Agon, sulthan van Bantam


auteur: Onno Zwier van Haren


editeur: G.C. de Waard


bron: Onno Zwier van Haren, Agon, sulthan van Bantam (ed. G.C. de Waard). Martinus Nijhoff, Den Haag 1979 (2de druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 6]


illustratie
Onno Zwier van Haren
Gravure avant la lettre van Philip Velijn; Prentenkabinet Rijksuniversiteit Leiden


[p. 7]

Woord vooraf

‘Windstilte’ heet in het Panorama der Nederlandse Letteren (Amsterdam 1948) onder redactie van Dr. J. Haantjes en Prof. Dr. W.A.P. Smit het hoofdstuk waarin F.W. van Heerikhuizen de letterkunde van ‘de pruikentijd’ behandelt. Bladstil was het in die periode van onze geschiedenis echter beslist niet op het politieke erf en tot een storm wakkerde de wind aan in het persoonlijk en maatschappelijk leven van de man wiens literair debuut hier aangeboden wordt aan lezers die het, anders dan hun voorgangers van twee eeuwen geleden, onbevooroordeeld ontvangen kunnen. Had die storm niet gewoed, dan zou de tragedie Agon, Sulthan van Bantam misschien nooit geschreven zijn, dan zou er naar alle waarschijnlijkheid nimmer een dichter Onno Zwier van Haren bestaan hebben.

Het heeft mij bijzonder verheugd, dat de redactie van de reeks ‘Klassieken uit de Nederlandse Letterkunde’ bereid was, in te gaan op mijn voorstel, het om meer dan één reden belangrijke drama uit te geven. Dat zij mijzelf de voorbereiding van de editie wilde toevertrouwen, heb ik als een eer beschouwd. Zeer gewaardeerd heb ik het ook, dat mij de gelegenheid werd geboden om de tekst uitvoeriger in te leiden dan voor de reeks gebruikelijk is. Prof. Dr. W.A.P. Smit en Prof. Dr. G. Stuiveling hebben mij bij mijn arbeid met raad en daad terzijde gestaan.

Een aantal merendeels betrekkelijk recente publikaties in de Zwolse reeksen nodigen de meer dan belangstellende lezer uit, zich te bezinnen op de waarde van onze vaak verguisde achttiende-eeuwse literatuur. Ik vlei mij met de gedachte dat ik door de uitgave van Agon, Sulthan van Bantam op bescheiden wijze tot een herwaardering van die letterkunde heb mogen bijdragen.

 

Zwijndrecht, december 1967/1978

G.C. de Waard