[p. 182]
origineel
Gevallen van Friso, Koning der
Gangariden en Prasiaten.
Sesde boek
.
T
en Hemel uitgedaald, tot het behoud der Menschen,
On-overtrefb're schat, Bekroonster aller wenschen,
Doorlugtige, en te zaam onzydige Vrindin,
U roep ik aan, o zuiv're en onbevlekte
Min
!
Gy, vergeselschapt van Uw Koninklyke Zuster,
De
Vrindschap
, vloeid door all' de driften heen geruster
En ongeroerder dan, naar Ceres vrugtb're
*
Kust
De zilvere Arethuse, in kuische jeugd
†
ontrust,
[p. 183]
origineel
Van Pan's bemind gebergte en
*
aangename wyken,
10
Rold door Neptunus grote en steeds ontruste Ryken.
Gy, van een heil'ge teelt, stierd ligt een groot gemoed,
En dooft geen helden-roem in eenen tranenvloed!
Gy schrikt niet voor 't gelaat van stuursche Dwingelanden;
Schoon teder, wederstaat gy de allersterkste handen!
Gelyk een kleene Rots, in Nereus vreess'lyk wyd,
Altyd verwinnend met de woeste stormen stryd,
In 't hart des Aardryks met haar wort'len is geweken,
En 't golv-gebergt doed op een glinst'rend voorhoofd breken.
Gy zyt getrouw, en kiest de schrikkelykste dood
20
Voor Heerschappy, voor goud, en wat in 's hoogmoeds schoot
Geboorte nam, en, diep in 't mensch'lyk hart gedreven,
Eerst vleid, daar na gedyd tot tegenspoed in 't leven!
'k Laat Cyprus ook, ik laat de Cythereesche Kust,
Adonis Minnares gewyd, in diepe rust.
Die Min ga d'oever van den
†
Simoïs bezoeken,
[p. 184]
origineel
Of zich met
Cleopatre
op
*
Cydnus bed verkloeken!
Gy, by
†
Philemon
en by
Baucis
eer ontmoet,
Schoon in geringer staat, schenkt een bestendig goed.
Deez geeft den Sterveling een reeks van ongelukken,
30
En Gy vermoogt hem uit zyn' tegenspoed te rukken!
Ontvonk thans uwe toorts aan onbesmette deugd,
Atosse's
deel, en lust, en 't cieraad harer jeugd!
Wees gy myn Zangheldin, koom in myne aad'ren dringen,
En leer m' op welk een wyz' het U betaamt te zingen!
De grootste en laatste Prins van het doorlugtig bloed
Van
Cyrus
, was nog naauw, met zynen hogen stoet,
Uit het Carmaansch gewest, gekomen in zyn woning,
Of 't oog der schone
Atosse
ontvonkt den jongen Koning.
Zyn binnenst merkt een nooit voorheen beproefd verdriet,
40
Waar voor hy geene hulp, en geene ontlasting ziet:
In hare afwezigheid vergramd, met duizend zugten
[p. 185]
origineel
Voor onbekenden ramp uitbrekende in bedugten;
En in haar byzyn met eene on-uitspreekb're vreugd
Verwisseld, nooit aldus bevonden in zyn jeugd:
Een blydschap, nooit ontdekt door 't by zyn van de Vrouwen;
Maar binnen korten regt in haren aard te ontvouwen.
Wel haast geblykt het, hoe door 't allerstrengst beleid
De Min niet is te ontgaan om hare onzigtbaarheid,
En, dringende in het hart met onweêrstaanb're pennen,
50
Den Scepter voerd eer dat men haar vermag te kennen.
Eerst wend de jonge Vorst al zyn vermogen aan
Om 't vuur van zulk een Min op 't moedigst te weêrstaan,
Maar deze arglistige brengt hem gestaâg te binnen
Hoe 't haten misdaad is, maar nimmer het beminnen;
Hoe de allergrootste Held haar stem niet heeft versmaad,
En hoe men zich zomwyl geheel te buiten gaat,
[p. 186]
origineel
Wanneer men zich te onpas steld tegens hare wetten,
En zonder reden durft haar gunst ter zyden zetten.
Daar by gestadig meer op het gezicht verrukt
60
Der Koninklyke
Atosse
, angstvallig en bedrukt,
Was 't in zyn magt niet meer zich zelven te onderschragen:
Hy denkt dat hy zyn kwaal zal beter kunnen dragen,
En raad bekomen, voor het geen hy reeds bezind,
Indien hy ze openbaard aan een' vertrouden Vrind.
De Min houd nimmer op: na de eerste zegepralen
Begind ze weêr om nieuwe en groot're te behalen.
Is 't haar alreeds gelukt den boezem te gebiên,
Zy poogd des te yv'riger zich toegestemd te zien.
Door zich van meer dan een' voor wettig te doen keuren,
70
Denkt zy zich groter magt en Scepter te bespeuren;
Weet aan te groeijen in gewaande hulp, en voed
Zich in de ontdekking, die zy pryst aan het gemoed.
Maar om aan
Leonaat
, die nog niet kon getuigen
Dan van zyn groot gemoed, te melden van dit buigen,
Te spreken van dit jok, was geen geringe zaak;
Wel waar hier zyn verdrag een allerhoogst vermaak,
Maar wat, in tegendeel, rampspoediger te horen,
Dan dat den Wysgeer dit niet reed'lyk kwam te voren!
[p. 187]
origineel
Hy dagt dat
Diocaar
, deez min behaagde hem
80
Of niet, berigten zou met minder strenge stem,
Veel minder zwakheid zoude in zyne ziele ontdekken,
En hem tot meerder troost door zynen raad verstrekken.
Hy spreekt dan tot zyn' Vrind: Getrouwe
Diocaar
,
Ik word de wreedste smart in dit Paleis gewaar!
O dapperste van all' myn waarde Lot-gezellen,
Verligt de rampen, die m' op 't onvoorzienste kwellen.
O, gy zaagt ook
Atosse
, en weet hoe ligt het hert
Door schoonheid en door jeugd in ons verwonnen wert!
O, zeg my, mag ik meer dan hare deugd beminnen;
90
Of zoude ik deze Min verpligt zyn te overwinnen,
Die strenger op myn ziel dan all' myn rampen woed,
En wreeder worden zal hoe meer 'k haar vlugten moet?
Kan iemand zulk een wonde en zwakheid ook mispryzen,
Of met een streng gelaat myn tederheid verwyzen?
Zou my de Reden ook een' wreden stryd gebiên,
En ik
Atosse
altoos voor my verloren zien?
't Vertrouwen van den Prins deed
Diocaar
niet vinden
Dat het met zynen pligt bestond hem te verblinden.
Hy wist hoe ligt een raad, die vleid, ontvangen word,
100
En on-ophoudelyk tot dieper doling pord:
[p. 188]
origineel
Hoe vol gevaars het is den Koningen te raden,
Voornamelyk wanneer het hunner rust kan schaden;
En, met een ware zugt en vrindschap voor zyn' Vorst
(Om geene koelheid ooit te wekken in zyn borst,
Door 't geen 'er mogt ontstaan, nog
Teuphis
hem te onttrekken,
Nog in des Wysgeers hart vermoeden te verwekken)
Ten diepsten aangedaan, spreekt met vrymoedigheid
Deez taal, die hem daar na geen ongeneugt bereid:
Ofschoon myn neiging dit bevel niet had van noden,
110
Het heuge U wat ge ons hebt in
Charsis
Ryk geboden,
Toen
Leonaat
u prees, hoe groot een Koning zy,
Die nooit door valsche taal nog snode vleyery
Zich laat verblinden, maar met ongenâ durft straffen,
Wie voedzel zyner drift of zinlykheid mag schaffen.
Regt uit te spreken, nooit met aangewende kunst
Te staan naar eigenbaat of 't winnen uwer gunst:
Zie daar 't bevel dat wy van uwen mond ontvingen.
Gy wenschte ons Helden, geen verwyfde Hovelingen!
Uw keur naar zynen raad wierd
Leonaat
beloofd,
120
En 't past niet dat gy hem zo ras die magt ontroofd.
Is nog zyn wysheid niet genoeg aan ons gebleken,
En waar is zyne trouw en tederheid bezweken?
[p. 189]
origineel
In zaken van gewigt is een ervaren Man
De dierbaarste kleinood, waar naar men wenschen kan,
En zoud gy 't grootst geval uw's levens hem ontvreemen?
Zoude ik, die verr' hem wyk in raad, zyn plaatze neemen?
'k Voorzag 'er scheuring door in 't geen ons zamen bind;
En in uw lot is 't grootst verlies dat van een' Vrind!
Geen grooter ongeluk kan u te deez tyd treffen
130
Dan Lieden, die het nut der Vorsten regt bezeffen,
En U beminnen, niet uw goud en heerschappy,
Door onvoorzigtigheid te dryven van uw zy'!
Deez taal mishage U niet! By
Leonaat
verschenen,
Gebiê my, 't is myn pligt door doods-gevaren henen
Myn Koning te doen zien wat in myn binnenst leeft;
En is 't myn pligt, 't is ook myn lust die derwaarts streeft!
Pas hoord de Koning dus den wysen Krygsman spreken
Of voeld een streng verwyt in zynen boezem breken.
Hy minde nog veel meer den Wysgeer dan hy wist;
140
Hy schrikt iets te bestaan dat tweespalt baarde of twist,
En, verr' van
Diocaar
met koelheid te belonen,
Wend hy meer yver aan om hem zyn gunst te tonen,
Omhelst zyn' braven Vrind, en zyn goedhartigheid
Verwekt in zynen mond deez woorden tot bescheid:
[p. 190]
origineel
Gy doed my dubb'le vreugde, o dapper Krygsheld, smaken,
En door van mynen pligt aldus gewag te maken,
En door my te doen zien hoe 'k waarlyk word bemind,
En boven
Leonaat
nog heb een' waren Vrind;
Die, door de aanvegting van naar grooter gunst te streven,
150
Niet uit het enge spoor der pligten is gedreven.
Verdenk my dan niet meer, myn waarde
Diocaar
,
Dat uwe opregtheid ooit verwyd'ring worde ontwaar:
En neem ook dit ten proef hoe 'k u zal hoger agten
Hoe meer gy my bestryd in dolende gedagten!
Om zyn geprangd gemoed te helpen uit den waan,
Besloot hy straks hier op naar
Teuphis
toe te gaan;
Maar, hoe deszelfs geduld en goedheid hem mag sterken,
De wreedste ontsteltenis is in zyn oog te merken.
Hy denkt den Wysgeer streng op deze stof: hy zugt,
160
En is voor meer dan 't geen 'er nakende is bedugt.
Ten laatsten komen 'er zyn bleek-bestorven lippen
Voor dien doorlugten Man deez redenen ontglippen:
Beminde
Leonaat
, beproefde en ware Vrind,
Opregt tot myn geluk en mynen troost gezind,
O, nooit verscheen ik zo rampspoedig voor uwe ogen,
Of zo gelukkig! Nooit, tot in de ziel bewogen,
[p. 191]
origineel
Verwagtte ik uit uw' mond zo groot een ramp of baat!
Een woord is myn geluk of onverdraaglyk kwaad!
Een woord uit uwen mond zal m' eeuwiglyk verblyden,
170
Of smart verduuren doen. Myn hart voeld zich bestryden.
Vergeefs verweere ik my... Ach waar 't geen Vyandin
Die my verwonnen heeft! Myn Vader, ik bemin!
O kunt gy, wys en groot, der menschen zwakheên schuwen,
Myn jeugd gevoeld een Min, onmoog'lyk te verduwen!
Staat gy niet meer voor een' zo wreden hartstogt bloot,
Ik kan hem niet weêrstaan, en bukke in mynen nood!
Ik kan
Atosse
niet meer aanzien met bedaren,
En voel elk ogenblik myn ongeluk verzwaren!
Maar 't was 'er verr' van af dat
Teuphis
eene Trouw,
180
Die niet nadelig was, onzinnig laken zou.
Hy was geen dier gestrenge en altyd stuursche Wysen,
Die 't zuiverst liefde-vuur schynheiliglyk mispryzen.
In 't binnenst zyner ziel aanschoude hy deez Min
Als iets voordeligs zelf. Daar was geen Ryks-Vorstin
In Indië bekwaam
Atosse
te evenaren:
Hy kon zyn hart voor geen doorlugter Pand bewaren.
't Was daarenboven van het uiterste gewigt
Om een' vermogend Vorst, in 't hachlyk tyds-gewrigt
[p. 192]
origineel
Waar in men zich bevond, op 't naauwst zich te verbinden;
190
En hier was overvloed van goud by deugd te vinden.
Maar tevens rees 'er een gedugte zwarigheid.
Wat is 'er dat voor 't wit van eenen Minnaar pleit
Indien hem de Fortuin aanschoud met toornige ogen,
Hoedanigheden laat, maar heen vliegt met vermogen?
Te regt dagt
Teuphis
, dat Vorst
Orsines
geen oor
Zou leenen aan een' Prins, die zyn gebied verloor,
En in zyne eerste jeugd niets kon ten bruidschat geven,
Dan alle tekenen van een weêrwaardig leven.
Deez vreeze deed hem straks besluiten, niet te ras
200
Te tonen hoe deez Echt voor hem te wenschen was;
En, om den Vorst door hoop niet verder te verleiden,
Besloot hy hem voor af voorzichtig te bereiden
Tot eene aanstaande zeege op zyn verrukt gemoed;
Hoe hy 't herroepen vlood van zynen tegenspoed.
De Wysgeer antwoord dan: O Prins, in de eerste jaren
Koomt dikwyls zulk een Min het teder hart bezwaren;
De schoonheid en de jeugd verwinnen ras het oog
Wanneer men 't onbeschroomd naar hare aanloksels boog,
Maar een voorzigtig Man ziet met bedaarde zinnen
210
Voor af hoe verr' het past een voorwerp te beminnen.
[p. 193]
origineel
Hy wenteld voor zyn oog al wat hem hind'ren mag,
En heeft altyd zyn rust ten wit van zyn gedrag!
Zoud gy dan, verre van naar onderzoek te streven
Of m' u zulk een Princes ten huwlyk zoude geven,
Vermelden dat uw jok eene onverwinb're pyn
En eindeloze smart reeds zou geworden zyn?
O neen, myn waarde Prins! Dit is geen taal van Helden.
Eene onbedagtzaamheid deed u die woorden melden!
Het doel van groot te zyn staat in uw hart geprent,
220
En alle hartstogt slyt daar Reden word erkent.
Hier zult gy zekerlyk een proef van moeten smaken:
En 'k zoude mynen pligt onnuttelyk verzaken,
Verbeeld'de ik U, dat, zulk een Liefde ten geval,
De Persiaansche Vorst zich zelf vergeten zal.
Want zo men zyn belang bedaard wil overwegen,
Atosse's
lot, en 't geen met U kan zyn verkregen,
Wie zal niet zien dat ge u te roekeloos verliet,
En op een losse hoop u wikkelde in verdriet?
De deugd van
Orsines
doed uw gedagten dwalen;
230
Gy doed ze voor uw Min ook op den schouburg pralen,
Gy denkt dat de agting, die hy voor uw vroomheid toont,
Door deez toegeventheid gewis moet zyn bekroond:
[p. 194]
origineel
Maar groot is 't onderscheid in vrindlyk te begroeten,
In jeugd en ongeluk met wysen raad te ontmoeten;
En in 't genot van een' zo zonderlingen Vrind,
Dat hy zyn welvaart aan eens Vreemd'lings lot verbind.
Helaas! wat is met U dan droevig ommezwerven,
Nog lang te dugten, vol bekomm'ring, te verwerven?
Wat Vader zal zo ras doen trekken uit zyn oog
240
Een Dogter naar wiens heil hy 't zo teêrhartig boog?
Neen, denk niet dat Hy zulk een dierbaar pand zal geven,
Om 't in een lange reeks van rampen te doen leven!
Zulk eenen hartstogt dan by tyds te wederstaan,
Ter wrake van 't Verraad naar
Porus
Ryk te gaan,
De treurende
Melite
in verr' gelegen hoeken
Door onweêrhoub'ren pligt en yver op te zoeken,
Eer de gelegenheid voor altyd henen vlugt,
Zie daar waarom het past, o Koning, dat gy zugt!
De Wysgeer sloot. De Prins voeld dit gegrondde spreken
250
Eene onuitspreekb're smart in zyne ziele ontsteken.
Zyn doodlyk bleek vertoond de ontstelt'nis, die hy voeld;
Hy schrikt om 't geen 'er diend voor zynen roem bedoeld.
Thans koomt zyn tegenspoed, door dezen wensch te storen,
Hem onverdraaglyker en vreeslyker te voren:
[p. 195]
origineel
De hulp van
Orsines
word wrede aanminnigheid,
En hy verwagt een koel en weigerend bescheid.
Maar in de droefheid, die zyn hart koomt overstelpen,
Besluit hy nog een toets, om zyne Min te helpen,
Met
Teuphis
te ondergaan, die, schrander, zyn gelaat
260
Bespied, maar hem niet wil verlaten in dien staat.
Hy spreekt dan: 'tKan wel zyn dat all' myne ongelukken,
O
Leonaat
, my hier op 't zwaarste zullen drukken:
't Kan zyn dat
Orsines
, om mynen tegenspoed,
My 't allerwreedste woord en tyding horen doed;
Maar laat ik niettemin myn noodlot onderzoeken,
En (moet het zyn) vertoornd vertrekken uit deez hoeken!
Gun dat ik
Orsines
mag toenzen! 'k streef dan heên,
En schroom geen zand-gebergt nog onweêr-volle zeên;
'k Zal my verwinnen, 'k zal naar uwe wysheid horen,
270
Tot dat ik voor uw oog weêr prale als van te voren!
Vorst
Teuphis
antwoord hem: Wilt gy zulks onderstaan,
'k Beloof van mynen kant om zelv den Persiaan
Zielroerende uw geheim en liefde te openbaren.
't Is pryss'lyker zich niet te wikk'len in gevaren,
Maar, is m'er in geraakt, men rukke 'er zich weêr uit,
Is 't mooglyk, eer men zich den weg ter uitkomst sluit!
[p. 196]
origineel
Indien op Rhodopé, voor woeste en dolle Vrouwen,
Euridice
den Thraak verdund was weêr te aanschouwen,
Zyn vreugd waar' niet zo rein geweest, en onvolmaakt
280
By die den jongen Vorst op deze taal genaakt.
Niets kon den grond van 't hart des Wysgeers beter tonen,
En hoe hy reedelyk of laakte of kon verschonen:
Hoe ware vrindschap hem, en zorg voor zyne rust,
Alleen weêrspreken deed het vesten zyner lust:
Hoe dat hy zelf was tot zyn' bystand te overreden
Zo ras 'er weêr een straal blonk van doorlugte zeden.
De Koning spoord zich door zulke eene opmerking aan,
En voeld hoe groot het is zich hier in te weêrstaan,
Neemt voor zyn vonnis met standvastigheid te wagten,
290
Zyn' Koninklyken pligt op 't dierste te betragten:
Maar evenwel nog diep voor weigering bedugt,
Gaat hy naar
Diocaar
, denkt om
Atosse
, en zugt.
Maar 't dierbaar Pronk-juweel der Oostersche Vorstinnen
Zo door bevalligheid als wel bestierde zinnen,
Hoe groot een zwarigheid daar aan Vorst
Teuphis
scheen,
Voed'de in haar binnenste ook geen hart van kouden steen:
En, schoon men nog zyn bloed mogte op geen' Troon doen stygen,
Men kon van
Orsines
door deugden veel verkrygen.
[p. 197]
origineel
Atosse
hadde nog geen ander wit bedoeld
300
Dan waren roem, en nooit het vuur der Min gevoeld,
Toen zy den Koning, op 't Carmaansche Strand gedreven,
De rampen had gehoord vermelden van zyn leven.
Zy merkte, in weêrwil van het allerstrengst beleid,
Op 't horen dezer taal, een mededogentheid
Voor geenen Sterveling te voren dus vernomen,
Met vreugd verzeld dat Hy der waat'ren was ontkomen.
Maar toen hy van den God van
Zoroastres
wist,
En naar die troostb're Leer' zyn droefheid had beslist,
En op zyn oppermagt gevest had zyn verwagting,
310
Toen voelde
Atosse
een diepe en veel gegronder agting.
Zy was niet in den schoot gevoed van 't Bygeloof
Dat, voor alle and're Leer' dan eigen stelling doof,
Zich vergenoegt met wat men eens koomt in te scherpen,
En, zonder onderzoek, het oov'rig durft verwerpen.
Gestaâg deede
Orsines
, in Pasargade's zaal,
Dan door een'
*
Sabiër, met de uitgezogtste taal,
[p. 198]
origineel
Dan door een' Mager, d'aard der Godheid diep ontleden;
Veragtend wat niet vloeide uit voor- en tegen-reden,
En wat door wyse keur niet wierde in 't hart gedrukt;
320
Ligt ingeslopen, ligt daar ook weêr uit gerukt!
Geen Mager had haar dus het zegeryk betrouwen
Op 't albespieg'lend Oog voorbeeldig doen aanschouwen:
De God, dien zy beminde, en die haar ziel bewoog,
Kreeg hier het hoogst bewys in 's Konings vreedzaam oog.
Het trof
Atosse
diep, in de allereerste jaren
Dien Jongeling te zien, door zo veel doods-gevaren
En ongelukken heen, met stilheid van gemoed
Vercierd, en vrolyk in den strengsten tegenspoed.
In Pasargade kwam deze agting nog vermeeren,
330
En zelf in onverwagte ontsteltenis verkeeren.
't Was nagt. Zy waant den Prins in haar vertrek te zien,
En, knielend, haar de Kroon der Indiën te biên.
Zy wykt. Hy grypt een' dolk, en, met verwoede zinnen,
Een ander
Pyramus
, ontembaar in 't beminnen,
Maar nog rampspoediger, dewyl hy weêrmin derft,
Doorgrieft hy zich, en valt in 't vloeiend bloed, en sterft.
De ontroering doed den slaap en 't voorwerp t'zaam verdwynen,
Maar 't vreess'lyk denkbeeld blyft nog lang na
Mithra's
schynen.
[p. 199]
origineel
Vermoedende de Min in deez gestaltenis
340
Verbleekt ze, en beeft, en spoed zich naar
Parysatis
.
De wyfe Vrouw ziet haar in deez verwarring naken,
En kan geen denkbeeld van haar zeldzaam wezen maken.
Het scheen
Atosse
niet zo zwaar in het begin
Om met haar raad te slaan; maar thans ondekt de Min
Zich meer en meer. Zy koomt tot andere besluiten
Zo ras ze wil bestaan zich wyders daar op te uitten.
Nog beter schynd het Haar in den vergetel-poel
Te domp'len 't onvoorziens, en pynigend gevoel.
't Was te onderstaan kwam zich de Koning te openbaren,
350
Maar op een yd'len droom was 't met geen' roem te paren.
Straks, tegen 't eerste wit, en het ontworpene aan,
Besluit ze 't gansch geheim te smoren, te weêrstaan.
De Min mag hoe ze wil in haren boezem woeden,
Zy waant zich nog in staat zich zeegryk te behoeden;
Zy zwygt, zy temt zich zelv: daar vloeid niets uit haar borst
Voor een', haar onbekend, en moog'lyk koelen Vorst.
Atosse
voegde by de deugden van de Vrouwen
De onwetendheid van zich met eigen-min te aanschouwen.
Elk wist hoe schoon ze was, Veel wisten 't met verdriet,
360
De Koninklyke
Atosse
alleen vernam het niet.
[p. 200]
origineel
Haar schrand're Voedster-Vrouw aanvaard het eerst deez reden:
Wat doed, myn waarde
Atosse
, u zo verslagen treden?
Hoe dus ontsteld? ontdek, wat is uw teder hart
Tot wreede pyniging, en onverbergb're smart?
Zy had nog niet bedagt hoe ligt men kan verneemen
Waar zich de Min verschuild, hoe zwaar ze elk is te ontvreemen.
Zy bloosde op 't ogenblik, en van het geen haar vleid,
Bemerkt ze, zugtende, de eerste onvoorzigtigheid.
Maar, vast gezind om hier haar' roem niet te doen tanen,
370
Ontdekt ze niets, en stuit haar naderende tranen.
Terwyl ze midden in haar grootste ontroering is,
Geen woorden uitten kan, beeft voor
Parysatis
,
En denkt op 't geen tot haar verschoning kan gelukken,
Koomt
Orsines
haar zelv uit deez verwarring rukken.
Maar 't had geen duur. Hy sprak terstond van eene stof
Die deez wanorde, en deeze ontsteltenis betrof.
Hy hief deez woorden aan: Hoewel ik alle Vorsten
Voorby streef in geluk, die 's waerelds Scepters torsten,
Myn waarde
Atosse
, ofschoon ik myner Vaad'ren bloed
380
Mag in uwe aad'ren zien, hun deugd in uw gemoed,
En gy myn vreugde zyt en 't einde myner wenschen;
De korte levens-tyd, de broze staat der menschen
[p. 201]
origineel
Vraagt buiten my nog een geluk voor u (myn vlyt
Vereisschend) en dat tot volmaakter voorspoed dyd:
Een' and'ren Leidsman, die, moet ge eens myn byzyn derven,
Zo wel als ik voor u wil leven en wil sterven.
Helaas! wie weet hoe lang my 't licht gebeuren mag?
Wis is de dood, onwis de laatste levens-dag!
Deez ryst om kort, en deez om langer tyd te pralen,
390
Maar beide ryzen ze op om in het graf te dalen!
Het past dan dat ik my bevlytige om u niet
Te storten in een wreed en troosteloos verdriet,
En dat ik tragte aan u het dierst geluk te geven,
Dat ik, door 's Hemels gunst, gesmaakt heb in myn leven.
De Vorst, die dit Paleis betreed, door deugd gelyk
Aan wie bezitter is van een vermogend Ryk,
Schynt op het allerdiepst voor u te zyn bewogen,
En heeft uw wedermin, als 't hoogst geluk, voor ogen.
Wat antwoord moet men hem doen geven? welk een woord
400
Zal, of tot troost of smart, van hem zyn aangehoord?
Moet hy ten spoedigsten zyn Vyandinne vlugten,
Of kan hy toegestemd en zegepralend zugten?
Gy ziet hem nooit weêrom of altoos met u! Gy,
Myn waarde
Atosse
, zyt te zedig om niet vry,
[p. 202]
origineel
En zonder 't Vaderlyk gezag te moeten weten,
En kiezen, wat u waar genoegen toe kan meten.
Is deze uw voorspoed niet? Hy gaa, tot zyne rust.
Kan hy ze zyn? Hy blyve. Uw lust is myne lust!
Hy zweeg. Geen bliksem-straal, gezonden uit den Hogen,
410
Verraste dus voorheen der Stervelingen ogen
Als zulk een taal
Atosse
; en deze tyding doed
Ontdekken in 't gelaat wat ze in den boezem voed.
Maar de innerlyke vreugd vermag het hart te sterken,
Hoe zeer in 't vogtig oog ontstelt'nis zy te merken.
De hoop verjaagt de vrees: Hoop, die den fellen brand
Der Min verzagt en laaft, en alle zorgen bant!
Zo ziet men, in het droogst der heete zomer-dagen,
De Koninklyke
Flore
angstvallig en verslagen
Wanneer de wreede Zon der bloemen voedzel rooft,
420
Onmededogend brand, en haren luister dooft:
Maar als met zagt geruisch de vreugde van haar leven
Koomt op de vleugelen des Zuidenwinds gedreven,
En 't diergewenschte vogt haar teedre wort'len kust,
Word haar vernieuwde glans der Stervelingen lust.
Vorst
Orsines
hoord dus de schoonste der Vorstinnen
Tot antwoord, met ontzag, op zyne taal beginnen:
[p. 203]
origineel
O neen, het glansryk Oog van
Mithra
roeme niet
Dat het gelukkiger dan uwe
Atosse
ziet!
Neen, zulk een Vader is voorheenen niet gegeven,
430
En daar ontbreekt my niets ten voorspoed in het leven!
Maar, verr' van dat ik my door zyne goedheid blind',
Of my bekwaam om myn belang te keuren vind',
Myn hart zal, door altyd voor zynen wil te buigen,
Hem de gevoelens van zyn dierbaar bloed getuigen!
My schenk' hy weg, of doe m' in Pasargade's wal
Verblyven, ik bemin het geen hy keuren zal.
Alleen vergeev' hy my, dat ik, op zyn verklaren
En zo gewigtig woord, hem niets kan openbaren.
O neen, ik kieze niet! Myn Vader zy myn Vrind,
440
En geeve een' wysen raad, verzaakt hy zyn bewind!
Hy zy myn Leidsman, wil hy geen Gebieder wezen!
'k Heb alles van my zelv, 'k heb niets van Hem te vrezen;
Myn jeugd is zonder steun, trekt hy zyn hand daar af,
En ik verdiende nooit deez vreesselyke straf.
Hy ziet, ervaren, wys, ik niet wat nut kan geven;
Hy weet, hy kieze alleen den voorspoed van myn leven!
Aan my betaamt het slechts, met een bevogtigd oog,
En met het reinst gezugt, te bidden van om hoog,
[p. 204]
origineel
Dat
Oromasdes
dien doorlugten Vader zegen',
450
Van wien ik myn geluk verwagt, en heb verkregen!
Zy zweeg. Hy zag terstond hoe weinig wederzin
Van haar te dugten was voor
Friso's
zuiv're min:
Hy merkte uit dit bescheid, schoon niets dan pligtbetoning,
Hoe ze eerder gunstig waare aan d'Indiaanschen Koning.
Toen nam hy nader toets, en sprak: Ik ga dan heen,
Atosse
, meer dan ooit met uw gedrag te vreên.
Maar om den Prins, dien 'k agt, niet noodloos te bedroeven,
Zal ik hem niet weêrstaan in dit Paleis te toeven.
Dus sprekend' zag hy haar met al zyn aandagt aan,
460
En 't vreugdryk oog vermogt haar boezem te verraân.
De Vorst was onderwyl naar
Diocaar
getreden,
En had aan hem verslag gedaan van
Teuphis
reden.
Hy meld'de hoe hy zelv ook weinig hoop meer zag,
En hoe hy vlugtende, naar schyn, dien zelven dag,
De wildernissen van Carmanië zou meten,
Om aan 's Hydaspes Vloed
Atosse
te vergeten.
Maar eene hoop verhief de grootheid van zyn hart,
En gaf hem ademtogt in 't midden zyner smart.
Ten minsten (sprak hy) zal ik in myn Ryken sterven,
470
Of myner Vaad'ren Troon zeeghaftig weêr verwerven!
[p. 205]
origineel
Of uit myn rampen zyn , en 't nu verdrietend licht,
Of, mag door mynen arm de wraak eens zyn verrigt,
Met eene Waereld-kroon den Persiaan ontmoeten,
En plaatzen die van Gange aan myne
Atosse's
voeten!
Terwyl hy dus te onregt van zels-belang verdenkt
Het bloed van
Cyrus
, nooit in zynen roem gekrenkt,
En
Diocaar
hem troost, koomt
Teuphis
weêr genaken,
En meer dan ooit voorheen de zinnen gaande maken.
De Wysgeer meld'de alleen dat hy den Persiaan
480
Had over zyne Min en doelwit ondergaan:
Maar van het geen by Deez' daar op mogt zyn besloten
Daar had hy zelf nu nog geen kennis van genoten.
Alleen had
Orsines
, met veel aanminnigheid,
En tekenen van gunst, gegeven ten bescheid,
Dat hy den Koning zelv in 't kort zoude openbaren
Wat zyn belangen kon met zyne pligten paren.
Zy wagteden niet lang; en in het kort verscheen
Het uur, waar in de Prins all' zyn weêrwaardigheên
Ten top zou ryzen zien, of van hem henen vlieden:
490
En
Teuphis
volgt zyn treên, om hulp en raad te bieden.
De Persiaan, nu van
Atosse's
hart berigt,
Ontvong hen met een zagt en vrindelyk gezicht;
[p. 206]
origineel
En, om den Prins geen meer ontroering te doen smaken,
Begind hy dus, zo ras ze in zyn vertrek genaken:
Bereids heeft
Leonaat
, uw trouwe Vrind, o Vorst,
Aan my berigt het geen 'er omzweeft in uw borst.
Ik weet hoe myne
Atosse
uw hart vermogt te winnen,
En onverdienden lof verkreeg op uwe zinnen.
Gy weet hoe zy myn vreugde, en hoogst genoegen is!
500
'k Wist geen beschryving voor myn wrede droeffenis
Zo 'k ooit de tyding van haar' tegenspoed moest horen;
Te meer, was door myn' raad dit lot aan haar beschoren.
Ik denk gestaâg op 't geen haar rust bevesten kan,
Gelyk 't een' Vader past en een' voorzichtig Man.
Wanneer ze onzeker moeste op
Stavo's
Ryks-troon steig'ren,
'k Beried my niet om haar ten spoedigsten te weig'ren.
De Vorsten, door geen' ramp en onderzogt verdriet
Geleerd om goed te zyn, zyn voor
Atosse
niet!
't Is beter voor haar hier in middelmaat te leven,
510
Dan tot haar ongeluk naar hoog gezag te streven.
Maar
Friso
, zwervend, van den groten
Leonaat
Verzeld, verstoten door het gruwlykst Ryks-verraad,
Rampspoedig, maar door ramp geleerd zyn deugd te sterken,
En thans aan my bekend, zal eer myn gunst bemerken.
[p. 207]
origineel
Een' ongelukkig Prins, en deugdzaam, agt ik meer
Dan Een' die wreev'lig zit in 't hoogst der waereldsche Eer,
En wiens hoedanigheên, hoe men ze mag verhogen,
Gedoken in den kring der neev'len van 't Vermogen,
Nooit regt te kennen zyn. Wie wys is geeft der Faam
520
Geen 't allerminst geloof, wanneer ze Vorsten-naam
Op hare glas-bazuin met schellen toon koomt vyz'len,
De Waarheid weet ze in 't kort in hare hand te bryz'len;
En haar te dwingen om door eene van metaal
Te wraken openlyk haar eigen valsch verhaal!
Myne agting geef ik dan, gepaard met eerbetoning,
Aan
Stavo's
groten Zoon, maar niets aan Gange's Koning:
En, kan
Atosse
alleen bevesten uwe rust,
Ik geef aan uwe deugd te keuren uwe lust!
O! ruk haar teêre jeugd niet uit myne armen henen,
530
Om deeze uwe eigen keur door haar te doen bewenen!
Verschyn hier niet, o Prins, om 't verst gelegen Strand
Getuige te doen zyn, hoe ligt een Liefde-brand,
Die 't onbedagtzaam hart in de eerste jeugd koomt naken,
Van het gelukkigst lot het allerwreedst kan maken!
Gedenk hoe langen tyd gy haar beminnen moet;
Zie daar waar voor men dugt, niet voor uw' tegenspoed!
[p. 208]
origineel
Dog, schoon ik dit gevoele en daar zal by verblyven,
Wagt niet dat ik
Atosse
ooit wetten voor zal schryven.
't Is billyk dat ze niet genoopt worde, of gestaakt,
540
In iets 't geen haar alleen op het gevoeligst raakt.
Zy keure dit geluk of ongeluk voor 't leven,
Maar werpe nooit haar' ramp op die 't haar heeft gegeven!
Hier sloot de Persiaan zyn troostelyke taal,
Nog overwagter dan die, naar het oud verhaal,
De
*
Lydiër
een' van zyn Vaad'ren hoorde spreken,
En daar hy het gevaar des doods door zag geweken.
Zo zeer daar was gevreesd verdubbeld ook de vreugd.
De Prins weêrhoud zich niet: O, nooit bevonden deugd!
O, (spreekt hy, vallende om zyn' hals) wie mogt te voren,
550
Dan met zulk eene Min zulk eene grootheid horen!
Gy zyt myn Vader, myn Behouder, myn geluk!
Gy weet nog niet uit welk' een' onverduurb'ren druk,
En wreede ontsteltenis, gy my vermoogt te beuren,
Maar zult het door een reeks van dankbaarheên bespeuren!
Ik weet het; en ik zal 't onschendbaarlyk doen zien,
En eerder 't licht dan zulk een dierb're erkent'nis vliên!
[p. 209]
origineel
Valt de onwaardeerb're
Atosse
eerbiedig te verwinnen,
Ik zal ze in eeuwigheid gelyk my zelv' beminnen!
Ik sterf een duizend-tal van doodden zonder Haar,
560
En daar is my geen ramp met haar bezitting zwaar!
Thans heb ik niets, ik ben een zwerveling, gebannen,
Myn gansche schat bestaat in myn getrouwe Mannen;
En, hoe het ongeluk beschaduwe myn lot,
In kennis en in vrees van
Zoroastres
God;
Die my met uwe
Atosse
op Gange's troon kan zetten,
En 't Ooster-waereld-deel doen buigen voor onz wetten!
Intusschen hoorde men de schelle krygs-bazuin;
't Gebergte kaatst den klank te rugge op zyne kruin,
En daagt het Volk ten stryd. Men ziet de Persianen
570
Vermeerd'rende geschaard by blinkende oorlogs-vanen.
Reeds legt by Pasargade een Leger uitgestrekt,
De groene Velden zyn met Tenten overdekt,
Men hoord het Paard-gebriesch van binnen in de wallen,
En is bereids in staat den Vyand aan te vallen.
Vorst
Orsines
betroude aan
Friso
dezen togt:
Zyn naam klinkt door het heir. Eer dat men de eerste vogt
Door
Mithra's
zuiv'ren gloed des and'ren daags ziet ryzen,
Vertoond hy zich aan 't spits om krygs-orde aan te wyzen.
[p. 210]
origineel
Een zegeryke Min blinkt in het jeugdig oog,
580
Dat al den oorlogs-stoet verwond'rend tot zich boog.
Een pragtig zwaard, hem door
Atosse's
hand gegeven,
Word by het eerste licht des Daag'raads opgeheven.
In weêrwil zyner jeugd, en schoonheids trekken, staat
On-overwinb're moed te lezen op 't gelaat,
En majesteit, door geen' der Vorsten te evenaren
Die't juichende Oorlogs-volk voorheen verschenen waren.
Hy smeekt des Hemels hulp, en, elk in ry gesteld,
Geeft Koninklyk bevel, en treed het eerst in 't Veld.
Niphates
, aan het hoofd der woeste Muitelingen,
590
Stond zeer verzet wanneer hy deez veranderingen
Bemerkte voor zyn wit, en, voor geen heir bedugt,
Verdagt in het begin van valschheid dit gerugt.
Maar weinig tyds. Wel haast kon 't vleyen niet meer baten.
Rondom wierd hem berigt, hoe zyn gewaande Staten
Weêr bukten voor een magt, die groot en wettig was,
En dat ze Steden eischte en innam even ras.
Derhalven doed hy fluks all' zyn geworven troepen,
Zo Meder, Persiaan, als Griek te zamen roepen.
Want op de Maar, die hy behendig melden deê
600
Van
Alexanders
dood, en hoe hy d'oude vreê
[p. 211]
origineel
En wyze van gebied weêr op den troon wou zetten,
Boog zich een groot getal der Persen voor zyn wetten.
De halve Heerschappy hong hem byna reeds aan,
En dagt niet dat hen iets zou durven wedersta