Leven in geleende tijd. Over Menno ter Braak


auteur: Léon Hanssen


bron: Léon Hanssen, Leven in geleende tijd. Over Menno ter Braak. Gemeente Eibergen, [Eibergen] 1992


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 61]

Leven in geleende tijd

SEDERT DE DAG van de inval der Duitsers op 10 mei 1940 in Nederland heeft moeder Ter Braak een dagboek bijgehouden. Tussen 16 en 19 mei bevat dit - heel summier - de volgende aantekening: ‘Menno is op 15 Mei gestorven, wij hebben het pas op 18 Mei gehoord en zijn er met ds Faber heengegaan. Hij was toen 's morgens begraven’.

Nog meer dan zijn geboorte is ook het levenseinde van Menno ter Braak met mysterie en mythevorming omgeven. Dit komt niet door zijn toedoen. Wat hij ook wilde zijn, niet een martelaar of een held. Het besluit onder bepaalde omstandigheden niet langer te willen leven had hij reeds vele jaren eerder genomen. Misschien heeft daardoor de gedachte bij hem postgevat als het ware te leven in ‘geleende’ tijd, met de mogelijkheid van de dood altijd in de buurt. In zijn essays uit de jaren twintig had hij geprobeerd leven en dood als een eenheid te denken en hij omschreef deze eenheid met de woorden ‘in het leven te kunnen sterven, in de dood te kunnen leven’. Maar hij wist dat men voor de dood geen plaats moest inruimen boven het leven. Alleen in het leven ligt verlossing (‘Het schoone masker’, 1927). Achterin het kasboekje dat hij in zijn studietijd te Berlijn in 1927 bijhield, legde hij deze gedachte tussen andere aantekeningen heel duidelijk vast: ‘De ontsnapping in de dood is een ontsnapping van niets’. Een zekere illusieloosheid heeft hij echter altijd behouden, wellicht overeenkomstig de geest van kerkvader Augustinus volgens welke we in het doorgangshuis dat deze wereld is, met eer moeten proberen te leven om de kerker van dit bestaan met des te meer eer te kunnen verlaten. Ter Braak bezat de zuiver-individualistische geest van de eerste christenen die sober waren en kuis en in laatste instantie de dood niet uit de weg gingen. Hij was ook een echte erfgenaam van de Wederdopers die in opstand kwamen tegen het rigide, verstarde karakter van de kerkelijke leer en zich daartegen verzetten met de wapens van het intellect. Deze geest van

[p. 62]

contestatie, van het betwisten van een zaak, bezat Menno ter Braak in grote mate.

Polemiseren was voor Ter Braak een daad van zelfbevestiging. Nog in Politicus zonder partij schreef hij: ‘men moet over de dingen des geestes op een onverzoenlijke toon spreken’. Een polemist leeft en werkt voor eigen rekening, zonder aanroeping van een barbaarse volksgod. Hij doet alles om aan de verstarring in een leer of een collectief te ontkomen. Hij probeert onder zijn eigen beheersing te staan, zichzelf te kennen en te aanvaarden en neemt zonder leugens of valse illusies zijn daden op zich. Ongetwijfeld huldigde ook Menno ter Braak het oude dichtersideaal van ‘joi e joven’, van vreugde en jeugdigheid, maar in een tijd van wat E. du Perron noemde ‘enorme en bezonken smeerlapperij’ (brief van 22 september 1933), wist hij dat dit ideaal niet te verwezenlijken was en dat het hoogste zou zijn te leven als een ‘honnête homme’. Dit begrip, dat Ter Braak ontleende aan de Franse godsdienstig filosoof en natuurkundige Blaise Pascal (1623-1662) en in zijn Politicus voor het eerst naar voren bracht, was in het Nederlands taalgebied wel eerder gebruikt. In het opstel ‘Dr. Kollewijns Bilderdijk’ had Allard Pierson (1831-1896) bijvoorbeeld reeds geschreven: ‘Zelfbezit toont van het begin tot het einde den schrijver van goeden huize, die de stem niet noodeloos verheft, die zijn gevoelens niet voor het eenig mogelijke houdt, die zich in alle opzichten gedraagt als honnête homme, dat is, als iemand die zelf beseft, hoeveel er tegen zijn beschouwingswijze is in te brengen’ (De gids, oktober 1891). Ter Braak kwam tenslotte in Van oude en nieuwe christenen tot een heel korte vertaling van ‘honnête homme’ met het onvervalst Nederlandse ‘fatsoenlijk mens’.

Om een polemist te zijn en daarbij toch een fatsoenlijk mens telt misschien dubbel zwaar. Leven als polemist was voor Ter Braak een consequentie van Nietzsches idee van de ‘wil tot macht’: ‘Men moet leven, zus en niet zoo leven, en wie dat niet door vrijzinnigheid wil verdonkeremanen, leeft vanzelf polemisch’ (aan A. Roland Holst, 25 augustus 1931). De honnête homme mag zich echter op niets laten voorstaan. Hij is steeds even hulpeloos als zijn opponent. De inzet van de polemiek is wel in de laatste plaats het genoegen de tegenspreker af te maken. In een van zijn Propria cures-stukken schreef Ter Braak dat kritiek de functie moet hebben tot ‘tegenspraak te stimuleren’ (6 februari

[p. 63]

1926). Dit is een strijdbare deelneming. Het gaat daarbij niet om glorie of roem. Rembrandt moet eens gezegd hebben: ‘Als ik mijn geest uitspanninge wil geven, dan is het niet de eer die ik zoek, maar vryheit’. Om vrijheid, om het aftasten van de grenzen van zijn persoonlijkheid was het Ter Braak te doen. In laatste instantie is dit een daad van zelfbevestiging. Zo wilde hij ook zijn dood opgevat zien.

Het centrale probleem bij Ter Braak is misschien dit: hoe gecompliceerd en tegendraads kan iemand zijn en daarbij toch geen verscheurde ziel, toch nog harmonisch? Hij was daarin een nuchtere Dionysos. Twee begeerten kende hij: alles vloeiend, ongrijpbaar te laten als muziek, en tegelijkertijd alles voor te dragen in vaste betekenissen en zinrijke formules, als helder begrip. Tussen deze uitersten zocht hij zich een plaats. In de dichter Dèr Mouw bewonderde hij de ‘geestdriftige koelbloedigheid’, waarachter de passie van een uit levensnoodzaak filosoferende schuilging (1925). Menno ter Braak kon en wilde grenzen doorbreken, maar hield zichzelf in toom, misschien uit zelfbescherming, misschien uit een innerlijk fatsoen. Zijn schrijven en zijn leven laten zien hoe iemand de kunst beoefent van een scherp formulerend raden. Zekerheid was niet zijn zaak. Hij verkeerde daarbij tot de wereld in een houding van beheerste contramine. In zijn weinige jaren had hij afgeleerd van haar veel te verwachten. Hij kende de activiteit en de inzet van de deelnemer, maar behield de afstandelijkheid en het contemplatieve van de toeschouwer. Het ‘zelfverlies wagen’, zoals een dichter ried, ging hem daarbij te ver. Hij wist dat hij dit niet moest doen. In verband met Thomas Mann schreef hij eens met heel mooie woorden over ‘de nuchterheid in de geestdrift, die wijst op de zelfbevrijding van de mens’ (1935). Deze zelfbevrijding is wat Ter Braak wel gewaagd heeft. Hij gedroeg zich daarbij in grote zuiverheid.

[p. 64]

De Gemeente Eibergen ben ik om twee redenen dank verschuldigd. Ten eerste omdat zij het initiatief heeft genomen een boekje uit te brengen over de binnen haar grenzen geboren schrijver Menno ter Braak (1902-1940). In de tweede plaats omdat zij mij de vrijheid heeft gegeven haar opdracht, de persoon en het werk van Menno ter Braak aan een algemeen publiek nader voor te stellen, naar eigen goeddunken te vervullen. Mijn grote erkentelijkheid geldt ook al degenen die mij tot dusver in het onderzoek naar deze bijzondere persoonlijkheid behulpzaam zijn geweest. Tenslotte spreek ik graag mijn waardering uit voor Herman Gordijn, die met vier portretten van Menno ter Braak aan de totstandkoming van dit werk heeft willen bijdragen.

 

Amsterdam, Léon Hanssen