terug  begin  verderprepost
[p. 63]

Weerspiegeling

Het moet omstreeks 1895 geweest zijn of iets vroeger, dat een bijna dertigjarige Amerikaanse schilderes, vergezeld van haar moeder, overstak naar Holland, het door de doeken van de meesters der Haagsche school in Amerika zoo beroemd geworden Holland van de Larensche binnenhuisjes en de schapen op de heide.

Zij ging dan ook inderdaad naar het Gooi, doch huurde in Nunspeet een atelier. En zoo leerde Amy Cross door haar beoefening van de schilderkunst en haar belangstelling voor onze schilders, oudere en jongere artiesten kennen.

Ze kende Blommers, Neuhuys, Frits Janssen, Offermans, Mesdag, Israëls, maar ook Tholen en Toorop en zijn vrouw. Zij is al een tijdje in Holland als zij ook Eduard Karsen ontmoet.

Bij Albert Neuhuys te Laren vieren zij en haar moeder met de kinderen het gezellige St. Nicolaasfeest mee. Toen kende zij Eduard nog niet. Maar Kerstmis vieren zij gedrieën. Nog jaren later herinnert zij zich den strengen winter, toen de havens van Amsterdam dicht lagen en geen schip in of uit kon.

Eenige malen ontmoeten zij elkander nog en het drietal viert een verrukkelijk vacantiedagje door samen koffie te drinken en te middagmalen in een huurhuisje te Katwijk. Zij schijnt onze taal ook te hebben geleerd en op haar laatsten verjaardag, dien zij in ons land viert (1897), krijgt zij een bundel verzen van Albert Verweij ten geschenke.

Het moeten gelukkige jaren voor haar zijn geweest, waartoe de ontmoetingen met Eduard veel hebben bijgedragen.

Terug in Amerika blijft zij met haar moeder samen wonen, totdat deze in 1912 sterft, één jaar voor de moeder van Karsen, bij wie hij is gaan wonen na den dood van zijn vader.

Amy Cross en Eduard schrijven elkander, sinds zij terugkeerde, geregeld. Zij houden elkander wederkeerig op de hoogte van elkanders leven. Het zijn vaak de aan alle menschen gemeene gebeurtenissen of herdenkingsdagen, die aanleiding geven tot de brieven: de Kerstdagen, Nieuwjaar, de geboortedagen en soms de vacanties. Er is een zekere, ietwat teleurstellende, geijkte regelmaat in de briefwisseling. De brieven lijken aanvankelijk gelegenheidsbrieven. Ze zouden na eenige jaren gemakkelijk kunnen ophouden, zonder dat iemand het had gemerkt. Maar ze blijven komen en er wordt telkens teruggeschreven. Het eene jaar volgt op het andere en de brieven gaan door. Zeker zal de inhoud vervlakken. Er is immers geen aanraking meer geweest tusschen de twee. De

[p. 64]

bron der gemeenschappelijke herinneringen zal hoe langer hoe meer uitgeput raken. De kust van het gemeenschappelijk bewoonde land is nauwelijks meer zichtbaar. De herhaling zal vermoeiend worden; slijtage van gevoelens en herinneringsbeelden zal niet uitblijven. Het is niet mogelijk vijftien, twintig, dertig jaren lang over dezelfde dingen te schrijven. Er is alleen maar van afgenomen en er is niets bijgekomen. Maar zoo is het niet gegaan. Er is een gelijkmatigheid, die niet van een onaandoenlijke rust komt, maar beheersching beteekent, ingehoudenheid van levend gebleven verlangens.

De brieven van haar - die van hem zullen in Amerika na haar dood misschien gevonden zijn door verre familieleden of goede kennissen als zij ze zelf niet reeds te voren vernietigd heeft - zijn van zulk een op een langen duur berekenden adem. Ergens, diep in haar begraven, zal de zekerheid van het weten zijn geweest, dat zij elkander nooit zouden terugzien, dat de zeeën tusschen hen zouden blijven. Ook is zij zeker geweest van zich zelf, van de kracht in haar gewekt, die haar wezen altijd weer zou doen keeren naar dien eenen jongen schilder in Holland. Een vergeefsche kracht, maar één zoo sterk als de kiemkracht in zaad, zoo onwrikbaar als een berg en vol zachtheid, warmte en innigheid. Alleen zoo moet het haar mogelijk zijn geweest een lang leven door en wel veertig jaren na de laatste ontmoeting, nooit het verlangen en den droom te zien dooven, nooit die zachte mildheid van stem te verliezen, dat stille, berustende en steeds toch nog verlangende geluid te onderhouden, waardoor de eerste brief aan den laatsten vrijwel gelijk was. Als was het gisteren geweest, dat zij elkander verlieten. Er is soms, met het klimmen der jaren, iets mats in haar toon, iets vermoeids. Er is, in de latere brieven, iets van het herfstige, dat huiveren doet en de innigheid tot een kostbaar iets doet worden in de wijdheid van het alleen-zijn, dat naar den winter toe zoo oneindig diep de hemelruimte kan ingaan.

Maar het oude gemeenschappelijk bezeten beeld, het oude zoo veelvuldig te voorschijn gehaalde herinneringstafereel en het niet aflatende zich wenden van het wezen, het zich openen van het gereede hart naar dien kant van waar nooit eender verlangen, nooit gelijke warmte, maar zeker een begrijpend, zacht en genegen gevoel kwam, dat alles kende geen moeheid, geen zatheid, geen bitterheid, geen zwijgen.

Eens zond zij een profiel portret, romantisch, met het hoofd even ter zijde, de schelp der oogen half geloken en rozen, heerlijke rozen en een roos in het haar. Een portret uit den tijd toen Eleonora Duse nog voor veel kunstenaarsharten de vereerde bezielende vrouwengestalte was. Een mengeling van een Ophelia en la Dame aux Camélias, later, gerijpter, de smartelijke, verteerende vrouwenfiguren van Ibsen. Die tijd is in dat portret, tijd van gevaarlijke droomen, van teedere en van hartstochtelijke gebaren, van smeulende erotiek onder wazige, weemoedige verfijningen. Het Amerikaansche portret was van

[p. 65]

een zachter, rustiger, stiller figuur, maar het had de weemoedige romantisch-smartelijke bekoringen van den tijd.

Soms kwamen er kleine voorbeelden van wat zij schilderde, gewone water-verfteekeningen, gering van omvang en niet sterk van kunnen, mededeelingen over een landschap, dat zij bewonderde of waar zij een vacantie genoot.

Er kwamen eigengemaakte Kerstkaarten en van die kleine, vrouwelijke gaven, die niets om het lijf hebben en toch tot de kostbaarste dingen behooren, die een man kan ontvangen en die hij, tot ze verprutst en verfrommeld zijn, bewaart.

In den oorlog van 1914 botsen de meeningen, want er was in Karsen, en het vond zijn oorsprong in den Boeren-oorlog en vervolgens uit den omgang met de Afrikaanders, een neiging voor de zaak van Duitschland te voelen. Zij kon die neiging niet in overeenstemming brengen met zijn aard en gemoed. De eenige brieven, die vrij heftig van toon waren, schreef zij toen. Maar zij liet toch niet toe, dat het tot een breuk kwam. Zij verstonden elkander te goed en de oorlogs-psychose, die zooveel geestelijke vriendschappen hier verstoorde en soms voor goed vernielde, bleek niet in staat de verstandhouding van deze twee menschen te ontwrichten.

Wij weten niet hoe zij Karsen zag, maar wel dat zij in hem den jongen bleef zien. Als zij een aardig jeugdig model heeft, schrijft zij: ‘I am much interested - he continues to remind me of you in many ways, and perhaps that is one reason why I understood him better than most people do.’

Een enkele maa vergat zij tijdig een verjaarsbrief te schrijven. Diepe spijt bevangt haar dan als zij het ontdekt en roerend legt zij uit hoe het kwam. Zij poogt hem een idee te geven van haar leven daar en van haar werk. Moeilijk heeft zij het vaak, maar zij slaagt er toch in rond te komen. Bij het ouder worden voelt zij zich - als Karsen - steeds minder thuis in deze wereld.

In den nacht van 1926 op 1927 schrijft zij aan haar ouden vriend:

‘I have just reread your Christmasletter and I comprehend it, dear friend. We are living in a strange, unsettled and materialistic age, and it is difficult to reconcile ourselves to the strangeness of it. And yet, I believe there are strong spiritual forces at work and we may live to see a better world emerge from the present.’

Steeds keert het thema terug van haar eenzaamheid en haar verlangen.

(1915) ‘I certainly love young people, but often, dear Karsen, I long for a friend of my own age, and you cannot wish more than I, that it were possible for us to walk together again, in the beautiful spring weather. How many good talks we used to have.’

(1927). ‘How I would like to see you and talk with you again in our old pleasant way - we had so much in common, even if we did disagree occasionally!’

[p. 66]

Telkens weer met varianten heeft Karsen moeten lezen:

‘I have no man friend here, near my own age, and no real artist friends, which I often regret. My life has been a good deal apart always... I realise how much I have missed in family life, and how really alone I am - but fortunately I have grown so accustomed to living by myself, that I am seldom depressed by it.’

Eens (1929) haperde zij. Dreigde iets te breken?

‘... but somehow, often as I thought of you, writing seemed more difficult than usual -.’ Het is een tijd waarin zij zich meer dan gewoonlijk rather lonely voelt.

En Karsen, aan de andere zijde, in zijn geliefd Amsterdam, zal aan den tijd gedacht hebben toen hij veel de verzen van Edgar Poe las en zich vereenzelvigde met de regels: ‘It was night in the lonesome October of my most immemorial year.’ Haar vrouwelijke intuïtie moet in Karsen iets hebben geraden van verlangens en droomen, die zij herkennen kon, omdat ze eens verwant waren aan de hare. Toen hij haar ontmoette, had hij zijn treurige geschiedenis achter zich, maar nog niet overwonnen, was de wonde nog niet geheeld.

Nog eens zond zij een foto. Een oude vrouw; zij liep met een stok, een been was stijf gebleven na een val met een lift. Een dapper, gesloten gezicht, niets wrangs of bitters. Altijd die goede zachtheid toch van binnen, bereid en gereed, altijd. En nooit ontvangend wat zij eens droomde te zullen ontvangen. Zij stierf niet van verdriet en toch was haar leven als een ballade, anders dan die zij eens gedicht had, met de initialen van Karsen en haar zelf vervlochten in het slot.

Zonder haar stille, ontroerende aanwezigheid, meer dan veertig jaren lang, zonder elkander ooit weer te zien, wisselend tevergeefsche teekens van iets dat in beiden nooit gestorven was, zou het verhaal van het leven van Karsen een stem gemist hebben. Verwant, elkander weerspiegelend, en toch niet voor elkander bestemd, anders dan met het water er tusschen.

 

Karsen was een lang leven beschoren. Anders dan de dichters, die hem zoo na stonden in den geest, anders dan Shelley, Poe, Baudelaire, Verlaine, maar overeenkomende met dichterlijke schilders als Thijs Maris en Camille Corot, had hij een wereld-vreemd dichterschap in zich en tegelijk het behoudende en beschuttende in zich, niet het roekeloos zich overgeven aan het gevaarlijke leven.

Eenmaal was zijn geest in zoo'n groot gevaar geweest, maar hij was gered, ofschoon nooit geheel genezen. Toen hij den leeftijd der zeer sterken had overschreden, verloor hij langzamerhand het geringe, maar voor zijn leven toereikend gebleken verband met de wereld. Hij werd onbereikbaar, de wereld was hem blijkbaar een donker en dreigend visioen geworden, vol kruipend ongedierte. Langzaam redde de waanzin hem uit het smartelijke leven. Het

[p. 67]

land bezet, Europa onder den voet geloopen, het leven in den greep van satanische machten.

Zijn schildersverlangen had reeds in den loop der jaren aan vormdrang verloren. Wel bleef hij bezig, wel kon hij niets loslaten van hetgeen zooveel jaren zijn volle liefde had gehad, zijn palet en penseelen, de heerlijkheid van de fijne schakeeringen, die hij nog altijd zocht. Zelfs had hij omstreeks zijn zeventigste jaar het verlangen zijn werk, voor zoover mogelijk, nog eens te zien, te her-zien en te keuren. Hij zocht het overal op, waar hij wist dat het hangen moest en nam het soms mee naar zijn atelier ‘om het in een avondzonnetje te zetten’. Het is niet altijd met zekerheid vast te stellen geweest, dat hij er werkelijk iets aan gedaan had, maar vermoedelijk heeft hij hier en daar wel getracht er nog iets aan te doen, hetgeen voor werk van deze subtiliteit niet zonder gevaar was.

Vergeten was hij niet. Hij had den roem van een Breitner niet gekend, noch die legendarische en anecdotische sfeer van Thijs Maris. Karsen was in zijn wereldvreemde eenzaamheid toch onder de menschen gebleven. Hij had zich met het vereenigingsleven bemoeid, zich in Arti soms danig geroerd. Met het klimmen der jaren was hij de gezelligheid der menschen niet ontvlucht. De groote vrienden Witsen, Verster, Verweij waren hem ontvallen. Hij behield echter de banden met de familie, met enkele vrienden van zijn werk, met de vrouw van Witsen en anderen, die hem genegen waren. Nog in 1939, ter eere van zijn komenden tachtigsten verjaardag, was een deel van zijn beste werk bijeen in de zalen aan de Heerengracht van de heeren Huinck en Scherjon. Onder de jongeren waren er, die zijn waarde zagen. Zijn oeuvre was niet omvangrijk, doch minder eentonig of eenzijdig dan wel werd verondersteld. Zijn stem was nooit groot van geluid geweest, maar omdat ze gedragen werd door een stilte en omdat zijn kleur was aangetast door een vreemd licht, drong zijn werk dieper door dan materieel zooveel sterker uitgerust werk.

Toen hij in het reeds door den oorlog versomberde Amsterdam stierf, was er alle aanleiding hem de eer te bewijzen die aan laatste vertegenwoordigers van een generatie, die der Tachtigers, schrijvers en schilders, steeds wordt bewezen.

Gevaarlijk eerbetoon, omdat in den regel het leven daarmee te kennen geeft, zonder het met zooveel woorden te zeggen, dat dit de laatste dwaas was van een soort, waar men gelukkig geen rekening meer mee behoeft te houden. Een overschatte en een verouderde soort, reeds jaren ten achter bij het leven, dat is voortgegaan. Eerbetoon, dat meer uit plicht dan uit liefde wordt ingegeven.

Het werk van Karsen weerstaat echter de gruwelijkste tijden beter dan veel, dat ons vroeger levenskrachtiger geleek. En zijn leven, met zijn glans, zooals ik het in en achter zijn werk nu heb gezien, had zoo iets zeldzaams, dat het door dit boek misschien nog wat langer in enkelen van ons mag blijven leven, tot steun wat het leven van ons vraagt.

prepostterug  begin  verder