terug  begin  verder
[p. 228]origineel

Inhoud van het sevende boek.

In Pasargade koomt tyding van Alexander, en hoe hy van gedagten is die Stad aan te doen. Wat Orsines daar op besluit. Komst van Alexander. Friso en Orsines treden hem te gemoet met pragtige geschenken. Proculus, boezem-Vrind van Orsines spreekt denzelven aan terwyl hy op weg is, en waarschuwt hem dat 'er geen geschenk voor Bagoas is geschikt. Antwoord van Orsines. Beschryving van den hogen en lagen Stoet van Alexander. Hoedanigheden van Bagoas. Orsines doed verslag aan Alexander van het geen door hem in deszelfs afwezigheid is verrigt. De Koning Friso spreekt dien Overwinnaar mede aan, en verzoekt deszelfs bystand. Zy worden beide wel ontvangen, en het verzoek ingewilligt. Gramschap van Bagoas, ziende dat hem niets wierd geschonken. Vermeerderd toen hy hoorde wat Orsines omtrent hem gezegt had. Hy besluit zich over zulks te wreken,

[p. 229]origineel

en betigt dien doorlugtigen Persiaan in het geheim voor Alexander van allerley wanbedryf. Koopt twee valsche Getuigen om. Alexander toont zich straks koeler. Geval by het Graf van Cyrus: waar uit Bagoas zyne voornaamste beschuldiging weet te trekken tot ongeluk van Orsines. Redenvoering van Bagoas; gestaafd door de valsche Getuigen. Toorn van Alexander op Orsines. Orospes krygt bevel om denzelven te doden, 't welk hy verrigt. Droefheid van Atosse. Vreze van Bagoas dat zy de dood hares Vaders wreke, zich voor Alexanders voeten werpe, en de onschuld van den Persiaan tone. Hy besluit, om zulks niet onderhevig te zyn, haar en Friso mede van kant te helpen: weshalven hy Alexander op nieuw valsche beschuldigingen en kwade vermoedens voorhoud, en vervolgens ook de magt verkrygt om dit Koninklyk Paar der slaverny of der dood op te offeren. Ptolemaeus, de Zoon van Lagus, door deernis getroffen, ontdekt hen deze lagen. Proculus openbaard zyn' staat en Vaderland. Heeft, een Verspieder der Romeinen zynde, altyd gelegenheid tot vlugten. Hy raad den Koning en Atosse hem te volgen naar Romen; om daar in rust te leven tot dat men hore welk een keer de staat van het Oosten, en de magt van Alexander neemen zullen. Zy vertrekken van stonden aan.

terug  begin  verder