Agon, sulthan van Bantam


auteur: Onno Zwier van Haren


editeur: G.C. de Waard


bron: Onno Zwier van Haren, Agon, sulthan van Bantam (ed. G.C. de Waard). Martinus Nijhoff, Den Haag 1979 (2de druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 9]

Inleiding

De auteur

Leven

Onno Zwier van Haren werd op 2 april 1713 te St. Anna Parochie geboren als het tweede kind van Adam Ernst van Haren, grietman van Het Bildt, en Amelia Henrietta Wilhelmina du Tour. Na het overlijden van haar man in 1717 werd de moeder - zij was een verkwistende vrouw - door haar schoonvader Willem van Haren gedwongen, hem als voogd over haar kinderen te erkennen. De verdere opvoeding van het oudste kind, zijn naamgenoot, nam de grootvader zelf ter hand; de drie jaar jongere Onno kwam onder de hoede van zijn oom Duco van Haren, grietman van Stellingwerf-Westeinde, welke waardigheid hij na diens dood in 1742 erfde; het in 1715 geboren zusje Frouck bleef bij haar moeder.

In 1722 werd Onno Zwier leerling van het gymnasium te Zwolle; daarna studeerde hij van 1727 tot waarschijnlijk 1734 rechten in Franeker en Utrecht. In Friesland teruggekeerd, werd hij historieschrijver van zijn gewest, burgemeester van Sloten en afgevaardigde ter generaliteit. Vier jaar later (1738) trad hij in het huwelijk met Sara Adeleida van Huls, die hem elf kinderen zou schenken, van wie er een heel jong overleed. In 1739 deed hij zijn intrede in de Raad van State, waarvan hij in 1746 voorzitter werd. Nadat hij in 1747 Willem IV bij diens intocht in Amsterdam vergezeld had - deze gebeurtenis heeft blijkens De Geusen een onvergetelijke indruk op hem gemaakt - werd Onno afgevaardigd naar de Zwitserse kantons om troepen te werven voor de Staten, die mede op aandrang van zijn broer hadden deelgenomen aan de Oostenrijkse Successie-oorlog, waartoe zij door de ondertekening van de Pragmatieke Sanctie verplicht waren. Bij de vredesonderhande-

[p. 10]

lingen in het volgende jaar te Aken was hij een der afgevaardigden. In 1749 vestigde hij zich te 's-Gravenhage en in 1755 werd hij lid van de Admiraliteit van Amsterdam.

In 1751 was Willem IV overleden. Acht jaar later stierf ook de weduwe, Prinses Anna, en nu kregen de vijanden die Van Haren zich, bewust of onbewust, gemaakt had, vrij spel. Het moet zijn voornaamste tegenstander, de Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, voogd van de minderjarige Willem V, veel genoegen gedaan hebben, dat de familie hem zelf het wapen in handen gaf om zijn vijand van het politieke toneel te verwijderen: een zedenschandaal. In 1760 wordt Van Haren door zijn oudste en zijn derde dochter, door zijn schoonzoon Van Sandick en zijn a.s. schoonzoon Willem van Hogendorp beschuldigd van oneerbare handelingen met zijn dochters. Mogelijk onder bedreigingen brengt men hem ertoe, een verklaring te tekenen waarin hij zich schuldig bekent aan een ‘crimen tentati incestus’. Tevens belooft hij daarin, Holland te verlaten en er zonder toestemming van zijn schoonzoons niet terug te keren. In april 1761 geven de Staten van Friesland hem echter een nieuw mandaat en verschijnt hij weer in de Staten-Generaal. De zaak wordt nu via de hertog aanhangig gemaakt bij de raadpensionaris, en het resultaat is dat de Algemene Staten hem voorgoed buiten hun vergaderingen sluiten.1

Daarmee is het lot van de staatsman Onno Zwier van Haren beslist. Nu hij op het politieke toneel uitgespeeld is, wordt hij zich echter andere gaven bewust: voortaan zal de dichter Onno Zwier van Haren spreken.

Door de gebeurtenissen van 1761 definitief van alle staatsambten uitgesloten, was Van Haren niet meer aan Holland gebonden; de rest van zijn leven bracht hij in Friesland door, beurtelings te Leeuwarden en te Wolvega, op ‘Lindenoord’. In de nacht van

[p. 11]

6 op 7 november 1769 werd op dit buitenhuis ingebroken. Van Haren meende, dat de inbrekers het op zijn leven voorzien hadden: hij zag in de inbraak de hand van de Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, evenals in de brand die 20 oktober 1776 ‘Lindenoord’ verwoestte.

Jhr. Onno Zwier van Haren, Fries edelman, zoals de titelbladen van zijn werken vermelden, moet door zijn rijzige gestalte en zijn doordringende blik een imposante verschijning geweest zijn. Ook in geestelijk opzicht was hij de meerdere van vele zijner tijdgenoten. Hij was een man met een gezond oordeel, een rijke verbeelding en een bijna onbegrensd geheugen, een levendig, werkzaam en standvastig mens. De vijanden die hij had, bezorgde hij zich o.m. door onbuigzaamheid en sarcasme. Als kind van de achttiende eeuw was hij rationalist, ook in zijn godsdienstige overtuiging, waarin de deugdverheerlijking een belangrijke plaats innam. Stoïcijns intellectualisme was hem zeker niet vreemd, maar of hij een puur deïst genoemd moet worden, valt te betwijfelen1.

Onno Zwier van Haren was niet alleen een bekwaam staatsman en diplomaat, hij was tevens een man van grote eruditie. In zijn gymnasiumjaren had hij de klassieken leren bewonderen. Met zijn tijdgenoten kende hij de Franse literatuur (hij had veel waardering voor het dramatisch oeuvre van Voltaire), maar daarenboven las hij Milton, Macpherson2, Pope en Swift, Camoëns en Tasso. Aan de universiteit in Franeker had hij naast juridisch onderricht privaatlessen in de geschiedenis gekregen; in zijn verdere leven hield hij zich steeds met historische onderwerpen bezig. Zijn kennis van onze maritieme en koloniale geschiedenis zal hij wel opgedaan hebben uit het zeer grote aantal reisbeschrijvingen dat hij bezat3.

In 1774 werd Van Haren benoemd tot lid en vier jaar later tot directeur van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.

[p. 12]

Op 1 mei 1777 was hij lid geworden van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen.

Onno Zwier van Haren overleed op 2 september 1779; zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in het familiegraf in de kerk van St. Anna Parochie. Op de 12e september d.a.v. sprak zijn vriend Ds. S. Nauta van Wolvega een lijkrede op hem uit.

Werk

Het eerste geschrift dat Onno Zwier van Haren publiceerde nadat hij definitief tot een ambteloos leven veroordeeld was1, is een gelegenheidswerk en stamt nog uit zijn politieke periode. De bijzetting van het stoffelijk overschot van Willem IV in de grafkelder der Oranjes te Delft, in 1751, was niet vergezeld gegaan van het uitspreken van een lijkrede. Op verzoek van Prinses Anna schreef Van Haren daarom, uitgaande van de Klaagliederen van Jeremia, hoofdstuk 3 vs. 40-42, alsnog een Lykreeden over wylen Syne Hoogheid Willem de IV..., die hij ingevolge uitdrukkelijk verlangen van de prinses pas in 1766 bij het meerderjarig worden van haar zoon in het licht gaf.

Drie jaar later, in 1769, verscheen eveneens te Leeuwarden Onno's eerste literaire werk, het treurspel Agon, Sulthan van Bantam, waarvoor hij de stof wellicht leerde kennen toen hij werkte aan de verhandeling Van Japan: met betrekking tot de Hollandse Natie, en de Christelyke Gods-dienst (Zwolle 1775) en aan de beschrijving van het leven van gouverneur-generaal Camphuis. Deze biografie werd in 1772 te Zwolle gedrukt onder de titel Proeve, op de Leevens-beschryvingen der Nederlandsche Doorlugtige Mannen: behelzende het Leeven van Joannes Camphuis, Haarlemmer. Zijn biografie van Bloys van Treslong, admiraal van Holland en Zeeland, ging bij de brand van ‘Lindenoord’ verloren; gedeeltelijk bewaard bleef de beschrijving van het leven van de zeer door hem bewonderde Mr. François Fagel, griffier der Staten-Generaal2. Aan het eind van hetzelfde jaar als Agon verscheen Aan het Vaderland, een dichtwerk

[p. 13]

in twintig zangen. Het werd herschreven in vierentwintig zangen en kreeg toen de titel De Geusen (1771), een wijziging die niet vreemd is voor een nakomeling van Daam van Haren, de Watergeus.

De tragedie Willem de Eerste, Prins van Oranje (1773) is van geringer waarde dan de eersteling: er is weinig of geen actie. Ter herdenking van de Unie van Utrecht schreef Van Haren het toneelspel Pietje, en Agnietje, of De Doos van Pandora (1779), waarvoor de Franse arlequinade La Boîte de Pandore1 het uitgangspunt was. Ook op niet-literaire wijze vierde hij het eeuwfeest, nl. met een Proeve van eene Nationale Zeedelyke Leer-reeden van een oud man aan de jeugd van Nederland over de woorden van Ezra, Cap. III. v. 12 (Zwolle 1779).

In de jaren 1776 tot 1778 maakte Van Haren een aantal lierzangen, die bijna alle gericht waren aan zijn vrouw en kinderen; zo b.v. De Herschyning (1776) aan Adeleide, De Inenting (1777) aan Sara Maria van den Heuvel, zijn schoondochter, De Koopman (1778) aan haar man Duco, zijn oudste zoon. Voor Jan Poppe Andrée van Haren vervaardigde hij een Proeve van Overzetting uit het Engelsch. Overzetting van de Eerste Brief van Pope's Essay on Man (1776). De lierzang De Vryheid voor zijn zoon Carel Willem ging vergezeld van een lange Nieuw-jaars Brief aan myn jongste Soon (31 december 1777) en was bedoeld als toelichting op regel 94 uit de vijftiende zang van De Geusen: ‘Die sterven durfd is altyd Vry’. De eerste en gedeeltelijk de tweede zang van Aan het Vaderland werden in 1778 herschreven tot De Koop-handel, waarmee de auteur het Zeeuwsch Genootschap eerde. De overige lierzangen zijn: De Landbouw (1777), Vaarwel! van een oude Vader, aan syn Soon, ... (1777), De Staatsman (vóór mei 1778), De Schimmen (1778) en De Offerhande van Themistocles, die evenals de ‘proeve van een lofzang om te werden gesteld in Musyck’ De Komst van de Messias vermoedelijk van 1777 dateert. Had Willem van Haren een gedicht gewijd aan het menselijk leven in het algemeen, Onno Zwier overzag in de hekelzang Mijn gepasseerd Leeven zijn eigen bestaan. Dit gedicht werd openbaar gemaakt door J.H. H(albertsma).2 In de

[p. 14]

tijd dat Van Haren zijn lierzangen vervaardigde, werd ook de lezenswaardige Verhandeling over de Nationaale of Vaderlandsche Gedichten gepubliceerd1.

Onno Zwier van Haren was een ‘dichter van de vrijheid’2. Zijn nationaal-historische vrijheidsideaal was oranjelijk en godsdienstig3: God schonk de Oranjes als handhavers der vrijheid, en Van Haren is ervan overtuigd ‘dat de Prinsen van Oranje maar zyn groot geworden door den Christelyken Gereformeerden Godsdienst, dat Hunne macht is vermeerderd na maate van hun aankleeven aan die Godsdienst, en dat wanneer de Gereformeerde zuivere Kerk niet meer in deese Landen zal weesen, de vermindering, zo niet de ondergang, van het Huys van Oranje, hier van het gevolg zal zyn!’4