|
|
|
| |
| | | | | |
Eerste toneel
Agon. Fathema. Hassan.
925
NEen, Mevrouw, neen, gy zult uw schuilplaats niet verliesen,
En Agon zal veel eer het uitterste verkiesen 926
Als dat hier ooyt door hem verlaaten zy het pand,
Het welk syn stervend Vriend vertrouwd heeft aan syn hand
Maar, wat ik bidden mag wilt dog uw moed bedaaren! 929
930
Gy zyt niet aan het hoofd van uwe Maccassaaren;
Een Vorst die veinsen kan, heeft dikwyls door de tyd, 931
Op 't onverwagst gezien het geen syn hart verblyd.
Schoon myne razerny ten toppunt is gereesen,
Ik zal niet haastig zyn, ik zal gematigd weesen.
935
Maar wee dat Volk, dat nu myn geduld zo veel vergd! 935
Dat myn langmoedigheid, myn haat zo bloedig tergd!
't Schuym van Europa zal Fathema wetten geeven!
'k Zou van Batavia afhanklyk kunnen leeven?
Gy zyt nog vry, Mevrouw, en ver van dat geval; 939
| | | |
940
't Is nog niet zeeker wat men ons hier voorslaan zal:
En door wien, of voor wien, dees' zaak ook is begonnen
Wy zyn nog niet gedreigd, en veel min overwonnen.
Ik denk dat die Gezant zo voorzigtig zal zyn
Van niets te zeggen 't geen hier 't minste honend schyn' 944
945
En dat Fathema niets uit syne mond zal hooren....
Het is geen tyd om nu aan woorden zig te stooren: 946
Hassan hoe sterk ons magt, hoe groot uw moed ook zy,
De staat daar wy in zyn band alle hoovaardy. 948
Ik heb Batavia reeds meermaal hare kragten
950
Zien zenden in het Oost tegen de sterkste magten,
En 'k heb altyd bespeurd, welk Vloot dat sy ook zond,
Dat d' uitslag aan de keur van haare Veldheer stond: 952
En zo sy tegen ons een van die had verkooren
Door wiens lafhartigheid Formosa ging verlooren, 954
955
Zo 't niet was St. Martin die hen hier komt gebiên 955
Gy zoud my zonder zorg en ongerustheid zien:
Maar 'k weet dat van die geen' die in ons Indien varen
Niemand hem in Krygskund' en moed kan evenaaren.
Ik vrees hem nogtans niet, maar de Voorzigtigheid
960
Vereischt maatregulen tegen syn kundigheid:
*Hy heeft zo wel na u als na my laten vragen,
't Is best dat gy eerst hoord wat hy u zal voordragen, 962
't Is nodig dat hy zie dat gy in Vryheid bent,
| | | |
En, schoon in Bantams Hof, egter geen meester kendt;
965
Dat men aan uw alhier geen wetten wil voorschryven,
En niet bevreest is u alleen te laten blyven:
'k Zal naderhand, by u, aanhoren syn gesprek, 967
En hem 't verzogt gehoor geven in dit vertrek.
**Gy, draag zorg om de tyd ten nutte te besteeden
970
Wat ook het Lot aan ons bereiden mag op heeden.
| |
Tweede toneel
WAt ook het Lot voor my heden bereiden zal,
Ik zie niet dat ik heb te vreesen lager val. 972
Myn Vader heeft wel eer, door 't staal van die Barbaren,
Verlooren op een dag duizenden Maccassaaren 974
975
Syn schatten, Ryken, Vrouw! en ik, boven dat al
Nog myne Vader self in deeze droeve wal! 976
En haar laatdunkendheid durfd nog zig onderwinden 977
Om hier Fathema's hand aan Abduls lot te binden!
Fortuin, gy hebt getoond uw magt over myn Land,
980
Myn leven en myn hart zyn buiten uwe hand. 980
| |
Derde toneel
Fathema. St. Martin.
MEt hoe veel lof men hoord Fathema's schoonheid prysen,
Ik zie haar byzyn daar de waarheid van bewyzen, 982
| | | |
Ik zie dat Agon's Hof bezit de grootste schat
Die Indiën in haar schoot, of 't gansche Oost bevat. 984
985
Batavia verlangd haar eerbied uw te toonen,
En met haar' eigen hand Fathema's hoofd te kroonen,
En haar Regeerings Raad zoekt aan Fathema's hart 987
Zo veel als doenlyk is t' afneemen alle smart; 988
Te doen vergeeten het gebeurd' in vroeger tyden,
990
En haar geluk en 't ons' te vesten aan weêrzyden. 990
Myn last is dat ik dit op alle wys' betracht; 991
En 'k zal gelukkig zyn wanneer ik 't heb volbracht.
De naam van St. Martin, en syn hoedanigheden,
Zyn hier niet min bekend, als syn beschaafde zeeden,
995
En zo ik kon iets goeds wagten van Hollands kant
Sou 't waarlyk moeten zyn door zulk een Afgezant;
En 't beste middel om myn hart na haar te wenden
Was zeekerlyk, Myn Heer, om u alhier te zenden.
Maar hoe vergeetelheid tusschen ons kan bestaan,
1000
Na 't geen Batavia myn Huis heeft aangedaan,
Welke Kroon op myn hoofd geplaatst door hare handen
Aan my vergoeden zal Celebes ryke Landen; 1002
Is iets 't geen ik verlang met veel nieuwsgierigheid
Te hooren uit een mond van zo veel kundigheid.
1005
Indien Fathema's Huis gelyk in vroeger jaaren
Sat vreedig op den Throon van 't Ryk der Maccassaaren,
Zo all' de Ryken van Celebes, als voorheen,
Waaren onder een Hoofd, en in haar magt alleen, 1008
Zo enig Vorst voor haar het zwaard bestond te trekken, 1009
| | | |
1010
Of voor haar zaak in 't Oost de minste onlust wekken; 1010
Dan zou 't vreemd kunnen zyn Fathema voor te slaan 1011
Om het geringst gehucht aan Neêrland af te staan:
Maar nu het lot des Krygs de Ryken van die stranden
Heeft zedert zestien jaar gehecht in Neêrlands banden,
1015
Dat zedert zestien jaar 't Eyland geen' and're wet 1015
Of Vorst, erkend, als die Batavia daar zet,
Schynd de Voorzigtigheid aan u een weg te wysen
Die geen welsprekendheid uw behoefd aan te prysen.
Batavia bied uw de Kroon van Boni aan 1019
1020
Mits gy het verdere Celebes af zult staan;
Door dien Batavia voor niemand heeft te vreesen, 1021
Kan dit alleen een blyk van haare vriendschap weesen.
En voor dat Land, het welk aan uw is onbekend,
Dewyl gy, nog een kind, van daar gekomen bendt,
1025
Van 't welk d' Inwoonder u misschien al heeft vergeeten,
Zal men een beeter Volk voor uw, en nader, weeten: 1023-1026
En wyl Fathema's deugd verzieren zal een Throon 1027
Is onse praal dat sy in ons nabuurschap woon, 1028
En voor een muitziek Volk, en voor Barbaarse Landen, 1029
1030
Verkiese Java's rust en Bantams stille stranden.
Wie is op Java's kust die Vorst aan my zo vreemd,
Aan wien Batavia, voor my, syn Ryk afneemd?
Haar hand is niet gewoon te neemen, maar te geeven: 1033
En wyl Agon alhier ver van de Throon wil leeven,
| | | |
1035
Heeft haar besluit Abdul alhier tot Vorst benoemd,
Abdul door syn verstand in 't Oost zo hoog beroemd:
En Neerland zou aan uw dien Gemaal niet aanprysen
Zo 't Oost een grooter Vorst voor u wist aan te wysen;
En als Fathema nu haar waar' belangen kiest,
1040
Wint sy door 't Huw'lijk meer, als sy door 't Lot verliest.
Wanneer voor sestien jaar, het Lot op my verbolgen, 1041
My in myn kindsheid dwong myn Vader hier te volgen,
Ben ik geleerd Agon als Vader aan te zien, 1043
En myn hand is voor hem dien Agon zal gebiên. 1044
1045
Ook is myn voorneem niet ooyt uit belang te trouwen 1045
'k Laat die lafhartigheid aan Europeesche Vrouwen;
Ik zoek in 't huwelyk een waare en duurb're vreugd,
Die 'k twyffel dat men vind buiten syn Ega's deugd.
En zo myn Vyanden myn Kroonen my benamen,
1050
't Is niet aan my, 't is aan het Lot, om zig te schamen:
Maar ik dagt niet, dat door de mond van St. Martin, 1051
Myn ongeluk aan my verweeten zoude zyn,
Dat Koopliên uit het West ooyt zouden durven hoopen
Om door Fathema's hand hun rust in 't Oost te koopen,
1055
Dat haar' vermeetelheid zo ver zou durven gaan,
Om Agon, in syn Hof, hun wetten voor te slaan! 1056
't Schynd dat sy 't gansche Oost reeds aanzien als hun Slaven!
Daar zyn nog Vorsten vry in 't Oost, en ook nog Braaven. 1058
't Kan zeekerlyk voor my niet als zeer smert'lyk zyn
1060
Dat 't geen ik, voor uw best, raad', u verwyten schyn':
Maar die gy Koopliên noemd, wel ver van zig te schamen,
| | | |
Draagen hun grootste roem, Mevrouw, op deese naamen;
Sy syn by ons de steun en kragt van 't Vaderland,
En gy ziet Indiën hier afhangen van haar hand: 1064
1065
De Koning van Cochin gebragt onder haar' wetten, 1065
Heeft door een Koopmans hand syn Kroon op 't hoofd zien zetten, 1066
't Welriekende Ceylon, de Slaaf van Portugal,
Heeft Koopmans Vaandelen gezien op Candi's wal; 1067-1068
En welk het noodlot zy van die men hier noemd braaven, 1069
1070
Kan 't Oost zien door 't getal der Maccassaarsche Slaaven.
't Verslaven van een Volk kan door het Lot geschiên: 1071
Maar 'tgeen voor Hollands komst het Oost nooit had gezien,
Zyn vrye liên die zig in Japan slaaven maaken
En om gewin haar God op Desima verzaaken. 1074
1075
Ik zie het is vergeefs dat ik besteed myn vlydt, 1075
't Verzagten van uw hart zal 't werk zyn van de tydt:
Batavia, 't welk u hoopt in haar wal t' ontvangen
Zal uw, beeter, dan ik, toonen uw waar' belangen;
En Agon's wysheid zal voorkomen al het kwaad
1080
't Geen gy te dugten hebt van onbezonnen raad.
| |
| | | |
Vierde toneel
Agon. Fathema. St. Martin.
EEn zeegepralend Volk het welk' op deeze stranden 1081
Waar het zig nederzet, het Noodlot maakt der Landen, 1082
Heeft met verwondering gehoord, dat Vreed' en rust,
Door vreemde nieuwigheên, gevaar loopt op dees' kust. 1084
1085
Haar wysheid is gewoon d' onlusten voor te komen, 1085
En onrechtvaardigheên te hind'ren, of, te tomen:
En schoon Batavia zorgt voor gansch' Indiens best,
Sy denkt om Java's strand nog meer als om de rest.
't Is buiten haare zorg hoe dat Agon wil leeven, 1089
1090
Maar haar raakt, wien Agon alhier tot Vorst wil geeven;
Sy wil dat ieder hier geniet 't geen hem behoordt, 1091
En dat men hier niet schend' 't recht van de eerstgeboort'.
Is dat al 't geen uw mond aan my heeft voor te dragen?
Ik ben alhier niet om t' andwoorden aan uw vraagen, 1094
1095
Maar om aan Bantams Hof t' aankondigen de wet,
Welke Batavia voor Indiën heeft gezet. 1096
Abdul is d' oudste Soon, Abdul moet hier regeeren;
Zo ras Agon dit Ryk niet langer wil beheeren; 1098
En wanneer gy dit punt zult hebben toegestaan
1100
Zal 'k tot de verdr' inhoud van myn last overgaan.
| | | |
Wie heeft aan Nederland, of recht of macht, gegeeven, 1101
Om Indiën na haar wet, en wille te doen leeven.
De Overwinning, die nooyt eenig reeden geeft 1103
Aan 't overwonnen Volk, dat onder haar hand beeft.
1105
Welk' zee in Indien heeft niet daag'lyks door ons Vlooten
De roem van Nederland en haar Ryk zien vergrooten?
Welk Vorst, welk Oosters Land heeft hare macht wêerstaan,
Daar maar by moog'lykheid ons' waap'nen konden gaan,
Van daar de Morgenstond vertoond haar eerste straalen,
1110
Tot daar de Son in 't West voor 't oog schynd neêr te daalen!
Malacca, Cormandel, Ceylon en Malabaar, 1111
Toneel van Neêrlands moed in 't bloedigste gevaar!
Houtman, Koen, Matelief, onstervelyke naamen, 1113
| | | |
Heemskerk, van Goens door wien drie Ryken aan ons kwamen! 1114
1115
Uw glory heeft in 't West uw Vaderland vereerd, 1115
En Indiens Vorsten hier gehoorsaamheid geleerd;
Zo dit te weinig is om Agon te vernoegen, 1117
Men kan hier by nog meer verwonnen Landen voegen.
Het fier Maccassar heeft getemd door onse magt,
1120
De sleutels van het Oost in Neêrlands schoot gebragt,
En schoon Natuur in 't Oost de specery laat bloeijen,
De Nagel op Ambon, de Noot op Banda, groeijen, 1122
Het Oost bezit syn Noot, bezit syn Nagel niet,
Maar is met syne vrucht in Nederlands Gebiedt. 1124
1125
En wyl De Vlamings naam de Boeginees doed beeven, 1125
En Cerams Kusten dwingd in onse wet te leeven; 1126
Bearbeid van der Stel, met een weldoende hand, 1127
Het koren en de most, op 't allerwoeste strand:
Het Caapsche Voorgebergt, 't geen durend zo veel eeuwen, 1129
| | | |
1130
De woonplaats is geweest van tygers en van leeuwen,
Is uit de wildernis door syne geest geraakt, 1131
En door syn' nyverheid een weeld'rig land gemaakt; 1132
En zo syn vlyt aldaar die van and'ren kan wekken,
Zal Neêrlands Africa haast aan de Keerkring strekken! 1134
1135
Zie daar de wet en 't recht waar op zig Neêrland grond,
En 't antwoord dat gy hebt te wagten uit myn mond.
't Prysen van groote Liên en hun hoedanigheeden
Is veel gemak'lyker als t' antwoorden met reeden; 1138
Maar die Batavia en haar Bedienden kend,
1140
Die is reeds zedert lang aan zulk antwoord gewend.
Ik merk alleen dat gy voorzigtiglyk gezweegen
Hebt and're daên, die ook hier naam hebben verkreegen:
Formosa's schone Kust de prooy van een Chinees,
Die tweemaal uwe Vloot deed zidderen van vrees;
1145
D' onschuldige Cojet op Poelo-Ay gebannen,
Door 't goddeloos vonnis van uwe groote mannen; 1143-1146
Mozambycq en Maccauw beleegerd tot drie maal, 1147
En ieder keer tot schand' van Neêrlands Generaal;
En schoon men niet heel klaar van Neêrlanders kan weten
| | | |
1150
Op welk' voorwaarden sy in Japan zyn gezeeten, 1150
Ik twijffel op wat wys' men die zaak ook verbloem' 1151
Of haar verblyf aldaar, kan strekken tot haar roem:
Op Java selv' daar u de glory schynd t' omringen,
Ontbreekt iets aan uw roem....
1155
Hier toe is in myn Vloot alles alreë bereid,
En 'k ontvang door dit woord myn antwoord, en afscheid.
Mevrouw, 'k heb last u na Batavia te brengen
Indien Agon alhier dat aan u wil gehengen, 1158
1160
Als ik door iemands last koom tot Batavia! 1160
| |
Vyfde toneel
Agon. Fathema. Hassan.
DE Vyand als of hy ons antwoord wist te vooren
Maakt reeds bereidzelen om hier de Vreê te stooren,
Men ziet by ieder schip de booten al op zy,
Gereed tot hare schand' of onse slaaverny. 1164
| | | |
1165
Op 't allereerst gerugt by d' Inlander vernomen, 1165
Is hy van alle kant ten spoedigst' aangekomen, 1166
De vlammend Cris met goud en silver ingelegd,
Verlangd reeds in hun' hand na 't teken van 't gevecht. 1168
Ons leger door myn zorg tot by de stad genaderd,
1170
Staat met den Burger reeds voor Bantams wal vergaderd; 1170
De Hoofden, en 't gemeen, een ieder, is vol moed, 1171
En alles aêmd op 't strand de schrik, de dood, en 't bloed
Wel aan, het is dan tyd my aan haar hoofd te zetten;
En met haar, en met u, de landing te beletten:
1175
Wy hebben boven haar 't getal, misschien de moed, 1175
Maar 't is niet het getal dat overwinnen doed.
Hassan, zoek in krygstucht Europa t' eevenaaren
Bewaar uw volk voor drift veel meer als voor gevaaren. 1178
Denk dat gy vechten gaat, en voor uw eigen zaak, 1179
1180
En voor het gansche Oost, en voor Fathema's wraak,
En om door dapperheid uw Vaders Ryk te erven, 1181
Of om, op 't strand met my, ten minsten vry, te sterven!
Ik denk dat gy nog hier te zeggen hebt een woord,
Het geen niet nodig is dat uwe Vader hoord.
| |
Sesde toneel
Fathema. Hassan.
1185
MEvrouw, het lot is dan zo gunstig aan myn wenschen
| | | |
Dat Agon selv' niet meer bevreest is voor die menschen,
Die in haar trotsheid en ondraagelyke taal
Gelyk in gierigheid, kennen nog maat nog paal! 1188
Ik dagt dat dit by u ook vreugde zoude wekken,
1190
Maar 'k zie uw minlyk oog door vogtigheid bedekken, 1190
Fathema! 'k zie gy schreyd! spreek, is het die Barbaar
Die u beleedigd heeft? of is 't vrees voor gevaar?
Maar neen, Fathema's hart is niet gewoon te vreesen,
Wee hem, die van uw leed ooyt durft de oorzaak weesen!
1195
Hassan, ik vrees voor my, nog ramp nog ongeluk; 1195
Denk niet dat ooyt myn hart voor 't noodlot schrik of buk:
Maar 'k ys voor het gevaar waar in g' u gaat begeeven,
Myn ziel is al te veel verbonden aan uw leeven
Om niet te schrikken voor 't gevegt, het geen uw hand
1200
Gaat zoeken, voor uw roem, en voor uw Vaderland!
Denk dat myn hart u heeft, boven 't heel Oost, verkoren,
En zo ik u verlies, dat 'k alles heb verloren!
Maar neen, Hassan, ik voel ik heb alreeds berouw
Dat ik uw heb getoond dees zwakheid van een Vrouw:
1205
Gaat daar de eer u roept, myn hart durft u vermaanen,
Om uwe plicht te doen, in weerwil van myn traanen!
Wat ook in dit gevecht my overkomen mag
Ik denk dat ik beleef myn glory-rykste dag!
Wie zou Hassans geluk op heden niet benyden,
1210
Die voor syn Vaderland, voor eer, voor u, gaat stryden!
Die zo hy leefd, alhier aan Fathema behaagd,
En door Fathema's mond zal, stervend, zyn beklaagd!
Maar zo 'er is een ramp die Hassan kan doen beeven,
| | | |
Of hem de minste vrees inboezemd voor syn leeven, 1214
1215
Is het alleen het Lot het geen Fathema wagt,
Zo d' overwinning hier zig voegd by Neêrlands magt, 1216
En dat Batavia mogt zien, in hare wallen 1217
Het edelst bloed van 't Oost voor haare hoogmoed vallen! 1218
De zee, door een Orcaan verheven hemel-hoog,
1220
Zal gansch Borneo eer ontrukken aan het oog,
Het Campher-ryk gebergt' met zig in d' afgrond woelen, 1221
En Sincapoera's Straat Celebes kust bespoelen, 1222
Eer dat myn hart syn haat voor Nederland verliest!
Of dat Fathema ooyt een and'ren man verkiest!
1225
En zo een teed're zorg voor my en myn belangen,
Tot midden in den Stryd, uw hart nog kan omvangen;
Zo gy in 't heetst gevaar, nog aan Fathema denkt,
En vreest dat eenig ramp ooyt hare glory krenkt, 1228
Vertrek gerust, Hassan, uw hart kan zig vertrouwen 1229
1230
Op d' onverschrokken moed der Maccassaarsche Vrouwen!
Wat ook haar overkoomd, of hoe het Noodlot woed',
Haar Cris draagd altyd zorg voor d' eere van haar bloed! 1232
|
+Zie eerst het Naricht, sub 3.
926het uitterste: nl. oorlog
929dog: toch; uw moed bedaaren: uw toorn matigen.
931door de tyd: na verloop van tijd
935myn geduld: aan mijn geduld (wij zeggen: van mijn geduld)
944't minste: ook maar in het minst; honend: grievend, kwetsend
946aan woorden ... stooren: zich om woorden druk te maken
948de staat ... hoovaardy: de toestand waarin wij ons bevinden, veroorlooft ons niet, rekening te houden met gevoelens van trots
952Dat het resultaat (van het optreden dier vloot) afhankelijk was van de bevelhebber die men ervoor uitgekozen had
954Zie de aant. bij vs. 1143-1146.
wiens: wier
955die ... gebiên: die hier hun bevelhebber zal zijn
962voordragen: voorstellen, mededelen
967syn gesprek: wat hij te zeggen heeft
976deeze droeve wal: Bantam, droef omdat de stad een ballingsoord voor haar is.
977laatdunkendheid: aanmatiging
zig onderwinden: het wagen
980buiten uwe hand: buiten uw macht
984Lees of 't gansche Oost achter Indiën.
987Regeerings Raad: de Raad van Indië.
988t' afneemen: te ontnemen
1002Wij zouden aan het eind van deze regel een komma gebruiken.
1009bestond: het bestond, het waagde
1011voor te slaan: voor te stellen
1015Dat: zodat; 't Eyland: Celebes
1019Boni: zie de aantekening bij Voorbericht, regel 16
1023-1026voor dat Land (...) zal men een beeter Volk ... weeten: in plaats van dat land (Celebes) zal men een beter en dichterbij wonend volk voor u weten te vinden
1028Is onse praal: strekt het ons tot luister
1029een muitziek volk: de Makassaren
1033Haar: nl. van Batavia
1043Ben ik geleerd: is mij geleerd
1045is myn voorneem: is het mijn voornemen
1051dagt: (in de 2de druk:) verwagte
1056voor te slaan: (hier:) voor te schrijven
1064Indiën: Op grond van de metriek moet dit woord hier en elders tweelettergrepig gelezen worden.
1065Cochin: stad aan de kust van Malabar, in 1663 door Van Goens veroverd. Hier bevindt zich het graf van Vasco da Gama.
1066een Koopmans hand: nl. Van Goens
1067-1068't Welriekende Ceylon: De verovering van Ceylon was grotendeels het werk van Van Goens. De stad Candi bleef onafhankelijk; pas in 1765 werd ze veroverd. Welriekend, omdat het voornaamste produkt de kaneel was.
1071verslaven: slaaf worden
1074Op Desima, een eiland in de baai van Nagasaki, bestond een Nederlandse factorij sinds 1641; de voornaamste produkten waren er edele metalen, kamfer, lak en porselein. De Hollanders werden al in de 17e eeuw door Fransen en Engelsen ervan beschuldigd, dat zij uit winstbejag hun geloof in Japan verzaakten en aanleiding gaven tot vervolging der Christenen. Van Haren heeft die beschuldigingen weerlegd in de verhandeling Van Japan: met betrekking tot de Hollandsche Natie, en de Christelijke Gods-dienst (1775).
1075besteed myn vlydt: mij inspan
1081Een zeegepralend Volk: nl. de Nederlanders
1082het Noodlot maakt: het lot bepaalt
1084vreemde nieuwigheên: nl. de verdeling van het rijk
1085voor te komen: te voorkomen
1089't Is buiten haare zorg: zij bekommert er zich niet om
1101De komma's achter Nederland en macht dienen om het er tussen staande te beklemtonen.
1103reeden geeft: rekenschap geeft
1111Malacca: De stad Malakka werd in 1641 op de Portugezen veroverd, nadat ze meer dan 15000 inwoners had verloren, en bleef met een onderbreking van tweemaal zeven jaar Nederlands bezit tot 1824, toen ze in Britse handen overging.
Cormandel: Kust van Koromandel, deel van de oostkust van Voor-Indië. Er waren factorijen gevestigd sinds begin 17e eeuw, waarvan de belangrijkste Negapatnam was. Hoofdprodukt: katoen (onbedrukte en batikdoeken).
Ceylon: zie de aant. bij vs. 1067-1068.
Malabaar: zie de aant. bij vs. 222
1113Houtman: Cornelis de Houtman (1565-1599) was de eerste Nederlander die de weg naar Java vond. Op zijn tweede reis naar Indië werd hij door Atjehers vermoord. Zijn broer Frederik (1571-1627) was de eerste gouverneur van Amboina (1605-1611) en later gouverneur van de Molukken.
Koen: Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), gouverneur-generaal van 1618-1623 en van 1627-1629. Hij verwoestte Jacatra en stichtte daar Batavia. Hij ondervond veel moeilijkheden van de Engelsen en Bantam. Veel kritiek is er steeds geleverd op zijn rigoureus optreden tegen Banda (1621). Anderzijds verdient hij waardering voor zijn ijveren voor het zedelijk welzijn der kolonisten. Bekend zijn zijn woorden: ‘Dispereert niet, ontsiet uwe vijanden niet, ... daer can in Indien wat groots verricht ... worden’ uit een brief van 29 september 1618 aan de bewindhebbers der V.O.C.
Matelief: Cornelis Matelieff (1569-1632), een der oprichters van de V.O.C. Hij poogde vergeefs Malakka te veroveren (1606) en schreef een ‘Discours van den staet van Oost-Indien’.
1114Heemskerk: Jacob van Heemskerck (1567-1607), vooral bekend door de overwintering op Nova Zembla (1596-1597). Hij sneuvelde in de slag bij Gibraltar.
Van Goens: Rijckloff van Goens (1619-1682), een bijzonder tactvol man in de omgang met inheemsen en deswege herhaaldelijk met een gezantschap belast. Hij streed veel in Voor-Indië en op Ceylon, waarvan hij gouverneur werd(1659-1672), en was gouverneur-generaal 1678-1681.
drie Ryken: Blijkens de Ophelderingen achter De Geusen (1776) bedoelt Van Haren hiermee ‘Tute coryn, Manâar en de parelvisscherye op de kust van Cormandel; het Ryk van Jaffanapatnam op Ceylon; Cranganor, Coylang en Cochin, langs de Kust van Malabaar’ (blz. 190).
1115Uw slaat op de in de vorige regels genoemde personen.
vereerd: eer gebracht
1117vernoegen: tevreden stellen, nl. als antwoord op zijn vraag in vs. 1101-1102.
1122Nagel: kruidnagel; Noot: nootmuskaat
1125wyl: terwijl
De Vlaming: Arnold de Vlamingh van Oudshoorn (1618-1662), sinds 1647 gouverneur van Amboina, berucht door zijn optreden tegen de opstand die te Ternate, Ambon en Makassar was uitgebroken na de vernietiging der kruidnagelbomen (1650).
Boeginees: inwoner van Zuid-Celebes
1126Het optreden van De Vlamingh van Oudshoorn had tot gevolg dat men zich in de Molukken met Makassar verbond. Op Ceram werd een Makassaarse versterking aangelegd. De Vlamingh veroverde die in 1655.
1127Van der Stel: Simon van der Stel (1639-1712) was vanaf 1679 directeur en later (1691-1699) gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Hij stichtte o.a. Stellenbosch en drong bij de bewindhebbers der V.O.C. aan op vestiging van Nederlandse boeren aan de Kaap. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Willem Adriaan (1664-1723), die op beschuldiging van machtsmisbruik in 1707 ontslagen werd.
1129Het Caapsche Voorgebergt: Kaap de Goede Hoop
durend: gedurende
1134haast ... strekken: zich spoedig tot de keerkring uitstrekken
1138met reeden: met verstand, op redelijke wijze
1143-1146Sedert 1642 bezat de Compagnie de soevereiniteit over Formosa, waar ze sinds 1624 gevestigd was. In 1662 verloor ze het eiland, toen het kasteel Zeelandia door Coxinga werd ingenomen. Dit was een uitvloeisel van de oorlog in China tussen de regerende Ming-dynastie en de Mandsjoes. De Mings werden verdreven; Coxinga was een hunner aanhangers. Bedreiging met geweld maakte hem tot een vijand van de Compagnie. Onvoldoende gesteund door Batavia, moest gouverneur Frederik Coyet capituleren. Hij werd van verraad beschuldigd en verbannen naar het Banda-eiland Poeloe-Ay. Prins Willem III bezorgde hem in 1674 de vrijheid.
1147Mozambique, de Portugese vestiging aan de oostkust van Afrika, werd bedreigd door de Indiëvloten, uit patria vertrokken in 1603, 1606 en 1607, onder bevel van resp. Steven van den Haghen, Paulus van Caerden en Pieter Willemsz. Verhoeff. In 1662 werd van de Kaap uit een nieuwe poging tot verovering van de plaats ondernomen, maar deze mislukte.
Macao, eveneens Portugees, aan de kust van China, ondervond moeilijkheden van de vloten van 1600 (Jacob van Neck) en 1605 (Cornelis Matelieff); ook een vloot onder Cornelis Reyersz. kon de stad niet nemen (1662).
1150Zie de aant. bij vs. 1074.
1151Wij zouden op wat wys ... verbloem' tussen komma's zetten.
1164tot hare schand' (bij een nederlaag) of onse slaverny (bij succes)
1168teken van 't gevecht: signaal dat het gevecht gaat beginnen
1170met den Burger: ook de burgers zullen aan de strijd deelnemen
1171't gemeen: het gewone volk
1175Wij zijn talrijker, misschien moediger dan zij
1178drift: hartstocht, (hier:) ongedisciplineerdheid, het zich laten meeslepen door strijdlust in plaats van zich te richten naar de bevelen van de aanvoerder
1181door dapperheid: Of Hassan de kroon zal dragen, is niet langer afhankelijk van zijn vader, maar van het bevechten van de overwinning op de Hollanders.
1188Gelyk: evenals
nog maat nog paal: geen enkele beperking
1195De komma achter my is klaarblijkelijk bedoeld om dat woord te beklemtonen.
1214de minste vrees: enige vrees, hoe klein ook
1216Als het Nederlandse leger de overwinning behaalt
1217Zie de aant. bij vs. 45-48.
1218Het edelst bloed van 't Oost: Fathema voor haare hoogmoed: overwonnen door haar (d.i. Batavia's) hoogmoed
1221Het Campher-ryk gebergt': Borneo. Van dit eiland kwam de Baroskamfer, geen echte kamfer, maar erop lijkend; ze werd gekristalliseerd in de holte van oude bomen aangetroffen.
1222Achter Straat denke men zal eer.
Sincapoera's Straat: Straat Singapore tussen Malakka en de Riouw-eilanden
1229zig vertrouwen: zich verlaten
|
|