[p. 9]
Eerste bedrijf.
Personen.
Prometheus
,
Beeldhouwer
.
Mercurius
,
Boodschapper der Goden
.
Jupiter
,
grootste der Goden
.
Cupido
,
God der Liefde
.
Het Tooneel verbeeldt een Beeldhouwerswinkel, in het achterste van welken staat het afgemaakte marmeren beeld van Pandora.
Eerste tooneel.
Prometheus.
Bekoorlijk beeld! gevolg van Jupiters gebied
1)
,
Volmaaktste schoonheid dezer aarde,
Beminlijk werk van onbetaalbre waarde,
Helaas! gij hoort mijn stem, noch mijne wenschen niet!
Ik spreek, gij zwijgt. Ik staroog op uw oogen,
Zij zijn wel zacht, maar stijf en onbewogen;
Pandora's ongevoelig hart
Kent noch haar schoonheid, noch mijn smart,
Noch liefdes zoet vermogen!
Tweede tooneel.
Mercurius, Prometheus.
Mercurius.
De groote Jupiter gaat, uit des Hemels zalen,
In 't oogenblik alhier op aarde nederdalen,
Hij koomt zien naar Pandora's beeld;
[p. 10]
Leg liever uwen wensch voor hem dan uwe klachten,
Zoo niets aan uwe uitvoering scheelt,
Kunt ge alles van zijn gunst, en zijne macht verwachten.
(Het Orkest speelt de nederdaling van Jupiter.)
Derde tooneel.
Mercurius, Jupiter, Prometheus.
Prometheus.
Ik heb uw wil volbracht, o grootste van de Goden,
Pandora's beeld is afgemaakt.
Ik weet, de sterveling moet volgen Gods geboden,
Hetzij 't bevel hem in 't byzonder raakt,
Of voor 't Heelal mocht zijn van nooden.
Doch waartoe dient dit kunstig werk?
De Goden hebben nog geen tempels,
De tomben eischen nog geen zerk,
Geen vaas of beeld benauwt de drempels;
De eenvoudigheid alleen, in dit gelukkig perk
1)
,
Met goede trouw gepaard, beheerscht onnoozle
2)
menschen,
Die geene sierselen, maar rust en vrede wenschen.
En wat is de schoonheid zonder reden,
Wat is de schoonheid zonder ziel?
Of wie zal volgen hare treden,
Daar zij alleen aan 't oog geviel!
Gun gij, o Jupiter! haar 't leven,
Mijn welzijn is er aan verpand;
Ik heb aan 't marmer vorm gegeven,
Gun haar een ziel van uwe hand!
Jupiter.
Het Noodlot, sterker dan wij allen,
Bezit onwederstaanbre kracht,
Bestuurt geluk en ongevallen,
Is somtijds wreed en somtijds zacht.
[p. 11]
Voor dit aanminnig beeld is 't lot alreê beschoren;
Hebt ongeduld noch druk,
Uw arbeid zal niet zijn verloren,
Het is bestemd voor uw geluk.
Prometheus.
O Hemel, welke vreugd! Pandora zal beminnen,
Hoe ongevoelig 't marmer schijn,
Haar zoet gezicht zal niet bedriegen mijne zinnen,
Haar grimlach
1)
zal een waarheid zijn!
Mercurius.
Die werkt voor Godsdienst, of voor Zeden,
Al ziet hij daadlijk 't oogmerk niet,
Al heeft hij maar alleen voor reden,
Dat het de Godheid hem gebiedt,
Zal Hare goedheid zich verbinden,
En vroeg of laat belooning vinden.
Jupiter.
Uw arbeid was voor 't lot, het lot zal u beloonen,
Door 't schenken van Pandora's hand;
Maar zij moet eerst, van haren kant,
Aan 't menschdom zich vertoonen.
De min, die 't liefdevuur alleen weet te doen zweven,
Die ziet de vlam, welke in uw boezem woelt,
Zal aan Pandora de adem geven,
De Huwlijksgod een hart, dat uwe liefde voelt.
Maar 't werk der Goden moet, voor 't menschelijk oog verborgen,
Met onderwerping zijn, en met geduld, verwacht;
Laat thans de Goden voor u zorgen,
Zij zal u worden toegebracht.
(Prometheus gaat heen, en 't Orkest speelt de nederdaling van Cupido.)
[p. 12]
Vierde tooneel.
Jupiter, Het beeld van Pandora, Cupido, Mercurius.
Cupido,
rakende met zijn toorts de borst van Pandora.
Ontvang, Pandoraborst, dit vuur,
Door mijne toorts aan u gegeven;
De Liefde, sterker dan Natuur,
Kan 't marmer zelfs doen leven.
Jupiter,
gevende haar een doos.
Het Noodlot geeft u deze zaak,
Maar sluit dit doosje nimmer open,
Zoo gij niet wilt een klein vermaak
Aan 't menschdom duur doen koopen.
1)
gebied - bevel; het beeld is op Jupiters bevel vervaardigd.
1)
perk - tijdperk.
2)
onnoozle - onschuldige.
1)
grimlach - glimlach.