Had ik telkens, bij de verschijning eener Afl. van mijn Spreekwoordenboek, de voortdurende en steeds aanwakkerende belangstelling in onzen nationalen spreekwoordenschat te vermelden, en mogt ik reeds ook België noemen, thans is het mij eene hoogst aangename taak, mede op Duitschland te kunnen wijzen. Het is de Heer f. latendorf, Cand. phil., van Neu Strelitz1), die mij belangrijke mededeelingen deed.
De volgende werken zijn mij sedert als hulpbronnen voorgekomen:
5. Van dit werk, berustende in de Koninklijke bibliotheek te 's Hage, bestaat een druk van het vorige jaar, zich bevindende in de bibliotheek van het groothertogdom Mecklenburg, welks titel is:
Adagiorum Epitome post novissimam d. erasmi Roterodami exquisitam recognitionem, per eberhardum tappium, ad numerum Adagiorum magni operis nunc primum aucta. Antverpiae ex officina joannis loëi. An. m.d. xliiii. Hoewel hier 291 dubbele bladzijden, dat is 2 meerder, gevonden worden, is er het aantal spreekwoorden zeer gering, daar er van de 1106 spreekwoorden slechts 50, allen met deze gelijkluidend, in voorkomen; ofschoon aan het exemplaar 6 dubbele bladzijden ontbreken, op welke bij servilius 21 spreekwoorden voorkomen.
7*. Adagia ofte Spreekwoordē, ghecopieert van reyer gheurtz tamsterdam. Tgheloof mūet werckē. Gheurtz, die zijne copie in 1552 ten einde bragt, heeft de 1932 in alphabetische volgorde voorkomende spreekwoorden waarschijnlijk uit geene gedrukte verzameling genomen; waarvoor ik deze redenen heb: 1. Van de werken, wier titel ik ken, zou het alleen no. 8 kunnen zijn, en de naauwkeurigheid, die ik bij gheurtz opmerkte, verbiedt, aan te nemen, dat hij dan s. andriessoon niet zou vermeld hebben. Te meer, daar hij, achter deze verzameling, nog afschrijft: hondert parabolen ofte ghelyckenissē, die hij zegt, ‘uyt erasmus ghetooghen’ te hebben. 2. Meer dan zulks in eenige andere verzameling van die soort voorkomt, vindt men hier dezelfde spreekwoorden tweemaal opgenoemd. Bij het drukken zou zulks in het oog hebben moeten vallen, en ze waren geschrapt. 3. Het aantal spreekwoorden, die elders niet voorkomen, is hier grooter dan in eenige andere verzameling; ik maak daaruit op, dat men uit deze niet heeft kunnen putten. - Van wie dus gheurtz zijne verzameling ook moge hebben ontleend, zij is mij belangrijk genoeg voorgekomen, om ze op zijnen naam te zetten, en als zoodanig aan te wijzen. De verzameling behoort aan Dr. snellaert, en is achter no. 7 bijgebonden.
64. c.a. fischer. Hölländsche Sprickwörter aus dem Seeleben, voorkomende, bl. 106-108, in zijne herausgegeben Reiscabentheuer. Erstes Bändchen. Dresden. 1801. kl. 8o.
98*. t.j. kerkhoven. Iets in den trant van cats, of Scheeps-spreekwijzen, voorkomende, bl. 131-136, in den Almanak voor Hollandsche Blijgeestigen van 1831. Amst. brest van kempen. 12o.
128*. Over sommige vergelijkende Spreekwijzen, door d.n. v. n., te L........., voorkomende, bl. 63-69, in den Almanak voor Hollandsche Blijgeestigen van 1842. Hoorn. vermande. 12o.
Ik heb deze werken, waarvan de aanwijzing in de laatste helft dezer Afl. nog is geschied, op de volgende wijze aangeduid:
| 7*. | Gheurtz. |
| 64. | Fischer. |
| 98*. | Scheeps-Spreekw. |
| 128*. | Vergel. Spreekw. |
Tot het Aanhangsel behooren de volgende spreekwoorden:
| Aagt. Trui heeft Aagt gevonden1). |
| Aal. Eene slang bederft een' geheelen korf alen2). |
| Aam. Uit ééne pijp zes amen tappen3). [Dat wil zeggen: eene zaak aanmerkelijk vergrooten. Eene pijp is een langwerpig vat, en vat of aam, ofschoon voor verschillende vochtmaten ook verschillend gebezigd, was bijvoorbeeld voor zaadolie dezelfde maat. Voor de wijnmaat echter deed een vat werkelijk zes amen; maar dát vat zal wel geene pijp geweest zijn.] |
| Aangezigt. Wie dol geweest is, die houdt er gaarne een gezigt van4). |
| Aap. Een aap blijft een aap, Al ware hij zoo groot als een schaap5). Hij heeft er een' aap zien geeselen6). Papen maken apen, De duivel heeft ze geschapen7). Ter apenhuis wandelen8). |
| Aars. Het kerkhof hangt hem aan den aars9). Hij weet allemans naars te begapen10). |
| Aas. Het is een galgenaas. |
| Abelheid. Daar is geene abelheid in11). [Abelheid beteekent hier òf schoonheid òf geestigheid, ofschoon het ook òf voor list òf voor overleg geldt, daar het spreekwoord: Met list brengt men een ei in een' hopzak, bij gheurtz luidt: Een ey met abelheit in een hoppe sack brēgē.] |
| Abt. Een ootmoedig monnik, een hoovaardig abt12). |
| Achter. Al keerde menigeen 't geluk van voren uit, Van achter valt 't hem toch al weder in zijn schuit13). Hij klopt achter, daar hij vóór niet in mag14). Hij weet van voren niet, dat hij van achteren leeft15). Nog ziet gij mij achter niet, zei de hond, en hij was in de keuken geweest16). Wacht u voor de labben, Die vóór lekken en achter krabben17). (Zie de Bijlage.) Wij zien malkander nog van achteren niet18). |
| Adam. Wij zijn allen uit Adams ribben gekropen. |
| Adem. Blazen en zuipen met éénen adem19). |
| Afwezigheid. De afwezigheid is het graf der liefde. |
| Akker. Loven en houën Betaamt hun, die den akker bouwen20). |
| Alarm. Het is alarm in der boeren leger1). |
| Ambacht. Ambachts eere, pennings vriend2). |
| Amor. Amor is een aardig guitje. |
| Angel. Laat uw' angel altijd hangen, Zoo zult gij ook gewis wat vangen3). |
| Anker. Het plechtanker is geworpen4). |
| Apostel. De apostelen moeten wandelen. [Het geld moet onder den man gebragt worden.] |
| Appel. Iemand lief hebben als zijn' oogappel5). |
| April. De echtestaat is als de maand April: Dan storm, dan zonneschijn, en dan weêr alles stil. Ongestadig zijn als de April6). Wat de maand Maart haalt, Wordt in April betaald. |
| Arm. Hij zal één' man wel vier armen af houwen7). Hij zou eerder een' olifant onder zijne armen verschuilen8). Zijne armen zijn ten ellebogen toe af9). |
| Arme. Als het ongeluk regent, zoo valt het op de armen10). Armen hoovaardij stinkt voor God11). Het is dubbel kwaad: schurftig en arm12). |
| Armoede. Armoede heeft geene schaamte13). De armoede moge geene ondeugd zijn, ze is toch een groot gebrek. |
| Asch. Zijn horologie gaat met het aschhok gelijk. |
| Avond. Daar wij gisteren avond van hebben gepraat, zal niet in gedaan worden. [Dat is: ik geef aan die zaak mijne goedkeuring niet, maar zie ervan af. Het spreekwoord is ontstaan door een door zekere jufvrouw aangeboden huwelijk, dat afsprong, en betrof den rijken Haarlemschen schilder leendert van der koogen, van wien het antwoord aan haar, dat tot spreekwoord werd. Zie schrevelius' Eerste stichting der Stad Haarlem, ii. bl. 467-471.] Het is altijd geen Sint Maartens avond14). Nevens kersavond wonen15). |
| Bacchus. Hij is Bacchus' trawant16). Hij zal Bacchus vieren17). |
| Bagijn. Het is ééne lucht, zei de bagijn, en zij veestte tweemaal18). Laat papen en bagijnen; Elk helpe de zijnen19). |
| Bal. Hand, keer dien bal20). |
| Bank. Hij stelt u op Huigen bank21). |
| Bast. Hij heeft niet éénen penning, om een' bast te koopen22). |
| Bed. Eene boel in het bed, een kindje met rood haar. Het is een held: een klein kind jaagt hem naar bed. Hij is geen man te bed23). Hij verslijt zijn bed meer, dan hij zijne schoenen doet24). Men moet met geene slaapdieven naar bed gaan. [Dat is: men moet twist, misverstand en alle ernstig ver- |
| schil van gevoelen bijleggen, even gelijk alle zorgen ter zijde zetten, vóór men zich te bed begeeft.] |
| Bede. Eene zaak is eene bede waard1). |
| Bedrieger. Botje bij botje: God is geen bedrieger. |
| Beele. Beele-berouw hebben2). |
| Beenderen. In het been gaan3). |
| Beenen. Houd uw achterbeen stijf, al de wereld sta ik u niet af4). Moeder heeft een' spijker in het been. |
| Beer. Men zal geen' beer spekken5). |
| Beest. Mijn hondje, mijn beestje! ik gun het je wel, maar houd het graag zelf. |
| Beet. Hangen, radbraken, koppen en stokken is geen zonde: Ware er dat niet, wij hielden geen' beet in den monde6). |
| Beetje. Een beetje boos is gemakkelijk. |
| Begrip. Dat gaat zijn begrip te boven. Kort van begrip, maar lang van onthouden. |
| Bek. Hij is zwart in den bek. |
| Beleefdheid. Beleefdheid brenjt verder dan geld. |
| Belofte. Dat is eene belofte in den wind. |
| Bende. Hij is in de bende van mijnheer Van Kwalijkvoort7). |
| Bengel. Men moet niet alles aan den bengel hangen. |
| Berg. Het is achter de hooibergs deur geweven. |
| Besje. Hij slacht het besje van Meurs, die in dertig jaar geen brood heeft gegeten: de kruimels zitten haar nog aan den mond. [In het Pruissische stadje Meurs woonde een besje, eva vliegen genaamd, geboren te Amsterdam. Zij had de menschen 32 jaren lang, van 1579-1611, bedrogen, veinzende, niet te eten, tot haar bedrog eindelijk aan den dag kwam.] Zuinig, zei besje, de klok slaat winter. Zuinig, zei besje, en zij brak een' zwavelstok in achten. |
| Bestek. Maak 't bestek op eigen kaart8). |
| Betaler. Kwade betalers nemen korte dagen9). |
| Beurs. Gemeene beurs maken. Wie zijne verdiensten terstond weder uitgeeft, die heeft geene beurs noodig. |
| Beuzeling. Om eene beuzeling maakt hij zich dik. |
| Bezem. Hij fluit op den bezem. |
| Bezemmaker. Dertien is een bezemmakersdozijn. |
| Bier. Het is een bierbisschop10). Hij is van den drank, en gebruikt niets dan oud bier en zoopjes. Laat bier halen: het varken is schoon11). |
| Biest. De eerste biest komt het kalf toe. Zoo harig als biest. |
| Bikkel. Zij gooijen de bikkels bij malkander. |
| Bisschop. Het is een blinde bisschop1). |
| Blaar. Hij heeft blaren in de hand van het boodschappen-loopen. |
| Blind. Het faalt er menigeen aan een oog, dat hij niet stekeblind is2). Hij zal den blinden toclichten3). Hoe, gaan de blinden schermen4)? Men zal geenen blinde twee kaarsen ontsteken5). |
| Bloed. Hij schrijft bloedige brieven6). Hij zweet etter en bloed. Koud goed Maakt heet bloed. |
| Bloem. Als je den bloemengeur niet kunt verdragen, moet je niet in den tuin komen. Grijze haren zijn kerkhof-bloemen. |
| Bod. Het is een bod met een haakje. Hij doet er een goed bod naar. |
| Boeg. Vaar geen ander in den boeg7). |
| Boek. Hij heeft zijn getijboek vergeten. Ik was liever zijn kerkbock dan zijn paard. |
| Boer. Dat God nooit zag, Ziet een boer al den dag. Een boer en een zog Hebben nooit genog. Het scheelt wel eene boeren-schreef8). |
| Boezem. De bruid heeft loog in den boezem9). |
| Bont. Een ezel in 't bont10). |
| Boodschap. Zij moet om de boodschap uit. |
| Boom. Het is een Hagenaar uit de hooge boomen. Hij schonk hem den vijgeboom. [Hij liet hem zijn achterste zien.] Zijn geslachtboom reikt tot vóór den zondvloed. |
| Boon. Hij geeft boonen met vorken11). [Door bonnen met vorken heeft men hier waarschijnlijk gespleten boonen te verstaan, naar de beteekenis van vork. Zie bilderdijks Verkl. Geslachtlijst op het woord. De zin althans staat hier gelijk met die van het spreekwoord: Hij slacht milden Sint Egbert: hij geeft noten met klaauwen.] |
| Boor. Het gat is door, wil de boor t' huis brengen12). |
| Boord. De mast valt over boord13). |
| Borg. Wie te borg koopt, betaalt dubbel. |
| Borst. Een papiertje, daar een klontje in geweest is, verzacht de borst. Met die borst zult gij nog in het graf moeten. |
| Borstel. Haar vel is zoo ruw als een borstel. |
| Bosch. Een ongebonden vogeltje mag in het bosch wel vliegen van rijs op rijs14). |
| Boter. Het is al garstige boter en nat zout15). Is dier kat de boter verleden16)? |
| Bout. Hij kan den bout vieren17). |
| Brand. Men moet den brand binnen het dak blusschen18). |
| Branding. Hij doet eene branding in den oven1). |
| Braspenning. Nu kunnen wij brassen, zei het volk, en ze verdienden een' braspenning daags. |
| Breda. Oui Breda, den Bosch is over. |
| Brief. Doode lieden en verbrande brieven zijn geene leugenachtige oorkonden2). Men zet geene hand in schepenbrieven3). |
| Brij. Het is brij met brokken. Hij gooit met brij. |
| Broeder. Het zijn twee stalbroêrs4). |
| Broek. De broek is vol5). Het hemd uit de broek zal tafel dekken. |
| Brok. Het is een verloofd brok. |
| Brood. Als de oven heet is, dient het brood erin geschoten. Daar liggen de brooden. De duivel wint nu zijn brood6). Eet uw roggebrood eerst op. Hij heeft zijn meeste brood al gegeten. Hij meent, dat wittebrood deuvekater is7). Honger en dorst maakt van brood peperkoeken, en van eenen verschen dronk waters malvezei8). Laat mij mijn roggebrood maar vooruit eten. [Dat is: ik wil mijne moeijelijke taak maar terstond opvatten. Klaagt iemand over de wederwaardigheden, die hem treffen, dan geeft men hem den raad: Eet uw roggebrood eerst op, dat wil zeggen: pak uw' last maar terstond op, en hij zal u minder zwaar drukken.] Zijn eigen brood staat tegen hem op9). |
| Bruid. Daar het naauw is, daar neemt men het naauw, zei de bruid, en zij liet zich zoenen door de traliën10. De bruid wilde vernoemd zijn, en zij sch... in de kerk11). Welk eene eer geschiedt mijne dochter: zij is met een' modderman de bruid. |
| Bui. Het gaat bij buijen. Noordweste buijen zijn staldrijvers. |
| Buik. Wij hebben onzen buik vol gespeeld12). Zij loopen als de koeijen: tot den buik in 't gras. |
| Buurt. Het zijn jongens uit de buurt. Hij schreeuwt de buurt bij elkander. |
| Cedel. Het rijmt als eene huurceêl. |
| Chinees. Men moet vijf Christenen hebben, om één' Jood te bedriegen, vijf Joden, om één' Griek te bedriegen, en vijf Grieken, om één' Chinees te bedriegen. |
| Chocolade. Dat is zoo klaar als waterchocolade met kappertjes. [Kappers zijn de vruchten of knoppen van den kapperboom, een struikgewas, of van de Spaansche kers, een bekend kruid. Men duidt door dit spreekwoord eene zaak aan, die alles behalve klaar is.] |
| Collega. De dominé is mijn collega, zei de omroeper, want wij spreken beide in 't publiek. |
| Daad. De ouden hebben den raad, Maar de jongen de daad1). |
| Dag. Bij nacht een man, bij dag een man. Daar het van daag goed hooi is, is het morgen goede haver. Ergens een' heiligen dag van maken. Er komen zooveel nachten als dagen. Negen dagen jagen, Negen weken dragen, Negen dagen blind: Heeft kat en hond een kind. Nog lichter dan de dag2). Schaamte en eer droeg hij op éénen dag ter kerke3). Van daag goed gras, morgen goed hooi. |
| Dak. De kaats valt buiten het dak4). |
| Dank. Met zijnen wil, tegen zijnen dank5). |
| Darm. Het is een regte dundarm. |
| David. Hij is zoo neêrslagtig als David6). |
| Deeg. Als het past, zal men twee handen in het deeg steken7). |
| Degen. Hij heeft een gouden gevest aan zijnen degen. |
| Delft. Te Leiden is het geschied, en te Delft een jaar geleden. [Men bezigt dit spreekwoord, wanneer men eene bekende anecdote als nieuw hoort voorstellen. In denzelfden zin zegt men: Het is overal gebeurd.] |
| Deugd. Dat is zijne deugd. Het kan zijne deugd wel dragen. Hij zal zijns vaders deugd niet halen8). |
| Deur. Dat sluit als een varkenskot zonder deur9). De goede lieden zitten voor de kerkdeur10). Die zijn' vinger tusschen de deur steekt, die klemt zich gaarne11). Gij kent de deur niet, die aan het hek dient12). (Zie de Bijlage.) Hij kan de deur niet vinden.13). Wie de waarheid zeggen wil, moet achter de deur staan14). Zalm en steur Komt zelden voor de deur. |
| Diamant. Het is zoo eêl als een diamant15). Hij is harder dan een diamant16). |
| Dief. De eene dief besteelt den anderen niet. Hij laat geene dieven in zijn hart smoren. Hij liegt als een paardendief. Pijnt het u, door te komen: men zal de dieven verjagen17). Zie dat volk eens loopen, zei de dief, die gehangen moest worden; zonder mij gebeurt er nog niets. |
| Dier. De mensch is een gezellig dier. |
| Dijk. Als de sneeuw valt in het slijk, Ligt zij zeven weken achter den dijk. Hij heeft een spel als een' dijk. Modder en slijk Geeft ijs als een' dijk. |
| Dijn. De sterke woorden mijn en dijn Doen, dat wij tweedragtig zijn. |
| Dik. Hij is zoo dik, of hij barsten moet. - Kort en dik is ongeschikt. |
| Ding. Daar gaf ik wel een lief ding voor. God en de natuur doen geen ding te vergeefs1). Hij weet van één ding. |
| Doek. Iemand den blinddoek afnemen. Met warme doeken inhouden. |
| Dolle. Mal of dol. |
| Dominé. Het is al een paar dominus2). |
| Domme. Beter lui en listig dan kloek en dom. |
| Donder. Na Sint Lukas hoort men den donder niet meer. |
| Donker. Dat schrijf ik in 't donker, daar niemand eene letter ziet3). |
| Dood. De dood is de eindpaal van alles. Gij hebt hem den doodsteek gegeven. |
| Doof. Dat heeten de dooven vijsten4). Hij vloekt den doove5). |
| Doofpot. Hij kruipt in den doofpot. |
| Doolhof. Hij kan in dien doolhof geen' weg vinden. |
| Dordrecht. Hij moet naar Dord. [Men bezigt dit spreekwoord, wanneer eene zaak niet terstond beslist is, maar door het lot moet worden uitgemaakt. Te Gorinchem past men het bepaaldelijk op de honden toe, die, in gevolge de uitschrijving der honden-belasting, moeten verzopen worden. Van Gorinchem naar Dordrecht is stroom afwaarts. Als eene aardigheid voegt men erbij, dat de dam te Dord weldra verstopt zal wezen, van wege de vele honden, die er komen indrijven.] |
| Dorst. Het is een troep van honger en dorst. Het is geen drank, die dorst verslaat6). Hij is verdorven, die van drinken dorst krijgt7). |
| Draad. Dat is een luije naaisters draad. Hij gaf hem van den draad. Hij houdt zich aan de herfstdraden vast. Hij is lang van draad. [Dit staat tegenover kort van stof zijn.] Lange draden, Slordige naden. Zoo draad, zoo naad, En zak naar zaad8). |
| Draaibord. Loop weg met je draaibord. |
| Drempel. Een gladde drempel lokt de vrijers. |
| Droog. Hij is zoo droog, dat hij rammelt9). (Zie de Bijlage.) - Dat is droog en ruig10). (Zie de Bijlage.) |
| Drukte. Drukte zonder werk is de grootste drukte. |
| Dubbeltje. Een dubbeltje uitgeven, om een stuivertje te verdienen. |
| Duif. Hij is sneller dan eene duif1). Hij is zoo grijs als eene duif. |
| Duim. Het is een duimwerk. [Men zegt dit van een horologie, dat men gedurig moet gelijk zetten.] Ik heb ook vier vingers en een' duim2). Ik heb zijn' duim in mijnen mond3). |
| Duit. Hij laat zich scheren met een drieduits korstje: iedere sneê een' lik. [Men zegt dit van een kind, dat de houding van een' man aanneemt. Een korstje is eene soort van koek.] |
| Duivel. Als je aan den duivel denkt, dan zie je zijne horens. Blaas, duivel! blaas4). Dat de duivel niet doen kan, daar zendt hij zijne moeder5). Dat is een duivel van een' naam. Dat is een geweld van den duivel. De duivel is uitgelaten6). De duivel wil den nikker schelden7). De hoogmoeds duivel regeert hem. Den duivel ontloopen, en zijne moeder ontmoeten8). Het is een losgebroken duivel. Hij moet den duivel bij den staart pakken. [Hij zal het hard te verantwoorden hebben, en, om zich te redden, de toevlugt tot eene stoute daad moeten nemen.] Hij ziet als de baarlijke duivel9). Zoo mogt de duivel koken. |
| Duizendkunstenaar. Het is een duizendkunstenaar. |
| Dwaas. Een dwaas mag veel dwazen10). Het is geen dwaas, dien men zeggen mag11). Stamp een' dwaas in een' mortier, en zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. [Dit spreekwoord is genomen uit Spreuk. xxvii: 22.] |
| Edelman. Een edelman wordt geboren, maar een ridder gemaakt12). |
| Eend. Hij geeft een' taling om een' eendvogel13). (Zie de Bijlage.) |
| Eer. Al heeft het spinrok klein gewin, Het brengt nogtans veel eere in14). Als iemand tot rijkdom of eer komt, wil ieder zijn neef of zijn oom zijn. Daar is geene hoer zoo kwaad, Of zij ziet gaarne, dat haar kind ter eere gaat15). Waar drinken eer is, daar is spuwen geene schande16). |
| Eerlijkheid. Eerlijkheid maakt rijk; maar 't gaat langzaam. |
| Eeuw. Eeuw in, eeuw uit. Hij is daar regt in zijne eeuw. Hij is in eene gelukkige eeuw geboren. |
| Eeuwig. Wat duurt er eeuwig? |
| Ei. Eet geene eijeren, je mogt te hanig worden. Het ei is gebarsten17). Het houdt wat, eer de kat op hare eijeren is. Het regent gras en kievitseijeren. Hij slaat er geene eijers in. [Dat is: hij wacht niet lang, maar neemt een kort besluit. Zoo er eijers in geslagen worden, vordert het gebak |
| natuurlijk tijd.] Hij slagt de arme gans, die gouden eijeren legt. [Eene satire op de overdreven praktische menschen, die de theorie met hun stokpaardje omver rijden.] U is niets dan een ei gepeld1). Zij beliepen het hennetje op het ei2). |
| Einde. Hij heeft het aan het stevigste einde3). |
| Elft. Er is hem een elft gevangen. [Men zegt dit van iemand, die om schuld in de gevangenis is gezet.] |
| Ellende. Ellende heeft geene vrienden4). |
| Eter. Het zijn nachteters5). |
| Ezel. Al hangt men een' ezel eene leeuwenhuid om, hij blijft niettemin een ezel. De ezel is in 't smeer geraakt6). Een ezel te paard7). Hij heeft een' ezelsrug8). Hij is zoo slim als een ezel. Hij is zoo traag als een ezel9). Men noodt geen' ezel ooit te gast, Of hij draagt er juk of last. Men zal er een' ezel kroonen10). Men zou een' ezel eerder op het orgel leeren spelen11). |
| Feest. In zulk een feest houdt men geene andere staatsie12). |
| Financiën. Het faalt menigen man aan de hoofdsom, dat hij geene financiën doet13). |
| Flakkee. Hij zeilt Flakkee af14). |
| Fluweel. Hij, die een huis besteelt, betaalt het met zijn keel; Maar die het land besteelt, die kleedt zich in 't fluweel. |
| Frankrijk. Hij spreekt Fransch Als een gans15). |
| Franschman. Der Franschen vriendschap is een vuurtje van stroo. |
| Gaaf. Der vijanden gaven zijn geene gaven16). Gaauw en goed is eene gave Gods. |
| Gal. Het is zoo bitter als gal17). |
| Galg. Het is een lust, aan zulk eene galg te hangen18). |
| Gans. Er vloog een gans ter sluis, En kwam een gigelgagel weder t' huis19). Dat is eene gans onder de zwanen20). |
| Garen. De Lieve Vrouw van Ten Berge heeft al zoo lief vlas als garen. [Van der aa teekent omtrent dit spreekwoord in zijn Aardr. Woordenboek der Nederlanden, bij het artikel Siensberg, een deel van een voormalig nonnenklooster in Friesland, het volgende aan: ‘Voor dezen werd hier jaarlijks op Palmzondag met veel plegtigheden een Mariabeeld, van was gemaakt, omgedragen, met zulk eenen toeloop van menschen, dat te Dockum naauweliks bier of brood te bekomen was. Te gelijker tijd werd dan aan de Heilige Maagd was en vlas geofferd, waaruit het spreekwoord ontstond: “de Lieve Vrouwe van ten Berge heeft alzoo lief vlas als garen.” In later tijd werd dit heiligdom in eene boerenplaats herschapen, die nog heden Sionsberg of de Berg-plaats wordt genoemd.’] Hij heeft het garen gerokkend1). Stijntje en Trijntje, laat varen: Zij spinnen kwaad garen2). |
| Gaten. Die zijn' vinger te allen gaten wil inboren, komt dikwijls besch.... uit3). Een ontloopen paard ziet altijd naar een gat4). Maak den tap ree: 't gaatje is geboord5). Slijk in 't gat koelt wel6). Steek u in geen gat, of weet er weder uit te raken7). |
| Gatten. Het is een kerel als een hakmes, als hij maar een' steel in 't gat had. Het is ieder niet gegeven, met zijn gat de kaars uit te blazen. Hij heeft de krieuwel in 't gat8). Hij heeft het wiggevuur in 't gat9). [Wiggevuur is verrot oud-hout, dat 's nachts eene lichtstof afwerpt. Het is een verouderd woord, dat mogelijk met ons tegenwoordig glimhout gelijk staat. Zulk hout gaf vroeger tot vele bijgeloovige denkbeelden aanleiding; waarom men door dit spreekwoord gewis den vreesachtige zal willen aanduiden.] Hij veegt zijn gat aan de poort. Veel te commanderen, en geen hemd aan 't gat. |
| Gebraad. Gij zult hier lang staan kraaijen, Eer u 't gebraaijen In den mond zal waaijen10). |
| Geest. Dat heeft de goede geest mij ingegeven. Hij gaat als een geest, die vermaand wil zijn11). Mijn geest was daar van huis12). |
| Geit. Hij is er gezien als de geit bij eene groenvrouw. |
| Gek. Eenen gek is alles mogelijk. |
| Geld. Als Jan maar geld heeft. Geldeloos, zinneloos13). Gereed geld is goede waar14). God betaalt met waar, Of er geen geld in de wereld waar15). Het is te Rome de grootste zonde, geen geld te hebben16). Hij gooit zijn geld te grabbel. Hij loont wel met waar, die geen geld heeft17). Oude kermissen gelden geen geld18). Vrouw Venus en het geld Regeren met geweld19). Wie geld brengt, is welkom20). Wil ik uw geld weêrgeven21)? |
| Geleerd. Hij heeft de geleerden geplunderd. |
| Geleerdheid. Hij kraamt al zijne geleerdheid uit. |
| Gelijk. Gelijk bij gelijk deelt best22). |
| Geloof. Het geloof brengt den man over het water23). |
| Geluk. Hij heeft meer geluk dan regt24). Hoe minder kunst, hoe meerder geluk25). |
| Gent. Het is zoo murw als Gentsche koek1). |
| Gerst. Hij betert zich als de rijpe gerst2). |
| Geschil. Die wil zeggen, wat hij wil, Moet dikwijls hooren geschil3). |
| Getal. Wij vervullen het getal4). |
| Glazenmaker. Wijk, want uw vader was geen glazenmaker5). |
| God. Als God de onderzaten straffen wil, laat Hij den heeren nièt dan zotheid schaffen6). Dat men niet keeren mag, moet men om Godswil nemen7). Die hem goeddoet, vertoornt God8). God groet u gras, gij waart eens groen9). God is geene wel10). (Zie de Bijlage.) [Dat is: gelijk men de menschen foppen kan, en hen kuollen voor citroenen verkoopen, dient men te weten, dat deze ongeoorloofde handelwijze bij God niet gelden kan: zijne alwetendheid is niet weg te redeneren. Eene wel stopt men, en beneemt haar daardoor hare werking.] God kan het allen man niet van pas maken11). God slaat wel, al heeft Hij stok noch roede12). God weet, hoe 't best is13). Het is Gods mestvarken14). Het moet een goed kaarsenmaker zijn, die God een' wassen neus zal maken15). Hij lijdt gaarne om Godswil, wat hij niet kan wreken16). Hij moet vroeg opstaan, die God bedriegen zal17). Morgen beraadt God18). Naauwe nering bemint God19). Waar wil hij loopen, die God ontloopt20)? Wilt gij u tegen God verzetten21)? |
De volgende spreekwoorden zijn zonder aanwijzingen opgenomen, maar behooren daar thans van voorzien te worden:
| Aars. Hij moet door eens andermans aars ter kerke gaan22). |
| Baat. Hij hindert wel, die geene baat aanbrengt23). |
| Bedelzak. De bedelzak heeft geen' bodem24). |
| Begin. Een goed begin is de helft van het geheel (of: is half voltooid)25). |
| Bek. Dominé! brand je bekje niet26). |
| Bus. In de bus blazen27). |
| David. Het gelijkt David met Goliath wel28). |
| Dorst. Zij hebben den honger gebakken en den dorst gebrouwen29). |
| Einde. Jurt, jurt! je hebt het eind nog niet30). |
| Flesch. Die bij de flesch (of: aan de lade) zit. zegent zich zelven (of: het eerst)31). |
| Gevel. Hij heeft een' fikschen gevel voor zijn huis32). |
De reeds gegeven aanwijzingen moeten met de volgende vermeerderd worden, waarbij ook die zijn opgenomen, tot welker mededeeling in de vorige Afl. geene plaats was; ofschoon de grootste helft ervan, om gelijke redenen, thans nog blijft liggen:
| bl. 1. aanw. 2: Gheurtz bl. 33. aanw. 14: Gheurtz bl. 10. aanw. 18: Gheurtz bl. 16. aanw. 20: Gheurtz bl. 29, 37. |
| bl. 2. aanw. 5: Gheurtz bl. 18. aanw. 7: Gheurtz bl. 68. aanw. 24: Gheurtz bl. 76. aanw. 39: Gheurtz bl. 17. |
| bl. 3. aanw. 17: Gheurtz bl. 4, 77. |
| bl. 4. aanw. 1: Harrebomée V. bl. 293. aanw. 4: 4 Dec. 56. aanw. 6: Harrebomée V. 6. aanw. 11: Harrebomée V. bl. 293. aanw. 18: Gheurtz bl. 79. aanw. 22: Harrebomée V. bl. 293. aanw. 25: Harrebomée V. bl. 293. aanw. 26: Harrebomée V. bl. 293. |
| bl. 5. aanw. 1: Gheurtz bl. 3. aanw. 16: Gheurtz bl. 1. aanw. 29: Gheurtz bl. 35. |
| bl. 6. aanw. 1: Gheurtz bl. 38. aanw. 28: Gheurtz bl. 38. |
| bl. 7. aanw. 10: Gheurtz bl. 12. aanw. 27: 18 Febr. 56. aanw. 33: Gheurtz bl. 63. aanw. 39: Gheurtz bl. 36. aanw. 40: Gheurtz bl. 35, 51. |
| bl. 8. aanw. 7: Gheurtz bl. 37. aanw. 32: Gheurtz bl. 51. |
| bl. 9. aanw. 5: Gheurtz bl. 72. aanw. 9: Gheurtz bl. 37. aanw. 10: 3 Maart 56. aanw. 20: 25 Dec. 56. |
| bl. 10. aanw. 7: Gheurtz bl. 7. |
| bl. 11. aanw. 28: Gheurtz bl. 5, 22. |
| bl. 12. aanw. 3: Harrebornée V. bl. 293. aanw. 9: Gheurtz bl. 45. aanw. 14: Gheurtz bl. 10. aanw. 21: Gheurtz bl. 46. 21 Oct. 56. aanw. 23: Gheurtz. bl. 53. |
| bl. 13. aanw. 21: Gheurtz bl. 24. |
| bl. 14. aanw. 3: Gheurtz bl. 36. 2 Oct. 56. aanw. 7: Harrebomée V. bl. 293. aanw. 9: Gheurtz bl. 20. aanw. 36: Gheurtz bl. 76. |
| bl. 15. aanw. 15: Gheurtz bl. 3. 16 Sept. 56. |
| bl. 16. aanw. 20: Scheeps-Spreekw. bl. 136. aanw. 25: Gheurtz bl. 66. aanw. 31: Gheurtz bl. 55. Fischer bl. 107. aanw. 50: Gheurtz bl. 25, 63. |
| bl. 17. aanw. 23: Gheurtz bl. 50. aanw. 31: Gheurtz bl. 43. |
| bl. 18. aanw. 8: Gheurtz bl. 34. aanw. 35: 29 Febr. 56. aanw. 41: 28 Febr. 56. |
| bl 19. aanw. 10: 16 Dec. 56. aanw. 17: Gheurtz bl. 22, 25. aanw. 35: Gheurtz bl. 61. |
| bl. 20. aanw. 1: 23 Febr. 56. aanw. 3: Gheurtz bl. 1. aanw. 15: Gheurtz bl. 15. aanw. 29: 27 Nov. 56. aanw. 31: Gheurtz bl. 46. aanw. 32: 1 Oct. 56. aanw. 34: 12 Febr. 56. aanw. 44: Gheurtz bl. 1. |
| bl. 21. aanw. 9: Gheurtz bl. 78. aanw. 10: Gheurtz bl. 44. aanw. 20: Gheurtz bl. 14. aanw. 24: Gheurtz bl. 46. aanw. 30: Gheurtz bl. 12. aanw. 33: Gheurtz bl. 65, 68. aanw. 44: Gheurtz bl. 33. |
| bl. 23. aanw. 5: Gheurtz bl. 64, 66. aanw. 33: Gheurtz bl. 19. |
| bl. 24. aanw. 7: Scheeps-Spreekw. bl. 134. aanw. 28: Gheurtz bl. 54. aanw. 40: Gheurtz bl. 74. |
| bl. 25. aanw. 8: Gheurtz bl. 35. 31 Mei 56. |
| bl 26. aanw. 8: Gheurtz bl. 2. aanw. 13: Gheurtz bl. 5. aanw. 18: Gheurtz bl. 20. |
| bl. 27. aanw. 16: Gheurtz bl. 51. |
| bl. 28. aanw. 16: Gheurtz bl. 40. aanw. 22: Gheurtz bl. 60. |
| bl. 29. aanw. 4: Gheurtz bl. 11. aanw. 12: Gheurtz bl. 30. aanw. 18: Gheurtz bl. 58. |
| bl. 30. aanw. 18: Gheurtz bl. 54. |
| bl. 31. aanw. 28: Harrebomée V. bl. 286. aanw. 29: 6 Febr. 56. aanw. 31: Gheurtz bl. 13, 69. |
| bl. 32. aanw. 14: Gheurtz bl. 11. aanw. 26: Gheurtz bl. 36. |
| bl. 33. aanw. 7: Gheurtz bl. 32. |
| bl. 34. aanw. 17: 13 April 56. aanw. 28: Gheurtz bl. 12. |
| bl. 35. aanw. 3: Gheurtz bl. 26. aanw. 13: Gheurtz bl. 55. aanw. 35: Gheurtz bl. 39. 18 Mei 56. aanw. 37: Gheurtz bl. 24. 29 Aug. 56. |
| bl. 36. aanw. 10: Gheurtz bl. 18. aanw. 13: Gheurtz bl. 19. aanw. 18: 3 Mei 56. |
| bl. 37. aanw. 3: Gheurtz bl. 52. |
| bl. 38. aanw. 2: Gheurtz bl. 75. aanw. 13: Gheurtz bl. 64, 66. aanw. 23: Gheurtz bl. 35. |
| bl. 39. aanw. 21: Gheurtz bl. 10. |
| bl. 40. aanw. 3: Gheurtz bl. 68. aanw. 19: 3 Dec. 56. aanw. 22: Gheurtz bl. 14. aanw. 29: Gheurtz bl. 46. aanw. 30: Gheurtz bl. 51. aanw. 34: Gheurtz bl. 71. |
| bl. 41. aanw. 28: 20 Nov. 56. |
| bl. 42. aanw. 6: 23 April 56. aanw. 28: Gheurtz bl. 71. |
| bl. 43. aanw. 25: 4 April 56. aanw. 26: Gheurtz bl. 10, 69. |
| bl. 44. aanw. 4: Gheurtz bl. 14. aanw. 18: Gheurtz bl. 63, 68. aanw. 19: Gheurtz bl. 66. aanw. 24: Gheurtz bl. 18. |
| bl. 45. aanw. 4: Gheurtz bl. 49. aanw. 6: Gheurtz bl. 23. aanw. 9: Gheurtz bl. 25, 48. aanw. 35: Gheurtz bl. 51. aanw. 36: Gheurtz bl. 52, 76. |
| bl. 46. aanw. 14: Gheurtz bl. 47. aanw. 24: Gheurtz bl. 33. aanw. 29: Gheurtz bl. 28. |
| bl. 47. aanw. 10: Gheurtz bl. 45. |
| bl. 48. aanw. 10: Gheurtz bl. 27. aanw. 13: Gheurtz bl. 52. aanw. 15: Gheurtz bl. 57. |
| bl. 49. aanw. 11: Gheurtz bl. 53. aanw. 27: Gheurtz bl. 51. aanw. 29: 24 Sept. 56. |
| bl. 51. aanw. 11: Gheurtz bl. 62. |
| bl. 52. aanw. 24: Gheurtz bl. 25. |
| bl. 53. aanw. 5: Gheurtz bl. 50. aanw. 7: Gheurtz bl. 55. |
| bl. 54. aanw. 10: Gheurtz bl. 52, 53. aanw. 24: Gheurtz bl. 39. |
| bl. 55. aanw. 2: Gheurtz bl. 65. aanw. 29: Gheurtz bl. 40. |
| bl. 56. aanw. 7: Gheurtz bl. 61. aanw. 17: Gheurtz bl. 37. aanw. 23: Gheurtz bl. 7. |
| bl. 57. aanw. 9: Gheurtz bl. 14. aanw. 15: Gheurtz bl. 38. aanw. 17: Gheurtz bl. 28. aanw. 21: 25 Febr. 56. aanw. 26: Gheurtz bl. 56. |
| bl. 58. aanw. 21: Gheurtz bl. 55. |
| bl. 59. aanw. 5: Harrebomée V. 11. aanw. 7: Gheurtz bl. 49. 51. |
| bl. 61. aanw. 22: Gheurtz bl. 1, 6. |
| bl. 62. aanw. 1: Gheurtz bl. 9, 15. aanw. 18: Gheurtz bl. 10. Vergel. Spreekw. bl. 67. aanw. 22: Gheurtz bl. 37. aanw. 29: Gheurtz bl. 69. |
| bl. 63. aanw. 6: Gheurtz bl. 79. |
| bl. 64. aanw. 20: Gheurtz bl. 38. aanw. 23: Gheurtz bl. 77. aanw. 24: Gheurtz bl. 22. aanw. 26: 26 April 56. aanw. 28: Gheurtz bl. 19. aanw. 29: Gheurtz bl. 54. |
| bl. 65. aanw. 3: Gheurtz bl. 48. aanw. 6: Gheurtz bl. 68. aanw. 25: Gheurtz bl. 9. aanw. 37: 19 Nov. 56. aanw. 39: Gheurtz bl. 41. |
| bl. 66. aanw. 15: Scheops-Spreekw. bl. 133. aanw. 28: Gheurtz bl. 29. aanw. 31: 13 Junij 56. |
| bl. 67. aanw. 7: Gheurtz bl. 26, 31, 66. |
| bl. 68. aanw. 3: Vergel. Spreekw. bl. 66. |
| bl. 69. aanw. 25: 17 Dec. 56. |
| bl. 70. aanw. 5: 8 Oct. 56. |
| bl. 71. aanw. 29: Gheurtz bl. 26. |
| bl. 73. aanw. 19: Gheurtz bl. 59. |
| bl. 75. aanw. 3: Gheurtz bl. 15. |
| bl. 76. aanw. 7: Gheurtz bl. 11. aanw. 16: Gheurtz bl. 40. aanw. 22: Gheurtz bl. 34. aanw. 24: Scheeps-Spreekw. bl. 131. |
| bl. 77. aanw. 19: Gheurtz bl. 48. aanw. 27: Gheurtz bl. 11, 13. |
| bl. 78. aanw. 11: Gheurtz bl. 48. aanw. 12: Gheurtz bl. 54. |
| bl. 80. aanw. 10: Gheurtz bl. 3, 41, 68. aanw. 26: Gheurtz bl. 76. aanw. 32: Fischer bl. 107. aanw. 33: Gheurtz bl. 28. aanw. 35: Gheurtz bl. 32. |
| bl. 81. aanw. 13: Gheurtz bl. 24. |
| bl. 82. aanw. 5: Gheurtz bl. 32. aanw. 6: Gheurtz bl. 32. aanw. 9: Gheurtz bl. 12. aanw. 10: Gheurtz bl. 32. aanw. 23: Gheurtz bl. 15, 48, 49. aaaw. 27: Gheurtz bl. 39. Harrebomée V. bl. 305. |
| bl. 83. aanw. 3: Gheurtz bl. 39. aanw. 10: Gheurtz bl. 13. aanw. 23: Gheurtz bl. 61. |
| bl. 84. aanw. 8: Gheurtz bl. 65. |
| bl. 85. aanw. 18: Gheurtz bl. 15. aanw. 26: Gheurtz bl. 32. |
| bl. 86. aanw. 18: Fischer bl. 106. Scheeps-Spreekw. bl. 133. |
| bl. 87. aanw. 2: Gheurtz bl. 3. aanw. 24: Gheurtz bl. 71. |
| bl. 88. aanw. 2: Gheurtz bl. 62, 65. |
| bl. 89. aanw. 2: Gheurtz bl. 33, 55. aanw. 11: Gheurtz bl. 4. aanw. 18: Gheurtz bl. 71, 72. |
| bl. 90. aanw. 22: Gheurtz bl. 37. aanw. 26: Gheurtz bl. 9. |
| bl. 91. aanw. 2: Gheurtz bl. 33. aanw. 5: Gheurtz bl. 18. aanw. 11: Gheurtz bl. 33. Vergel. Spreekw. bl. 69. aanw. 12: Gheurtz bl. 4, 37. aanw. 17: Gheurtz bl. 13, 21. |
| bl. 92. aanw. 12: Gheurtz bl. 54. |
| bl. 93. aanw. 22: Gheurtz bl. 20. aanw. 25: Gheurtz bl. 63. |
| bl. 94. aanw. 29: Gheurtz bl. 65. |
| bl. 95. aanw. 16: Gheurtz bl. 24. aanw. 18: 2 Febr. 56. aanw. 20: Gheurtz bl. 25. aanw. 23: 19 Sept. 56. aanw. 26: Gheurtz bl. 57. aanw. 31: Gheurtz bl. 14. |
| bl. 96. aanw. 13: Harrebomée V. bl. 285. |
De aanprijzende aankondiging van de beide eerste Afleveringen van mijn Spreekwoordenboek in de Nieuwe Bijdragen, ter bevordering van het Onderwijs en de Opvoeding, voor April 1856, kon mij niet dan aangenaam zijn. Eén denkbeeld, daarin uitgedrukt, mag ik niet onopgemerkt voorbij laten gaan, omdat het ingrijpt in de wezentlijkheid van mijn boek. Ik heb alleen Nederlandsche spreekwoorden in mijn Spreekwoordenboek opgenomen; daarom verwierp ik ook dezelfde Spaensche wysheid, van welke de recensent melding maakt, waarvan ik de redenen heb bijgebragt op bl. iii van de lijst van werken over Nederlandsche Spreekwoorden, waarnaar ik kortheidshalve verwijs, gelijk mede naar bl. xxvii der vorige Afl., waar dit punt nog bepaaldelijk is besproken. Ik meen, dat ik te dien aanzien zeer voorzigtig ben te werk gegaan, en dat zulks ook thans nog het geval is, wil ik door een voorbeeld staven. Twee der Heeren, die de goedheid hebben, bij voortduring mijne proeven na te zien, maakten mij opmerkzaam, dat het spreekwoord: De pot bewaart lang den geur, waarmede hij eens versch doortrokken is, eene woordelijke vertaling is van het volgende zeer bekende vers van horatius (Ep. i. 2. 69): Quo semel est imbuta recens servabit odorem Testa diu. En daar ik niet weet aan te wijzen, van waar ik dit spreekwoord heb ontleend, heb ik het geschrapt; waarom het thans onder de spreekwoorden der rubriek geur, in deze Afl., op bl. 233 geplaatst, niet voorkomt, en zulks, niettegenstaande het groote overeenkomst heeft met het bepaald Nederlandsche spreekwoord: De reuk, die men eerst in den pot doet, blijft er lang in, gelijk ook met: Het vat riekt naar den wijn, die erin is, en andere meer.
Ofschoon ik de beide redenen van den recensent allezins moet billijken, om niet ‘in bijzonderheden op te geven, waar de Schrijver ons voorkomt bij uitstek gelukkig te zijn geweest in de keus of in de verklaring van eenig spreekwoord; waar hij daarentegen, naar onze meening, de plank eenigzins heeft misgeslagen,’ moet ik hem, in naam van alle hoogschatters onzer taal, toch dringend uitnoodigen, daaraan wel degelijk op de eene of andere wijze gevolg te geven, hetzij door de plaatsing in een of ander tijdschrift, bijv. in Dr. de jagers Nieuw Archief voor Nederlandsche Taalkunde, hetzij door zijn oordeel onmiddellijk aan mij toe te zenden. Daardoor immers moet de waarheid winnen.
Door de opname van het spreekwoord: Dat is als een gouden ring in een' varkenssnuit, op bl. 252, kan het, op bl. v in de 2e. Afl., als overgeslagen spreekwoord voorkomende: Eene bagge in een' varkenssnuit, thans vervallen, en behoeft alzoo geene plaats in het Aanhangsel.
Thans heb ik nog mede te deelen, uit plaatsgebrek vroeger op den omslag vermeld, dat de 4e. Afl., zijnde blad 20-24, 2065 spreekwoorden bevat, waaronder 426, die reeds waren opgenomen, dat is dus: 1639. Daarvan zijn er 1069 van aanwijzingen voorzien en 177 uitgelegd, terwijl er 64 in de Bijlage zullen voorkomen. Voor het Aanhangsel bevat de 5e. Afl. 62 spreekwoorden.
De 5e. Afl., weder het gewone aantal bladen uitmakende, bevat 2721 spreekwoorden, waaronder 705, die reeds waren opgenomen, dat is dus: 2016. Daarvan zijn er 1276 van aanwijzingen voorzien en 147 uitgelegd, terwijl er 66 in de Bijlage zullen voorkomen. Voor het Aanhangsel bevat de 6e. Afl. 358 spreekwoorden.
Gorinchem,
1 Julij 1856.
P.J. HARREBOMÉE.