Jupiter, die vandaag vergadering van Goden houdt, heeft mij gelast om na te speuren, wat gevolgen voor 't menschdom zal hebben het openen van die noodlottige doos, met zooveel ellende vervuld, verondersteld dat Pandora haar nieuwsgierigheid niet kan bedwingen; en om hem te waarschuwen, ingeval er in de algemeene verwarring, die er 't gevolg van moet zijn, eenig geslacht overblijft, dat waardig zoude zijn, weder begunstigd te worden met de wederomkomst der deugden, die,
op 't zien van zoovele ondeugden, als de doos inhoudt, zekerlijk de aarde zullen verlaten.
Men zou haast zeggen dat het niet zeer voorzichtig van 't Noodlot is, aan de nieuwsgierigheid van een meisje, en van een meisje zonder ondervinding, een diergelijke doos te vertrouwen. Maar elk moet zijn ambacht weten, en ik houd niet van te redeneeren van 't geen ik niet versta. Ik ben alleen maar bedacht geweest, om mij zoo te kleeden, dat niemand mij hier kenne. Want de Goden, in deze gelukkige tijden dikwijls op aarde nederdalende, zou Mercurius ras bekend zijn, zoo ik in mijne dagelijksche kleeding was. Maar stil! daar komt volk.
Heden! heden! Pandora, is 't waar, dat je een beeld geweest bent?
Ja zeker, zeker, Pietje, ik ben een beeld geweest.
Een steenen beeld?
Ja, een marmersteenen beeld.
Wel, hoe koomje dan aan beweging, aan gaan, aan staan, aan praten?
Jupiter, nadat ik uit marmer gehouwen was, schonk mij 't leven, en op zijn bevel gaf mij Cupido de adem. Zoo zeggen ze ten minsten, want ik voelde niets als toen alles gedaan was.
Nu, ik zou 't nooit geloofd hebben, en ik twijfel er nog haast aan. Mij dunkt, je gelijkt nog marmer daar aan uw hals te hebben.
Neen, heusch niet, Pietje; voel maar eens met uw vinger.
Ja, waarlijk! 't is week als vleesch. Zoo kan 't oog bedriegen!
De onnoozelheid heerscht nog.
Jupiter heeft u waarlijk wel een groot geschenk gegeven, met u te doen leven.
Hij heeft er mij nog een ander fraai present bij gegeven.
En wat is dat?
Deze Doos.
Zij is niet leelijk; maar wat is er in?
Dat weet ik niet.
Hoe! je zegt dat het een fraai present is, en je weet niet, wat er in is?
Neen, dat weet ik niet; maar denkje, dat de Goden ooit leelijke geschenken doen?
Neen, zekerlijk niet; want ik heb aan mijn vader, geen drie uren voor zijn dood, hooren zeggen, dat al wat de Goden doen goed is, en dat de mensch met dankbaarheid moet aannemen al wat zij geven, al begrijpen wij juist in 't begin niet, waarom het ons gegeven wordt.
Goeden dag, vrienden!
Goeden dag, jij! Pietje, wie is die man?
Hij is mij onbekend.
Hoe vaarje, zoete Pandora?
Mij dunkt, dat ik u ergens gezien heb, maar ik weet je naam niet.
En ik den uwen wel. Uw naam is Pandora, die een marmer beeld is geweest, en door Jupiter, met hulp van Cupido, een allerliefst mooi meisje is geworden.
En ken je mij ook?
Zou 'k je niet kennen? Je heet Pietje, een brave boerezoon, die trouwen gaat met Agnietje, dochter van de weêuw Aaltje Reiniers, en nicht van Stijntje-moei1); en Agnietje heeft u liever dan Jan de Voerman, die er ook naar vrijt.
't Is of je 't van buiten geleerd hebt, zoo wel zeg je 't op. Wie ben jij toch?
Ik ben een vrolijke waarzegger, die in rechte linie afstamt van Antonio Magino, die de almanakken maakt daar 't weêr zich naar schikt.
En wat is uw ambacht in deze wereld?
Dan moet je overal welkom zijn, want goêkooper kan 't niet.
Maar dewijl je ook een waarzegger bent, zou je mij niet kunnen zeggen wat er in die doos is, en waarom Jupiter, die ze mij gegeven heeft, mij heeft geraden om ze niet te openen?
Dat heeft hij om zeer goede redenen gedaan, en zoo je wist wat er in die doos was, zou je er niet nieuwsgierig naar zijn.
Waarom?
Dat mag ik u niet klaar uitleggen.
Wel, zeg dan maar zooveel als je zeggen moogt.
Die doos, die van buiten mooi voorkomt, houdt in alle onheilen die op aarde zullen vallen.
Onheilen in mijn doos?
Foei, dan is 't een leelijke doos!
Alle driften zijn er in.
Driften! wat zijn driften?
Eigenbaat, Heerschzucht, Nijd, Haat, en nog vele anderen.
Met oorlof, vriend! zijn dat ongemakken onder de runderen, schapen, of hoenders?
't Is nog veel erger als dat.
Och, ik geloof dat je maar een praatvaâr bent.
Pandoortje, ik zou de doos niet open doen. Denk aan 't bevel van de Goden!
Zoo ras zij de doos zal openen, zullen de Goede Trouw en de Eenvoudigheid, die gij daar ziet, verdwijnen. De Ondeugden, de Misdaden, en de Ziekten zullen schielijk geboren worden, en het geluk van 't menschdom zal verloren zijn.
Al wat je daar zegt, kan heel mooi wezen, maar ik versta het niet. Dat ik beter weet, Pietje, is, dat ik aan Agnietje een geschenk op haar bruiloft schuldig ben, en ik beloof je, zij zal het fraaiste hebben, dat er in de doos is. Jijluî trouwt immers nog vandaag, doeje niet?
Ja, wis.
Wel, zoolang kan ik wel wachten. Een meisje moet ook niet al te nieuwsgierig wezen.
Pietje, die man speelt zoo aardig uit dat kistje, mij dunkt je moest probeeren, of je hem niet op de bruiloft kunt krijgen. Hoe meer pret, hoe liever.
Daar woû ik hem wel met een zoet praatje toe brengen; maar ik heb beloofd dat ik de buren en de bruiloftsgasten zou gaan afhalen en hier brengen.
Geen zwarigheid, ik zal ze voor u gaan waarschuwen, en ze hier sturen naarmate dat ik ze vind.
Goede vriend, die zooveel weet, je moet je een hoopen vervelen onder de boeren, die niemendal weten.
Integendeel, ik vermaak mij nergens meer, en ik zie ook nergens geruster en oprechter vreugde als tusschen de altaren van de Goede Trouw en de Eenvoudigheid.
Wel, als je dan vandaag niet te doen hadt, zou je dan wel op onze bruiloft willen blijven, en maken u vrolijk met ons? Wij zullen u trakteeren, zoo goed als wij kunnen.
Laat ik 'reis zien, wat dag is 't? Ja, vandaag heb ik niet te doen, en wil wel blijven.
En zulje ons dan ook eens een deuntje geven, zooals je kunt spelen?
Heel graag.
Nu, dan zul je er ook bij wezen als wij Pandora's doosje bezien. Ik geloof, dat zal wel wat curieus wezen.
Ik wensch van harten, dat er wat goeds uitkomen mag; maar ik vrees......
Zie, daar komt Agnietje aan! Jij, die waar kunt zeggen, zeg mij 'reis oprecht, heb je van je leven een liever meisje gezien?
Pietje lief, wij zullen dan eindelijk vandaag trouwen! Moeder heeft het mij nog zoo herhaald, en zij en Stijntje-moei, en nichtje Aagje gaan hier zoo komen. Benje niet in je schik?
Of ik in mijn schik ben! Agnietje, je weet immers, dat ik u zoo lief heb, zoo lief heb, dat ik het niet eens kan zeggen, en nu ben ik nog niet eens uw man! En jij, mijn lieve Agnietje?
Ik, Pietjelief! ik zeî nog van morgen aan moeder, dat ik u nog liever had als haar. Kind, zeî ze tegen mij, dat gebeurt
wel meer, dat de ouders de kinders liever hebben, dan de kinders de ouders. Maar jij bent me altijd een goed gehoorzaam kind geweest.
Wel, heb ik dat niet alle dag gezien! Ik wensch voor ons geen beter kinderen.
Wat zal dat lief wezen, Pietje, als wij er hebben!
Als ik er een aan uw borst zal zien liggen, Agnietje, dan ben ik bang, dat ik van vreugde gek zal worden.
En als zij beginnen te babbelen!
En als zij beginnen te loopen!
Wat zullen ze in de buurt opkijken, als ik mijn dochter zal brengen op 't feest van Diana?
En wat zal ik grootsch zijn, als mijn zoon aan mijn zijde zal zitten, bij de openbare gebeden aan de Goden!
't Zal jammer zijn, zoo, in de algemeene bederving, die ik vrees dat voorhanden is, deze twee harten ook moeten bedorven worden.
Hoe! ben jeluî hier nog alleen? Ik dacht hier alles reeds bij malkander te vinden, om te dansen.
Nichtje, ik wensch je van harten geluk met je huwelijk. Niemand past u beter als Pietje. Ik had wel dikwijls gedacht, dat hij een goed man voor mij zou geweest zijn; maar sedert heb ik overlegd, dat hij beter uw doen was.
Ik dank je, Stijntje-moei; dat overleg heb ik ook gemaakt.
Zie, Stijntje-moei, ik heb Agnietje ook liever dan u.
Daar hebje gelijk aan, want zij is mooyer en jonger dan ik.
Diergelijke bekentenissen van moeyen twijfel ik, of na 't openen van de doos meer zullen verschijnen.
Maar, mijn waarde Aagje, zeg jij mij niemendal?
Je denkt er niet om, nichtjelief! moest ik uw moeder en Stijntje-moei niet eerst laten spreken? Maar al ben ik de jongste, ik neem daarom geen minder deel in uw geluk.
Ik dank je, nichtje; en ik hoop, dat ik je ook binnen korten, met een braven jongen vrijer naar uw zin zal geluk wenschen!
Dat woû ik wel, dat waar was.
Dit zal wel meer gedacht, maar niet altijd zoo openhartig gezegd worden.
Wie is die vreemdeling?
Moederlief, 't is iemand die ons allemaal kent, en die niemand van ons weet, wie hij is. Maar als je wist, hoe aardig dat zijn dingetje speelt, dat hij daar op zij heeft, zulje zekerlijk niet kwalijk nemen, dat ik hem op onze bruiloft heb gevraagd.
Wel, wat weet de vent dan?
Toe, je hebt me gezegd, dat je niet gierig was op een deuntje, toe, laat je reis hooren.
Wel, wel, ken jij zoo een mooi kunstje! Wat praktizeert men al niet in de wereld! Ja, die oud wordt, ziet veel! Nu, je bent welkom, en daar voor twintig te eten is, is ook voor een-en-twintig.
Zie, daar komen onze buren Kees de Slimmert en Jan de Voerman.
Zijt allen gegroet, geliefde buren!
Van mij ook.
Het aardige Pandoortje heeft ons gezegd, dat je ons wachtte, en daarop zijn wij aanstonds gekomen. Zij zal volgen met de jeugd.
Ja, Kees dacht ik wel dat komen zou; maar ik was bevreesd, dat Jan niet zou willen komen.
Waarom niet?
Omdat je ook een vrijer van Agnietje was. Is 't niet waar?
Ja, dat is wel waar, maar mijn grootste wensch was maar om 't meisje gelukkig te maken, en als zij dat meer met Pietje kan wezen, wel, dan moet ik immers wel tevreden zijn. Nu Piet, zij heeft u gekozen, en ik twijfel niet, of je zult wel met haar leven. Ik heb, gelijk je weet, een menigte runderen, paarden en schapen; met dit alles kunje doen wat je wilt, als je wat benoodigd bent, en ik geef je mijn beste zwart-bonte koe voor altoos.
Ik dank je Jan, voor je vriendelijkheid en je geschenk! Ik hoop, dat je dikwijls aan ons huis zult komen en Agnietje gezelschap houden, als ik op 't land arbeid.
Dat wil ik gaarne doen.
Wilje nu wel, vrienden, getuigen zijn van 't geen ik aan Agnietje medegeef?
Moedertje, ik wil niets van u medenemen, als mijne kleederen en uwen zegen.
Wat medegeven! wat medegeven! Ik vraag niets dan Agnietje, en meer heb ik niet van nooden.
Mijn lieve moeder, Vader heeft u immers alles gelaten?
Ja, dat heeft hij, die waardige man! maar waarom? om u gelukkig te maken. Het heugt mij nog als de dag van heden. Kees, jij waart er bij, is 't niet zoo?
Ja, brave weêuw. O, hij was een hupsch man!
Toen hij begon zwak te worden: ‘Aaltje’, zeî hij tegen mij, ‘mijne dierbare Aaltje, ik ga van deze aarde weg, ik ga naar de Goden; maar hoe zwakker ik word, hoe meer dat mijn eerbied voor de Goden, en mijne zorg voor u en voor onze Agnietje vermeerdert! Aaltje, somtijds wilje wel wat al te veel je zin hebben; laat dat toch vooral niet invloeyen op1) 't huwelijk van onze Agnietje, als zij is in jaren van trouwen. Geef haar toch den man dien ze lief heeft. Wat zou ze zonder dat ongelukkig zijn! Zij heeft zoo een goed hart!’ - Och, ik nam zijn hand, en ik beloofde het hem! Ik kreet...... ik kreet...... o ik krijt nog, als ik er maar om denk!
O moeder! lieve moeder!
Nu, kinderen, je ziet dat ik woord houd.
Allerbeste moeder, wij hebben er nooit aan getwijfeld!
Wel, neemt dan voor ulieden dat veld met die schoone rogge, dat uw vader met eigen handen heeft aangemaakt; 't is het best, dat ik heb.
Neen, moederlief! Pietje heeft een weide, en nu zeven koeyen, en een tuin, daar kunnen wij groente genoeg in verbouwen, en dan heeft hij ook nog schapen.
Kinderen, dat spreekt wel! nu, doetje best, en zooals je vader plag te zeggen, dan zullen de Goden het overige doen.
Model van huwelijksvoorwaarden, dat altijd niet gevolgd zal worden.
Zie, daar breng ik u alle bruiloftsgasten.
Jonge luî, maaktje nu braaf vrolijk! aan dat bevel is de jeugd zelden ongehoorzaam. Maar Pandoortje, hoe staje met je doos? Wat was er in?
Die is nog niet open.
Nog niet open?
Hoe kan men zoo talmen!
Ja 't verveelt mij ook al.
Maatje, je weet wel wat je beloofd hebt?
Ja wel. Zal ik maar beginnen?
Alsje belieft; wij zullen luisteren met al onze ooren.
Kom aan, danst daar nu eens op, en dan zal ik je luî nog een geven.
De jeugd danst een rondedans, of een Country dans; de oude lui gaan zitten. Na de dans zingt en speelt Mercurius:
Nu, de voeten jeuken mij. Kom Agnietje, gun mij een dansje. Pietje, daar hebje immers niet tegen?
St! St!
Wij komen! wij komen! Zij gaan naar 't achterste van 't tooneel.
Ik heb er niets tegen, als Agnietje wil.
O ja!
Wel speellieden, speel dan eens frischjes op, en dan zal Jan de Voerman nog 'reis doen zien, wat beenen hij heeft, en dat hij van zessen klaar is!