terug  begin  verderprepost
[p. 175]

Hoofdstuk VI
Scheiding van tafel en bed en echtscheiding

‘Wat is er gemeender in onse Eeuw als dat het huys-gesind door onderling huys-gekrakkeel ontroert wordt? Dat de gehuwde somtijds met geene mindere onbesonnenheid seer trouwloos doet van den ander scheiden alsse sig onderling verbonden hebben. Die het nog by den anderen houden, stigten voor het meerendeel binnen hunne muren eene helle van eene vervloekte verwarring’.

Tako Hajo van den Honert, De waaragtige wegen die Godt met den menschen houdt, Leiden 17414, 2 dl., I, p. 604.

1. Moralisten over huwelijkse problemen

‘Der is geen huys sonder kruys...volgens de ondervinding van alle tijden’, schreef Bernard Cremer in 1737 in zijn Evangelische zeden-keten.1 Daarmee vertolkte hij de mening van vele moralisten die in hun werk toonden oog te hebben voor de problemen die met de huwelijkse staat samen kunnen gaan. Aan bijbelse voorbeelden of citaten had men in dit opzicht geen gebrek. Graag werden de Spreuken van Salomo aangehaald: ‘'t is beter te woonen op eenen hoeck des dacks, dan met een kijfachtige Huysvrouwe’.2 Sommigen meenden, maar het is de moralist misschien eigen een niet al te zonnige blik op de eigen tijd te hebben, dat het met de huiselijke twisten erger gesteld was dan in vroeger dagen. Van den Honert stelde dat er niets gewoner was in zijn tijd dan gekrakeel in het gezin. In 1792 schreef de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een prijsvraag uit waarin onder meer gevraagd werd om een ‘aanwijzing der oorzaken van het weinige geluk in veele huisgezinnen’. Jacob van Ouwerkerk de Vries, die zijn inzending met de zilveren penning zag bekroond, schreef grimmig dat hij wel honderden voorbeelden van bedorven huishoudingen kon geven.3

Welke voetangels en klemmen konden de echtgenoten op de weg die ze te gaan hadden, tegenkomen? Heerszucht is zo'n rustverstoorder. De boven aangehaalde passage uit Spreuken doelde daar al op. Maar niet alleen vrouwen werden van deze zonde beticht, ook mannen werden gewaarschuwd voor de gevolgen als ze hun echtgenote uit redeloosheid klein hielden.4 Een andere mogelijke bron van onderling ongenoegen vormen de kinderen. Bij de opvoeding past taai geduld en vooral ook eenstemmigheid onder de ouders, welke echter vaak afwezig is omdat, zo meent Bodisco, de vrouw meestal tot toegevendheid geneigd is waar de man de teugels wat strakker zou willen aanhalen. Zo worden nog meer aanleidingen genoemd die wrevel kunnen verwekken zoals verkwisting, dronkenschap, lichamelijk ongemak of een blijkende onvruchtbaarheid van de vrouw.5

[p. 176]

Men signaleert de moeilijkheden die uit de echtverbintenis voort kunnen komen, maar men wijdt er niet over uit, evenmin, zoals we zullen zien, over de vraag hoe ze op te lossen. De reden daarvoor is dat men als diepste oorzaak van het soort echtelijke verwijdering dat verder gaat dan onvermijdbaar geachte onenigheden over dagelijkse aangelegenheden, een verkeerde partnerkeuze ziet. De Amsterdamse predikant Petrus Wittewrongel schreef in de tweede helft van de 17de eeuw dan ook, dat wil het huwelijk geen verdriet en bitterheid geven, er bij de keuze van een partij weloverwogen te werk moet worden gegaan.6 We krijgen het soort raadgevingen te horen dat we in een eerder hoofdstuk al tegenkwamen: de partner moet niet te veel verschillen in leeftijd, staat en karakter, moet van hetzelfde geloof zijn en vooral niet mag het huwelijk op verkeerde gronden als natuurlijke driften of materieel gewin worden aangegaan. Andere, wat verder van een lichtvaardige partnerkeuze verwijderde oorzaken noemde men ook wel. Bodisco wees, wel zo passend in een verhandeling van het Nut, op de onheilen die een slechte opvoeding teweeg konden brengen in de huishouding. Men miste dan huiselijke deugden als verdraagzaamheid die in het gezin op straffe van getwist onmisbaar waren.7 Jaloezie beschouwde men als een der ernstiger oorzaken van echtelijk onheil, ook wel ‘eenen duyvel in huys’ genoemd. Weliswaar werd geponeerd dat het om ‘een ingeschaapen’ drift gaat die altijd inherent aan oprechte liefde is, maar hij mag niet verworden tot een wantrouwen jegens de ander.8 De katholiek Hazart knoopte aan de behandeling van de oorzaken van ongeluk in de huwelijken een beschouwing vast over het verschil tussen man en vrouw. Tussen de ‘lichamelycke humeuren’ van de beide geslachten is een onderscheid als van water en vuur, aarde en lucht. De vrouw is vriendelijker, zachter en buigzamer van aard terwijl de man krachtiger is. Dit is de oorzaak van veel ongeluk en ‘alsoo stellen die contrarie humeuren van man ende vrouwe in het Houwelyck alles in roere’. Zijn er dan nooit gelukkige huwelijken, vroeg Hazart zich af, want mannen en vrouwen van gelijke aard bestaan immers niet? Die zijn er wel, want er zijn veel getrouwden ‘die haere passien breken, ende uyt deught aen malkanderen wijcken en toegeven’.9

Met deze laatste woorden is de vraag die we voornamen nu te stellen gedeeltelijk al beantwoord: welke remedie is er bij twisten tussen man en vrouw? Men was daar pessimistisch over. De 17de- en vroeg 18de-eeuwse schrijvers houden hun lezers allereerst voor te berusten in hun lot. Man en vrouw moeten gewillig buigen onder het kruis dat hen te dragen werd gegeven, het verdriet zonder morren verwerken en beseffen dat het huwelijk van God afkomstig is en dat ze ontzag moeten hebben voor Gods wegen en werken.10 Meer dan deze predikers dringen laat 18de-eeuwse schrijvers er op aan te werken aan verbetering. Voor de vrouw ziet men bij twisten nog wel eens een eigen taak weggelegd. Omdat de man van nature opvliegend is, moet zij met haar vriendelijkheid hem tot rust brengen.11

[p. 177]

Bemiddeling van buiten kan, menen deze schrijvers, van nut zijn zolang het een goede vriend of verwant die zwijgen kan betreft.12 Maar helpt niets, dan moeten ‘Reden en Godsdienst’ redding brengen en moet men betere tijden afwachten. ‘Het Huwelijk hebbe eenige smerten; maar de ongetrouwde staat kent geen vermaaken’ tracht Martinet te troosten.13

Zoals we zagen preekten deze moralisten de onderlinge vermaning, het geduld en als er geen uitzicht meer is, de lijdzaamheid. Toch klaagden ze er wel eens over dat er lieden waren die hun raadgevingen niet ter harte namen. Van den Honert schreef dat als de keuze van een huwelijkspartner was gemaakt en deze verkeerd uitviel, men niet mocht scheiden. Blijkens de uitlatingen van de altijd wat zwartgallige Smytegelt gebeurde dat maar al te vaak: ‘Al dat scheiden van die Huwelyken is de dood in ons land’.14 Op welke wijze een huwelijk wettelijk kon worden ontbonden, zullen we in de volgende paragraaf bespreken.

2. Het recht en zijn critici

Schrijven over frequentie en motivatie van huwelijksontbinding met wet en rechtspraak als bronnen heeft tot gevolg dat met een tweetal beperkingen genoegen moet worden genomen. Ten eerste krijgt de onderzoeker niet of nauwelijks zicht op die huwelijksontbindingen die zonder inmenging van de rechter plaatsvinden, in het geval dat een echtpaar eenvoudigweg de echtelijke samenwoning opbreekt dan wel een man of vrouw die door de partner is verlaten van dit feit geen mededeling aan de autoriteiten doet. De tweede beperking is dat de onderzoeker in zijn informatie afhankelijk raakt van de wettelijke bepalingen waarnaar een echtpaar dat scheiden wil zich moet richten. Binnen het echtscheidingsrecht heeft men wel eens een tweedeling aangebracht tussen die echtscheidingsgronden die berusten op het schuld beginsel en die berusten op het ontwrichtingsbeginsel. Het eerste gaat er van uit dat door de aantoonbare schuld van één der echtgenoten de huwelijksband ondraaglijk wordt, het tweede dat de door één of beide echtgenoten ervaren onmogelijkheid tot verder samenleven voldoende grond voor de ontbinding van het huwelijk geeft.15 In Nederland was tot voor kort het schuldbeginsel de grondslag van het echtscheidingsrecht. Dientengevolge hebben partijen zich tijdens een proces in hun opgegeven motieven om tot echtscheiding te komen, sterk laten leiden door de inhoud die de wetgever aan het beginsel ‘schuld’ gaf. De onderzoeker moet daar rekening mee houden. Om twee voorbeelden, uit Nederland en de Verenigde Staten, te noemen: uit een onderzoek van Douma naar de ten processe aangevoerde echtscheidingsgronden in 1962 in Nederland bleek dat men zich in 95% van de gevallen beriep op ‘overspel’. In dezelfde tijd werd in Amerika 60% van alle echtscheidingen uitgesproken op grond van ‘wreedheid’.16 Om hieruit te concluderen dat de Nederlandse echtgenoot of echtgenote overspelig en de Amerikaanse een bruut is, zou ridicuul zijn:

[p. 178]

men richtte zich op de ruimte die de wet bood.

Met deze twee beperkingen moeten we dus leven in ons onderzoek naar huwelijksontbinding in het laat 17de- en 18de-eeuwse Holland. Diegenen die op eigen gezag uiteengingen, kennen we niet. Naar voren gebrachte beweegredenen zijn gekleurd door het recht. Aan dit laatste besteden we nu aandacht.

Volgens het vóór de Hervorming in de Nederlanden geldende kanoniek recht was het huwelijk onontbindbaar. De katholieke kerk kon dit beginsel doorvoeren toen zowel wetgeving als rechtspraak in haar handen waren gekomen. Wel kon nietigverklaring van het huwelijk volgen als men kon aantonen dat bij de sluiting van het huwelijk vormfouten waren begaan of bepaalde huwelijksbeletselen over het hoofd waren gezien, zoals het onder dwang van ouders instemmen met een huwelijk of het trouwen binnen de verboden graden van verwantschap. Ook was een scheiding van tafel en bed - waarbij de huwelijksband in stand bleef, maar de plicht tot samenwonen werd opgeheven - mogelijk, zeker op grond van door één der echtgenoten begaan overspel, maar verder volgens redenen die ter beoordeling van de geestelijke rechter stonden.17 We spraken hier in het eerste hoofdstuk al met betrekking tot Frankrijk over.

Daar stipten we ook al aan dat men binnen de kringen der Hervorming anders over de ontbinding van het huwelijk dacht dan in de katholieke kerk. Weliswaar meenden de protestanten dat het huwelijk in beginsel onontbindbaar was, maar zij namen aan dat enkele uitzonderingen van toepassing waren. Alle protestantse theologen die hierover schreven waren het erover eens dat overspel volgens Mattheus XIX:9 reden tot echtscheiding gaf met het recht op hertrouwen. Hoewel met aarzeling stonden de meeste theologen instemmend tegenover een wat ruime interpretatie van een passage in I Corinth. VII: 15 waar Paulus zegt dat als een ongelovige van de gelovige scheidt de laatste zich niet meer aan de eerste gebonden hoeft te achten. Algemener opgevat stelden vele theologen nu dat als iemand door zijn huwelijkspartner op kwaadwillige wijze verlaten werd zodat deze de levensgemeenschap van het huwelijk verbrak, de verlatene een nieuw huwelijk aan mocht gaan. Zo was naast overspel een tweede echtscheidingsgrond ontstaan, de kwaadwillige verlating. Wel gingen enkele protestanten nog verder door te menen dat Christus bij het noemen van overspel als echtscheidingsgrond andere redenen, namelijk even erge misdaden als vadermoord, verraad of een misdaad waarop verbanning volgde, niet uitgesloten had. Maar deze opvattingen vonden geen breed gehoor.18

Het zou zeker interessant zijn om op systematische wijze te onderzoeken hoe de verschillende interpretaties die binnen de Hervorming over echtscheiding zijn geformuleerd, door de Nederlandse theologen werden beoordeeld. Maar dat zou ons buiten het kader van deze studie voeren. We zullen ons beperken tot het signaleren van een aantal meningen. Dat

[p. 179]

overspel een gerede grond tot echtscheiding gaf, werd door niemand betwist. Op de provinciale synode van Holland en Zeeland te Dordrecht in 1574 meende men dat iemand wiens partner overspel begaan had, van de overheid het recht moest krijgen te scheiden. Latere synodes, o.a. de nationale van 1578, kwamen tot dezelfde conclusie.19 Over kwaadwillige verlating bestond aanmerkelijk meer onzekerheid en in elk geval tot aan het eind van de 18de eeuw bleven de meningen hierover verschillen. Afkeuring schemerde door toen op de synode te Schiedam in 1588 iemand zich beriep op de passage in Paulus' brief aan de Corinthiërs, grondslag immers voor kwaadwillige verlating, en de aanwezigen meenden dat de bijbeltekst sprak over de ‘ongelovige heydenen, zynde gans buyten Godts verbondt’, een letterlijke interpretatie dus.20 Aan het eind van de 18de eeuw twijfelden Buurt en in iets mindere mate Nuys Klinkenberg of behalve om overspel echtscheiding nog wel om een andere reden toegelaten kon worden.21 Volstrekt afwijzend stonden de 17de-eeuwse remonstranten Episcopius en Van Limburgh tegenover de kwaadwillige verlating als echtscheidingsgrond. Onder sommige doperse groepen had de gewoonte geheerst dat een lid dat uit de gemeente gebannen werd tevens door zijn man of vrouw gemeden diende te worden, hetgeen bij de overheid en de gereformeerde kerk scherpe reacties teweegbracht. Waarschijnlijk om niet de indruk te wekken met de doopsgezinden te sympathiseren, keerden de beide vooraanstaande remonstranten zich niet alleen tegen deze echtmijding maar ook tegen de verlating als echtscheidingsgrond.22 Bij de meeste auteurs lijken de beide echtscheidingsgronden echter geaccepteerd te zijn.23 Er was slechts één schrijver die dieper inging op mogelijk andere redenen tot huwelijksontbinding om te concluderen dat men niet verder dan tot overspel en kwaadwillige verlating moest gaan en dat was Voetius. De Utrechtse theoloog verwierp de mening van Melanchton dat echtscheiding verleend kon worden als de man zijn vrouw zo hard en wreed behandelde dat ze haar leven niet meer zeker was. Ook keerde hij zich tegen de opvatting als zou een man die door een begane moord of roof zijn vrouw en kinderen in de steek liet om aan de justitie te ontsnappen als een kwaadwillige verlater kunnen worden beschouwd. De vrouw behoort, schrijft Voetius droogjes, ook in dit geval de man te volgen.24

De politiek en kerkelijk gewijzigde omstandigheden tijdens de Opstand hadden tot gevolg dat de overheid de wetgeving en rechtspraak in huwelijkse zaken naar zich toe trok. Met betrekking tot de ontbinding van het huwelijk handhaafde de Politieke Ordonnantie van 1580, waarin zoals we eerder zagen door de Staten van Holland een aantal bepalingen over het huwelijksrecht was vastgelegd, de mogelijkheid van nietigverklaring van het huwelijk wanneer de vereisten die de ordonnantie voorschreef niet in acht waren genomen. Dit kon bijvoorbeeld plaatsvinden bij huwen binnen de verboden graden van verwantschap, de afwezigheid van ouderlijke toestemming bij minderjarigen of aantoonbare onmacht tot de voortplan-

[p. 180]

ting.25 Over de scheiding van tafel en bed zijn nooit bepalingen vastgelegd zodat de situatie van vóór de Hervorming bleef bestaan. Deze scheiding was alleen verkrijgbaar door een uitspraak van de rechter en in Amsterdam had men in 1586 zelfs een boete gesteld op het eigenmachtig opbreken van de samenwoning.26 Welke omstandigheden tot deze altijd als tijdelijk bedoelde scheiding aanleiding konden geven, was ter beoordeling van de rechter. Van Bynkershoek, president van de Hoge Raad, liet zich hier nogal gemelijk over uit: ‘zo verre is het byna tegenwoordig by ons gekomen, dat tot scheiding van Tafel en Bed de enkele toestemming van beide de Echtgenooten volstaan kan...Wat my aanbelangt, ik meen dat 'er een reden wezen moet, en wel eene zeer gewigtige reden...’. In die zin lieten ook de Haarlemse schepenen zich in 1744 uit.27 Sommige auteurs putten zich wel uit in het opsommen van allerlei redenen maar het feit dat ze mishandeling en ruzies daaronder rekenden, geeft de ruimte of een scheiding van tafel en bed te verkrijgen voldoende aan.28

In de Politieke Ordonnantie werd slechts één echtscheidingsgrond, overspel, genoemd.29 Ook De Groot, in zijn Inleidinge, meent in 1620 nog dat om geen andere reden het huwelijk ontbonden kan worden en pas in de aantekeningen van Van Groenewegen op De Groots Inleidinge, daterend van 1644, wordt tevens kwaadwillige verlating genoemd. Sedertdien zijn de beide gronden in de juridische handboeken onder verwijzing naar de rechtspraktijk gemeengoed geworden.30 Wat werd nu door de meest vooraanstaande juristen onder beide en vooral de tweede echtscheidingsgrond verstaan die zoals we zagen, een zekere rekbaarheid bezat? Met overspel, dit zal weinig uitleg behoeven, bedoelde men de gemeenschap van een gehuwde met een ander dan zijn huwelijkspartner. Tussen man en vrouw maakte men geen onderscheid. Kwaadwillige verlating valt te omschrijven als het met kwade opzet verlaten van de echtgenoot zonder de wil te hebben terug te keren. De jurist Hendrik Brouwer maakte duidelijk dat hem een zeer strikte uitleg voor ogen stond. Vlucht of verbanning vanwege een gepleegd misdrijf, of gevangenschap in een vreemd land, zo schrijft hij, vallen niet als kwaadwillige verlating te interpreteren, evenmin als misdaden in het algemeen een grond tot echtscheiding bieden.31 De ontbinding van het huwelijk kon alleen plaatsvinden op verzoek van de onschuldige partij, geschiedde met andere woorden, niet automatisch. Het ligt voor de hand dat verlating pas goed bewezen kon worden door een min of meer langdurige afwezigheid van man of vrouw.32 De afwezigheid in Holland van een bij wet vastgelegde bepaling over kwaadwillige verlating had tot gevolg dat er geen vaste regel bestond over de termijn waarna een verlatene bij de rechter om echtscheiding mocht verzoeken, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Gelderland waar men een periode van zeven jaar aanhield. Dit was daarom in Holland een zaak die aan de rechtbank overgelaten werd en welke maatstaven men in dit opzicht aanhield, zullen we in één van de volgende paragrafen nagaan.

[p. 181]

Zoals gezegd stuitten vanaf de tweede helft van de 17de eeuw de twee ons bekende echtscheidingsgronden onder de juristen nauwelijks op bezwaren. Het was integendeel juist zo dat zich in de loop van de 18de eeuw in academische dissertaties en verhandelingen van advocaten een discussie ontspon over de vraag of de mogelijkheden om tot echtscheiding te komen niet konden worden verruimd.33 Zonder naar volledigheid te willen streven, behandelen we een aantal van deze studies. Uitgangspunt voor de auteurs vormde de aan het natuurrecht ontleende contracttheorie. De aard van alle gebeurtenissen, zo redeneerde men, brengt met zich dat als de ene partij in de nakoming van het contract in gebreke blijft, de andere partij zich van het contract ontslagen mag achten en gerechtigd is een nieuwe verbintenis aan te gaan. Onder verwijzing naar de ook in de Republiek invloedrijke natuurrechtgeleerde Pufendorf verklaarde men deze contracttheorie van toepassing op het huwelijk. Eén auteur drukte het in 1781 zo uit dat het huwelijk als contract kon worden ontbonden als een van beide echtgenoten ‘de essentieele articulen der echtverbintenis geschonden heeft, of door eigen toedoen buiten staat is te volbrengen en naar te komen’.34 Het moge duidelijk zijn dat het er dan om gaat wat men verstaat onder de ‘essentieele articulen’.

Voor de Amsterdamse advocaat Herman Noordkerk was dat de wederzijdse aanspraak die de echtgenoten hadden op elkaars lichaam en het vormde het uitgangspunt om te betogen dat sodomie (homoseksualiteit) van de echtgenoot een reden tot echtscheiding behoorde te zijn. Deze stelling had hij in 1730, het jaar van de grote sodomietenvervolging, verdedigd in een echtscheidingsprocedure voor een vrouw wier man zich schuldig had gemaakt aan homoseksuele handelingen en kort daarna wijdde hij er de hier genoemde verhandeling aan. Hij beweerde onder meer dat de sodomitische handeling van een gehuwde gelijk te stellen is aan overspel, een door allen erkende echtscheidingsgrond.35 De verhandeling van Noordkerk heeft duidelijk invloed gehad op andere auteurs die hem regelmatig instemmend citeerden.36 Twee vertogen, van Fiers Kappeyne en Decker uit 1753 en 1781 werden gewijd aan het probleem van de levenslange gevangenisstraf van een der echtgenoten. Beide auteurs gingen er van uit dat de voortplanting en de onderlinge steun het wezen van het huwelijk uitmaakten en zij leidden hier uit af dat een vrouw wier echtgenoot terecht tot een ‘eeuwigdurende’ opsluiting, zonder dat zij toegang tot hem kreeg veroordeeld was, om ontbinding van het huwelijk mocht verzoeken.37 De aan het eind van de 18de eeuw sterk levende gedachte dat de voorspoed en het geluk van de maatschappij in hoge mate afhankelijk waren van het voortbrengen en opvoeden van kinderen zette een tweetal schrijvers op het spoor van de echtscheiding. Zo werd betoogd dat de weigering van de huwelijkse plicht en onvruchtbaarheid het huwelijk kon doen ontbinden.38 Meer aandacht verdient de misschien wel meest interessante en opmerkelijke van de hier vermelde verhandelingen, op naam

[p. 182]



illustratie
8. C.W. Decker, Verhandeling, aangaande den ontbinding van den echt, ter zaake van confinement, Amsterdam 1781, K.B. 's-Gravenhage.
Echtscheiding was in Holland in de 17de en 18de eeuw alleen toegestaan op grond van overspel of kwaadwillige verlating. In de tweede helft van de 18de eeuw ontspon zich een discussie over verruiming van de echtscheidingsgronden. C.W. Decker verdedigde de stelling dat levenslange gevangenisstraf een nieuwe echtscheidingsgrond moest zijn.


[p. 183]

van Hendrik Engelkens uit 1779. Naar zijn overtuiging was het voornaamste doel van het huwelijk gelegen in de verwekking en opvoeding van kinderen. Aan het laatste stelde hij zeer hoge en ook wel hoogdravende eisen. Het was de ouderlijke plicht de kinderen vanaf de eerste levensjaren de beginselen van deugdzaamheid en eerbaarheid bij te brengen zodat ze als waardige burgers wisten hoe hun bijdrage te leveren aan het heil en geluk van het vaderland.39 Maar wat moest hier van komen als ouders hun kroost de slechtst denkbare voorbeelden van het kwaad voorschotelden? Werden slecht opgevoede kinderen niet zelf slecht en misdadig? En als nu het huwelijk ontbonden kon worden wegens het door impotentie niet kunnen voldoen aan de eerste huwelijksplicht, zou het dan niet vreemd zijn als echtscheiding niet toegelaten werd als een ouder zijn opvoedingsplicht niet goed kon vervullen!40 De hoge eisen die deze Groningse promovendus aan de opvoeding stelde, brachten met zich dat hij nogal gul was bij zijn opsomming van echtscheidingsgronden. Zo noemde hij o.a. overspel of zware verdenking daarvan, kwaadwillige verlating, bedreiging van het leven van de ander, eeuwige verbanning, onverdraaglijke gewoontes en onverzoenlijke vijandschap, onvruchtbaarheid, vruchtafdrijving, een gevaarlijke ziekte.41 Toch legde hij de echtscheiding nog wel een beperking op, zij het dat deze aan de essentie van zijn betoog niets afdoet. Instemmend haalde hij de Duitse natuurrechtgeleerde Boehmer aan dat voor iemand die een nieuw huwelijk aan wil gaan niets zo makkelijk zou zijn als haat, twisten, of ongelijkheid van geest te veinzen. Engelkens stelde voor om voor andere gronden dan overspel en kwaadwillige verlating, eerst een scheiding van tafel en bed toe te laten die, vergeefs gebleken, in een definitieve scheiding kon worden omgezet.42 Het valt eenvoudig vast te stellen dat geen van de hier behandelde auteurs zo ver ging als deze Engelkens, ook al is het zo dat hij niet buiten het aan het begin van deze paragraaf genoemde schuldbeginsel trad. Immers, de verwaarlozing van de opvoedingsplicht door één der echtgenoten vormde de echtscheidingsgrond.

Zoals hier en daar aangegeven werd, baseerden deze juristen zich op schrijvers over het natuurrecht als Pufendorf, Barbeyrac en Wolff. Vanaf het eind van de 17de eeuw werden door dezen meer of minder vergaande voorstellen gedaan tot verruiming van de echtscheidingsgronden.43 De drang om met het ‘goddelijk recht’ in de pas te lopen bleef echter groot. Ten onzent brachten Noordkerk en Engelkens hun echtscheidingsgronden sodomie en verwaarlozing van de opvoeding onder bij het alom erkende ‘overspel’. Deze vooral voor Engelkens merkwaardige constructie wordt mogelijk door het in Mattheus XIX:9 voorkomende πορνεια niet met ‘overspel’ te vertalen maar met ‘schanddaad’, de misdaad overspel wordt dus niet letterlijk maar als soortnaam voor even erge misdaden opgevat.44 In 1749 had De Vries deze ruime interpretatie nog afgewezen.45 Dat Fiers Kappeyne en Decker in hun verhandelingen de levenslange gevangenis-

[p. 184]

straf als een uitbreiding van kwaadwillige verlating zagen, verbaast na vooral de acrobatiek van Engelkens niet.

Er wordt hier nog aan herinnerd dat de uitbreiding van de beide echtscheidingsgronden en vooral het ruim interpreteren van het begrip ‘overspel’ door 16de-eeuwse Hervormers als o.a. Zwingli al eerder gebezigd was. Maar ondanks dit teruggrijpen op een verder verleden via het voorbeeld van natuurrechtelijke buitenlandse schrijvers kan niet worden ontkend dat in de opvattingen over echtscheiding in de Republiek een duidelijk vernieuwende tendens waarneembaar is. Het ging daarbij niet alleen om de wellicht wilde mening van jonge promovendi of voor eigen partij pleitende advocaten. In zijn aantekeningen op de Inleidinge van De Groot haalde Willem Schorer, president van de Raad van Vlaanderen, de verhandelingen van Noordkerk, Fiers Kappeyne en Decker instemmend aan. En ook de professoren Arntzenius en Van der Keessel maakten in hun handboeken en colleges melding van de mogelijkheid dat echtscheiding op grond van sodomie en gevangenisstraf kon worden verleend.46

3. Scheiding van tafel en bed: kwantitatieve aspecten

Was een echtpaar tot de beslissing gekomen door de rechter een scheiding van tafel en bed te laten uitspreken, dan was in de drie plaatsen die in dit boek zo vaak ter sprake komen, Leiden, Maassluis en Wassenaar, de procedure betrekkelijk eenvoudig. Men gaf zijn wens te kennen aan de rechtbank die de scheiding bekrachtigde. In Leiden had men na 1687 deze vrijwillige rechtspraak nog gemakkelijker gemaakt door deze buiten de rechtbank om te behandelen hetgeen vlotter ging en de om recht verzoekenden ontsloeg van de op kosten jagende verplichting een procureur in de arm te nemen. Moeilijker lag de zaak als één der echtgenoten zich tegen de scheiding verzette. Dan moest de gebruikelijke procesgang wel gevolgd worden en velde de rechtbank haar vonnis op grond van o.a. verklaringen van betrokkkenen en getuigen.

Nu zullen we ons eerst bezighouden met een aantal cijfermatige aspecten van de scheiding van tafel en bed. Uit tabel 12 vallen de absolute totalen van de scheidingen van tafel en bed in Leiden, Maassluis en Wassenaar van 1671 tot en met het jaar 1794 af te lezen. Wanneer we het onderscheid tussen de beide Leidse kolommen voor een moment terzijde laten, dan kan het volgende worden vastgesteld. Ten eerste loopt de gestage toename van het aantal scheidingen in Leiden in het oog, tot werkelijk forse aantallen toe. Waar de Leidse schepenen in het eerste decennium dat in de tabel voorkomt, gemiddeld nog net niet één echtpaar per jaar voor zich zagen verschijnen, bedroeg dit in de jaren 1781-1790 dertig. Dit sluit aan op een tweede constatering, namelijk dat de toename niet gelijkmatig over de ruim 120 jaar die het onderzoek beslaat, is verdeeld. In de periode 1771-1794, een kleine 20% van de gehele periode, vonden ruim

[p. 185]

Tabel 12 Aantal scheidingen van tafel en bed in Leiden, Maassluis en Wassenaar-Zuidwijk, 1671-1794

Leidena Leiden b Maassluis Wassenaar
1671-1680 9 9 1  
1681-1690 19 19    
1691-1700 22 21    
1701-1710 40 40   1
1711-1720 92 92 1  
1721-1730 99 95 1  
1731-1740 138 130 1  
1741-1750 129 123    
1751-1760 144 133   1
1761-1770 159 142    
1771-1780 245 210 3 1
1781-1790 300 235 5  
1791-1794 130 99 4 1

Toelichting: Leidena = aantal uitgesproken scheidingen; Leiden b = aantal gescheiden echtparen Bron: G.A. Leiden, Oud-Recht. Arch., inv. nrs. 44 H-AA; 78 A-J; A.R.A., Recht. Arch. Maassluis, inv. nrs. 15-28; A.R.A., Recht. Arch. Wassenaar, inv. nrs. 61-66

44% van alle 1526 scheidingen plaats. Deze ontwikkeling geldt niet alleen voor Leiden. In Maassluis werden 16 scheidingen van tafel en bed uitgesproken waarvan 12, of 75% in de jaren na 1771. Voor Wassenaar kan hetzelfde gezegd worden daar de helft van de 4 scheidingen in die korte spanne tijds plaatsvond. Wel zijn bij Wassenaar en in mindere mate Maassluis de totalen niet van die omvang om goede gevolgtrekkingen te maken en dat brengt ons voorlopig tot een derde constatering. In het vissersstadje langs de Maas en het plattelandsgebied tussen Den Haag en Leiden werden soms decennia lang geen huwelijken op de boven beschreven wijze ontbonden en tevens zijn de aantallen, behalve bij Maassluis na 1771, zo gering dat men van een marginaal verschijnsel kan spreken. Natuurlijk moet er hier rekening worden gehouden met verschillen in bevolkingsomvang en bevolkingsontwikkeling, maar vóór dat te doen, vraagt een ander aspect onze aandacht.

Tabel 13 Van tafel en bed gescheiden en meerdere malen van tafel en bed gescheiden echtparen in totalen en indexcijfers (1701-1730 = 100) in Leiden, 1701-1794

Gescheiden echtparen Meerdere malen gescheiden echtparen
totaal index totaal index
1701-1730 227 100 6 100
1731-1760 386 170 28 467
1761-1794 686 302 106 1767

Bron: zie tabel 12
[p. 186]

In de boven afgedrukte tabel zijn twee kolommen voor Leiden opgenomen, één m.b.t. het aantal door schout en schepenen uitgesproken scheidingen, de ander m.b.t. het aantal gescheiden echtparen. De laatste kolom heeft vanaf 1721 steeds minder grote getallen. Dat houdt in dat er echtparen waren die meerdere malen scheidden, die dus blijkbaar na een scheiding zich hadden verzoend. Er waren 140 echtparen die van deze groep deel uitmaakten en dat deze ‘herhalers’ vooral aan het eind van de 18de eeuw te vinden zijn, ook in verhouding tot het totaal aantal gescheiden echtparen, laat de voorgaande tabel 13 zien. Daarin is de 18de eeuw in drie periodes verdeeld. Wanneer we de eerste periode buiten beschouwing laten, het aantal van 6 echtparen dat meer dan één maal scheidt, is te gering om op te kunnen bouwen, dan blijkt dat het aantal scheidende paren in de derde periode ongeveer 1,8 maal zo veel is als in de tweede periode, maar onder de echtparen die meer dan eens scheiden, is deze toename 3,8. De 140 echtparen waar het om gaat, kunnen overigens nog onderverdeeld worden. De meeste, 114, lieten voor een tweede maal een scheiding uitspreken, maar bij 16 paren gebeurde dit voor een derde keer, bij 9 voor een vierde en één echtpaar maakte zelfs voor de vijfde keer met dit doel de gang naar het stadhuis. Teunis van der Togt en Engeltje Korteweyl kwamen in 1778 voor het eerst bij de schepenen met hun scheidingsplannen, keerden in 1785 met een tussenpoos van een half jaar tot tweemaal toe om dezelfde reden terug, en herhaalden dit in 1791 en 1793.47 Tussen hun eerste en laatste bezoek dat we kunnen achterhalen, zit een periode van 15 jaar. Dat het loslaten en hernieuwen van de band zich over nog langere periodes kon uitstrekken toonden Willem Maassluys en Nelletje Hulsbeek die hun huwelijk in 1757 voor het eerst van tafel en bed lieten ontbinden, in 1763 wederom en zeventien jaar later, in 1790, voor een derde keer.48 Maar in het algemeen is de tijdsduur tussen de scheidingen minder lang dan men uit dit laatste voorbeeld zou kunnen vermoeden. Zo'n tussenperiode telde in de jaren 1701-1730 gemiddeld iets meer dan acht jaar, in de periode 1731-1760 bijna vijf en tussen 1761 en 1794 twee en een half jaar. De relatieve toename van het aantal tweede of latere scheidingen en de steeds kortere tijd die daar tussen zat, accentueren de algemene vermeerdering van scheidingen van tafel en bed. Wanneer mensen voor een tweede of latere keer scheidden, heeft er een verzoening plaatsgevonden die ze vaak, maar niet altijd, ten stadhuize bij de oorspronkelijke scheidingsacte lieten aantekenen.49 Deze verzoeningen volgden meestal snel op de scheiding. Doorgaans keerde men binnen één tot twee jaar op zijn schreden terug, niet zelden overigens binnen enkele maanden of weken. Het feit nu dat men verzoeningen noteerde, maakt het mogelijk het aantal door scheiding van tafel en bed ontbonden huwelijken in Leiden enigszins te relativeren. Bij namelijk 93 huwelijken werd na een aantekening van ‘verzoening’ geen verdere melding van scheiding gemaakt, zodat men bij deze mensen mag veronderstellen dat de bedoeling van de scheiding van tafel en bed,

[p. 187]

een tijdelijk uiteengaan in de hoop op hereniging, bewaarheid werd.

De absolute totalen die in tabel 12 vermeld staan, zijn natuurlijk van slechts betrekkelijke waarde. Ze maken het niet goed mogelijk om door de tijd of naar plaats te vergelijken. Douma noemt, ter bestudering van echtscheiding, een aantal methodes om hierin beter inzicht te krijgen.50 Het beste zou een cohortanalyse zijn: van iedere huwelijksjaargang weten hoeveel huwelijken er ontbonden worden. ‘Next best’ is het aantal echtscheidingen in een bepaald jaar in verhouding tot het aantal in dat jaar bestaande huwelijken. Minder goed is het aantal echtscheidingen per jaar ‘uitgedrukt per 100 in dat jaar gesloten huwelijken’. Tussen de scheidingen en in hetzelfde jaar gesloten huwelijken bestaat toch geen direct verband. Een zeer ruw, maar toch nog wel eens gebruikt criterium is het aantal scheidingen in een bepaald jaar per 1000 inwoners in dat jaar. Het beste zou nu zijn om aan te sluiten bij de voor de 19de en 20ste eeuw in Nederland gebruikte werkwijze, de tweede. Helaas is noch deze, noch de eerste en vierde methode goed mogelijk met de bronnen die in het Hollandse pre-statistische tijdvak voorhanden zijn. De omvang van de bevolking per stad en plattelandsdistrict in de Republiek is alleen bekend via de tellingen van 1622 en 1795, eventueel moeizaam aan te vullen met enkele andere bronnen, niet toereikend dus voor ons doel. Tellingen van het aantal bestaande huwelijken zijn in het geheel afwezig. De eerste methode, de cohortanalyse zou in beginsel mogelijk zijn, maar is praktisch niet goed uitvoerbaar. Daarom is hier voor de derde, minder verfijnde methode gekozen. Over de periode 1671-1794 is voor Leiden, Maassluis en Wassenaar voor elk decennium het gemiddeld aantal gesloten huwelijken berekend, via telling van steeds twee, voor elke plaats afzonderlijk, dezelfde jaren. Via deze tienjaarlijkse gemiddelden en de tienjaarlijkse aantallen van de scheidingen van tafel en bed kon het aantal scheidingen per 100 in een decennium gesloten huwelijken berekend worden. Het resultaat daarvan vindt men in figuur 4 (alleen de periode 1791-1794 is op basis van vier jaar). Daar we voor de drie plaatsen dezelfde vergelijkingsfactor gebruikt hebben, kunnen enkele conclusies met vastere hand worden neergeschreven. Ten eerste valt direct in het oog hoeveel groter het percentage scheidingen van tafel en bed in de grote nijverheidsstad was dan in de kleine stad en het plattelandsgebied. Ten tweede is er de stijgende tendens. Beginnend op een niveau dat niet uitkomt boven wat in Maassluis en Wassenaar te meten valt, stijgt het in Leiden naar grote hoogten. In Maassluis is iets dergelijks, maar minder fel te onderkennen terwijl over Wassenaar door het zeer incidentele karakter van de scheidingen in dit opzicht weinig te zeggen valt. In samenhang met het verloop der echtscheidingen zal in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk op het verschil tussen stad en land en op de stijging van het percentage scheidingen van tafel en bed worden ingegaan.

Sociologen hebben zich beijverd om van de in de tegenwoordige sa-

[p. 188]



illustratie
Figuur 4 Scheidingen van tafel en bed per 100 gesloten huwelijken in Leiden, Maassluis en Wassenaar-Zuidwijk, 1671-1794
Bron: zie tabel 12


[p. 189]



illustratie

[p. 190]

menleving scheidende echtparen een sociaal profiel te schetsen. Zo hebben ze er op gewezen dat in het huidige Nederland, of in elk geval tot voor kort het een bijzonder echtscheidingsrisico met zich meebrengt als men in de stad woont (in tegenstelling tot het platteland), als men jong of ‘gedwongen’, door een voortijdige zwangerschap, huwt, als er grote leeftijds- of godsdienstige verschillen tussen de echtgenoten bestaan of als men niet (meer) de zorg heeft voor jonge kinderen.51 Een speciaal probleem betreft de vraag of echtscheiding sociaal gebonden is. Goode lanceerde de vooral uit Amerikaans materiaal voortgekomen mening dat tot in het begin van de 20ste eeuw echtscheiding vooral in de hogere sociale groepen voorkwam, maar dat sindsdien het omgekeerde plaatsvindt: de echtscheidingsfrequentie stijgt naarmate men de maatschappelijke ladder afdaalt. Het eerste verschijnsel verklaarde hij hieruit dat de nauwe band die lange tijd tussen kerk en staat bestond echtscheiding bijzonder moeilijk en eigenlijk alleen voor een elite die de wetten vaststelde mogelijk maakte. Hij had hier onder andere de Engelse situatie op het oog waar tot in de 19de eeuw echtscheiding alleen via een ‘Act of Parliament’ was te verkrijgen.52 Ten aanzien van het tweede verschijnsel is inmiddels enig materiaal gepubliceerd dat zijn conclusies voor enkele Europese landen min of meer bevestigt, maar een definitief oordeel is nog niet mogelijk.53

Een aantal van de hier genoemde op de 20ste eeuw betrekking hebbende factoren die de huwelijksontbinding zouden bevorderen, zal in ons relaas over de late 17de en 18de eeuw aan de orde komen, zij het niet alle. Voor een op zichzelf belangrijke factor als de huwelijksleeftijd en de leeftijdsverschillen tussen de echtgenoten ontbreken voldoende gegevens. Ter tekening van het sociale profiel van degenen die (tijdelijk) een eind maakten aan hun samenwoning zijn, meestal door steekproeven, een aantal achtergrondgegevens opgezocht van kenmerken die de scheidenden wellicht gemeenschappelijk hadden.

Uit welke sociale laag waren de personen waar we het nu over hebben afkomstig? De positie die iemand inneemt in de sociale geleding van een samenleving wordt gekenmerkt door factoren als inkomen, beroep en prestige. Het is niet mogelijk om hier aan al deze factoren recht te doen en we moeten ons beperken tot een indeling in beroep en vooral vermogen. Om met het laatste te beginnen, in 1695 werd door de Staten van Holland een ordonnantie uitgevaardigd waarbij een belasting werd geheven op het trouwen en begraven.54 Deze impost op het trouwen (van de belasting op het begraven wordt hier verder geen gebruik gemaakt) verdeelde de huwenden in vijf groepen. Met het vermogen als maatstaf moesten bruid en bruidegom vóór het aangaan van het huwelijk een bepaald bedrag hebben betaald. De indeling en het te betalen bedrag zijn hieronder weergegeven:

1e klasse vermogend boven ƒ 12000: ƒ 30
2e klasse vermogend tussen ƒ 12000 en ƒ 6000: ƒ 15

[p. 191]

3e klasse vermogend tussen ƒ 6000 en ƒ 2000: ƒ 6
4e klasse vermogend onder ƒ 2000: ƒ 3
pro deo-klasse onvermogend: niets

Een aantal waarschuwingen is bij het gebruik van deze vermogensindeling voor de vervaardiging van een sociale gelaagdheid op zijn plaats, door Hart zijn hierover nuttige opmerkingen gemaakt.55 Ten eerste is het mogelijk dat een bruid en bruidegom uit prestige overwegingen de drie gulden voor de vierde klasse betaalden om niet een certificaat met een opgedrukt ‘pro deo’ in de handen gestopt te krijgen. Ten tweede zou het onjuist zijn de mensen die pro deo huwden als arm of als een pauper te betitelen: men kan immers heel goed het hoofd boven water houden, maar toch geen bezit achter de hand hebben. Zo vindt men in Leiden in de pro deo-groep spinners, droogscheerders, greinwevers of knechten bij een loodgieter of schoenmaker, maar ook ambachtslieden en winkeliers als een kleer- en pruikmaker en zelfs personen met geletterde beroepen als een taal- en catechiseermeester. De laatsten overheersen overigens toch wel in de vierde klasse. Met deze tot voorzichtigheid manende beperkingen in het achterhoofd zijn nu de van tafel en bed scheidenden in de vijf vermogensgroepen van de impost op het trouwen ingedeeld. Hiertoe zijn voor elk decennium van de 18de eeuw voor telkens twee dezelfde jaren de impostgegevens van de scheidenden in Leiden en Maassluis (Wassenaar laten we verder buiten beschouwing) opgezocht. Dit betekent wel dat we deze mensen vastpinnen aan hun vermogenspositie bij het begin van het huwelijk, meestal zo'n zeven tot acht jaar eerder. Met sociale stijging of daling wordt dus geen rekening gehouden. De indeling in vermogensgroepen van de scheidenden is vergeleken met een algemene, op dezelfde impost berustende, indeling. Het resultaat vindt de lezer in tabel 14. We hebben daar voor de overzichtelijkheid de eerste drie vermogensgroepen samengenomen en de 18de eeuw in drie periodes verdeeld. De tabel is niet eenduidig. Als we eerst naar Leiden kijken, constateren we dat de pro deo-klasse in de eerste periode sterk ondervertegenwoordigd is, om daarna bij te trekken en in de laatste periode duidelijk een oververtegenwoordiging onder de scheidenden te vertonen. Bij de eerste tot en met de vierde klasse vindt het omgekeerde plaats. De eerste drie klassen raken in belangrijke mate onder hun algemene maat terwijl de vierde klasse op zijn gemiddelde niveau uitkomt. Voor Leiden kan men tot de slotsom komen dat vanaf ongeveer 1730 scheiden van tafel en bed een zaak was van de laagste en lagere middengroepen en dat de toename van het aantal scheidenden in het algemeen in sociaal opzicht te verklaren valt door een toename onder de pro deo-groep. Deze sociale accentuering krijgt nog meer nadruk als we de drie eerste groepen uitelkaar zouden halen waarna blijkt dat in de hele 18de eeuw niet één scheidende persoon uit de steekproef uit de eerste klasse die aan het eind van de eeuw ongeveer 5% van de bevolking beslaat,

[p. 192]

Tabel 14 Van tafel en bed gescheiden echtparen en de totale bevolking in percentages van vermogensgroepen in Leiden en Maassluis, 1701-1794

1e, 2e, 3e klasse 4e klasse
Leiden Maassluis Leiden Maassluis
% % % % % % % %
sch. tot. sch. tot. sch. tot. sch. tot.
1701-1730 23,6 7,6     33,3 13,0    
1731-1760 1,3 10,3     26,7 16,1    
1761-1794 4,8 13,6 20,0 11,4 23,3 25,7 30,0 18,9
pro deo-klasse N
Leiden Maassluis Leiden Maassluis
% % % %
sch. tot. sch. tot. sch. tot. sch. tot.
1701-1730 43,3 78,9     30 3237    
1731-1760 72,0 74,4     74 2429    
1761-1794 71,9 62,0 50,0 70,4 146 2220 10 361

Bron: Achtergrondgegevens zijn gevonden via G.A. Leiden, Ondertrouwboeken en Oud-Recht. Arch., inv. nrs. 211-212; A.R.A., D.T.B. Maassluis en Gaardersarchief
[p. 193]

afkomstig is. Met Maassluis, waarover we slechts vanuit tien gevallen kunnen spreken, ligt de zaak anders. Daar zijn de pro deo-mensen juist ondervertegenwoordigd. Toetsing van deze gegevens aan andere plaatsen zal ter nadere bevestiging nodig zijn.

Welke beroepen werden door de van tafel en bed scheidende mannen uitgeoefend? Voor Leiden is dit (in tegenstelling tot Maassluis) te achterhalen omdat bij de ondertrouw en bij de impost op het trouwen, elkaar aanvullend, het beroep van de man meestal genoteerd werd. Deze gegevens kunnen vergeleken worden, anders zou berekening ook weinig zin hebben, met de algemene beroepsstructuur van Leiden in 1749 en 1808. In tabel 15 zijn de beroepen van de scheidende mannen, weer in drie 18de-eeuwse perioden, ingedeeld in beroepssectoren waarbij we de relatief minder voorkomende beroepen voor de duidelijkheid tot een rubriek ‘overige’ hebben samengevat. Hieruit valt allereerst op te maken dat de van tafel en bed gescheiden mannen niet alleen voor bijna de helft in de textiel werkzaam waren, maar dat ook bleven toen die tak van nijverheid waar de stad zijn faam aan ontleend had, in de tweede helft van de 18de eeuw hollend achteruitging. Opvallend is tevens dat voortdurend meer mannen in de rest van de nijverheid werkzaam waren dan over het geheel genomen het geval was. Combineert men deze beroepsgegevens met de vermogensgegevens, dan moet men concluderen dat de gezinnen die uiteenvielen te vinden waren onder de minvermogende textielarbeiders en ambachtslieden: de greinwevers, droogscheerders, rokjeswevers, timmermansknechten en schoenmakersknechten, om de meest voorkomende beroepen onder hen te noemen.

Tabel 15 Van tafel en bed gescheiden mannen in Leiden, 1701-1794 en de totale beroepsbevolking van Leiden, 1749 en 1808 in percentages van beroepssectoren

tafel en bed gescheiden mannen beroeps-bevolking
1701-1730 1731-1760 1761-1794 1749 1808
N = 31 N = 74 N = 131 N = 9699 N = 927
Nijverheid: textiel 48,4 48,6 41,2 47,8 28,6
Nijverheid: rest 35,5 33,8 38,2 24,6 29,8
Handel en verkeer 12,9 6,8 7,6 14,4 18,8
Overige 3,2 10,9 13,0 13,2 22,6

Bron: voor beroep gescheiden mannen, G.A. Leiden, Ondertrouwboeken; Oud-Recht. Arch., inv. nrs. 211-212. Voor Leiden in 1749 en 1808, H.A. Diederiks, ‘Beroepsstructuur en sociale stratificatie in Leiden in het midden van de achttiende eeuw’, in H.A. Diederiks e.a., Een stad in achteruitgang. Sociaal-historische studies over Leiden in de achttiende eeuw, Leiden 1978, pp. 63, 64, 100 (tabellen 39, 40, 64)
[p. 194]

Bij het hoge sterfteniveau dat in het Ancien Régime heerste (in de tweede helft van de 18de eeuw overigens lager dan daarvoor), gingen veel mannen en vrouwen na de dood van hun huwelijkspartner een volgend huwelijk aan, hoeveel verbintenissen men zo gemiddeld in het leven doormaakte, is niet goed bekend.56 Men kan zich nu afvragen of de kans op ontbinding van dergelijke later gesloten huwelijken groter was dan bij eerste huwelijken. Dit is eenvoudig na te gaan omdat bij de ondertrouw de burgerlijke staat van de bruid en bruidegom werd genoteerd. Voor steeds twee jaar per tien jaar is dit voor het van tafel en bed gescheiden paar nagegaan, terwijl voor alle trouwenden dezelfde werkwijze gevolgd is. Het resultaat mag verrassend genoemd worden, zoals tabel 16 toont. Inderdaad blijkt dat bij een aanzienlijk deel van hen wier huwelijk aan grote spanningen onderhevig was, al eerder één van beide of allebei de partners gehuwd waren geweest.

Tabel 16 Percentage al eerder gehuwden van de van tafel en bed gescheiden echtparen en van alle huwende paren in Leiden en Maassluis, 1701-1794

Leiden Maassluis N Leiden N Maassluis
sch.t + b tot. sch.t + b tot. sch.t + b tot. sch.t + b tot.
1701-1730 50,0 34,1     32 2979    
1731-1760 60,0 34,3     75 2231    
1761-1794 37,3 27,1 40,0 23,5 150 2084 10 274

Bron: G.A. Leiden, Trouwboeken; A.R.A., D.T.B. Maassluis, Trouwboeken

Het is in de sociologische literatuur een omstreden vraag of het zin heeft de huwelijksduur na te gaan.57 Toch heeft het nut hierbij stil te staan, vooral als we bij de duur van het huwelijk onderscheid maken tussen degenen die al eerder en degenen die nog niet eerder gehuwd waren geweest. Zoals tabel 17 toont lag de gemiddelde huwelijksduur ongeveer tussen de zeven en tien jaar, in Maassluis iets hoger dan in Leiden en aldaar

Tabel 17 De duur van het huwelijk in jaren van de van tafel en bed gescheiden echtparen in Leiden en Maassluis, 1701-1794

Leiden Maassluis N
gemid. niet eerder gehuwd eerder gehuwd gemid. niet eerder gehuwd eerder gehuwd Leiden Maassluis
1701-1730 6,6 8,7 4,1       32  
1731-1760 7,3 9,5 5,8       75  
1761-1794 8,7 10,6 5,9 10,0 13,3 5,0 150 10

Bron: zie tabel 16
[p. 195]

zich in de loop van de 18de eeuw enigszins verlengend. We zien ook, wel begrijpelijk na het voorgaande, dat de huwelijken waarbij de man of vrouw, of beiden al een huwelijk achter de rug hadden, het aanzienlijk minder lang uithielden dan de eerste huwelijken.

Vormden kinderen voor een echtpaar een rem op de beslissing het gezin op te breken waardoor ze hun opvoedende taak niet meer tezamen konden uitvoeren? Voor Leiden zijn we weer zeer goed ingelicht omdat een scheiding van tafel en bed gepaard ging met een verdeling van de boedel en een toewijzing en alimentatie van eventuele kinderen. In de volgende paragraaf zal dit breder ter sprake komen, maar nu lichten we het al of niet aanwezig zijn van kinderen er voor de beantwoording van de bovengestelde vraag uit. Tabel 18, gebaseerd op twee jaren per decennium, suggereert dat kinderen niet als een beletsel werden gevoeld. Het ging daarbij niet zelden om zeer jonge kinderen zoals bij Johannes Malade en Leena Duyveveld die op het moment van de scheiding in 1784 twee jongens te verzorgen hadden, van drie jaar en van 32 weken.58 Bij ongeveer 5% van de echtparen die we in dit opzicht konden bespieden was de vrouw zelfs zwanger. Sommigen namen ook hun voorzorgsmaatregelen voor het geval dat de vrouw zwanger zou blijken te zijn en hier openbaart zich een zeer zakelijke, of zo men wil, realistische mentaliteit. Hendrik van de Walle belooft in 1775 dat als zijn vrouw binnen 9½ maand zal bevallen, hij het kind zal onderhouden; een ander, in 1794, neemt de tijd wat krapper: binnen zeven maanden.59 Volgens het kohier van 1749 had in Leiden op het moment van de telling 57% van de echtparen (nog) kinderen bij zich wonen.60 Kijkt men nog eens naar de percentages in de bovengenoemde tabel, dan blijkt dat het aantal van tafel en bed scheidende echtparen met kinderen in toenemende mate een getrouwe afspiegeling is van de algemene situatie in 1749. Men hield, zo suggereren deze gegevens, in de eeuw die, naar men wel zegt, het kind ‘ontdekte’ steeds minder rekening met de aanwezigheid van nog afhankelijke kinderen.61

Tabel 18 Percentage echtparen met kinderen van de van tafel en bed gescheiden echtparen in Leiden, 1701-1794

1701-1730 40,0% N = 40
1731-1760 46,4% N = 84
1761-1794 56,4% N = 165

Bron: G.A. Leiden, Oud-Recht. Arch., inv. nrs. 78 A-J

In een eerder hoofdstuk spraken we over de rooms-gereformeerde huwelijken en we herinneren ons het trammelant dat van kerkelijke zijde tegen deze verbintenissen werd gemaakt en het strenge plakkaat dat in 1755 werd uitgevaardigd. Daarin werd gesproken over de ‘veele twisten en oneenigheeden tusschen zoodanige Egtgenooten’. In hoeverre werd deze

[p. 196]

profetie bewaarheid? Omdat we zowel beschikken over de namen van de personen die rooms-gereformeerd huwden, als van hen die zich van tafel en bed lieten scheiden, kon het percentage rooms-gereformeerde huwelijken dat uiteenviel voor Leiden worden berekend. Dit bedraagt 6,1%. Hierbij moet wel aangetekend worden dat we wat betreft de scheidingen halt gehouden hebben bij 1795 en dat nadien nog gemengde huwelijken ontbonden kunnen zijn. Maar ook al neemt men wat speling, ver boven het algemeen percentage scheidingen in de tweede helft van de 18de eeuw, 6,9%62 zal het nooit zijn uitgekomen. Hadden hindernissen als het plakkaat al zo'n scheiding der geesten teweeggebracht dat alleen de sterksten en meest gemotiveerden over waren gebleven? Of sliep de duivel dan toch niet tussen de twee geloven op één kussen?

4. Scheiding van tafel en bed: omstandigheden en gevolgen

Wie bij de schout en schepenen aanklopte om een scheiding van tafel en bed, moest zijn redenen hebben, we citeerden de mening van Van Bynkershoek daarover al. Waren man en vrouw het eens over de scheiding, dan werden hun motieven meestal niet aangetekend, verzette een der echtgenoten zich en volgde een proces, dan maakte men van de van beide kanten aangevoerde argumenten wel notities. Bij elkaar levert dat voldoende op om een schets te geven van de omstandigheden die aanleiding gaven tot een scheiding van tafel en bed.

Aan de basis van veel scheidingen van tafel en bed zal hebben gestaan wat een negentienjarige spinner in 1789 uitdrukte: dat ‘hij met zijne vrouw niet konde over weg koomen’. Het is een meer, hoewel niet zó vaak gehoorde verklaring, vooral aan het eind van de 18de eeuw toen de schepenen zich misschien gevoeliger tegenover dit argument betoonden.63 Maar de meest gehoorde klacht is wel mishandeling, door slaan of schoppen van de ander. Het is een gedurende de hele hier behandelde periode terugkerende klacht waar in het vorige hoofdstuk al enige aandacht aan is besteed. We herinneren eraan dat mishandeling als een gerechte reden voor een scheiding werd beschouwd, maar aan de oprechtheid der verklaringen hoeft niet getwijfeld te worden. Buren van Hermanus Vlek uit Amsterdam getuigden dat toen deze, in 1749, thuis kwam en ‘zijn huijsvrouw aldaar geslagen en mishandeld hadde’ de vrouw ‘uijt haer huys is komen vlugten, werdende door haar bovengenoemde man tot op de straat vervolgd en dat dezelve haer man haar...met zijn vuijst tegens haar hooft heeft geslagen, dat (zij) ruggelings ter aarde is gevallen en vervolgens, zoo de eerste getuygen het niet belet hadde, met zijn voet (haar), ter aarde leggende op het hooft zoude getrapt hebben’.64 Dat ook de vrouw soms haar zelfbeheersing verloor, hebben we in het vorige hoofdstuk al gezien.65 In het geval van Hermanus Vlek getuigden buren tegen hem, soms werden als bewijs wonden aan schout en schepenen getoond of kon men chirur-

[p. 197]

gijnsrekeningen overleggen.66 Fysiek geweld ging gepaard met schelden en werd lijkt het vaak opgewekt door dronkenschap. In Leiden behoorde, zeker aan het eind van de 18de eeuw, de grief van misbruik van sterke drank tot de orde van de dag.67 Drinken, schelden en slaan zullen vaak de weerslag zijn geweest of gingen in elk geval samen met omstandigheden die het gezin teisterden, zoals het niet in staat zijn de kost op een behoorlijke wijze te verdienen. Bij een Rotterdamse wijnhandelaar verliepen in de jaren tachtig van de 18de eeuw de zaken geheel. In die tijd maltraiteerde hij zijn vrouw en schold haar uit. Rond dezelfde jaren had een echtgenote wier man zonder veel succes achtereenvolgens een kruidenierswinkel en een bierkelder opzette, identieke klachten.68 Het is niet altijd even eenvoudig om wanneer wangedrag en verwaarlozing van de kostwinning in één adem genoemd worden te onderscheiden of de beschuldigde ten aanzien van het laatste blaam trof of niet. Soms is dat wel het geval zoals bij de man die met medeneming van koopwaar uit zijn winkel zijn vrouw enige tijd in de steek liet of de echtgenoot die op verzoek van de wederhelft het beheer over zijn goederen werd ontnomen.69 Dergelijke klachten over verzaking van plichten werden ook wel tegen de vrouw uitgesproken. Jan Keneka uit Wassenaar meende, de norm over de traditionele positie van de vrouw in de huishouding bevestigend, dat er voor te weinig schoon goed werd gezorgd en ‘als de vrouw wat meer t'huijs bleef en op haer saeken paste, dat er dan geen woorden souden sijn gevallen’.70 Dit soort ontevredenheid zou met meer voorbeelden, zoals over slechte bereiding van het maal, te illustreren zijn.71 Een andere bron van onenigheid is het overtreden van zedelijke normen. Enkele Maassluise vissers verdachten hun vrouw ervan zich tijdens hun vaak maandenlange afwezigheid op zee niet zo trouw te gedragen als ze wel wensten. In Leiden werd door twee mannen om een scheiding gevraagd omdat hun vrouwen kort na het huwelijk bevielen en ze, uit overtuiging niet de vader te kunnen zijn, niet meer samen wilden wonen, ‘noch ten aensien van sijne eer, als de opspraeck der menschen’, zoals één van hen het uitdrukte.72

Het spreekt van zelf dat niet bij het eerste teken dat het tussen twee echtgenoten niet langer ging, tot een scheiding werd overgegaan. Jaren gingen hier meestal overheen. In die tijd zijn verschillende stadia te onderscheiden. Gelooft men de verklaringen van de procederenden dan werd het wangedrag van de ander altijd met ‘grote leytsaamheyt, sagtmoedigheyt en gedult’ tegemoet getreden. Men maakte een kwinkslag, probeerde zachtjes te vermanen of stelde alle overtuigingsmiddelen in het werk zoals Alida van Wetten die met ‘zoo veele vrouwelyke Traanen welke het afsmeeken om een liefderyker en met den Echten staat meer overeenkomstig gedrag verzelden’ haar man tot een andere houding trachtte te brengen.73 Maar aan alle geduld komt een eind en zo kon een verscherping van de verhoudingen optreden die volgens sommigen uitgelokt werd om tot een scheiding te komen. Verwijten van ondankbaarheid als dat ‘hij

[p. 198]

haar tot een Juffrouw had gemaakt’, schelden in aanwezigheid van personeel, zelfs verdachtmakingen dat de een de ander naar het leven stond, leidden naar een situatie waarin een weg terug moeilijk was.74 Velen in de omgeving van het echtpaar deden daartoe toch pogingen. In de eerste plaats moeten buren en familieleden genoemd worden, in ander verband zijn we al op de contacten van hen met het gezin dieper ingegaan. We schreven daar dat de bemoeienissen van familieleden als ouders, zusters en zwagers groot waren, zich uitend in raadgevingen, maar zo nodig ook in het in eigen huis opnemen van hun directe verwanten. Buren waren, zo leek het, minder actief als adviseurs, maar boden hun woonruimte als eerste toevluchtsoord aan of grepen bij hooglopende twisten in, hierboven citeerden we uit een dergelijk geval. Soms is er sprake van verzoeningspogingen van een predikant. In hoeverre dergelijke pogingen succesvol waren, valt uiteraard niet te zeggen omdat we hier nu eenmaal conclusies moeten trekken uit bronnen die de mislukkingen weergeven. Uit dat materiaal is op te maken dat het uiteengaan van man en vrouw er aanmerkelijk door is vertraagd. De broodbakker Jan Schutstal maande zijn zwager en beroepsgenoot Christiaan Vogelaar enkele malen op een vriendelijke toon tot rust. In Amsterdam deed een dominee die, op huisbezoek, van echtelijke onenigheid had vernomen hetzelfde met gevolg dat deze ‘een wijnig is gestilt’, maar niet voor lang.75 Er kwam een moment dat verzoeningspogingen verder zinloos leken en dat de gedachte aan scheiding opkwam. Zo zei de oud-stuurman Claes Dieren in 1675 tegen zijn vrouw ‘van haer te willen scheijden off dat hij anders sijne handen aan haer soude schenden’.76 Ging men inderdaad tot een scheiding over, dan kwamen de huiselijke moeilijkheden naar buiten, zo ze dat niet al waren gekomen. Abraham Quevellerius, een vroegere V.O.C.-ambtenaar, zei begin 18de eeuw dat hij allang tot een scheiding was overgegaan als hij daarin niet ‘uyt consideratie van het fatsoen, en de eere van sijn Familie, Kinderen en Kindskinderen was wederhouden geworden’. De angst voor de openbaarwording was groot, andere voorbeelden, uit kringen van ambachtslieden, kunnen worden genoemd.77 Veel vrouwen liepen zoals we eerder zagen op de scheiding vooruit door het huis te verlaten, meestal overigens uit noodzaak omdat anders volgens hun zeggen onheilen waren te duchten. In deze gevallen, en dat zijn er talloze, was een door de rechter uitgesproken scheiding van tafel en bed dus een bekrachtiging van een in de praktijk al ingetreden situatie. In Leiden bereidden veel vrouwen de scheiding als het ware voor door hun man voor de schepenen te laten verklaren dat als de vrouw weer gegronde reden had over hem te klagen, hij een scheiding zou toelaten. Indien een scheiding door een onderling akkoord, door de rechter bekrachtigd, tot stand kwam, is het bijna nooit bekend wie het initiatief hiertoe nam. In de gevallen waarin een proces werd gevoerd of eerder een der echtgenoten bij de schepenen zijn beklag had gedaan, is dit wel achterhaalbaar. Uit het voorafgaande zal het de lezer wellicht niet

[p. 199]

meer verbazen dat dit in meerderheid de vrouw betrof. In Leiden was in 80%, in Maassluis in 60% en in Wassenaar, maar men telde hier slechts vier scheidingen, zelfs in 100% van de scheidingen die hierover inlichtingen verschaffen, de vrouw de initiatiefneemster. Was iemand door toedoen van zijn man of vrouw in het beklaagdenbankje terechtgekomen, dan schoof de beschuldigde bijna altijd in ronde bewoordingen alle schuld van zich af en verklaarde dat juist de ander blaam trof. Veel helpen deed dit niet, want noch in Leiden, Maassluis of Wassenaar is ooit een eis om scheiding van tafel en bed door de schepenen afgewezen. Natuurlijk wil dit niet zeggen dat het nimmer voorkwam, we zouden kunnen verwijzen naar enkele Amsterdamse vonnissen.78

Wat waren de gevolgen voor het gezin als een scheiding van tafel en bed uitgesproken was? Allereerst werd de vrouw ontslagen uit de maritale macht van haar echtgenoot. Soms werd dit uitdrukkelijk in het vonnis of akkoord vermeld. Het meest belangrijke gevolg hiervan is wel, we zagen het in het vorige hoofdstuk, dat de vrouw nu het beheer over haar eigen goederen verkreeg zodat ze handelingsbekwaam werd. Ten tweede vond een boedelscheiding plaats. Het was in de tijd van de Republiek onder juristen een twistpunt of deze vanzelf uit de scheiding van tafel en bed volgde, wetgeving bestond er niet over, maar gaat men af op de situatie in Leiden, Maassluis en Wassenaar, dan kan hier wat de praktijk betreft geen twijfel over bestaan.79 In elk van deze drie plaatsen werd uitdrukkelijk vermeld dat het tevens om een scheiding van goederen ging of blijkt dit impliciet door bepalingen daaromtrent. Ten derde werd een regeling getroffen over de toewijzing van kinderen, met de eventueel hiervoor te betalen alimentatie. Tenslotte werd soms ook aan de vrouw alimentatie uitgekeerd. In Leiden staan deze bepalingen vanaf het eind van de 17de eeuw bij de scheidingsacte vermeld en werd er dus niet, wat ook mogelijk geweest was, naar een notariële acte verwezen (hetgeen duurder was). Voor telkens twee jaar per decennium hebben we deze ‘conditiën’ waaronder de scheiding plaatsvond, nader bestudeerd.

De manier waarop de boedel werd gescheiden was afhankelijk van de vraag of het echtpaar in gemeenschap van goederen of onder huwelijkse voorwaarden was gehuwd. In het eerste geval vond een scheiding in twee gelijke delen plaats, in het tweede werden de bepalingen uit de huwelijkse voorwaarden opgevolgd. Nu viel er bij veel mensen, zoals we zagen uit de lagere groepen afkomstig, weinig te verdelen. Om een voorbeeld te noemen: in 1765 troffen Johannes Barnaards en Maria Cornielje de regeling dat ieder zijn of haar eigen kleren zou meenemen, voorzover deze althans niet verpand waren. De verpande kleding kon ieder op eigen kosten in de Bank van Lening lossen. De man hield de rest van de boedel waar we ons, lijkt me, niet te grootse voorstellingen van hoeven te maken.80 Een interessant aspect betreft de handelwijze bij bezit of huur van huizen. Meestal bleef de man bewoner. Men moet daarbij bedenken dat woon- en

[p. 200]

bedrijfsruimte veelal één was, voor de ambachtsman maar ook voor veel textielarbeiders. Dat uit een aantal scheidingen waarbij de vrouw de bewoonster van het huis bleef blijkt dat zij een bij de woning horende nering uitoefende (zoals een winkel of een blekerij), bevestigt dit.81

In het vorige hoofdstuk zagen we dat de vrouw het meest geschikt werd geacht de opvoeding van kinderen te behartigen. De praktijk komt daar, in Leiden althans, mee overeen. Kinderen werden bij de scheiding van tafel en bed in 80% van de gevallen aan de vrouw toegewezen, in ruim 13% aan man en vrouw en in bijna 6% aan de man. De paar gegevens waarover we beschikken met betrekking tot Maassluis bevestigen dit. Een grote meerderheid van de moeders die de zorg over hun kind of kinderen kreeg, werd door hun echtgenoot alimentatie uitbetaald. We zien hier hetzelfde soort regeling als we tegenkwamen bij de alimentatie van onwettig geboren kinderen, een per week uitgekeerd bedrag, één of meerdere guldens, tot een leeftijd van rond de 20 jaar. De reden dat niet iedere moeder een dergelijke materiële steun ten deel viel is hierin gelegen dat niet iedere vader daartoe in staat was. Abraham Passchierse beloofde in 1715 zijn vrouw in de kosten van het onderhoud van de kinderen te zullen bijdragen ‘zodra hij tot beter fortuin zal zijn gecomen’.82 Toewijzing van de kinderen aan vooral de moeder had nog enkele consequenties. De vader had zo geen zicht meer op de opvoeding, door een Maassluise vrouw was dit zelfs uitdrukkelijk bedongen. Een enkele maal vindt men dan ook wel een bepaling over het geven van een ordentelijke opvoeding en het leren van een ‘bequaam Hantwerk’. Regelingen werden ook wel getroffen over het contact tussen de ouder en zijn elders verblijvende kinderen. Men maakte daarover een afspraak, meestal in die zin dat de ouder het recht kreeg het kind éénmaal per week bij zich te hebben, in welwillendheid is er in dit opzicht overigens nogal verschil tussen de verschillende echtparen.83 Het treffen van een alimentatieregeling voor de vrouw zelf was een niet veel voorkomende gebeurtenis. In Leiden vond dit slechts in een paar procent van de onderzochte scheidingsvoorwaarden plaats. Ook in Maassluis en Wassenaar betrof het meer een uitzondering dan de regel. De oorzaak hiervan zal deze zijn dat veel vaders al de vaak zware last van de alimentatie van de kinderen moesten dragen. Overigens is de afwezigheid van bepalingen hieromtrent wel een weerspiegeling van de betrekkelijk onafhankelijke positie die de vrouw in Holland innam.84

Zoals eerder gezegd, had de scheiding van tafel en bed tot doel door een tijdelijk uiteengaan een toekomstige hereniging te bewerkstelligen. Over het verschijnsel der vele verzoeningen hebben we al geschreven. Voor een aantal van de zo gescheiden echtparen zou het een tussenstation blijken te zijn op weg naar de echtscheiding. Om grote aantallen gaat het niet, in Leiden werd bij 2,5% van de van tafel en bed gescheiden echtparen het huwelijk definitief ontbonden, in verreweg de meeste gevallen wegens door een der partners begaan overspel. Illustratief wellicht voor de moeilijkhe-

[p. 201]

den en de gevolgen die bij een tijdelijke scheiding konden spelen, is uit 1777 het trieste relaas van de aan de zelfkant van de samenleving levende Catharina de Leth.85 Negentien jaar oud huwde ze in 1772 Gerrit Hogenstraten. Al snel werd de boedel van Hogenstraten insolvent verklaard, naar haar zeggen omdat deze ‘alles op 't billard en in de kolfbaan heeft verspeeld’. Zelf ontving ze soms jonge heren waardoor ze ‘haar credit en goede naam heeft verloren’. Het huwelijk werd van tafel en bed gescheiden en ze woonde achtereenvolgens bij een weduwe van een niet al te beste naam en een andere gescheiden vrouw in. Daarna trok ze naar Amsterdam ‘om haer man te zoeken’. Die vond ze niet en om de kost te winnen had ze haar lichaam veil. Ze zei tegen de schout, voor wie ze deze bekentenis aflegde, te weten dat overspel strafbaar was maar ‘uit armoede daertoe te zijn geraekt en anders nooit tot zulke wegen te zullen zijn gekomen; dat zij daer nu ook een afgrijzen van heeft en voortaen hoopt in eer en deugd te leeven’. Haar man vroeg daarna bij de rechtbank, op grond van overspel, om echtscheiding.

5. Echtscheiding: kwantitatieve aspecten

Ontbinding van het huwelijk, met het recht op hertrouwen, kon zoals eerder gezegd in Holland op twee gronden plaatsvinden, overspel en kwaadwillige verlating. De eerste lag verankerd in de Politieke Ordonnantie van 1580, de tweede in de algemene overtuiging van de rechtsgeleerden en de rechtspraktijk vanaf ongeveer de helft van de 17de eeuw. Een proces om echtscheiding kwam alleen op gang na een aanklacht van de ene tegen de andere huwelijkspartner. In de termen waarmee echtscheiding tijdens het proces werd aangeduid, bestond variatie. Het proces werd aangekondigd als ‘egtscheydinge’ of meestal ‘divortie’ terwijl in het vonnis verklaard werd dat de huwelijksband ‘verbroken’, ‘gedissolveert’ was of dat de aanklagende partij daarvan werd ‘ontslagen’. Ondanks deze verscheidenheid in terminologie (die met andere varianten aangevuld zou kunnen worden) bestaat er geen twijfel over dat het hier om echtscheidingen gaat en niet om scheidingen van tafel en bed. Ten eerste is bij de laatste de aanduiding altijd dezelfde (‘separatie van tafel en bedde’), ten tweede wordt bij de echtscheiding vaak het recht op hertrouwen in het vonnis vermeld. Slechts éénmaal in de reeks vonnissen van 1671 tot 1795 in Leiden, Maassluis en Wassenaar is er sprake van een uiterst curieuze formulering, namelijk dat de huwelijksband verbroken en de eiseres toegestaan werd van de ‘ged. van