het onderwijs ‘hoofdelijk’ was. Al te verheven voorstellingen moet men zich daar niet van maken, het bestond hierin dat de leerling één of tweemaal per dag overhoord werd en de rest van de tijd voor zichzelf moest werken. Het onderwijs bestond uit spellen, lezen, rekenen soms en vooral godsdienstonderricht. Scholen, of het nu de lagere of de Latijnse scholen betrof, dienden in beginsel ter onderwijzing in de ‘ware christelijk gereformeerde religie’.74 De methode die op de lagere scholen, waartoe we ons hier beperken, werd gevolgd, bestond veelal uit niet veel meer dan uit het hoofd leren van de catechismusvraagjes. Eind 18de eeuw is felle kritiek op het lager onderwijs uit die dagen geleverd, vooral op het geheugenwerk en op het veronachtzamen van de vraag of het kind de stof begrepen had. Vooral door de bemoeienissen van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen resulteerde deze kritiek in de schoolwetten van 1801, 1803 en 1806 die aanstuurden op het ontwikkelen van de verstandelijke vermogens van de leerling, de daartoe noodzakelijk geachte invoering van het klassikale onderwijs en de vervanging van het gereformeerde godsdienstonderricht door het zich eigen maken van ‘maatschappelijke en christelijke deugden’.75

Het ‘kinderboek’, concludeerde Pomes in zijn studie over Van Alphen, bestond vóór 1778 ten onzent zo goed als niet. Het kind werd als schoolkind, zijn boek als schoolboek beschouwd.76 Ook al zou dit waar zijn, uitgebreid onderzoek naar het bestaan en de inhoud van kinderlectuur laat nog op zich wachten, dan houdt het niet in dat eerdere schrijvers van voor schoolgebruik bestemde boeken niet met de bevattelijkheid en interesse van kinderen rekening poogden te houden. Geïllustreerde leesstof over de belevenissen van de oud-testamentische David of de strijd in een nabijer verleden tegen Spanjaarden en Fransen kan tot de verbeelding van de lezers gesproken hebben, terwijl in voor het leren lezen bedoelde boeken de stof trapsgewijs aan moeilijkheid won. De verandering die Van Alphen met zijn eerste dichtbundeltje in 1778 bracht, tezamen met zijn latere produkten en die van anderen, ligt niet zo zeer in het doel en de inhoud van de kinderlectuur. Deze bleven gericht op de vereniging van het nuttige en aangename en het aanleren van christelijke deugden. Nieuw was de vorm

[p. 164]

in meestal gemakkelijker te begrijpen korte zinnetjes en nieuw was dat niet langer door een verteller of volwassene het woord tot het kind werd gericht, maar dat kinderen vaak onderling praatten of een alleenspraak hielden.77 Zo verplaatste de dichter zich meer dan voorheen in een kinderwereld, ook door het aansnijden van onderwerpen als het breken van een ruit bij het balspel of de angst voor onweer.78

De hier kort geschetste houding tegenover het kind en de veranderingen die daarin plaatsvonden hebben uiteraard een stempel gedrukt op de positie van het kind in het gezin. Men kan daarover spreken in termen van wederzijdse plichten van ouders en kinderen. Het gaat hier inderdaad om een tweerichtingsverkeer waarbij het grote belang dat aan de opvoedende plicht van ouders gehecht werd, geïllustreerd wordt door het feit dat Hondius en zijn Swart register van duysent sonden uit 1679 35 zonden noteerde die (stief)ouders tegenover hun (stief)kinderen konden begaan tegenover 16 zonden waaraan hun kroost zich schuldig kon maken.79 Hetgeen moralisten schreven over de ouderlijke plichten wijkt niet af van wat we juristen al hoorden zeggen. Kinderen moeten in de vreze Gods opgevoed, in hun gebreken vermaand, gekleed en gevoed worden en behoren door de ouders aangezet te worden tot het leren van ‘eene eerlicke scientie, conste, neringe, oft hantwerck na haren staat ende bequaemheyt’.80 Deze zorg voor de latere beroepskeuze, bedoeld is natuurlijk die van de jongen, vormde met de keuze van een huwelijkspartner door zoon of dochter, een van de belangrijkste momenten in de opvoeding volgens de moralistische auteurs. Over het huwelijk is in het vorige hoofdstuk gesproken en we zagen hoe ouders wel werd gemaand de vinger aan de pols te houden, maar tevens werd geraden geen eigen keuze op te dringen. Bij de beroepskeuze zien we eenzelfde, of nog soepeler beleid. Ouders mogen hun kinderen niet tot een beroep aanzetten waartoe ze ongenegen of onbekwaam zijn. Zoals De Swaef in een wijdlopig betoog uiteenzet, liggen de capaciteiten van het ene kind op lichamelijk, van het andere op verstandelijk gebied, is de een meer voor de handel, de ander voor muziek in de wieg gelegd. De taak van de ouders, is de algemene opinie, ligt nu hierin deze aanleg te ontdekken, vooroordelen tegen een beroep weg te nemen en een goede leermeester te vinden. De vader is daartoe zelf immers niet altijd in staat.81 We zien dus hetzelfde beginsel onder woorden gebracht als bij het huwelijk, een sturen van de keuze, zonder deze op te leggen. Voor sommige beroepen, zoals dat van predikant, scherprechter en molenaar is wel aangetoond dat het veelvuldig in het bezit van één of verwante families was. Maar hoe dit werkte, of ouderlijk gezag een rol speelde en hoe vaak precies zoons wel of niet hetzelfde beroep kozen, of dochters met een collega van de vader huwden, blijkt uit deze voorbeelden niet. Het zou bij de genoemde beroepen ook om weinig ‘typische’ beroepen kunnen gaan.82 Een systematisch doorlichten van een gemeenschap aan de hand van deze kwestie zou als conclusie wel eens op kunnen leveren dat sommige beroepen sterk familiegebonden

[p. 165]

waren, maar dat meestal de spreiding vrij groot is geweest.

Kinderen zijn aan hun ouders verschuldigd gehoorzaamheid, dankbaarheid en liefde te betonen.83 Deze plichten kennen hun beperkingen. In tijd omdat het ouderlijk gezag bij hun meerderjarig worden afneemt, maar met behoud van de ‘natuurlyke betrekking’ die altijd om eerbied en dankbaarheid mag vragen. Naar inhoud wordt de gehoorzaamheid beperkt omdat kinderen bevelen die tegen Gods wil ingaan niet behoeven op te volgen. Daarin wordt ook wel eens het criterium gezocht bij de vraag wie der beide ouders gehoorzaamd moet worden bij onderling verschillende opdrachten. Ter nadere rechtvaardiging van het ouderlijk gezag wordt naast een beroep op het door God aan ouders vertrekte gezag, gewezen op de ‘sorge, smert en arbeyt’ die ouders zich in de opvoeding hebben moeten getroosten.84 Dat de plichten niet immer met evenveel ijver betracht werden, valt af te leiden uit de steeds terugkerende klacht dat kïnderen naar hun tot ouderdom geraakte ouders niet meer omzien of hen om verminderde verstandelijke vermogens uitlachen.85 Kinderen werd hun plicht al vroeg ingeprent zoals uit een versje uit een spellingsboekje uit 1727 blijkt:

Kinders pligt
 
Veragt uwe Ouders niet,
 
Als gij haar Hoofd en Hairen ziet
 
Door hooge jaaren grijzen;
 
Komt dog te hulp haar zwakke kragt;
 
Weest haar een troost bij Dag en Nagt,
 
De Wereld zal u prijzen:
 
Ook zal de Heere Zebaot
 
U geeven een gezegend lot
 
En heil en gunstbewijzen86

Of de in het vooruitzicht gestelde beloningen wat uitgemaakt hebben, is nog de vraag. Wel worden we geconfronteerd met een nog niet onderzocht probleem, dat der bejaardenzorg. Zoals we eerder zagen, kwam inwoning van ouders bij hun kinderen weinig voor, maar los daarvan, is het nog onduidelijk hoe degenen die niet meer tot arbeid in staat waren, in het gemeen in hun onderhoud voorzagen.

In veel literatuur wordt ouders nogal eens aangeraden niet te familiair met hun kroost te zijn omdat het gezag zo ondergraven zou worden. Afstand wordt ook geschapen door de raad ouders ‘met ongedeckten hoofde, of buygende de knyen’ aan te spreken.87 In haar bekende Proeve over de opvoeding maakt deze distantie bij Betje Wolff plaats voor hartelijkheid en veel spelen en praten met de kinderen. In de vorige paragraaf zagen we dat Ockerse aan het eind van de 18de eeuw emotionaliteit als een vrouwelijke eigenschap beschouwde en de zojuist genoemde schrijfster

[p. 166]

verheft de ‘tederder gesteltheid’ van de vrouw tot een voordeel bij de opvoeding. Mede om die reden brak zij een lans voor een verhevener rol van de vrouw bij de opvoeding.88 De eerste jaren van het grootbrengen moesten geheel op de schouders van de moeder rusten, voor de latere jaren hield ze echter vast aan de bestaande taakverdeling dat de vader de opvoeding van de zoon, de moeder die van de dochter ter harte moest nemen. Kan men haar in dit opzicht niet van nieuwlichterij betichten, wel baarde het opzien dat Betje Wolff zich met voorbijgaan zelfs van de man, zo exclusief tot de vrouw wendde en deze op haar verantwoordelijkheid als moeder wees.

De opvattingen van Betje Wolff kunnen uiteraard niet tot gemeengoed gepromoveerd worden en dat blijkt wel uit een kwestie als de tuchtiging Slaan was een geaccepteerd opvoedingsmiddel. Het getuigde van weinig liefde voor hun kinderen als ouders hierin laks waren.89 Wel was het zaak het kind niet voor elke misstap te straffen. Het was verkeerd toornig te worden bij bijvoorbeeld het breken van een glas. Daarbij had het ene kind aan een wenk of vermaning al genoeg en zou het bij een strengere straf moedeloos worden, bij andere kinderen moesten de teugels juist wat strakker worden gehouden. Aanvankelijk werd de kastijding bijna als een noodzakelijke voorwaarde gezien om het kind van de hellestraf te redden. In die zin moet men ook de raad verstaan dat meer en harder slaan de enige remedie tegen voortgaande ongehoorzaamheid is terwijl de tuchtiging voortdurend ‘in liefde, met heylige bewegingen’ voltrokken moet worden. Ook een man als Martinet, die uit zijn Huisboek van 1793 als zachtmoedig naar voren treedt, meende dat met jonge kinderen redeneren weinig zin had, dat de moeder voor het vierde jaar er voor moest zorgen dat ‘'Kinds hoofd...geheel naar uwen wil gebrooken’ moest zijn en dat een matig gebruik van de roede daartoe wel volstond.90 Mensen die hun kind als een met rede begiftigd wezen zagen als Van Alphen en Wolff hoort men niet of nauwelijks over de lichamelijke tuchtiging spreken. De kastijding kwam ook wel, o.a. in de spectatoriale geschriften, in discrediet waar de invloed van Locke die waarschuwde voor het kweken van slaafse of juist opstandige geesten niet vreemd aan zal zijn geweest.91 Als opvoedkundig middel hield het echter in theorie wel stand. In de praktijk werd in weeshuizen vaak naar het middel der tuchtiging gegrepen bij overtreding van de weeshuisreglementen. Simpeler straffen als inhouding van zakgeld kwamen ook voor, maar de (openbare) kastijding, opsluiting in een hok, of sluiting aan een blok dat via een ijzeren ketting aan de enkel bevestigd was, vormden tot in de 19de eeuw een geijkt repertoire. In 1782 werd een weeshuismeisje uit Dordrecht veroordeeld ‘om gedurende een jaar met de blok aan het been te loopen en daarmee des Zondags naar de kerk te gaan’.92 Zal een minderheid van de weeshuiskinderen dit lot getroffen hebben, binnen het gezin valt een gematigder gedrag te verwachten. Buitenlanders waren van mening dat Nederlanders te zachtzinnig optraden

[p. 167]

tegen hun kinderen die als gevolg daarvan een losbandig en brutaal gedrag vertoonden. Moeders drongen er bij schoolmeesters nogal eens op aan hun kind niet te slaan.93

Deze paragraaf had vooral betrekking op meningen en raakte de praktijk niet of nauwelijks. Hoezeer een kloof tussen theorie en praktijk bestond, kan dus niet worden gezegd. In de opvatting over kinderen heeft voortdurend, maar niet zonder verandering, de visie bestaan dat een kind een eigen benadering nodig heeft. Binnen het gezin klonk dit door. Gehoorzaam, eerbiedig en dankbaar als het kind moest zijn, met kinderlijke gebreken en fouten wilde men wel rekening houden. Verplichtingen behoorden te worden nagekomen, maar tegelijkertijd werd ruimte gegeven tot het maken van eigen keuzes. In het vorige hoofdstuk bleek dat bij de keuze van een huwelijkspartner, hier, bij de keuze van een beroep.