[p. 328]
origineel
Gevallen van Friso, Koning der
Gangariden en Prasiaten.
Negende boek
.
I
ntusschen van den Troon, die d'andre Heerschappyen
Alleen den Scepter leent om tot zyn wit te dyen,
Zag de
Opperheer
, van al wat wezen kreeg, volbragt
Wat door zyn gramschap was aan 't Oosten toegedagt:
Maar tevens hoe de Vorst, verordend hem te wreken,
Ook waar' van alle deugd en wysheid afgeweken;
Zich zelv' verwaand den roem toemeetend zyner daân
Gereed om heet naar moord al verder voort te gaan;
De Godheid leerde hem waar op hy was vermetel,
10
En stiet hem in het Graf van
Cyrus
hogen Zetel.
[p. 329]
origineel
Een tyding die de Vorst van Gangaris alleen
Konde aanzien als het eind van zyn weêrwaardigheên.
Want, hoe hy waar' bemind van Rome's Volk en Groten,
Hy was als in een' hoek der Waereld opgesloten:
Terwyl
Agrammes
zich nog meer bevesten kon,
En mogelyk den haat der Volken reeds verwon.
Niets kost een' Dwingeland om zyn gezag te staven,
En 't ligt verleidde Volk te meerder te verslaven;
Ja waar' het zelf de Deugd, waar meê hy hen verblind,
20
Hy kiest ze, zo hy slechts geene andre midd'len vind!
Maar 't lot van
Porus
kwam deez hope zeer verklenen,
Want ook was reeds het uur van zyne dood verschenen,
Held
Porus
was niet meer! Hy had den hogen Staf
Voor
Alexander
zelf verwisseld met het Graf:
Zyn kragt door droefheid zynde en door bekomen wonden,
In 't vegten voor zyn Recht en Vaderland, verslonden.
Het Hoofd der Grieksche magt in zyn Gebied gevest
Gebood nu dit wel eer zo zegeryk Gewest.
Held
Ascon
van dien kant thans weêr te rug gekomen
30
Verscheen met deze Maar in 't Zegepralend Romen.
Ook gaf hy hen berigt hoe hy door hunne vlugt
Uit Pasargade wel te regt op 't hoogst bedugt
[p. 330]
origineel
Van hen in langen tyd niet op te zullen sporen
Naar Babylon vertrok om van hun lot te horen.
Want
Alexander
wagtte in die vermaarde
*
Stad,
(Die hy ten Rykstroon reeds voor zich verkoren had)
Van alle Volkeren, hem dienende, Gezanten,
Om, van een's ieders magt bewust, aan veele kanten
Gelykelyk het Zuid en Westen in de Vlam
40
Te zetten, toen de Dood hem overromp'len kwam.
Held
Ascon
dagt dan hier berigten te bekomen
Waar dat zyn Koning 't laatst was vlugtende vernomen,
En hem gelukte zulks. Verr' van eene ydle reis
Te doen, verkreeg hy zelf nog meer dan zynen eisch;
Want hebbende gehoord in Pasargade spreken
Van
Ptolemeus
daad en edel vrindschaps-teken
Aan zynen Vorst getoond, begaf hy zich terstond
Naar Babel by dien Held; uit wiens doorlugten mond
Hy tot zyn grootste vreugd de tyding hoorde komen
50
Dat
Friso
was gevlugt naar 't vergelegen Romen.
Hy die te Sidon 't hoogst bewind in handen had,
Thans ook te Babel, om van zyne Vloot en Stad
[p. 331]
origineel
Den Koning rekenschap en kennisse te geven,
Had
Friso
met zyn' Stoet aan
Lagus
Zoon beschreven:
Verhalende op wat tyd, dien Veldheer ten geval,
Hy dezen jongen Vorst liet reisen uit zyn' Wal.
Maar
Ptolemeus
deede aan
Ascon
mede horen
Den aard van
*
hem die nu ten Koning was verkoren
In
Alexanders
plaats, en hoe deez Jongeling,
60
Zo laag van hart als geest, van 't bloedige geding
Dat onder de Oppersten des Legers was gerezen,
In 't kort naar allen schyn het offer zoude wezen.
Want (zei hy) elk die slechts bekleed was met gezag
Begeerde een Heerschappy tot loon van zyn gedrag:
En waar' niet tot dien prys gezogt de Vreê te kopen,
De Euphraat was rood van bloed reeds naar de Zee gelopen.
Wat my belangt, de Nyl zal buigen voor myn' Staf:
En, schoon een ander my dien in de handen gaf,
En ik myn pligten weet, ook niet denk te overtreden,
70
Ik dugt in korten tyd weêr wisselvalligheden.
Ik zal geen muitery beginnen, maar de Vorst
Zal ras bemerken welk een vreeslyk pak hy torst.
[p. 332]
origineel
Wy zyn te lang gewoon het Oorlogs-zwaard te heffen
Om plotsling 't vreedzaam wit, dat men bedoeld, te treffen.
Maar hoe 't 'er om mag gaan, eer m' andre Standers plant,
Ga 'k naar myn nieuw bewind, en deez myn regterhand
Zal daar den mynen wel zo diep den grond in drukken
Dat niemand hem zo ligt daar weder uit zal rukken.
Gaa, streef naar Rome, geef te kennen aan uw' Vorst,
80
Dat
Ptolemeus
, die zich voor hem wagen dorst
Wanneer hy niets vermogt, door zich te zien verhogen
Niet minder zyn geluk en welstand heeft voor ogen;
En
Cyrus
Dogter hore op 't spoedigste uit uw' mond
Dat hy vervolgen zal het geen hy toen bestond!
Het Koninklyke Paar kome in Egypten rusten,
En deele in myn gezag, tot dat aan Gange's Kusten,
Het zy door list, het zy door openbaar geweld.
Tot hun herstelling iets in 't werk kan zyn gesteld,
Maar deze tyding, hoe ze ook gunstig mogt gelyken,
90
Moest voor een andre nog zeer verre in waarde wyken.
Had
Ascon
Gange's Kroon met zich te rug gebragt,
Verkondigd dat de Prins wierd in zyn Ryk verwagt,
Door geen Verraders of Weêrstrevers af te wyzen,
Hy had geen groter vreugde in zyne ziel doen ryzen.
[p. 333]
origineel
Te weeten, hy had van
Melite's
lot gehoord,
En zelf haar woonplaats reeds gelukkig opgespoord:
Ja zo, dat niets haar weêr waarschynlyk zou doen derven;
Hy deed den Koning dus deez blyde Maar verwerven:
By 't Syrisch Byblus vond ik eene kiel nu reê
100
Naar 't ryk Sicilië te streven door de Zee;
En, wyl men ligt van daar Italië kan naken,
Scheen my deez omweg geen verhindering te maken.
Of liever 's Hemels wil deed my ter goeder uur
Voorspoedig stevenen naar Syracuse's muur!
Een Handelaar gewoon staâg af en aan te varen
En Gades te voorzien met Asiaatsche waren,
En met ons ingescheept, bemerkte niet zo ras
Hoe 'k uit een Land, hem niet bekend, geboortig was,
Of vraagde naar myn' staat, en, hebbende vernomen
110
Hoe 'k van het verre strand van Gange was gekomen,
En reisde naar myn' Vorst, riep hy verwonderd uit:
O weêrgaloze blyk van 't Goddelyk besluit,
En hoe zich
Jupiter
het weldoen laat gevallen!
Wat blydschap zal 'er haast ontstaan in Gades wallen!
Terwyl ik sta verzet op 't geen dien Vreemdeling
Dus met genoegen treft en met verwondering,
[p. 334]
origineel
Hervat hy: Gy kunt dan uw' Vorst een Maar verkonden
Waar aan zyn dierste wensch niet min zal zyn verbonden,
Dan zyne Moeder zal met vreugd zyn aangedaan,
120
Zo ras zy zyn behoud zal uit myn' mond verstaan.
By haar is alle hoop zyn's levens reeds verdwenen;
Zy doed niet dan dien Zoon op 't tederst te bewenen.
Maar gy verwagt nu reeds dat ik u melden zal
Hoe 'k deze dingen weet; en door wat vreemd geval
My zulk een Koningin gebeurde te begroeten!
Hoor dan hoe 't noodlot my haar deed het eerst ontmoeten:
'k Zworf met een Punisch Schip langs Thetis wyden plas
Het welk naar 't Gaditaansch gebied verordend was:
Maar in het Ruim door storm en tegenwind verhinderd,
130
Was al ons leeftogt dus bedorven en verminderd
Dat we aan een onbewoond en steeds gevloden oord,
Een Eiland door een reeks van rotzen omgeboord,
Besloten in onz' nood op 't spoedigste te roeijen,
Of daar een versche Beek met helder nat mogt vloeijen.
Maar wat verwondering verrukte ons ogen daar,
Wanneer we eene achtbre Vrouw, omringd door eene schaar
Van pragtig uitgedoste en vreemd gekleedde Lieden
Bespeurden in een woud de middag zonne vlieden.
[p. 335]
origineel
Naast haar, die de opperste van dit gezelschap scheen,
140
Zat stil aan ieder zyde een Jong'ling; ongemeen
Beide in het uiterlyk van houding en van wezen,
En op wier aangezicht iets Vorstlyks stond te lezen.
Een tiental zag men voorts rondom hen heen geschaard,
Gewapend met het schild, het harnas, en het zwaard.
Naast hunne zy' was een gelyk getal te aanschouwen
Van zedige en niet min bekorelyke Vrouwen.
Wy zagen nimmermeer zo veel bevalligheid,
En houdingen bezield door zo veel majesteit.
Wy werpen ons terstond ter neder voor hun voeten,
150
Niet wetende of wy Goôn of menschen hier ontmoeten.
Maar Gange's Koningin (want deze was het) rees
Zelve op, en sprak ons aan, en bande alle onze vrees,
O (zei ze) is eind'lyk dan het dierbaar uur gekomen
Dat hier een sterv'ling word tot onze hulp vernomen!
O Mannen, is de deugd gevest in uw gemoed,
Rukt ons van deze plaats en uit onz' tegenspoed!
Wy zullen niet alleen door slechts uw daad te prysen,
Maar met gewenschten loon, u dankbaarheid bewysen.
Wy zyn door onweêr hier gedreven, en ons Schip
160
Legt ginder reddeloos, verbryzeld op een klip.
[p. 336]
origineel
De Zon is vyfmaal reeds gedoken in de Baren,
Dat we ons zien bloot gesteld aan allerley gevaren.
O mogten wy nog eens het Punisch Sidon zien,
De Hemel konde ons geen' gewenschter voorspoed bién.
Ik antwoord op deez taal: De onsterfelyke Goden
Zyn ook van ons gevreesd, en we eeren hun geboden,
Wie gy moogt zyn (al waar' 't dat uw doorlugtig oog
Elk niet tot diep ontzag en deerenis bewoog)
Gy zult gewis onz hulp van stonden aan genieten,
170
Is 't dat geen verre reis moge uw geduld verdrieten:
Want onze kiel is naar de Gaditaansche Kust
Tot een gewigtig wit te Sidon uitgerust.
Wy zouden ongestraft ons niet te rug begeven,
Nog elders heen, of 't waar ten koste van het leven.
Zo streng luid ons bevel. Indien gy Gades dan
Wilt aandoen, zie hier 't volk dat U behouden kan.
Van Gades zal wel haast door deze zelve stromen,
Waar 't u behagen mag, voorspoedig zyn te komen.
Men neemt myn voorstel straks na deze woorden aan
180
Gelukkig het gevaar, dat blikte, dus te ontgaan;
En, met ons op de Zee zich hebbende begeven,
Door wind en stroom, met meer geluk dan ooit, gedreven,
[p. 337]
origineel
Verstaan we uit haren mond met diep ontzetten zin
Hoe 't Lot ons reisen deed met eene Koningin.
O (zei ze voorts) indien men slechts aan alle Volken
Verkondigde, hoe 'k verr' door deeze vreemde Kolken
Gezworven aan het eind der waereld my bevind!
O Zoon, o waarde Prins, zo dier van my bemind,
Is 't dat gy 't lieve licht der Zon nog niet moet derven,
190
Of, 's vyands woede ontvlugt, verpligt zyt om te zwerven,
Ook kwam u deze Maar ter oren, en ik zag
U mogelyk eens weêr... Hoe zalig waar die dag
Waar op Gy, dien ik in het Oosten heb verloren,
My by den ondergang der zonne wierd herboren!
Wy hoorden verder hoe, door een's Verraders staal,
De staf en 't leven was ontrukt aan haar Gemaal,
De Rykstad in de vlam gezet, een moord gerezen,
Waar in haar oudste Prins ook zou gesneuveld wezen,
Of wel, gelyk zy zelv, verr' heen naar allen schyn
200
Gevank'lyk weggevoerd; om buiten magt te zyn
Van, door zyn Recht in 't hart des Volks te doen herleven,
Den Booswigt eens den loon van zyn verraad te geven.
Voorts, eindigende onz reis, en komende in de Stad
Die door de groote Zee van Atlas word omvat,
[p. 338]
origineel
Wierd niet zo ras haar Lot en ongeluk vernomen
Of deed medogendheid in ieders boezem komen.
Wy mede zwegen niet. Het gansche Volk verstond
En haar mildadigheid en goedheid uit onz' mond.
Want zekerlyk geen Vorst, hoe hoog hy zy verheven,
210
Konde ons een' ryker loon of meer geschenken geven.
Vervolgens, eer ik my begaf ten nieuwen tocht
Wierd ik op 't vrindelykste in haar vertrek verzogt;
En hoorde haar aldus: Hoe verre u 't lot mag dryven,
Myn Vrind, herdenk altyd, wie dat gy hier laat blyven.
Verkondig overal myn woonplaats; des te meer
Dewyl ik thans geen hulp en geene magt ontbeer.
Dit edelmoedig Volk heeft my niet slechts ontvangen
Met vreugd, maar zal my zelf zyn' bystand doen erlangen.
Hunne Overheid heeft my reeds eene Vloot beloofd,
220
Zo ras het oorlogs-vuur zal wezen uitgedoofd,
Waar meê Carthago, door
*
Agathocles
besprongen,
Een tyd lang op het naauwst gevaarlyk word gedrongen.
De Zeemagt dezer Stad helpt thans Charthago meê:
Maar, komende te rug met een gewenschte Vreê,
[p. 339]
origineel
Zal haar geboden zyn my veilig te doen landen
Of aan Berytus Kust, of Sidon's dierbre stranden.
Intusschen vraag alom, verneem of niemand heeft
Gehoord van eenen Prins, die dolende ommezweeft;
Indien hy slechts der magt zyn's Vyands is ontweken!
230
Zie daar wat ik alleen kan van zyn noodlot spreken.
Helaas! zie daar de hoop die myn gemoed nog helpt
Zo lang geen droever Maar myn binnenste overstelpt!
Voorts (sprak de Handelaar) kunt gy verwittigd wezen
Dat nog in Afrika de Vreê niet is herrezen:
Zo dat de Koningin alsnog naar allen schyn
Met hare Prinssen zal in Gades wallen zyn;
En wees gerust dat ik by haar in weinig dagen
Van een zo groot geluk en voorspoed zal gewagen.
Zy wagte daar tot dat die Vorst haar kennis zend
240
Waar heen het nodig is dat zy haar reise wend.
Held
Ascon
sloot. De Prins van blydschap opgetogen
Viel fluks hem om den hals, en sprak met wenende ogen:
Wy zelv, myn Vrind, wy zelv, wy zullen door de Zee
Straks zoeken aan een zo gewenschte en waarde Reê
Een Moeder, zo bemind, zo lang geschat verloren,
En die de Hemel u gelukkig op deed sporen!
[p. 340]
origineel
Fluks haast hy zich om aan
Papirius
berigt
Te geven van dit nieuws; en hoe hy, thans verpligt
Eerst Gades, voorts Egypte op 't spoedigste te naad'ren,
250
Zyn hoop tot bystand veste op Rome's grote Vaad'ren.
O (sprak hy) dapper Held, daar dit Gemenebest
Met recht zyn' luister, eer, en hoop op heeft gevest,
Door lange op het genot van uwen arm te roemen
Zy Rome eens 't hoofd van gansch Italie te noemen!
Maar weiger my geen hulp: vergun my mynen eisch
Op dat ik veilig door de grote waat'ren reis',
En eene Moeder weêr ten laatsten moge aanschouwen
Wiens noodlot my zo lang heeft wredelyk doen rouwen.
Helaas! hebt ge in uw jeugd uw Moeder ook bemind,
260
Gy weet in welken staat myn ziele zich bevind!
De vreugde, die 'k haar zal door myn verschyning geven,
Is een vermaak voor my zo dierbaar als myn leven!
Mogt ik, door 's Hemels wil, myn' Zetel weêr betreên
Ik zag een duizend-tal van kielen op de Zeên,
Gereed om op myn' wenk haar vlaggen te doen eeren
Zo verr' Neptuins gezag zich uitstrekt op de Meeren.
Thans smeek ik slechts om Drie! Zo ligt word alle magt
Waar mede een stervling is bekleed te niet gebragt!
[p. 341]
origineel
De Raad van Romen had besloten van te voren
270
Wat m' op zulke eene beê den Koning zou doen horen:
Want ieder ogenblik konde eene omwenteling
In 't Oosten, daar het al aan eenen adem hing,
Dien Prins weêr nieuwe hoop tot zyn geluk doen ryzen.
Men was beraden hem deez hulp niet af te wyzen,
Nog Rome aan hem te doen herdenken met berouw,
Wiens naam hy d'Aarde door met zich omvoeren zou.
Fluks kreeg
Sulpitius
bevel op 's Tibers stromen
Drie kielen wel bemand reisvaardig te doen komen:
Sulpitius
wiens lange ervarenheid geen Ree
280
Was onbekend op 't Wyd der Middellandsche Zee!
Hy doed van stonden aan de stoutste zeeliên gaadren,
Met krygs en mond-behoeft' de holle schepen naadren,
En ziet met vreugd hun' moed. Elk hunner had voorheen
De Gaditaansche Kust veel meer dan eens betreên,
En d'ouden Oceaan ten hemel opgezwollen
Zien tomeloos en woest langs zynen bodem rollen.
Ook was hen 't strand bekend daar 't groote Stroomgebied
Uit Ethiopie met zeven monden vliet;
En daar de Koning wenschte op 't spoedigst heen te streven,
290
Was hem zyn dierste schat, zyn Moeder weêr gegeven.
[p. 342]
origineel
Haast naderde het uur. De schone
Atosse
treed
Naast 's Konings zyde en is ten nieuwen tocht gereed.
Men zal nu wederom den Winden en den Baren
Betrouwen 't geen ontkwam aan zo veel doodsgevaren.
Papirius
verschynt, van
Fabius
verzeld,
En groet by zyn vertrek den Koninklyken Held.
De jonge Vorst doed hen deez dankb're woorden horen:
Niets zal vermogend zyn 't geheugen te verstoren,
Verheven Mannen, van uw toegenegenheid
300
En Vrindschap, die my meer dan alle Grootheid vleid!
Ik zal den Volkeren van uwe daden melden,
Zy diep verwonderd staan om zo doorlugte Helden!
Ik zal u Lauwer-blaân bereiden aan den Vloed
Die
Ptolemeus
thans eerbiedig hulde doed;
En, ach, vermag ik eens op Vaderlyke Kusten
Na mynen tegenspoed, en wreden ramp te rusten,
Zo verre Aurora's Ryk zich in het Oosten strekt
Zal elk door uwe deugd tot Deugd zyn opgewekt!
De Volk'ren mogen haar voor on-navolgbaar keuren,
310
Zy zullen my nogtans op 't zelve pad bespeuren!
Ik heb door uwe gunst gewenschte rust ontmoet,
Gevonden 't geen ik zogt in mynen tegenspoed;
[p. 343]
origineel
Maar 't geen nog groter is, gelukkig mogen leeren
Waar toe 'k geboren ben, de Volken te regeeren!
Ontvangt myn laatst Vaarwel! Geniet een langen tyd
Dat Rome zich in uw behoud en heil verblyd,
En wensche om uw geluk! Want zekerlyk voor menschen,
Ter Heerschappy geschikt, is niets zo groot te wenschen
Dan dat hun Onderdaan den hogen Hemel vraag'
320
Dat hun doorlugtig Hoofd de kroon der Grysheid draag',
En laat zy weggerukt! O Koninklyke Mannen,
Wilt myn gedagtenis nooit uit uw ziel verbannen!
Het oog word op deez taal bevogtigd; en men ziet
Dat z' uit het diepst vertrek des harten heenen vliet.
De gryze Veldheer kon zyn teêrheid niet bedwingen:
En sprak: Beminn'lykste der Grote Stervelingen,
O regt doorlugte Prins! uw leerzaamheid, uw deugd,
Zal eeuwiglyk alhier herdagt zyn met geneugt!
O neen, wy zullen U zo schielyk niet vergeten,
330
En ons Nakomeling zal van uw wysheid weten!
Wyl ieder staat verzet, en Gy, door uwe vlyt,
Der and're Vorsten aard gansch afgestorven zyt,
Zal Rome uw groten naam zo veel te hoger pryzen,
En uw geheugenis te meer ontzag bewyzen!
[p. 344]
origineel
't Vercierd
Quirinus
Stad en 't
Godd'lyk Capitool
Dat het aan zulken Prins verstrekke tot een school.
't Gelukke u niet alleen daar lessen van te halen,
Deel mede aan zynen glans in grote zegepralen!
U geve
Jupiter
zyn' blikzem in de hand,
340
En pletter in het stof den snoden Dwingeland
Dien m' op uw' zetel ziet de Volkeren verdrukken!
Eene ongestoorde rust voleinde uwe ongelukken,
En, door uw deugd veel meer dan Heerschappy vermaard,
Zy de onverwelkbre roem der Helden U bewaard!
Hy zweeg. Maar
Fabius
, met nog verrukter zinnen,
Hoort m' op zyn beurt aldus het laatst Vaarwel beginnen:
O Koning!
Fabius
ontbreekt het aan geen stof,
Maar woorden, om te regt te melden uwen lof!
Wil
Jupiter
naar myn gebed en wensch U lonen,
350
O myn Behouder, haast op Gange's hoge Tronen
Zult ge een volmaakt bestier, in Rome's wal geleerd,
Vertonen aan het Volk dat uwen Scepter eerd;
En, zo gelukkig als gy deugdzaam zyt bevonden,
Roemrugtig pralen in der latere eeuwen monden!
Maar staat het Noodlot al te onwrikbaar; moet gy niet
Verschynen in uw Land en wettig Ryks-gebied;
[p. 345]
origineel
U geev' de Donder-God, die hier van Troje's stranden
Anchises
Zoon met onz Palladium deed landen,
Een ander Ryk! Schoon niet zo groot en uitgestrekt,
360
Wat scheeld het zo het u den zelven luister wekt,
En stof tot weldoen! Stigt een' Staat die hoog gerezen
By 't verst gelegen Volk geagt werde en gepresen!
Eens hore zynen roem en Gange, en
Charsis
Ryk,
En 't smarte d'Indiaan hem niet te zyn gelyk!
Hy buige 'er zich voor neêr, en schrikke om het verraden,
En dat zyn Vaderen bestonden u te smaden!
Vercierd met Rome's lust tot Vryheid en tot Wet
En uwe Deugd, zy nooit die Zetel omgezet!
Het lukke uw Nageslagt de Dwing'landy te weeren,
370
En U, gelyk wy hier
Eneas
hulden, te eeren!
Hy zwygt. Men hyst het zeil, verlaat der Helden Ree,
En Vader Tiberyn dryft met hen heene in Zee,
Die zagtlyk langs haar' rug de kielen voort doed dryven
Als wilde ze hen nu voor altoos gunstig blyven.
De Koning onderwyl merkt iets in zyn gemoed
Dat hem met dankbaarheid voor Rome wenschen doed:
Hy, de eerste Vorst die zich van Rome deed beminnen,
Verliet haar Vesten niet met koele en stille zinnen.
[p. 346]
origineel
Verzet, in eene Stad zo veel verheven Liên,
380
Zo veel regtvaardigheid en wys beleid, te zien;
Daar 't blind geval nooit recht verschafte om te gebieden,
Maar daar en gunst en konst moest voor Verdiensten vlieden,
Begreep Hy, wel geleerd op zyn geboorte en naam
Niet trots te zyn, waar toe de Vryheid is bekwaam:
En de ondervinding deed ten klaarsten hem bezeffen
Hoe zwaar 't is voor de Deugd der Vorsten gunst te treffen,
Terwyl ze zich alleen in een Gemeenebest
Met eigen glans bekroond en ieders agting vest.
De Dwingelanden, die hem zelv' zo verr deên vlugten,
390
En de oorzaak waren van zyn waarde
Atosse's
zugten,
Getuigden dat men nooit verzekerd is van rust
Daar Willekeur de toorts der heilige Onschuld bluscht.
Gelyk in stilligheid een Man, door deugd en jaren
In 't keuren eener zaak, schoon teder, wel ervaren,
In een geketend Ryk al de onordentlykheên
Der onbepaalde magt in eene hand alleen,
Doorgrondig overdenkt, en ten besluit moet laken;
Zo peinsd de Koning mede op deez verheven zaken.
De Wysgeer
Teuphis
hoord deez taal uit zynen mond:
400
O
Leonaat
, waar ik voorhenen my bevond,
[p. 347]
origineel
Geen volk vermogt in my zo veel ontzag te wekken;
En 'k voel dat hun gedrag my zal tot Leer verstrekken.
Mag ik me eens weder op den Troon myn's Vaders zien,
'k Zal 't misbruik van de magt, zo veel ik kan, ontvliên.
Ik zal myn Volkeren ook dezen indruk geven,
Geen Oppermagt zal meer hun Voordeel tegenstreven.
Ook zal de Wet myn' Troon beklimmen: 'k wil alleen
Haar stellen tot myn wit, en regel myner zeên.
O neen! de Deugd is niet als and're Waerelds schatten.
410
Nog door een' Erfgenaam met zyne hand te vatten!
O welk een onderscheid in
Charsis
en zyn' Zoon!
Zit ééns de Deugd, tien werf zit de ondeugd op den Troon!
Hoe groot is
*
Brutus
hier, die 's Lands geluk dorst vesten
Op eigen bloed, het al gaf voor 't gemeen ten besten,
[p. 348]
origineel
En door zyn voorbeeld eerst den grondslag heeft geleid
Van's Volks doorlugt gedrag, en 's Lands rechtvaardigheid!
Hem volgde
†
Lartius
het naast in grote daden,
Die, met de
Dictatuur
het allereerst beladen,
Moest dienen tot een Baak. In zulk een tyds-gewrigt
420
Gebied hy koninklyk, maar naauw is 't doel verrigt
Der Oppermagt, of hy verheft zich zelf daar boven,
Door zich van haren glans vrywillig te beroven:
Hy schryft alle Eeuwen voor wat goed is, en belet
Door zynen roem, dat m' in zyn hoge plaats gezet,
Op al te lang gezag durft vesten zyn gedagten,
Uit vreeze van zich door elk een' te zien veragten!
Den Eersten heeft men dank te weten dat naar Recht,
Al wat 'er voorvalt word bedongen en beslegt,
[p. 349]
origineel
En dat nog vrind nog maag nog zelfsbelang de wetten
430
Ten nadeel van 't Gemeen doen zwygen of verzetten:
Den And'ren; dat men zelf door zugt tot roem vermyd',
Om tot het uiterste der vastgestelde tyd
Te pronken met den Staf, die geen meer nut kan geven,
Dan Eenen slechts in eer en hoogheid te doen leven.
Groot is hy die naar zulk een voorbeeld doed en leeft,
Maar Groter zekerlyk die zulk een voorbeeld geeft!
Wat Volk zal magtig zyn om Landen te overwinnen,
Daar 't algemene heil de handen en de zinnen
Het zwaard bestieren doed? daar elk met vreugd zich bloot
440
Durft stellen, 't Land ten nutte, aan de allerwreedste dood?
En daar de Eenvoudigheid's Lands schatkist dus zal vullen,
Dat veele rampen zelf die niet uitputten zullen;
Ja dat geen vreemde Vorst, hoe verr' zyn magt zich spreid,
Bestaan zal voor hun' moed en voor hun wys beleid!
Sterft
Alexander
? wie zal in zyn plaats regeeren?
Wie zich als hy, die 't al verwonnen had, doen eeren?
De Tweedragt grypt den Staf: en in het grootst Gebied
Dat immer was, is 't al wanorde wat men ziet!
Darius
lot kan ook van deze taal getuigen:
450
Met zyn geluk moest al der Persen luister buigen!
[p. 350]
origineel
Hier trekt, in tegendeel geen Leger in het Veld,
Of ziet zich door een tal van Koningen verzeld;
Elk straks bekwaam 't beleid met het vermogen te erven,
Komt de Opperste in den stryd het levens-licht te derven.
Ja, wierd het gansche Heir op eens te niet gebragt,
Uit Rome's hogen Wal verschynt een nieuwe Magt;
Door 't Capitool bezield met even grote Helden,
Die hunne dapperheid veel meer dan eens deên melden,
'k Zie klaar dat dit de Vrugt der gulde Vryheid is.
460
Wie, blyftze dus in waarde en in erkentenis,
't Gelukken zal in verr' gelegene Gewesten
En Koninkryken zelf haare Arenden te vesten;
Terwyl op Een' alleen, op Een's ervarenheid,
De grondslag van 't behoud des vyands word geleid!
Dus groter dan hy dagt, door de eigemin te bannen,
Vond zich de Koning kleen by zo verheven Mannen.
Hy merkte hoe daar meer van noôn was dan de naam
Van Koning, en dat deugd alleenig is bekwaam
Om Lieden, in den schoot der armoede opgetogen,
470
Verr' boven Koningen en Vorsten te verhogen.
Hy zugtte naar dien roem, en troostte zich alleen
Met hoop van eens dit pad in voorspoed te betreên.
[p. 351]
origineel
De Wysgeer antwoord hem: 't Hoogst dat een Prins kan wenschen,
Is, dat hy leeren moge uit zo veel wyse menschen,
Als hier te zamen zyn, wat waarlyk pryss'lyk zy
Op dat de Vryheid niet verkeere in Tyranny.
Dan treft hy 't heilzaam wit dat Gy nu koomt bedoelen,
Om de Oppermagt alleen tot nut te doen gevoelen.
Gewis dit Volk is groot! Daar elk het zyne heeft,
480
Daar ziet men dat de lust tot grote daden leeft;
Daar ziet men dat alleen geen laffe Hovelingen
Vermogen naar gezag en heerlykheid te dingen.
't Zyn alle Vorsten, die m' in Rome's wal bespeurd:
Elk heerscht, zo ras hy 't nut des Lands voor 't zyne keurd!
Gelukkig die den loop dier dingen regt mag leren,
Te pas gehoorzaam zyn, en weêr te pas regeren!
Maar ieder Volk is niet van zo verheven aard;
En minder vind zich een door slaverny bezwaard,
Dan door de moeite om 't jok bestendelyk te ontvlieden:
490
't Gehoorzaam zyn is ligt; maar lastig het Gebieden!
De Geest van regt te doen word niet zo ras verspreid,
En ligt deeld m' in 't Gezag, maar moeilyk in 't Beleid!
Hoewel uw goede wil dit voor hen had gekoren
Uw Volkeren zyn niet tot zulken staat geboren.
[p. 352]
origineel
Wie Vryheid is gewoon, vreest in 't Gemeenebest
Meer voor een' Vorst dan voor de vreesselykste Pest,
Die, d'een of d'ander tyd bedoelend te regeren,
Gestaâg in vuur en bloed dreigt alles om te keren.
Maar Koninkryken zien de Vryheid weder aan
500
Als iets het welk niet kan met hun geluk bestaan.
Zulk een gering Gebied als dit kan Vryheid passen,
En, eens gevest, kan 't ook ten hoogsten toppunt wassen.
Maar aan een' Rykstroon, die verr' over de Aarde strekt
Was 't naar waarschynlykheid de grootste ramp verwekt.
Geen snelle omwenteling kan vasten grond verwerven:
Trapswyze kan men slechts het eerste denkbeeld derven.
Gelyk een's Konings naam voor Rome doodlyk is,
Zo waar de Vryheid ook voor 't Volk van Gangaris.
De grootte van 't gevaart, door de Oppermagt te bannen,
510
Zag haast, in plaats van Een', ontelbare Tyrannen:
Gy zoud in korten tyd gedwongen zyn den Staf
Op nieuws in uwe hand te nemen tot hun straf.
Want een Gemeenebest met luister te bestieren
Is zwaarder dan 'er veel in blinde drift vercieren.
Gelyk als daar de Wet alleen de zuil van is,
(Want nimmer is 'er hoop om een verbintenis
[p. 353]
origineel
Door bloedverwandschap met zyn' nabuur op te rigten,
Gelyk de Koningen zich Koningen verpligten)
Zo smelt van stonden aan alle eer, en roem, en magt,
520
Is 't dat men zich de Wet bereids te boven agt,
En zich te waardig schat om hare stem te vrezen.
Te meer, om dat die kwaal, in 't Ingewand gerezen,
Door geen vermogen meer kan worden wederstaan,
En 't lichaam in zyn bloed doed stikken en vergaan.
Maar loflyk is 't van U, dit Volk voor groot te keuren.
Aan ieder Prins mag deez bevatting niet gebeuren.
De meeste hunner zien deez Lieden, en hun daân,
Met een versmadend oog en donkre wenkbraauw aan,
En wat niet op den duur pronkt met het hoogst vermogen
530
Dat schynt gebrekkelyk in hun benevelde ogen.
Het denkbeeld dat'er meer doorlugte Mannen zyn,
Of and're grootheid is dan yd'le naam en schyn,
Doorgrieft hun nydig hart, en schynt hen te verkleinen.
Gy zyt alleen een Prins geboren voor
Romeinen
!
Volg hen in deugden na: maar 't groot zo wel als 't kleen
Stort, buiten middelmaat, in diepen afgrond heen.
Gebiê met wysheid. Doe, gezeten op uw Tronen,
De Vryheid naast uw zy' zich aan uw Volk vertonen:
[p. 354]
origineel
Ontleed hen, met den Staf in uwe Regterhand,
540
Het ware doel der Magt, het welzyn van het Land!
Tragt uw' Nakomeling, door onverbreekb're Wetten
En voorbeeld, het misbruik des Scepters te beletten.
Tragt by het Nageslagt veel eer in gunst te staan,
Dan 't eeuwig te doen zyn de prooy van woeste daân:
Maar denk dat tot verderf de Vryheid word geschonken,
Legt de Eigenbaat niet eerst in ketenen geklonken!
Daar op hervat de Prins: Gelukkig was het Land,
O
Leonaat
, wiens Staf gy hield in uwe hand!
Gelukkig zal het myne ook buiten twyffel heten,
550
Daar Gy, met wysen raad naast myne zy' gezeten,
Zult delen in 't Gezag, verzegelen 't bevel
Met schrander overleg. Gy kent het gansch gestel
Der Heerschappy: gy weet hoe dat men moet regeren.
Gy slechts, gy waart bekwaam uw wetten te doen eeren,
Gezeten op den Troon van
Romulus
, gelyk
In 't willekeurigst Land en 't onderdanigst Ryk!
Wanneer Gy redeneerd met deez verheven Menschen,
En overlegt wat meest voor Staten zy te wenschen,
Gy wint het allen af in wysheid en in raad:
560
Men zwygt wanneer gy spreekt, en groot en klein, elk staat
[p. 355]
origineel
Te wagten op het woord dat uit uw mond zal komen;
En ik, om uwent wil, ben aangenaam aan Romen.
Schoon onderrigt door U ten opzigt van 't Bestier,
Begreep ik nooit dat het zo zwaar was, als ik hier
Nu klaar heb opgemerkt. Wie leerde u deze dingen
In Gangaris? zyn daar zo wyse Stervelingen?
Of hebt gy voortyds ook in het Gezag gedeeld?
Ik heb my dikwyls reeds iets diergelyks verbeeld,
En twyffelde, of ge alleen uw leeftyd hebt versleten,
570
Om iets, waar toe gy niet geboren waart, te weten?
Hoe krygt men, zonder zelv te zitten op den Troon,
Een kennis zo volmaakt van de eigenschap der Kroon?
Hoe van de Vryheid, langs des Ganges grote stromen
En nooit beproefd, en nooit in het begrip gekomen?
Vorst
Teuphis
antwoord dus: In 't Koninklyke Hof,
Daar 't nodigst waar, word minst geleeraard dezer stof.
Onachtzaamheid! waar door zo veel Gedrochten ryzen
In plaats van Vorsten! 't Is niet zwaar den weg te wyzen
Aan 't menschelyk Verstand, geschied het maar door Liên
580
Bekwaam om regt den aard der dingen in te zien;
Verheven zielen, die, na vlytig te overpeinsen
Wat het Gezag beduid, zulks uitten zonder veinsen.
[p. 356]
origineel
Deez Meesters zyn 't alleen die 't Vorstelyke kind
Al vroeg een' Man doen zyn. Maar zulk een zwaar bewind
(Niet zwaar voor hen) word meest door gunst en konst gegeven
Aan Plomperts, niets gewoon te leren in hun leven.
Van daar, dat merendeels een uiterlyke schyn
Voor deugd genomen word, en Vorsten groot doed zyn.
Men had te Tamasis begrip van deze dingen.
590
Daar leerde men 't geluk van alle Stervelingen
Diep te onderzoeken, en vervolgens ook hoe dat
Hy, die den Scepter zwaaid, zich te gedragen had.
De Vryheid was daar ook bekend. In de eerste jaren
Hoorde ik haar menigmaal, gelyk als hier, verklaren.
't Besluit van alles wat my de ondervinding geeft
En redenering, is: Daar ware kennis leeft,
En daar men Wetenschap en Redenkunst ziet pralen,
Daar is de Bron waar uit 's Lands welzyn is te halen,
En Koninklyke roem. Maar aan den and'ren kant,
600
En naast de Onwetendheid, treed het verderf van 't Land;
Niet voor te komen dan door verre weg te bannen,
Of met het zwaard te doôn, alle eervergeeten Mannen,
Die m' in het openbaar hoort zeggen, dat een Vorst
Geen wetenschap behoeft te voeden in zyn borst.
[p. 357]
origineel
Als of de Onwetendheid konde onverschillig wezen,
En dat niet alles stond van haren aard te vreezen!
In Asië hield nooit een groter Vorst den Staf
Dan
Porus
. Schoon hy nu legt in het enge graf
Zyn lof zal eeuwig zyn. In zyne kindsche jaren
610
Deed m' op 't zorgvuldigst hem voor beuzelwerk bewaren.
Daar kwam in zyn vertrek nooit list of logentaal,
En altyd hoorde men daar een getrouw verhaal
Van grote daden, zo door het Gemeen bedreven
Als Vorsten. Hy wist reeds wat waarlyk is verheven,
Wanneer m' een' and'ren nog met kinderspel begroet,
En paaid, als of men dat noodwendig weten moet!