[p. 230]
origineel
Gevallen van Friso, Koning der
Gangariden en Prasiaten.
Sevende boek
.
D
e
Faam
intusschen, 't hoofd ten wolken ingeheven,
Kwam op de vleugelen des Oostenwinds gedreven;
Verkondigende alom hoe dat de Grieksche Vorst
Nu t'onder had gebragt wie hem weêrstreven dorst:
Hoe
Porus
't zelfde lot als d'and'ren had genoten,
En na het scherpst gevegt was van den Troon gestoten.
Vervolgens deed ze 'er by dat
Alexanders
tocht,
Gestuit door eigen Volk, in 't Oosten was volbrogt;
Hoe dat hy, verr' van tot den Ganges door te breken,
10
Reeds met zyn Leger was uit Indië geweken;
[p. 231]
origineel
*
En in Carmanië den Volkeren deed zien
Hoe ligt het aardsch geluk doed alle wysheid vliên.
Want, naauwelyks gerukt uit de allerwreedste plagen,
Die 't sterfelyk Geslagt door 's Hemels gramschap knagen,
Een' maag'ren Hongersnood, en een verwoede Pest,
§
Ontketend in het dor Horitische gewest,
Maar in zyn woest gedrag door geenen ramp veranderd,
Verscheen hy met den Thyrs, in plaats van d'Oorlogs-standerd.
De lugt weêrgalmde van een sporeloos gedruis,
20
't Verwinnend Volk wierd een veragtelyk gespuis,
Carmanië merkte in het Veld van alle kanten
Niet dan d'onzinnigheid van hollende Bacchanten,
En
Mithra's
luister zag deez Benden zevenmaal
Door dronkenschap gevoerd in vuile zegepraal.
Zelf
Alexander
, door geen schaamte meer bewogen,
Spatte uit in overdaad voor aller Krygs-liên ogen.
De redenlose God van
†
Hammons
Priesterdom
[p. 232]
origineel
Ging 't Volk in dwaasheid voor, en schandelyk alom
Gevoerd ten schouspel op een' nogen Zegewagen,
30
Ontzag zich niet om elk tot wanbedryf te dagen.
Zyn wit was, na dit spel, om
Cyrus
grote Stad
In 't reizen aan te doen, en, nog geen moorden zad,
Vervolgens naar den wal van Babel zich te wenden
Tot zamenroeping van gedugter Oorlogs-benden.
Om, met dezelfde toorts, en nog vergramder hand,
Het Wester-waereld-deel te ontsteken in den brand!
In Pasargade's wal deed zulks de Faam niet horen
Of
Porus
neêrlaag kwam de vreugd des Huwlyks storen.
Want hoe
Niphates
val, zo ras te weeg gebrogt,
40
Van
Alexanders
kant ook hulp beloven mogt,
Hoe
Porus
, schoon geknakt, hersteld ware in zyn Staten,
Men moest ter dezer tyd op Vreemden zich verlaten;
En veel verscheelde zulks van 't geen 'er was gewagt
Had
Porus
't Grieksch geweld den doodsteek toegebragt.
[p. 233]
origineel
Vorst
Orsines
wist nu hoe, by den Troon geboren,
De Wysgeer
Teuphis
niet ten Wysgeer was beschoren,
En hy beschoude dien verheven Vreemdeling
Met achting niet alleen, maar met verwondering.
By twee zo naauw vereende en zo doorlugte Vrinden
50
Was nog een derde, vol van wys beleid, te vinden;
En door een vroomheid, daar niets op te zeggen viel,
Schatte
Orsines
hem hoog, en won hy
Teuphis
ziel.
Verdiensten deeden hem alleen hun gunst genaken;
Men wist van zynen staat geen denkbeeld op te maken.
Maar waar de Persiaan de Deugd en Wysheid vond
Daar hinderde geen Staat aan Vrindschaps rein verbond;
Daar wierde niet gevergd Gewesten aan te wyzen
Of Steên, die zulken schat uit haren schoot deên ryzen;
En latend hem 't geheim, dat zeer gewigtig scheen,
60
Haagde
Orsines
het hart van
Proculus
alleen.
De Koning
Friso
roept dit drietal straks te zamen,
Om wat voor zyn belang te doen zy te beramen.
Want de ondervinding had hem nu bereids geleerd,
Hoe zelden iemand doold, die wysen raad waardeerd,
En hoe dat, wederom, niets erger zy te vrezen,
Dan trots op zyn begrip en wetenschap te wezen.
[p. 234]
origineel
Het slot van hun beraad was met een' groten Schat
Den Macedoonschen Vorst, in 't naderen der Stad,
Tot vordering van hulp eerbiedig te begroeten;
70
En met geschenken zelf zyn' hogen stoet te ontmoeten.
Want hen was wel bekend hoe zelden het geschied,
Dat, die den Scepter zwaaid, uit eigen ogen ziet;
En hoe hy meerendeels op 't listige beschryven
Der Hovelingen zyn besluit laat henen dryven.
Maar, (sprak Vorst
Orsines
) wat of gebeuren mag,
Ik schik my geenzins naar zyn sporeloos gedrag.
Geen lage of boze daad (hoe zeer my zulks mogt deeren)
Zal myner Vaad'ren bloed om myn belang onteeren!
'k Ben vast gezind om door myn voorbeeld te doen zien,
80
Hoe lang-beleeden Deugd wel wederstand kan biên
Aan eigenbaat; of hoe m', om 't aardsch geluk te staven,
Niet altyd kruipen moet gelyk veragte slaven!
Maar 't goud vertrekke; 't Goud zyn allerhoogste lust,
En het onnut Gesteent dat in deez Vesten rust!
Straks deelde men, zo voor den Vorst als voor de Helden,
Die hem ter dezer tyd op zynen tocht verzelden,
Den Koninklyken Schat van Pasargade, en 't geen
Aldaar van
Cyrus
af vergaderd was voorheen.
[p. 235]
origineel
Voor veele Koningen genoeg: nooit dus geschonken
90
Door Een', die met geen Kroon of Scepter konde pronken!
Maar deez mildadigheid, die g' om uw nut besloot,
Rampspoedige
Orsines
, wierd oorzaak van uw dood!
Zo weinig kan de Mensch in 't sterffelyke leven
Voorzien wat hem geluk of ongeluk zal geven;
Voornamelyk wanneer een Vorst de Volken stierd
Die waant, dat al wat is voor hem geschapen wierd!
In korten kwam de schrik der Ooster-waereld-Tronen
Voor Pasargade zich aan 't hoofd des Heirs vertonen:
En met den Vorst van Gange en zynen ganschen Stoet
100
Trad
Orsines
terstond dien Koning te gemoet.
Hen volgde een honderd-tal van wagenen, beslagen
Met zilver, zwaar te doen bewegen door het dragen
Van gouden vaten, wier gebruik verordend word
Tot groter Vorsten Disch. Van hunnen bodem stort
Men des
*
Choaspes vogt, de zuiverste aller stromen,
Wanneer men ze voor 't oog der Koningen doed komen.
Veel waren thans gevuld met het gestempeld goud
Waar op
Darius
beeld, nog zeeg'ryk, wierd beschoud.
[p. 236]
origineel
Een ander deel was met het dierst gesteent beladen
110
Waar mede de Natuur de weelde kan verzaden;
Het zy m', in 't ingewand van 't hemelhoog gebergt
Gedrongen, onverschrikt gevaar en rampen tergt,
En van een' ruwen klomp, ter diepten uitgetogen,
Den vuur'gen Diamant brengt schitterend voor de ogen:
Het zy men Paarl-gewas vind in het dorre Zand,
Aan Gange's ryke Kust, en het Mesolisch Strand.
Ook zag m' 'er zilv're, goude', en purperen gewaden
Der groote Koningen gewoonlyke cieraden.
En om te tonen hoe men alles over had,
120
Verscheen in 't midden van deez' onwaardeerb'ren Schat
De Kroon van Lydië, van Sardis hier gezonden
Toen
*
Cresus
't valsch geluk des Rykdoms had bevonden;
Geklonken uit het fynst en uitgezogtste goud
Dat ooit uit den
†
Pactool het licht had aangeschoud:
Maar nog te waardiger door weder op te halen
Des groten
Cyrus
roem, der Persen zegepralen!
[p. 237]
origineel
Twee duizend Paarden uit den
*
Hippobootschen Stal,
Op 't pragtigst toegerust in Pasargade's wal,
Verschenen straks daar na; door sterke Jongelingen
130
Bereên, en afgeregt ter slach-orde in te dringen.
De troep sloot
Diocaar
, en voerde in zegepraal
Niphates
met zyn hoop ter straf naar 't Grieksche Staal.
Niet lang had deze Stoet den aantocht ondernomen
Of
Proculus
verschynt, en, aan het spits gekomen,
Spreekt dus tot
Orsines
: Naspeurend, grote Vorst,
Al wat deez menigte voor 't zeegryk Leger torst,
Herroep ik my hoe w' in 't verdelen der geschenken
Nalatig zyn geweest
Bagoas
te gedenken.
De Landvoogd, zonder 't minst hier op te peinsen, geeft
140
Dit antwoord: Trouwe Vrind, wat in myn' boezem leeft
Is rein. 'k Heb dezen niet vergeten, maar zyn daden
Doen m' alle gunst van zulk een lage ziel versmaden.
Wel zoek ik die der dapp're en wyd berugte Schaar
Die voor hun' Vorst zo lang beproefden 't Krygs-gevaar;
Maar geen verwyfde, vuile en schandelyk Gesneden,
Die geene magt verkreeg dan door ontuchtigheden.
[p. 238]
origineel
Waar meê geen
*
Persiaan zyn' roem bevlekken zal,
Roept ons ter dezer uure uit Pasargade's wal.
Dit horende met ernst, als na beraad, verklaren,
150
Deinsd
Proculus
terstond, verdwynende in de Scharen:
En
Orsines
vaart voort, (te oprecht en rein van borst!)
En naderd met zyn' Stoet den Macedoonschen Vorst.
Hy stond aan 't spits des Heyrs, omringt aan alle zyden
Van wakk're Mannen, door wier dapperheid in 't stryden
Al zyne grootheid was veroorzaakt; schoon'er straf
Te dugten waar' voor wie hen daar den roem van gaf.
Hy wist niet dat hy haast den Afgrond zou bewonen,
Hen latende 't genot der overheerde Tronen;
En dat des Hemels wraak, gebliksemd op zyn' bloed,
160
Den Stam verdelgen zou van die dus had gewoed!
Uit deze Krygs-liên zag men eenen luister stralen
Die 't wonder van zo veele en grote zegepralen
Verminderde; en hoewel 't gelaat verschriklyk stond,
En dat m'er uiterlyk iets strengs en ruws in vond,
[p. 239]
origineel
Gewoonte had het oog dusdanig niet verwilderd,
Of de edelmoedigheid stond daar nog in geschilderd.
By veel dier Mannen had ook de oude Deugd nog vat,
Schoon
Alexander
zelf versmaadde dezen schat.
Hy was door zyne magt zodanig uitgelaten
170
Dat geen grootmoedigheid hem kon ten voorbeeld baten.
Hy drong hen met geweld (daar
*
Clitus
hen ten baak
Verstrekte) om alles aan te zien naar zyn vermaak.
Meer volgde hy de stem der laag're Hovelingen,
In weêrwil zyner magt. De sporelooste dingen
Beging hy door den raad en 't heillooze beleid
Dier Dienaars zyner
†
schande, en vuile ontugtigheid.
Gelyk m' een held're Beeke uit klaver-ryke weiden
In fellen oorlogs-tyd weet uit haar bed te leiden,
En rollen doed door 't Veen of 't drabbige Moeras,
180
Dat haar vergiftig maakt van heilzaam die ze was;
Zo wisten zy 't gemoed diens Magtigen te stieren
Om aan hun' bozen wil den ruimen toom te vieren.
[p. 240]
origineel
Bagoas
, van wiens aard de Landvoogd had gemeld
In d'aanvang van den tocht, wierd onder hen geteld;
En zeker, had men Een' door alle 's waerelds hoeken
Om aan hun hoofd te zyn zorgvuldig op doen zoeken,
Zo verre 't Aardryk grenst aan Amphitrite's Ryk,
Men vond geen monsterdier in boosheid hem gelyk.
Hy was van al wie deugd en eer niet had verlaten
90
Met recht en billykheid te vloeken en te haten.
De Nyl-stroom had hem in zyne eerste jeugd gevoed,
Hy was den Crocodil gewoon te zien, met bloed,
Uit verschen roof, bemorst, langs d'oevers henen rennen,
En liet zyn kindsheid aan der Beesten dolheid wennen.
Indien hy by geval iets goeds verrigten mogt,
Her smartte zyner ziel wanneer hy zulks herdogt;
En zyn volmaaktste vreugd was als 't hem mogt gelukken
Der reine onnozelheid het staal in 't hart te drukken.
Hy bad den Hondgod aan, daar Memphis hoog op roemt,
200
Schoon overal versmaad, van Afgoôn zelf gedoemd.
*
Nabarzanes
had hem met zyn verwaten handen
Den Macedoen vereerd, en 't gruwlykste aller panden
[p. 241]
origineel
Bewaarde hem voor straf. Gelyk een Draak, die praald
Met gouden schubben, daar de Zon ondraaglyk straalt
Op 't Cyrenaïsch zand, de Slangen gaat te boven
Daar d'Ibis zich meê voed, en, door haar' glans te doven
Te trotser, al wat hem ontmoet vervolgd als buit;
Zo stak hy boven al die Snode in snoodheid uit.
Zyn schoonheid gaf ook zelf te meer vergif te vrezen,
210
En in het blinkende oog was de ondeugd klaar te lezen.
Thans naderd
Orsines
den fieren Macedoon.
Geen vrees stond in 't gelaat des Persiaans ten toon;
Nogtans met diep ontzag en plegtige eerbetoning
Verhaalde hy, wat korts gebeurd was, aan den Koning,
Hoe 't oproers-vuur begon, hoe 't wierd ten eind gebragt,
En welk 't vermogen waar' der Persiaansche magt:
Hoe, niemand ziende in staat
Niphates
te weêrstreven,
Hy zich als Landvoogd had in dit Gewest verheven:
Ook wie de jonge Vorst, die naast zyn zyde stond,
En ware, en door wat ramp hy zich alhier bevond;
En hoe dat hy de kroon der zege had gedragen,
220
Toen onder zyn gebied
Niphates
wierd geslagen.
Voorts sprak Prins
Friso
meê den Overwinnaar aan,
En deed vrymoedig hem aldus zyn' wensch verstaan:
[p. 242]
origineel
O Prins, door 's Hemels wil ter Heerschappy geboren
Des Aardryks, zo het geene ik heden u doe horen,
En voor uw voeten stort, in dit myn ongeluk,
Uw hart bewege, ik zie het einde van myn' druk!
Want wien zoude ik de Kroon van Gange weder vragen,
Thans op
Agrammes
hoofd verraderlyk gedragen,
Wie kan myn Helper zyn, dan die door wys beleid
230
Niet minder zegepraald dan door zyn dapperheid,
En voor wiens naam alom de ontaarde zielen beven
Die hunnen Koningen den doodsteek durven geven!
De Mond dan, die zo veel Verraders straffen deed,
Gebie' myn's Vaders val te wreken en myn leed!
Indien gy
Porus
agt, gelyk de Faam doed horen,
Zyt in den naam diens Vrinds tot myne hulp bezworen!
Beveel dat m' aan zyn' Zoon niet weigere aan het hoofd
Een's heirs den Rykstroon weêr te winnen, hem ontroofd;
Of, kan hy dus 't verraad ook niet te boven streven,
240
Ten minsten in zyn Ryk op 't bed van Eer te sneven!
Uw grote daden heeft men reeds aan ons verhaald,
Maar onder dat getal, indien 't Gerugt niet dwaald,
Grootmagtige Oppervorst, kunt gy nog die niet tellen
Van een' Verdrevenen weêr op den Troon te stellen;
[p. 243]
origineel
Een', die te jammerlyk door 't allersnoodst verraad
In 't eerste zyner jeugd geschopt is uit zyn' Staat,
Die nimmer U weêrstond, maar heden U koomt smeken,
Als Regter dezer Aarde, om zynen hoôn te wreken!
Zy wierden na deez taal op 't minnelykst begroet,
250
En, Pasargade's schat den Vorst en zynen Stoet
Door
Orsines
verdeeld, deed
Alexander
horen,
Hoe niets Prins
Friso's
wensch zou magtig zyn te storen;
Belovende terstond bevelen te doen gaan
Naar 't Oosten, om met magt zyn' toeleg by te staan.
Maar wat vermag een Vorst, hoe hoog hy zy gesteigerd,
Wanneer hy zyner drift geen heerschappy meer weigerd?
Hy, zyner Slaven slaaf, wat raaskalt hy van magt,
Wat roemt hy van een wit, of hulp daar hy naar tragt?
Wat van een' ander weêr een Kroon op 't hoofd te zetten,
260
Daar hem de wellust zelv' doed bukken voor haar wetten?
Gelyk een Reisiger, die door het takryk woud,
Wanneer de Nagt zyn kleed in 't stille zwerk ontvoud,
In onbekend gewest gaat met onzeek're schreden;
Ofschoon zyn meening zy regt voor zich uit te treden,
Hier hinderd hem een Beuk met haar' gekromden Stam,
Daar 't lage Doornebosch, dat onlangs ryzen kwam,
[p. 244]
origineel
En, na 't hem is gelukt door 't dikke loof te boren,
Koomt hem een stalkaars weêr in zynen voortgang storen;
En leid hem onverwagt in 't slykerig moeras,
270
Of in een' onbekend' en hem verborgen plas;
Zo rent, zo dwaald een Vorst, is 't dat men zyne zeden
Niet even-vaardig ziet gehoorzaam aan de Reden.
Bagoas
, mede een slaaf der vuilste gierigheid,
Had zich ter dezer uur met groote hoop gevleid,
Dat hy 't voornaamste deel der schatten voor zyn voeten
Geplaatst zou zien, waar meê men 't Leger kwam begroeten.
Zyne eigenliefde bragt hem voor, dat geene kunst
Verwaarloosd zoude zyn ter smeking zyner gunst.
Thans merkt hy niet zo ras hoe 't minste der geschenken
280
Hem niet word aangeboôn of voeld zyn' hoogmoed krenken.
Maar toen hem wierd verhaald (belet men ook 't Gerugt,
Van mond tot mond gekaatst, en in de ruime lugt
Al vliegende vergroot, om listig uit te leggen
Wat een opregt gemoed meende in 't geheim te zeggen?)
Het geen aan
Proculus
, in dezen zelven tocht,
De Persiaan vermeld'de, ontsteekt het wangedrocht
Nog meer en meer. Het oog begind vergramd te blaken
En glimmend purper-rood ryst sprenklig op de kaken.
[p. 245]
origineel
Hy vind zich niet alleen, of peinsende om deez' hoôn,
290
Brand hy van spyt en toorn op
Cyrus
grooten Zoon.
Niets onverdraaglykers kwelde immer zyn gedagten,
Dan dat m' in 't openbaar hem durfde aldus veragten.
De wraakzugt vliegt in 't hart, met bloed rondom bemorst,
En wekt een' helschen damp in de eerelofe borst,
Roerd alle driften om, teelt dood'lyke besluiten,
En jaagt het overschot der menschlykheid daar buiten.
Gelyk een heete koorts, die nog in 't allereerst
Wat ademtogt vergund, maar haast ontembaar heerscht,
En 't bloed op 't vreesselykst in de aderen doed koken,
300
En niets voor de ogen zwenkt dan ysselyke spoken;
Zo raakt de Booswigt eerst aan 't schelden, maar hy vind
Daar geen verligting in voor 't vuur dat hem verblind.
Derhalven durft hy 't oog ten hogen Hemel heffen
En roept d'
Anubis
aan om 't dood'lyk wit te treffen,
Of wenscht zyn' eigen ramp en val. Een bloedbad leeft
In 't denkbeeld. Als de haat niet straks ter uitvoer streeft,
Acht hy zich magt'loos, voeld de wreedste knaging woeden,
En vloekt het geen hem keerd ten gruwel zich te spoeden.
Zo ras hy dan den Griek in het geheim genaakt,
310
En zyne lastering door niemand word gewraakt,
[p. 246]
origineel
Begind hy 's Persiaans geschenken te veragten,
En zynen ondergang op 't looste te betragten,
Door overmaat van spyt in 't uiterlyk bedaard,
Op dat de wraakzugt zy te min geopenbaard,
Rolt de eerste logen voort. Hy durft zich ook beroemen
Te zyn begiftigd, en gewaande gaven noemen;
Maar schynt zeer diep ontzet, in weêrwil van dien schat,
Dat deez milddadigheid een' snoden oorspronk had.
Hy kan den Koning dus niet meer bedrogen laten,
320
Die niet dan Recht bemind, en alle onrecht moet haten.
De Rykdom, (zei hy) die men by deez' Landvoogd ziet,
Is 't uitgezogtst bewys van 's Onderdaans verdriet;
En 't Volk dat U hier koomt, als zynen Vorst, aanschouwen,
Zag, met een' tranenvloed en deernis-waardig rouwen,
Hem trekken met dit goud, allengskens hen ontroofd,
En oordeeld dat het niets dan nieuwe smart beloofd.
Ik hoorde heden zelf hoe d'een klaagde aan den ander,
Men hope nu niet meer op hulp van
Alexander
!
Zo dier gewenscht! Zie hier het goud gevoegd by kunst
330
Van vleyery, ten doel der Koninklyke gunst!
In korten zal men, tot den ramp van deez Gewesten,
Verneemen hoe de Vorst hem in 't bewind zal vesten:
[p. 247]
origineel
Want goud maakt alles goed! Maar ach! wierd eens gezegt
Hoe snood deez Rykdom is wel eer te zaam gelegt,
Hoe veel rampspoedige Geslachten daar om wenen,
In 't kort zag Pasargade een dierb're wraak verschenen!
Zie daar de taal des Volks, o Koning! en misschien
Verbeeld zich geen van hen in my den man te zien,
Die, kennende in den grond deze eerelose treken,
340
Hunn' nood door dit verhaal zich onderwind te wreken.
Maar 't ga my hoe het wil, 'k bemin uw' roem te veel
Dan dat men ongestraft dien voor myne ogen steel'!
't Is tyd, o Koning, om den Landzaat recht te schaffen,
En zelf het is uw pligt om
Orsines
te straffen!
't Gerugt zou niet veel goeds verspreiden van uw daân
Zo gy des Volks geluk zo roekloos dorst versmaân.
En welke dankbaarheid kunt gy voor Een' gevoelen
Die met uw eigen goud uw gunsten koomt bedoelen?
Verwinnaar van dit Ryk, wat
Orsines
U gaf
350
Was 't uwe: en, eer gy nog
Darius
zynen Staf
Ontrukt had, deed gy dien met reden tweemaal horen:
Dat het belachlyk waar' Gewesten, reeds verloren,
En eene
*
Dogter, zelf gevangen, aan te biên.
Zal iets gelyks met vrugt dan van uw' Slaaf geschiên?
[p. 248]
origineel
Van Eenen, die, der Deugd en Wysheid afgestorven,
Een' onverzoenb'ren haat der Volken heeft verworven?
Nooit heeft men dankbaarheid te tonen dan wanneer
Men eene weldaad smaakt gegrond op Deugd en Eer;
En 't is 'er verr' van af dat m' iemand moet vergelden
360
Die door zyn mildheid ons van ieder een' doed schelden!
Maar hy vernoegde zich niet met dit valsch verhaal,
En riep 't verraad te hulp tot staving zyner taal.
Hy had voorlang aan 't Hof geleerd, dat Hovelingen
Van lagen staat het best zyn door het goud te dwingen:
En wist het in 't Paleis des Landvoogds te besteên,
En kreeg zich twee ten wil, aan hem gelyk in zeên,
Die, kort'lings door dien Prins gered uit hunne ellenden,
Zich nu niet schaamden hunn' weldoener valsch te schenden.
Bagoas
gaf hen van zyn doelwit het berigt,
370
En, hebbende op dien grond zyn helsch ontwerp gestigt,
Loerde op een gunstig uur om nader iets te ontdekken,
Waar hun getuigenis hem kon ten nutte strekken.
Want
Alexander
was zo ras niet overmand;
Des Landvoogds Faam en 't goud had vat op zyn verstand.
Den eersten indruk, daar de Deugd de booste zinnen
Toe neigt, kon de eerste toets zo schielyk niet verwinnen.
[p. 249]
origineel
Daar moest een klaarder blyk en listiger beleid
Zyn aangewend ten val der zuiv're onnozelheid.
Men merkte nogtans haast, uit
Alexanders
ogen,
380
Dat iets, men wist niet wat, zyn ziel hielde opgetogen.
't Wierd stil van Gange's Ryk, en Koning; ja men zag
Niets vrindlyks voor dien Prins in 's
Macedoons
gedrag.
't Herstellen van de rust, het laatste zegepralen,
Niphates
ondergang, kon dank nog eer behalen.
O Gy, die voortyds zat op
Cyrus
hogen Troon,
*
't Zy gy
Hystaspes
waart of
Xerxes
wakk're Zoon,
Wiens Koninklyke zorg naauwkeurig op deed
†
schryven
Der Onderdanen dienst, en eerlyke bedryven;
En midden in den nagt uw pligten lezen deed!
390
Uw voorbeeld is al lang vergeten, en men weet
Ter dezer tyd niet meer van weldaân te gedenken,
Maar wel om 't kleenst misdryf de zwaarste straf te schenken!
Zo stond het, toen men aan den Landvoogd kennis gaf,
Dat
Alexander
naakte, en dat hy
Cyrus
Graf
Wilde aandoen, om 't gebeent van dien vermaarden Koning,
Gelyk voorheen
Achils
, te zien met eerbetoning.
[p. 250]
origineel
De Tempel, die 't besloot, stond allernaast het Hof
Van
Orsines
, en was den Vreemdeling een stof
Van diep ontzach, en deed hem d'overblyfzels eeren
400
Van die gansch Afië vermogte te overheeren.
't Gerucht, dat waar en valsch door verre Landen spreid,
Had
Alexander
met eene yd'le hoop gevleid,
Dat hy te dezer plaatze een' grooten schat zou vinden;
Waar in
Bagoas
hem nog meer wist te verblinden.
Tot grooter eerbewys vond
Orsines
geraân,
Om derwaarts met zyn' Stoet op 't pragtigste te gaan.
Hem volgde
Friso
met Vorst
Teuphis
en de Helden,
Die hen van 't verre strand van Gangaris verzelden:
Nieuwsgierig hoe de Griek zich wyders stieren zou
410
Tot loon van 's Persiaans onwederlegb're trouw.
De schone
Atosse
zelve, een' reeks bevalligheden
Meêvoerende, en vercierd, schroomt niet om meê te treden.
Zo word de Mingodes geschilderd op de kust
Van 't bloesemryk Cithére, angstvallig, ongerust,
Om voor
Saturnus
Zoon in 's Hemels hoge zalen
Den wensch van haar gemoed zielroerende af te malen.
Zy dagt dat zulks den Griek te meer behagen zou.
Want nimmer toont in 't Land der Persen zich een Vrouw
[p. 251]
origineel
Den Vreemdeling, ten zy haar dierbaarste belangen
420
Alleen aan zyne magt en raadsbesluiten hangen:
En zeker in deeze Eeuw zag
Mithra's
oog geen' Vorst,
Die zo veel konde als deze, en zo veel wagen dorst!
Niet lang verwagtte men den Macedoonschen Koning.
Hy word ontvangen met de diepste pligt-betoning;
En schynt nog wel te vreên, schoon 't hart zich al ontroerd
Bevind, en reeds een' drop van gal in 't binnenst voerd.
Straks opent men het Graf des Deugdzaamsten der Vorsten
Die zegepralende verheven Scepters torsten:
Maar, hoe men toe mogt zien, het oog vernam geen' schat,
430
Dien 't dolende Gerucht daar slechts vergaderd had.
Niets wierd'er, dan een Schild, een Dolk, en Boog, gevonden,
Door ouderdom en roest byna geheel verslonden:
En
Alexander
zag zo ras deeze armoê niet,
Of elk merkte op 't gelaat een innig ziels-verdriet.
Terwyl de schatten hem slechts tot verkwisting dyën,
Nog niet te vreên met zo veel groote Heerschappyën,
Sleept vuige gierigheid dien Overwinnaar heen,
En dwingt hem openlyk en schaamtloos uit te treên
Om, tot verzading van 't geen nooit is te verzaden,
440
De heiligheid dier plaatze opzett'lyk te versmaden.
[p. 252]
origineel
Bedrogen Geldlust voeld een onverzetb're smart!
Fluks staat Vorst
Orsines
nog haatlyker in 't hart.
Hy, schendende op het snoodst de rustplaats van de Doden,
Vind misdaad in een' Prins, nooit van de Deugd gevloden,
Bagoas
valsche taal koomt mede in zynen zin,
En brengt 'er argwaan by deez nieuwe gramschap in.
Zo ryst in Zomer-tyd uit half gedroogde Poelen,
En uitgeteerd moeras, daar wangedrochten woelen,
Besmettelyke damp, en spreid zich in de Lugt,
450
En teeld de purp're Pest, voor 't Leven zo gedugt!
Toen met een gouden kroon de
*
doodkist overdekkend,
Een koninklyk gewaad daar rondom heenen strekkend,
Spreekt hy (niet meer bedaard) den groten Persiaan.
Met een half schorre stem en donk're wenkbraaauw aan:
Wy zyn gewoon veel meer eerbiedigheid te tonen
Voor Krygsliên, verr' beneên den luister dezer Tronen;
En duld'den nooit dat Een, die vegtend voor ons storf,
Schoon van geringen staat, zo weinig eer verworf.
Verantwoord wat 'er met het cieraad is bedreven,
460
Waar d'onwaardeerb're schat vervoerd is en gebleven:
[p. 253]
origineel
Of wat u heeft beweegd het Vaderlyke Graf
Daar m' u de hoogste zorg en toezigt over gaf,
Waar voor gy stryden moest, als voor uw Stad en Staten,
Zo roekeloos ter prooy van Plonderaars te laten!
Beminnelyke
Atosse
, op 't horen dezer taal
Verbleekte Gy! De Roos, door onmeêdogend staal
Geknot, verliest aldus de kleuren, die haar cieren!
Gy kond uw oge pas naar 't oge uw's Vaders stieren,
Angstvallig, of daar schrik in mogt te lezen staan,
470
En vrezend dat hy hoon of ramp zoude ondergaan:
Ramp, U nog onbekend, maar overal te ontmoeten,
Daar zich een Dwingeland wend met bebloedde voeten!
Vorst
Orsines
nogtans schynt niet te zyn vervaard
Voor zulk een dwaas verwyt, en antwoord hem bedaard:
Het valt, roemrugtig Vorst, en Heer van zo veel Kronen,
Der Onschuld nimmer zwaar, haar daden te verschonen.
De grote Prins, voor wiens gebeent wy spreken, gaf
Zelv order, wat men zou doen pralen by zyn Graf.
Cambyses
, die na hem den Scepter heeft genoten,
480
En
*
Tanoaxares
, uit wien ik ben gesproten,
[p. 254]
origineel
Geroepen voor zyn Bed, gaf hy den Een' de Kroon
Die thans uw hoofd vercierd, en aan den jonger Zoon
Schonk hy het Erf, dat my nog heden mag gebeuren,
Wil uw verheven gunst zulks ook voor wettig keuren!
Daar by gebood hy Deez' van zyn aanstaande Lyk
De Stad van Pasargade, in 't Vaderlandsche Ryk,
En dit gering vertrek in stilte te doen naad'ren;
En Hy volbragt den last des grootsten myner Vaad'ren.
Der Persen oude deugd stond al te vast, dan dat
490
Zo ras 't verwonnen Volk op zyn' Verwinnaar trad.
Lang na de zegepraal, bevogten op de Meden,
Verscheen hun weelde eerst hier met hun verwyfde zeden.
Der pracht, te Ecbatana gezien, wierd hier weêrstaan.
Ook
Belus
Grafgevaart bood hen geen voorbeeld aan.
Prins
Tanoaxares
, door
Cyrus
wil gebonden,
Zo wel als door het geen de Persen reed'lyk vonden,
Al had hy zelv geheel verschillende gedagt,
Droeg zorg dat hier ter plaats niets anders wierd gebragt
Dan 't geen men daar in kan ter dezer uure aanschouwen.
500
Maar latere Eeuwen, meer op pragtige Gebouwen
Gezet, en enkel door het uiterlyk gevleid,
Misprezen veel te dwaas d'aloude zedigheid.
[p. 255]
origineel
Men strooyde allengskens uit, door yd'len lust gedreven,
Of om aan Pasargade een' grooter naam te geven,
Dat een verborgen schat alhier begraven lag.
Ik dikwyls onderrigt van zulk een valsch gewag,
Was nogtans magteloos der Faam zulks te beletten,
En aller Volkeren vooroordeel te verzetten.
Wel is het waar, het geen men nog in deeze Stad
510
Gedenken mag, dat, eer Vorst
Mnemon
't Ryk bezat,
Een myner Vaderen deez' muur om verr' wou stoten,
Om 't neederig Gebouw met luister te vergroten.
Hy had ook voor, en was door Rykdom wel bekwaam,
Met d'uitgezogtsten schat te hulden
Cyrus
naam:
Maar zyne Mannen deên met wyse taal bezeffen
Dat men hem honen zoude, in plaats van te verheffen.
Deze oude eenvoudigheid, de tekenen dier Deugd,
Die 't Persiaansche Ryk bezat in de eerste jeugd,
Vermeenden ze eeuwiglyk in stand te moeten blyven:
520
En hy liet zynen lust op hunnen raad verdryven.
Ik mede kreeg daar van een waar begrip, en dagt
Dat m'aan zulk eenen naam geen groten luister bragt,
Wanneer men zyne zuiv're en dierbeminde zeden
Bedekte met gesteent, met goud, en purp're kleden.
[p. 256]
origineel
Zie daar, o Koning, welk een reden my bewoog
Dit Graf gering en kleen te laten voor het oog!
Hy zweeg. De Griek vertrok terstond na deze reden:
Tot antwoord veel te trots, schoon uiterlyk te vreden.
Maar naauw word dit geval
Bagoas
aangebragt,
530
Of hy bemerkt den tyd, met ongeduld verwagt,
Waar in hy zyne wraak met vrugt in 't werk mag stellen.
Een woeste vreugde doed hem 't bloed in d'aad'ren zwellen.
Hy staat gelyk een Gier, door honger lang getergt
Op 't hemelhoog en koud Emodische gebergt,
Die teed're Lamm'ren ziet in vrugtb're en groene dalen,
En zyn roofzugtig hart daar meê denkt op te halen;
Die loerd op't ogenblik van dienst voor zyne vlugt,
Zyn vleug'len spreid, en ryst, en kerft de dunne lugt.
Zo ras zyn Meester weêr, der overdaad ten besten,
540
Onmagtig is den Geest op billykheid te vesten,
Alle ondeugd in den wyn met volle teugen zwelgt,
En geene Reden duld wanneer hy word gebelgd;
Ja wat hem ook mishaagt het staal in 't hart doed drukken;
Genaakt de Booswigt Hem. Om minder te mislukken
In zyn vervloekt ontwerp, vertoond hy zich ontsteld
Door 't geen hem nopens 't Graf van
Cyrus
was gemeld.
[p. 257]
origineel
Hy schynt ten uitersten verwonderd en verslagen,
Dat
Orsines
zich zo schynheilig kon gedragen.
Gelyk een deugdzaam mensch, door eene gruweldaad,
550
Op 't onverwagtst gehoord, gansch verontwaardigd staat,
En innerlyke smart en afkeer in zyn trekken
Voor 't geen hem word verhaald doed tot zyne eere ontdekken:
Zo hield hy zich; en, om den laatsten slag te slaan,
Hief zyne slange-tong deez valsche woorden aan:
Denk niet, o Vorst, dat ik alleen, al te ongeduldig,
Prins
Orsines
voor U beklagen durf, als schuldig
Aan Heiligschendery. Deze uitgeputte Stad
Betreurd te meer 't verlies van d'onwaardeerb'ren schat.
Elk weet hoe
Cyrus
Graf beroofd is en bestolen;
560
En zelf de Dader is aan niemand meer verholen,
Dan mogelyk aan U, verblind door zyn verhaal,
Van waarheid zo vervreemd als cierelyk van taal.
Maar lustte 't U, Gy zoud uit and'ren kunnen horen,
In zyn Paleis gevoed, in deze Stad geboren,
Wier monden, tot deez' tyd gesloten door den nood,
Nu wenschten 't hart eens uit te storten in uw' schoot,
Hoe dit strafwaardig werk zich hebbe toegedragen.
Voorts kan ik zelv daar dit byzonders van gewagen:
[p. 258]
origineel
Darius
heeft voorheen my stuk voor stuk verhaald
570
Wat m'in het graf besloot, en alles afgemaald;
En onder 't geen ons wierd, hier komende, aangeboden
Zag ik verscheidene der dierbaarste kleinoden;
Waar door hy by het heyr heeft dankbaarheid behaald,
En nog ter dezer uur hovaardig zegepraald!
Indien gy niet bereids te kennen had gegeven
Dat, eer gy dagt van hier met uwe magt te streven,
Dit Graf verschynen zou voor uw doorlugt gezicht,
Gewis ik had u reeds deez handeling berigt.
Maar 'k heb, o Zoon des Gods, dien alle Volken vrezen,
580
Gewagt tot dat gy zelv zoud oog-getuige wezen:
Bezorgd dat uwe ziel met eenige agterdogt,
Dat my de wangunst dreef, bezwangerd worden mogt.
Maar 't geen my nog het meest van
Orsines
verwonderd,
En elk gelyk als my met smart in de oren donderd,
Is dat hy steeds mispryst, en met een trots gelaat
Uw weêrgaloos beleid en dapperheid versmaad,
Verveelende ieder een door altyd te verkonden
Dat gy der Waereld rust en voorspoed hebt geschonden:
Voorts dat hy, dryvend zelf met
Jupiter
den spot,
590
U noemen durft den nieuws door goud gemaakten God.
[p. 259]
origineel
't Zy dat waanwysheid hem mag tot deez dwaasheid sporen,
't Zy zulks alleen de Haat, uitbarstend, brengt te voren,
Of dat zyn Noodlot hem ten diepen afgrond dringt,
Kan hy der wrake ontgaan, waar toe hy zelv u dwingt,
Zo wagt niet dat, met vrees gebogen voor uw voeten,
De Volkeren der Aarde uw Godheid meer begroeten!
Hy sprak. Fluks zag men 't Paar Verraders in de Tent.
Zy staafden dit verhaal, als iets hen wel bekend;
En, door de vlyt van deez' arglistigen te pryzen,