Vangt het wat, Pietje?
Neen, Engellief, het wil niet bijten.
Je hebt ook maar eenen hengel.
Dat is waar; maar hier is geen hout dan die eene stok, dien ik daar in die biezen, door de gunst der Goden, gevonden heb.
't Is wel, of men daar heel verre aan de andere zijde van die onmeetbare vlakte, iets zwarts ziet als bosch; maar wat middel is er, om daar bij te komen? 't is allemaal moeras!
Met geduld, jongetjelief; dat men den eenen dag niet kan vinden, vindt men misschien den anderen dag.
Onderwijlen moeten wij eten.
O, daar is geen zwarigheid; ik heb nog een stuk over van die visch van straks voor u.
En wat zuljij dan hebben?
Ik heb nog wat melk van dat koetje, dat wij op dit hoekje drooge grond gevonden hebben.
Nu, schatjelief, neem jij dan die beiden voor u. Ik heb geen honger, en jij bent de zwakste.
Daar bewaren mij de Goden voor! neem jij beiden, lieve Piet! Je hebt dubbele krachten van nooden, want je zult je best moeten doen, om nog wat hooge en drooge grond te maken rondom onze hut, daarje reeds zooveel aan gearbeid hebt. Wie weet, of er somtijds geen zware regens vallen in zulk een nat land.
Och! wat ben ik vermoeid! ik kan niet meer!
Ga zitten, Vader; Pietje, daar is een oud man!
Goeden avond, Vader. Mag men vragen wat u in dit moeras bij ons brengt?
Dat ik den ganschen dag heb gedwaald tusschen deze wateren in.
En waar koomje vandaan?
Heel van de overkant van die stroomen! daar heeft m' een goed en vruchtbaar land, maar vervuld met alle ondeugden. Men zegt, dat Jupiter aan zekere Pandora een doos heeft gegeven, waaruit die ondeugden zijn gekomen. Wat hiervan zij, zoo ras het van der Goden hand is gekomen, moet men het met onderwerping ontvangen. Maar mijne hooge jaren, de zeden van dien nieuwen tijd noch kunnende noch willende aannemen, nam ik voor, mij in deze natte woestijn te begeven, om aldaar stil maar gerust te leven. Ik wist niet dat hier menschen waren, maar ik meende dat er overvloedig visch was; doch ik heb er den geheelen dag niets gevonden, en koom hier, stervende van moeiheid en honger.
Agnietje, geef hem de visch.
Ik zal er de melk bij doen.
Agnietje, denk om u zelve.
Hij is oud, wij zijn jong; hij is doodelijk vermoeid, wij zijn
't maar weinig; hij sterft van honger, en wij hebben vandaag al ieder een stuk visch gegeten.
Maar gij lieden, die medelijden toont met mijn ouderdom, hoe koomt gij hier?
Dat weten wij zelven niet. Hetgeen men u van de doos van Pandora heeft gezegd, is maar al te waar! Wij woonden in 't land daar de doos geopend is; wij hebben de eerste ondeugden gezien, en er de bittere gevolgen van beproefd.
Maar hoe koomt dat, in dat land wonende en jong zijnde, die ondeugden u ook niet hebben bedorven?
Wij vreesden en eerden de onsterfelijke Goden, en de onsterfelijke Goden hebben onze harten voor besmetting bewaard.
Zij hebben ons in de verschrikkelijkste verdrukkingen beschermd, en wanneer de schaduw van de dood ons omringde, hebben zij ons, als in een diepen slaap, genezen, en hier overgebracht.
En zoo zij ons hier geen overvloed hebben gegeven, hunne goedheid gunt ons wederzijdsche Liefde; Rust, want wij hebben nooit twist; Vrijheid, want wij hebben geenen meester; en Vrede, want wij hebben geene buren.
Wel, wel! je hebt het hier niet kwalijk! lekkre visch en goede melk, en dat maar zoo uit de hand weg! - En t' avond, hoop ik, zal 't nog beter zijn; wantje zult mij zekerlijk op den laten
avond niet verstooten! Zonder dat weet ik, oude man, niet waar te gaan, noch te eten.
Wij zullen u gaarne ons biezen bedje geven voor de nacht, wij zijn jong en kunnen op den grond slapen. Maar wat het eten aanbelangt......
Welnu?
O grijze en oude vreemdeling! wij hebben u gegeven al wat wij hadden.
Wel, wat zult gij lieden nu t' avond doen?
De Goden danken, dat zij ons gegund hebben den ouderdom te kunnen spijzen, en de moeiheid te kunnen verkwikken.
Zouden wij niet liefdadig voor anderen wezen? Ziet, hoe goed de Goden voor ons zijn geweest! Zij hebben ons riet getoond, om deze hut te kunnen bouwen. Een koe was in deze moerassen met melk voor Agnietje! Een stuk hout en een end koord voor mij tot een hengel. Ik heb reeds één visch gevangen, dus zijn er meer.
Dat is wel voor nu, datje lieden maar onderje beiden bent, maar alsje kinderen krijgt?
O grijzaard, schoon wij jong zijn, weten wij nochtans dat de Goden aan de stervelingen niets zonder arbeid geven. Agnietje kan matten vlechten; gij zelve hebt mij gezegd, dat er naburige volkeren zijn. Ik zal er mijn visch en hare matten brengen, en die verruilen tegen vee, daar deze weiden maar naar schijnen te wachten, en die weiden zullen door mijn arbeid drooger en beter worden. Onze kinderen zullen ons eerst verheugen, dan helpen,
en eindelijk voeden. Ziet gij die beelden van de Goede Trouw en van de Eenvoudigheid, die zichtbare zinnebeelden van de tegenwoordigheid der Goden! Zij versierden de eerste wereld, zij zijn ons wedergegeven. Het zal voor die altaren zijn, dat wij onze kinderen zullen brengen, zoo ras zij kunnen hooren en begrijpen! Het is daar, dat wij hun zullen verhalen al de wonderen, die de Goden voor ons hebben gedaan, al de weldaden, die wij en zij aan de Voorzienigheid schuldig zijn. De banden, daar zij ons uit hebben gerukt, de Vrijheid, daar zij ons in hebben gebracht. En zoo die kinderen onze lessen volgen, zoo de besmetting in den noodzakelijken omgang met vreemdelingen hunne zeden niet bederft, wie weet of de Goden ook niet weder onder hen doen nederdalen de Gerechtigheid, met de andere deugden gevlucht!
Waardige stervelingen, de Goden zullen meer doen! Ik spreek uit hunnen naam. Erken hunnen boodschapper!
Vergeef, zoo wij u niet eerbiedig genoeg hebben ontvangen, wij wisten niet......
Neen, gij wist niet, dat de Goden nooit hun oog van u hebben afgetrokken. Zij hebben u beproefd; zij hebben uwe harten doorgrond; zij hebben die zuiver gevonden! Zij hebben u gezien in dit oogenblik den ouderdom eeren, en de zwakheid bijstaan; niet van uw overvloed, hetgene een allergemeenste deugd is, maar van uw nooddruft; en dit is de ware liefdadigheid! Dit is die van alle menschelijke deugden, welke de aangenaamste is aan de Goden!
Uw belooning nadert! Gij zult rust, vrede, en overvloed genieten tot in den hoogsten ouderdom; terwijl de gansche aarde een tooneel van ellende en bloedige verwoesting zal zijn! Gij zult stamouders wezen van een volk, dat in matigheid en soberheid, alle volkeren des aardbodems zal overtreffen, en in rijk-
dom en macht zal evenaren, zoolang de altaren van de Goede Trouw en de Eenvoudigheid, als nationale heiligdommen zullen worden aangezien, zoo lang die deugden niet weder van hier verdwijnen!
En 't Noodlot, ten uwen opzichte verzacht, laat toe, dat aan u mag worden vertoond, tot welken roem en praal deze moerassen door uwe nakomelingen zullen worden verheven! -
| Sofia. | |
| De Drie Bevalligheden. | |
| Neptunus, | Mars, |
| met den drietand. | met een bloot zwaard. |
| Flora, | Pomona, |
| met bloemen. | met vruchten. |
| Overvloed, | Een Visscher, |
| een man met den hoorn van overvloed. | met een handnet. |
| Ceres, | Minerva, |
| met de schoof. | met schild en speer. |
| De Eenvoudigheid, | De Goede Trouw, |
| met haar altaar. | met haar altaar. |
| Agnietje. | Pietje. |