Had ik vroeger het genoegen, te vermelden, dat mijn wijzen op onze oude kluchten- en liederenboeken niet zonder vrucht voor de kennis der spreekwoorden, daarin vervat, was gebleven, thans geef ik gaarne kennis, dat de Heer a.l. lesturgeon van Vledder mij eene verzameling spreekwoorden toezond, die hij geëxcerpeerd had uit De Gulde Legenden van de Stadthouders in Hollandt en West-Vrieslandt (Amst. legendum. 1663). Daardoor is weder menig spreekwoord aangewonnen.
Door de Heeren j.l.c. jacob van 's Hage, Dr. a. de jager van Rotterdam, f. latendorf van Neu Strelitz en Dr. f.a. snellaert van Gent ben ik met de volgende werken bekend geworden:
3*. Germanicorvm adagiorvm cvm Latinis ac Graecis collatorum, Centuriae septem. Per eberhardum tappium Lunensem. Ex Libera Argentina, in oedibus vuendelini rihelij. Anno m.d.xxxix. kl. 8o. ‘De Hollandsche Spreekwoorden,’ ten getale van 29, in dit werk voorkomende, zegt de Heer latendorf, ‘heb ik naar mijn beste weten en wille in naauwkeurige en volmaakte copie gebragt,’ wat mij later, bij de toezending van het werk zelf, volkomen is gebleken. Een latere druk is van 1545, en bevat hetzelfde aantal ‘Hollandsche Spreekwoorden.’ Over den verzamelaar schrijft hij mij: ‘Mag nu tappius deze Hollandsche Spreekwoorden op reis of door meer verwijderde mondelingsche mededeeling opgespoord hebben: in ieder geval verraadt de geheele wijze van mededeeling eene vertrouwde kennis met de taal uws vaderlands, en van eene bewondering derzelve, bewezen door echte humaniteit en vrij van alle vooroordeel.’
25*. Selecta Proverbia, een Handschrift, bevattende eene verzameling van Nederlandsche, Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche spreekwoorden. De uitstekend netgeschreven verzameling is in rubrieken afgedeeld, voor 't Latijn in alphabetische volgorde. De beide eerste rubrieken zijn: abstinentia in cibo, potuqe, maticheyt en adolescentia, ieucht, en de beide laatste: virtvs, deughde en volvptas, welluste. Het plan schijnt bestaan te hebben, om sommige rubrieken later bij te werken, en andere bij te voegen, blijkbaar uit het hier en daar in blanco geblevene van de 238 klein octavo bladzijden, waarop een getal van 1777 Nederlandsche spreekwoorden voorkomt. Geen jaartal aangewezen zijnde, heeft mijn vriend Dr. de jager, op mijn verzoek, het Handschrift geplaatst, en het gebragt aan het einde der eerste helft van de 17e. eeuw.
114*. e.w. van dam van isselt. Eenige Zee-spreekwoorden. (Getrokken uit een meer uitgebreid gedicht over dat onderwerp.) Het komt voor, bl. 135-139, in den Nederlandschen Muzen-Almanak voor het jaar 1838. Amst. immerzeel jr. kl. 8o.
156. Spreekwoorden, voorkomende, bl. 125-128, in den Volks-Almanak voor 1856. Uitgaven van het Willems'-fonds. Nr. 16. Gent. v. doosselaere. kl. 8o.
157. Spreekwijzen en Opmerkingen betrekkelijk den Landbouwer en zijn bedrijf, voorkomende, bl. 68-91, in den Landhuishoudkundigen Almanak, ten dienste van land- en buitenman, voor 1856. Gron. oomkens. kl. 8o.
158. p.j. harrebomée. Het is eene kraai in paauwen-vederen, en andere spreekwoorden, aan Esopus' fabelen ontleend, voorkomende, bl. 242-246, in de Nederlandsche Taal, Tijdschrift ter bevordering van Nederlandsche Taalkunde, voor beoefenaars der Taal. Eerste jaargang. Gron. oomkens. 1856. 8o.
159. Mr. j. van lennep. Zeemans-woordeboek, behelzende een verklaring der woorden, by de Scheepvaart en den Handel in gebruik en een opgave der algemeene Wetsbepalingen, daartoe betrekkelijk, en der Spreekwijzen, daaraan ontleend,
een en ander voorzien met taalkundige opmerkingen en aanhalingen uit onderscheidene schrijvers. Amst. Gebr. binger. 1856. gr. 8o. Het is eene nieuwe uitgave van no. 37: winschootens Seeman.
160. Spreekwijzen en Opmerkingen, betrekkelijk de Veeteelt en eenige Landbouwers-gereedschappen, voorkomende, bl. 104-135, in den Landhuishoudkundigen Almanak, ten dienste van land- en buitenman, voor 1857. Gron. oomkens. kl. 8o.
Deze werken zijn aldus aangewezen:
| 3*. | Tappius. |
| 25*. | Sel. Prov. |
| 114*. | v. Dam. |
| 156. | Gent. |
| 157. | Landbouwer. |
| 158. | Harrebomée Esopus. |
| 159. | v. Lennep. |
| 160. | Veeteelt. |
Door deze nieuwe werken, alsmede door de opgave van verschillende letterkundigen, gelijk de Heeren a.j. van der aa en c.g. boonzajer van Gorinchem, j. bouman van de Beemster, w.a. van diest van Utrecht, p. leendertz wz. van den Ilp, j.e. mensinga van Utrecht, Mr. h.j. swaving van Groenlo en Prof. j. van vloten van Deventer mij bij voortduring te dien aanzien groote diensten bewijzen, en bij wie zich ook thans de Heeren h. hemkes kz. van Voorburg en k. visscher van Utrecht voegden, wordt het Aanhangsel met de volgende spreekwoorden vermeerderd:
| Aangezigt. Hij kijkt, of hij met eene schepenkennis op zijn gezigt geslagen wordt. [Eene schepenkennis is eene vaste schuld of hypotheek, waarvan de regterlijke magt, vroeger door de schepenen uitgevaardigd, kennis draagt.] Zij trekt een gezigt, alsof zij aan een' brandenden zwavelstok ruikt. |
| Aanstoot. Heb geen hoekhuis of huis bij de herberg; want die hebben veel aanstoot1). Hebt gij veel goeds, gij zult veel aanstoot hebben2). |
| Aap. De aap is gevlogen. |
| Aard. De goede honden jagen uit den aard. |
| Aarde. Aarde-werk Is paardenwerk3). De grooten der aarde kunnen goede oorbanden geven. Die met geen goud te verzadigen is, wordt nogtans met aarde gepaaid4). Zijnen aardschen tabernakel goeddoen. |
| Aas. Die wil visschen, moet het aas aan den hoek wagen5). Zijn sijs mag nog komen tot een aas6). |
| Achter. Te regt zoo acht men 't slimme katten, Die van voren lekken en van achter kratten7). (Zie de Bijlage.) |
| Achterspit. Hij geraakt in het achterspit. |
| Achterste. Dat hij in zijn hoofd heeft, heeft hij in zijn achterste niet. De kraaijen nestelen in zijn achterste. [Men zegt dit van een' oud' man.] Hij krijgt een' schop voor zijn achterste. |
| Adem. Laat den tijd, om adem te halen. [Men zegt dit van iemand, die zijne schulden niet kan betalen.] |
| Adolf. Als 't waar is, Dolf! [Men bezigt dit bij twijfel aan de waarheid. Deze spreekwijze is gangbaar te Heemstede, een dorp bij Haarlem.] |
| Advocaat. De gekken en de obstinaten Maken rijke advocaten1). Ik had dit vroeger als een vreemd spreekwoord geschrapt. |
| Afgang. Eerst de loop en dan de afgang. [Men past dit toe, wanneer een predikant op eene nieuwe standplaats komt.] |
| Afgrond. In een' afgrond van ellende storten. |
| Aftrek. Mosselen hebben meer aftrek dan oesters. |
| Akker. De akker, die niet geploegd wordt, brengt distels voort2). Die meent, zijn' akker en stal te kunnen bedriegen, bedriegt zich zelven3). |
| Akkoord. Geene muziek zonder akkoord4). |
| Almanak. Hij moet een ervaren rabbijn onder de almanakmakers zijn. |
| Alroentje. Hij houdt er zeker een alroentje op na. [De alroentjes behooren tot de werkgeesten, aan welke onze voorvaderen het vermogen toeschreven, om iemand fortuin te bezorgen. Daarom bezigt men dit spreekwoord van iemand, wiens bezittingen op eene ongehoorde wijze vermeerderen, zonder dat men er de redenen van kent.] |
| Altaar. De priester moet van het altaar leven. Hij strijdt voor haardstede en altaren. |
| Ambacht. Een ambacht is een goede reispenning5). |
| Ambt. Die een' dwaas een eerambt betrouwt, beslaat een' straatsteen in zilver. |
| Amor. Daar pecunia niet zij, Daar kwam Amor zelden bij6). |
| Angel. Altijd angel, Zoo lijdt gij geen mangel7). Hij vischt te vergeefs, die zonder angel vischt8). |
| Anker. Hij kent den grond, waarop zijn anker rust9). |
| Appel. De eene appel doet den anderen rotten10). De mooiste appels zijn juist niet de beste11). Het zijn gouden appelen in zilveren traliekorven12). In de eene hand den appel, in de andere den stok13). Ik had dit vroeger als een vreemd spreekwoord geschrapt. Is Sint Gallus daar, Dan zijn de appels klaar14). Snij den appel gelijk door15). |
| April. April en Mei zijn de sleutels van het jaar1). April koud is brood en wijn2). Hij ziet er uit als de zon, die op den eersten April door den regen heenschijnt. |
| Arbeid. De arbeid is een goed leermeester. Die mede wil eten, Moet den arbeid niet vergeten3). Laat de arbeid u niet verdrieten, Al kunt gij al uwen loon niet genicten4). Wacht geenen goeden arbeid van den mommelaar5). |
| Arbeider. Onderhoud den arbeider, maar borg den gierigaard niet6). |
| Ariaantje. Ach, Ariaantje! wat stinkt ons kalf. |
| Arme. Als gij den arme geeft, hij verwacht meer van u7). Beloof den arme niet; want gij hebt het gedurig manen8). Beloof den rijke niet, en weiger den arme niet9). De vriendschap van een' staatsman maakt arm, die van een' koopman rijk. [Onder het bestuur van graaf karel ii, als keizer van Duitschland meestal onder den naam van karel v bekend, bragt de handel in ons land zoo grooten rijkdom aan, dat, toen karel zich te Antwerpen bij den koopman fugger bevond, deze, na afloop van het middagmaal, eenen schuldbrief van twee millioenen, ten laste des keizers, in het vuur wierp, tot dank voor de eer, die hij genoot. Karel zeide daarop: ‘de aanzienlijken putten mij uit; de geleerden onderwijzen mij; maar de kooplieden maken mij rijk.’ Dit gezegde heeft waarschijnlijk aanleiding tot het spreekwoord gegeven.] Gelijk de leeuw het wild verslindt, zoo verslinden de rijken de armen10). |
| Armoede. De ledigheid is de sleutel van de armoede11). [In denzelfden zin zegt men: Luiheid en een lekkre bek Is de sleutel van gebrek.] Die het zijne geeft vóór zijn overlijden, maakt zich gereed, om armoede te lijden12). Het is de armoede, die met de ellende in het huwelijk treedt. Huizen bouwen en veel bekostige aan zijn goed, Is de weg tot de arremoed13). Zonde baart armoede. |
| Asch. Die op de kooltjes timmert, die mag het in de asch weêr opscheppen14). |
| Svond. Ik behoef er van avond geen pap van te eten. Welkom bijvoet, het is morgen Sint Jans avond15). [Bijvoet is Sint Jans-kruid.] |
| Baai. Zijn hart trekt als een baaijen lap. |
| Baan. Dat is geen baantje. |
| Baard. Een bloode ezel, een roode baard en de duivel passen wel bij elkander16). |
| Baas. De heer is baas over den knecht, de knecht over den hond, de hond over de kat, en de kat over haren staart. Hij denkt baas te zijn, en is nog geen meesterknecht. |
| Baat. Daar is geene schade, of daar is eene baat bij1). |
| Bagijn. Hij heeft daar eene bagijn zien geeselen. [Men zegt dit van iemand, die ergens niet meer komt.] |
| Bak. Koffen en smakken Zijn waterbakken. |
| Baker. Zij nijgt zoo stemmig als eene beleefde baker, die eene fooi krijgt. |
| Bakker. Aan mijn gat, bakker. [Dit is een gezegde van iemand, dien men iets vraagt, dat hij niet doen wil.] Dollen bakker spelen. Waard in den zomer en bakker in den winter2). |
| Bal. De ballen gelijk leggen. |
| Balk. Naar den balk gaan. [Dit zegt men in Friesland van iemand, die een middagslaapje gaat nemen, omdat de boeren-knechts dit dáár op den zolder onder de balken doen.] |
| Band. De band is beter dan de schoof. [Men zegt dit van iemand, die het gewaad, dat hij draagt, onteert.] |
| Bank. De os, die niet werkt, gaat naar de vleeschbank3). Hij is op de bierbank uitgestudeerd4). Onder de bank benijdt men niemand5). |
| Bartholomeus. Maak van de kaas geene schuit, Zoo vaart gij niet achteruit; Noch Bartholomeus van 't brood, Zoo lijdt gij geen' nood6). [Men zegt hier hetzelfde als met het spreekwoord: Brood bij de ligt, Kaas bij de wigt, en geeft dus te kennen, dat men met de kaas niet ruw moet omgaan, noch met het brood karig wezen, of het om Godswil geven. De ruwe uitholling van de kaas wordt met een ander spreekwoord aldus berispt: Die mijne kaas snijdt als eene schuit, Moet mijn huis uit. Om de eenvoudige opregtheid van bartholomeus of nathanaël (Joh. 1: 48), wiens naam beteekent: eene gave Gods, zijn er vele liefdadige gestichten, waar men om Godswil geeft, naar hem genoemd.] |
| Bed. Beter aan de wieg 't hemd gescheurd, Dan een oud wijf op 't bed gebeurd. |
| Bedstede. Het is eene bedsteê-plank. [Men zegt dit van eene lange, smalle vrouw.] |
| Beeld. Hij staat daar als een standbeeld. |
| Beenderen. Het zijn twee honden aan één been. Koop je huizen, je koopt steenen; Koop je vleesch, je koopt beenen; Koop je visch, je koopt graten; Maar koop jenever voor je geld, dan kan je praten. |
| Beenen. Eene goede vrouw en een kwaad been |
| Dienen t' huis alleen1). [In denzelfden zin zegt men: Is uwe vrouw goed en uw been kwaad, Houd ze beide van de straat.] Hij zou nog klagen, al zat hij met de beide beenen in 't vuur. Smijt de beenen niet tegen elkander, zoo gij niet struikelen wilt als het jonge veulen2). |
| Beest. Het beestje valt meê. |
| Bek. De grootgebekte vogel eet meer, dan hij waard is3). De kool wil den visch wel uit den bek groeijen4). [Dit geschiedt, volgens de aanteekening, ‘als het land met vischkoppen, grom en ingewanden bemest is.’] Een langgebekte vogel dient in mijn' hof niet5). Hij melkt zijne koe door den bek6). [Volgens de aanteekening wil dit zeggen: ‘men onthoudt de melkgevende koe het noodige voedsel, zoodat ze geen melk geeft, en sterk vermagert.’ Is deze verklaring juist, dan wordt dit spreekwoord zoowel in kwaden als in goeden zin gebruikt. Vergelijk het spreekwoord: Men melkt de koe door den hals, waar v. hall bek voor hals heeft, en toch eene goede beteekenis aan het spreekwoord hecht.] |
| Beleefdheid. Beleefdheid Baart verkleefdheid7). |
| Belofte. Op de beloften der groote heeren is slecht staat te maken. |
| Berg. De bergen zien8). Goud ligt in bergen, drek in wegen9). Hij haalt maar op den krijtberg. [Dat is: hij haalt wel, maar betaalt niet. Hij laat alles maar met krijt aanteekenen.] Hij kruipt aan den voet des zangbergs. [Men zegt dit van iemand, die meê wil doen, maar niet kan.] |
| Berouw. Een slechte vrouw Is 's mans berouw10). |
| Beschroomd. De beschroomden komen altijd te kort. |
| Beschuit. Het knapt als beschuit. Ordonneer voor den oude geene beschuit, noch voor den jonge, wat hij gaarne eet11). |
| Besproeijing. Beter is het water van den hemel dan alle besproeijing12). |
| Betaling. Vooruitbetaling baart onachtzaamheid13). |
| Beul. Hij is zoo brutaal als de beul van Haarlem. |
| Beurs. De kleine dieven dansen op 't schavot, de groote in de beurs14). De razende mot zit hem in de beurs. Die niet mest, krijgt niet in de beurs15). Hij heeft een gat in zijne beurs. |
| Bewind. Zij hebben veel bewinds16). |
| Bezem. Dat sluit als eene Spaansche kap op een' bezemstok. Dat staat als een hoed op een' bezemsteel. |
| Bezwaar. Elke stand heeft zijne bezwaren. |
| Bij. De honig is zoet; maar het bijtje steekt1) |
| Bijl. De zware bijl velt het eens gespaarde hout. Hij ziet er uit gelijk een os, die de bijl ontloopen is2). |
| Blaar. Iemand blaren in het hoofd praten. |
| Blaas. Den vijand met koude karnemelk de blaas laten breken. |
| Blad. Zij is als eene slang onder de bladeren. |
| Blijmaker. Het is een blijmakertje. [Men zegt dit van eene zaak, die zich zeer voordeelig laat aanzien, maar al spoedig blijkt, eene misrekening te wezen.] |
| Blind. Beter blind zijn dan kwalijk zien3). De tong is de blindeman4). Hij is wel blind, die door eene zeef niet ziet, noch door eene plank, daar een gat in is5). |
| Bloem. Maak geen' staat op de bloemen van den Maart, noch op eene vrouw zonder schaamte6). |
| Blok. Het is een kerel als een dorschblok7). Iemand een struikelblok voor de voeten werpen. Leg niemand een blok in den weg8). |
| Bobbel. Bobbel en eer Zijn even teêr9). |
| Bodem. Het is zoo rond als een boôm van een' vierkanten waschketel. |
| Boedel. Het is een zwijnenboêl10). |
| Boekweit. Als de bramen goed bloeijen, Zal de boekweit goed groeijen11). [In denzelfden zin zegt men: Een goed bramenjaar, een goed boekweitjaar.] |
| Boer. Als een boer zijne zaligheid voor geld kon koopen, dan zou hij toch zijne dubbeltjes nog eerst wel eens omkeeren. Belieft de boer plaats te nemen? dan zal ik opstaan. Bij laag water in de sloot Heeft de boer geen' nood12). Dat kunnen de boeren van Landsmeer ook. [Men zegt dit te Amsterdam, wanneer bij het omberspel eenige malen achtereen is rondgepast.] Die het al geeft, wordt voor gek gehouden; die niets geeft, voor een' boer13). Een arme boer, eene arme boerderij14). Een boer en een zog Hebben nooit genog. Een boer koopt nog niet eens een paar klompen, of hij steekt er eerst zijne voetjes in. Een boer op den weg Heeft geen overleg; Maar een boer op zijn veld Wint geld15). Gelijk bij gelijk, zei de boer, geene varkens bij schapen. Hij is een hartenboer. Nooit ben ik op zulk eene boeren-kermis geweest. Van dien boer geene boter16). Wat men een' Haarder boer verrigten ziet, Knollen zaait hij niet17). [Hij zaait nl. wel knollen-zaad, maar niet de knollen zelven.] |
| Bok. Een bok blijft een bok, al onthaalt gij hem ook op saffraan1). Ik en de bok is twee. Men moet de schapen van de bokken scheiden. Men zendt hem van den bok naar den ezel2). |
| Bom. Dat is op zijne plaats als eene brandende bom in een' porselein-winkel. |
| Boom. Een boom wast allerbest, waar meer geboomte staat3). Het moet een schoone boom zijn, daar men zich gaarne aan wurgt (of: waaraan men lust heeft, te hangen)4). Slaap niet onder de schaduw van eenen notenboom5). Van den noordenwind worden de boomen sterker6). |
| Boon. Eene maagd, een wijngaard, een perenhof en een boonenveld zijn kwaad te bewaren7). Hij laat het deerlijk in de boonen loopen8). |
| Boord. Hij gaat op kuiltjes boord9). [Hij staat op den rand des afgronds.] |
| Borg. Mijn hoofd is er borg voor. |
| Boter. Die goeden botertijd heeft, heeft de boter naar zijn' zin10). (Zie de Bijlage.) Die met boter omgaat, maakt ligt zijne vingers vet. Het is altijd geen botertje boven11). Het is altijd geene roô-boter voor den spaan12). Het is hier ook geen boter likken. Hij heeft eene ziel van boter. Wie om een haar den boterpot veracht, is een dwaas13). |
| Bottelier. Hij is kok en bottelier te gelijk. |
| Bout. Mijn grootvader is zalig; want hij at altijd hazebout zaliger. |
| Boven. Er is kwade tijding van boven gekomen14) [Van boven beteekent hier van den zolder, en de kwade tijding geldt den vooraad van turf en hout, die begint te minderen, en herinnert aan nieuwen inslag.] |
| Brand. Die brand is weder gebluscht. [Men past dit toe op eene weinig beduidende zaak, die wel als belangrijk werd voorgesteld, maar zeer gemakkelijk ten einde loopt.] |
| Breed. Het is zoo breed niet, als men zegt15). |
| Brief. Sluit geene brieven, die gij niet gelezen hebt, en drink geen water, dat gij niet gezien hebt16). |
| Broeder. Het zijn twee stalbroêrs. [Door stalbroêrs verstaat men afgerigte moordenaars, die zich aan de eerstkomenden en meestbiedenden verhuurden. In het algemeen stonden de vreemde huurtroepen bij ons als groote hachjes bekend, en droegen als zoodanig den naam van stalbroêrs. Zoo had jan van montfoort, toen david van bourgondië, bisschop van Utrecht, naar Wijk bij Duurstede was gevlugt, en hij in Utrecht kwam, om er de zaken te regelen, vreemde voetknechten, onder den naam van stalbroêrs, in dienst genomen. |
| Broeikast. Het is er zoo warm als in eene broeikast. |
| Broek. Dan zou je al denken, dat je broek sterk genoeg was. [Men bezigt dit spreekwoord, als bespotting, bij eenige mislukking.] Grootspreken en broek-bevuilen kan men zittend klaren. Hij heeft de koorts in zijne onderbroek. |
| Brok. Groote brokken worgen1). Hij heeft een' brok in de keel. |
| Bron. Hij heeft uit de hengstebron gedronken. [Op den Helicon, een' der bergen van Thessalië, in Griekenland gelegen, vond men, naar het mythologisch verhaal, de Hippokrene of hengstebron, die het vermogen bezat, om hem, die eruit dronk, dichterlijk te bezielen.] |
| Brood. Als het brood ten einde gaat, grijp ten eerste2). Daar is kruis over 't brood. Dan zal hij zijn brood niet laten eten. Die brood en wijn wil koopen, moet geld hebben3). Die geen brood heeft, behoeft geene honden te houden4). Die geen' honger heeft, lust geen roggebrood. Een ei is zoo goed als een pond brood. Geef brood bij melk, en kaas bij wijn; Dat zal voor elk wel 't beste zijn5). Gegeven broodjes duren niet lang6). Heintje, mijn veintje, mijn wittebroods kind. [Men zegt dit van een' lekkerbek.] Het brood van mijn' gebuur Is mijn niet duur7). Het huis vol brood en geene kinderen, dan is het moeijelijk, om er de schimmel af te houden. Het is zonde voor de honden, dat de katten brood eten. Kaas zonder oogen, brood met oogen en wijn, die springt onder de oogen8). [Kaas zonder oogen is blinde kaas; door brood met oogen verstaat men gerezen of geoogd brood; terwijl men bij wijn, die springt onder de oogen aan parelenden wijn te denken heeft.] Koud water en heet brood zijn niet goed voor den buik9). Kunst gaat om brood, Maar baat ter nood10). Voor hard brood dient een scherpe tand11). Wat heeft men aan het brood, als men het niet meer kaauwen kan! Wilt gij, dat de hond u volgt, geef hem brood12). Zonder wijn en brood Lijdt Venus grooten nood13). Zware kaas en ligt brood14). [Dit spreekwoord zegt hetzelfde als: Brood bij de ligt, Kaas bij de wigt.] |
| Brouwsel. Het is een hopje in een' brouwketel. |
| Brug. Die brug is afgebroken. Het paard mag schoon zijn, het moet ook over de brug willen15). |
| Brugge. De Brugsche tooi: Achter leelijk, vóór mooi16). |
| Bruid. Als de bruid is in de schuit, Dan is ook haar lagchen uit. De dood en de bruid Brengen alles uit. |
| Bruiloft. Hij heeft te laat bruiloft gehouden. |
| Bui. Onder de buijen door kan de zon wel eens helder schijnen. |
| Buidel. Als de groote buidel komt, dan verwerpt men den kleinen1). Tot de Roomsche reis dient geen bloode muil noch platte buîl2). |
| Buik. Een kind, dat groeit, heeft den wolf in den buik3). [Het eten is bij kinderen eene zelfde zaak als bij den wolf. Kinderen zijn onverzadigbaar, hebben altijd honger, en kunnen alle uren van den dag eten.] Een vette buik maakt plompe zinnen4). |
| Buil. Groote peren vallen wel eene buil in 't hoofd5). |
| Buit. Het is ongewoon, dat de wolven in elkanders vacht bijten, en scherp-vogels op scherp-vogels buit halen. |
| Bul. De bul krijgt een kalf6). [Wien het geluk mede is, hij zij roekeloos en onvoorzigtig, die komt er toch.] Hij loopt er op in als de bul op den hooiopper7). |
| Casaque. Die een goede casaque heeft, heeft veel vrienden8). |
| Cavallerie. Zij behoort tot de ligte cavallerie. |
| Collatie. Collatie is geen vast gebruik9). (Zie de Bijlage.) [Dat wil zeggen: omdat het eenmaal zoo was, geloof daarom niet, dat het in 't vervolg altijd zoo zal gaan. Collatie is het regt van begeving eener standplaats.] |
| Conscientie. Hij heeft eene conscientie als een turfschipper10). Zonder schaamte, zonder conscientie11). |
| Consent. De tong mag niet spreken zonder consent van 't hart12). |
| Courant. Ik lees de courant niet, ik woon op een hofje. |
| Daad. Hulp van drie, daad van zes13). Liefde met daad, Diep in't harte gaat14). Na de daad Helpt geen raad. Na de daad Is 't wenschen te laat. Toon uwe liefde met de daad15). |
| Daarom. Daarom is geen reden; waarom is geen vraag. |
| Dag. Alle dagen waait de wind niet zoo. Dat is gebeurd in de dagen van Olim, toen Quondam regeerde16). [Dat wil zeggen: 't is lang geleden. Olim beteekent voorheen, en Quondam is eertijds.] Dit ter vervanging van 'tgeen voorkomt op bl. xviii. De morgenzon duurt den geheelen dag niet1). De oogst komt niet alle dagen2). Die laat opstaat, is den geheelen dag op de jagt3). Een kersdag zonder sneeuw is als een kerskoek zonder witte suiker. Er is geen dag zoo kwaad, Of de zon schijnt vroeg of laat. Glanzig als een smid voor den dag4). Het is alle dagen jaag-dag, maar niet alle dagen vang-dag5). Hij heeft de kerk goeden dag gezegd. Hoe heiliger de dag is, hoe meer de duivel losgebroken is. [Op heilige dagen worden de grootste losbandigheden bedreven.] In 't gekijf van de vrouwen komt de waarheid voor den dag, gelijk door het slaan het vuur uit den kei6). Lang als een vastendag. Maak van den nacht den nacht, van den dag den dag, en gij zult in vreugde leven7). Sinte Lucije Laat de dagen dijen8). [De dagen dijen wil zeggen: de dagen worden langer. Men zegt hier hetzelfde als met het spreekwoord: Als Sinte Lucie komt, lengen de dagen eenen vlooijen-sprong.] Van daag Februarij, morgen Lichtmis9). Veertien dagen groeijen, Veertien dagen bloeijen, Veertien dagen striepen, Veertien dagen riepen10). [Volgens de aanteekening ‘ziet dit Drenthsche van de rogge gebezigde gezegde op de twee laatste maanden vóór het zichten der rogge, Mei en Junij, als in welke de rogge opschiet, bloeit, vruchtzet (striepen is strepen) en rijp wordt (riepen is rijpen).’] Voor den goeden dag: open uwe deur; voor den kwaden dag: wapen u11). |
| Dak. Dat rolt als een ei van een dak. Een man zonder dak is een vogel zonder nest. Het rolt als een fluitje van het dak af. Vroeg uit te gaan, vroeg onder dak, Dat geeft een groot gemak12). |
| Damocles. Dat is het zwaard van Damocles. [Dat wil zeggen: het gevaar is dár, en vertoont zich in al zijne uitgestrektheid. Men bezigt dit bij eene allergevaarlijkste onderneming. Zie over het zwaard van damocles het spreekwoord: Zijn leven hangt aan eenen zijden draad.] |
| Dankbaar. Geef den dankbare meer, dan hij vraagt13). |
| Dans. De kalkoen Zal 't niet doen; Maar de kat met haar streelen Zal u 't leven stelen, Zei de muis tot haar jongen, En zij zijn den dans ontsprongen14). |
| Deelgenoot. Ik haat een' achterdochtig' deelgenoot in 't gelag15). (Zie de Bijlage.) [Dat is: ik heb niet gaarne te doen met iemand, die met mij in eene zaak gelijk op deelt, maar mij niet vertrouwt.] |
| Degen. Hij heeft den degen in den hoek gezet. |
| Hij heeft den tabbaard met den degen verwisseld. |
| Deken. Zij is eene sleepdeken. [Die vrouw praat elkeen naar den mond, zij is eene mooipraatster.] |
| De Krim. Hij is naar de Krim. [Eene aanwijzing op verwijderde personen. Dit spreekwoord is afkomstig van den oorlog der Gealliëerden met Rusland, in 1855 en 1856.] |
| Delphos. Dat is zoo waar als eene uitspraak van het liegende en bedriegende orakel van Delphos. |
| Deugd. De deugd heeft weinig erfgenamen1). Het is de beste deugd, Die opwast met de jeugd2). Jeugd Heeft geen deugd. Men kent de deugd van het laken bij de handeling. |
| Deur. Aan alle deuren aankloppen. [Iedereen te hulp roepen.] De duivel komt daar niet, waar hij de deur toe vindt3). Hij heeft het voor de deur van de hel weggehaald. Voor des jagers deur vindt men geenen grooten mesthoop4). Wie zijne deur hoog maakt, die staat naar ongeluk5). Zijn voorkomen is als de zon, die door de geopende kamerdeur schijnt. |
| Dief. Een dief verschrikt van eene muis6). Het is eene heele eer, om stukkendief te heeten. Onder een' goeden naam schuilt de dief7). |
| Dienaar. Wie een' getrouwen dienaar verlangt, die diene zich zelven8). |
| Dier. De spin is wel een pootig dier; maar zij is daarom nog geen vogel-struis9). |
| Dijk. Daar waait stront van den dijk. |
| Ding. Drie dingen bederven den mensch: veel spreken en weinig weten, veel uitgeven en weinig hebben, veel beroemen en weinig kunnen10). Het is een kwaad ding, als men tusschen de watervaten gaat werken. [Dat is: de zaak zal kwalijk bekomen, hoe of van welke zijde men ze ook bekijkt. Het is een spreekwoord onder de matrozen te Vlissingen, en zij verstaan door tusschen de watervaten gaan werken het stil zich van boord verwijderen, om in slechte huizen te zwieren. Dat tusschen de watervaten gaan werken, zoo als zij dat noemen, komt bij ontdekking tot werkelijkheid; want hunne ongehoorzaamheid brengt hen in de cachot, blikhol genoemd, en deze is tusschen de watervaten geplaatst: dáár werken zij dan weder.] |
| Disch. Geene betere rapen, dan die men op zijn' eigen' disch vindt11). |
| Distel. Het zijn geld-dragende ezels, die op netelen slapen en distelen eten12). |
| Dochter. De weelde is de dochter des overvloeds. |
| Doek. Dat gaat zoo vast als een wind in een doekje. |
| Dokter. Men kan hem wijsmaken, dat Methusalem het lang-levenselixer van dokter Jenner heeft ingenomen. |
| Dolle. Om niet dol te worden, moet men niet lang op eene plaats blijven. - Vol Maakt dol1). |
| Dom. Ik had liever, dat de domtoren te Utrecht viel2). (Zie de Bijlage.) |
| Donker. Als alle heiligen bij hem om hun licht komen, zal hij spoedig in het donker zitten. [Men zegt dit van een' grooten schuldenaar.] |
| Dood. Na den dood komt de medicijn te laat3). |
| Doode. Men moet eerst dood zijn, om geprezen te worden. Veel dooden, weinig vijanden4). |
| Doorn. De doorn komt het scherpste voor5). De tijd kan wonderen doen: hij lokt de rozen uit den doornenstruik6). Iemand een' doorn uit den voet trekken. |
| Doos. Rijd op met je kantdoos. |
| Dorst. De ezel drinkt niet zonder dorst7). |
| Drank. Dat is een slaapdrank voor zijne ziel. |
| Drek. Daar zitten wij nu mooi in den drek. Op drek en wetering vindt men de regtvaardigste lieden8). |
| Drempel. De drempel is daar glad. |
| Drieëndertig. Dat is een domme drieëndertig. Om het bestaan dezer spreekwijze, keurt de Heer leendertz mijne meening, bij de andere spreekwijze van dit woord: Het is eene mottige drieëndertig, te vinden, af. Ik deelde ze ook slechts als eene gissing mede; maar wier grond ik daarbij heb opgegeven. Een domme drieëndertig kende ik toen niet; en thans zou 't mij niet vreemd zijn, indien cene mottige het aanzijn aan een' domme gaf, zonder dat ze daarom van éénen stam behoeven te wezen, daar beide drieëndertigen toch wel alleen in 's menschen brein geboren zullen zijn. Kan ik dan de beteekenis, die de Heer leendertz aan het woord drieëndertig geeft, niet deelen, aan anderen komt ze welligt zeer gegrond voor, en daarom verzocht en verkreeg ik verlof tot mededeeling van 'tgeen hier volgt: ‘Gij wenscht eenig bewijs voor mijn gevoelen omtrent de beteekenis van het woord drieëndertig in de door u opgenomene spreekwijze. Dat de daar ter plaatse door u gegevene uitlegging de ware niet is, blijkt uit de spreekwijze domme drieëndertig, waarop zij niet past. Voor mijn gevoelen is, naar mijn oordeel, dit te zeggen. Duivel en donder zijn zeer gewone scheldwoorden in den mond van het volk. Die woorden evenwel worden |
| dikwijls door andere vervangen. De schroom, om den naam van het booze wezen uit te spreken, vindt zijne oorzaak in een oud bijgeloof; dwaasheid van latere dagen vond het onfatsoenlijk de woorden donder en bliksem te laten hooren. Die woorden nu worden in den mond van het volk vervangen door andere woorden, welker beginletters dezelfde zijn. Daar nu drieëndertig geen scheldwoord is, zal het wel gebruikt worden in de plaats van een scheldwoord, dat met dezelfde letter aanvangt.’ |
| Drommedaris. Het is een misselijke (of: wonderlijke) drommedaris. [Men zegt dit van een' doldriftig' mensch.] |
| Drommel. Hij is den drommel te slim af. |
| Droog. De sprong van den kikvorsch is van 't droog in 't nat1). [Men past dit spreekwoord op den dronkaard toe.] |
| Druif. Rijpe druiven en huwbare meisjes zijn moeijelijk te bewaken. |
| Druppel. Beter onder den drop dan onder den regen. Een kei wordt uitgehold, daar stage druppels leken2). [In denzelfden zin zegt men: Het water holt een' aarden steen, En dat maar door een' drup alleen.] Het is een druppel aan den emmer. Met druppeltjes vermindert de zee3). |
| Dubbeltje. Als het schip met dubbeltjes aankomt. [In denzelfden zin zegt men: Als het schip met geld maar kwam.] Jut en Jul, een paar om een dubbeltje. |
| Ducas. Daar is een ducas in het paternoster4). |
| Duif. Dat het paard eene milt had, en het duifje gal, Vrede ware er overal5). |
| Duitscher. Een Duitscher kan zonder eten drinken; een Engelschman eet zonder drinken; een Vlaming eet, en kan wel drinken (of: een Vlaming eet niet zonder drinken)6). |
| Duivel. Als er geene duivels in de hel gevonden worden, logeren zij te Rome. Als liefde keert in haat, Dan is 't een duivels kwaad. Daar God het meel geeft, daar wil de duivel den zak ophouden7). Hij, die het kromme regt kan maken, Zal van des duivels nootjes kraken. Hij is zoo zwart als de duivel. Iemand alle duivels op den hals wenschen. Woorden van een engeltje, werken van een duiveltje8). |
| Dwaas. Die veel razen, Zijn maar dwazen9). |
| Dwaling. De onwetendheid is de moeder der dwaling. |
| Dwang. Waar dwang is, is geen vermaak. |
| Edelman. Den edelman, den hazewind en den zoutzak: zoek die bij het vuur10). Het is een nieuwbakken edelman. |
| Eén. Als de één niet wil, twee spelen niet1). Beter één van zien, Dan van hooren tien2). Betrouw alleen Eén of geen3). Dat is er één van: wat geldt het honderd4)? Eén aan een' vijzel is al te gemeen. Werk van één Is werk van geen5). - Allengskens één, zoo krijgen wij ze met der tijd alle6). Het ergste van het proces is, dat van één honderd komt7). Het is een man van nommer één. Twee terstond en één ik-kom: Daarmeê loopt een uur wel om. [Wanneer men geroepen wordt, geeft tweemaal gezegd: ik zal het terstond doen, en éénmaal: ik zal komen, een groot en noodeloos oponthoud. Men bezigt dit spreekwoord van talmers.] |
| Eer. Een veranderd mensch en verreden paard Zijn niet veel eere waard8). Er ziet ver9). Hij heeft eene vlek in zijne eer gekregen. In eene vrouw zonder eer Is geene schoonheid meer10). Zoek geene eere Met andrer lieden kleêren11). |
| Eerbaarheid. De mode snijdt de eerbaarheid wel de keel af12). |
| Egel. Hij kruipt als een egel in elkander. [Men zegt dit van een' kouwelijken jongen.] |
| Egge. Spaar bij den hennep den ploeg, en bij het vlas de egge niet13). |
| Ei. Daar wordt geen netter kost bereid Dan hoendereijers, versch geleid14). Hij loopt, alsof hij haneneijeren onder de voeten heeft. Hoenders, die veel grazen, leggen weinig eijers15). (Zie de Bijlage.) Kakelen is niemendal, Maar eijeren leggen is 't al. Kinderen en een korf vol eijeren is gebrekkige waar16). |
| Eik. Het is een eiken kerel: hij kan er tegen. Ofschoon een eiken stam vrij diep geworteld staat, Hij valt toch evenwel, indien men lange slaat17). |
| Einde. Al sprekende en gaande treedt men naar het einde18). [Men doelt hier op het einde van 's menschen leven.] Die met kwaad omgaat, heeft een kwaad einde19). Hiermede heeft het schouwspel een einde. Wie ziet er het einde van? Wijven regiment Neemt zelden goed end20). |
| Eisch. Een goede eisch schaadt niet. |
| Ekster. Dat staat zoo onbewegelijk als een huppelende ekster. |
| Eksteroog. Eksteroogen zijn weêrglazen. |
| Elf. Hij eet te elven, en mijnheer te twaalven. |
| Elleboog. Al heeft men het in de hand, dan is het nog een' voet van den elleboog. Hij kruipt op knie en elleboog. |
| Emmer. Als het kalf zat is, stoot het den emmer om. Een goed woord lescht veel meer dan een emmer water1). Het klinkt als een vossenstaart in een' lederen emmer. |
| Engel. Het zijn nog geene engelen, al lagchen ze zoo wit. |
| Engeland. Het is Engelsch gaar. [Men zegt dit van half gaar vleesch.] |
| Erfhuis. Dat is een koopje uit een erfhuis. |
| Erwt. Hij heeft eene kleur als eene onverteerde erwt2). Men zou het met een schepel erwten uitmeten. [Dit ziet op de uitgestrektheid der familiebetrekkingen, op gelijke wijze, als wanneer men zegt: Hij heeft wel een' kop gort noodig, om het uit te tellen.] |
| Eten. Die kwaad is, en zijn eten verpruilt, wie heeft hij als zich zelven3)! (Zie de Bijlage.) Goed eten volgt kwaad eten4). Had ik 't geweten, ik had u voor uw eten gepepen5). |
| Ezel. De eene ezel krabt den anderen. De honig is voor den ezel niet6). Die zich aan het schoppen van den ezel stoort, wordt den ezel gelijk7). Een ezel blijft altijd een ezel, al ging hij ook naar Rome. Een ezel is ouder op twintig, dan een mensch op zestig jaar. Het is wel een ezel, die tegen een' anderen ezel roept8). Honger doet den ezel stroo eten9). Men wijst hem van den os op den ezel10). |
| Fabel. Hij laat zich geene fabeltjes wijsmaken. |
| Fakkel. Iets zonder fakkel (of: kaarsen) gaan vertoonen. |
| Familie. De ondeugden hebben eene uitgebreide familie. Het is eene familie-kwaal. |
| Februarij. Februarij, de koortsen de ergste11). |
| Feest. Als de hond iemand een feest bereidt, zoo beslijkt hij hem12). Zacht aan wat, het is geen feest, maar slechts een vriendenmaal. |
| Figuur. Hij maakt een mal figuur. |
| Flip. Het is Flip in den houten nap. |
| Fluit. Hij zit in het riet, en snijdt fluitjes. |
| Fluiter. In het huis van den fluiter fluit het al; in het huis van den speelman danst het al13). |
| Fok. Pas op uwe eigene fok14). |
| Fonds. Zijne fondsen staan laag. |
| Fortuin. Als de kwade fortuin slaapt, niemand wekt haar15). De fortuin is moede, van u te volgen: gij haast u zoo zeer16). De fortuin moet den man, en niet de man de fortuin zoeken. Hoe grooter fortuin, hoe onzekerder17). Wie de fortuin in pacht heeft, mag onbezorgd leven. Wie zijn ongeluk overleeft, mag op beter fortuin hopen. |
| Fout. Met den wind zuivert men het zaad, en met de roede de fouten1). |
| Frankrijk. Het is een neef van de Fransche gemeente. [Daar men in de Fransche gemeente het neefschap zeer ver uitstrekt, wordt dit spreekwoord bij dergelijke uitbreidingen toegepast.] Hij verstaat geen Fransch. [Hij wil er niets van weten.] Zij hemd in de Fransche wasch doen. [Dat is: zijn hemd omkeeren.] |
| Friesland. Ze zoenen op zijn Friesch. [Dat wil zeggen: ze zoenen driemaal.] |
| Fust. Het is goede fust. |
| G. Gek en goud beginnen beide met eene G. |
| Gaaf. Eene onwillige gaaf is even zooveel, als ware er niet gegeven2). |
| Gaauw. Als gaauwtje dood is, zal sneltje zijn rokje hebben. |
| Gal. De mond is vol honig, het hart vol gal3). |
| Garde. Hij moet naar de garde van Willemientje. [Zoo spreken de militairen van de strafdivisie. Maar waarom men deze naar wilhelmina, gemalin van koning willem i, heeft genoemd, is mij niet gebleken.] |
| Garen. Hij rammelt door garen en wollen heen. |
| Gast. De pot noodigt zijne gasten. Zulke waard, zulke gasten4). |
| Gasthuis. Loopers mal is winst voor 't gasthuis5). |
| Gaten. Als één schaap het gat gevonden heeft, zoo loopt het er al door6). Daar is een gat in den vlieger, hij vat geen' wind. Dat is eene vlek, als de zon schijnt, is 't een gat. De hoovaardij schijnt door de gaten van zijne kleêren. Door 't zeegat komt er veel gewin; Maar meer nog gaat het keelgat in7). Hij heeft geen kwaad gat in zijn hoofd. Hij slaat het maar in zijn gat. Hij weet niet, in welk gat hij kruipen zal. Hij wil door het kisgat, maar moet het kattengat uit. |
| Gatten. De zwaluwen nestelen hem in zijn gat. [Men zegt dit van een' oud' man.] Het is hem aan zijn gat blijven hangen. [De koop nl., die niet werd afgemijnd.] Hij heeft eene kar met rozenobels aan zijn gat hangen. Hij heeft een' zouten kater voor zijn gat gekust. [Men zegt dit van iemand, die grooten dorst heeft.] Hij heeft het aan zijn gat gekregen. [Het proces nl., dat hij heeft verloren.] Hij heeft kwik in zijn gat. Hij weet er zijn gat wel in te draaijen. Ieder moet zijn eigen gat bergen. |
| Gebaar. De kikvorsch heeft noch wol, noch haar, En toch maakt hij blij gebaar8). |
| Bebak. Het is een vreemd gebak. |
| Gebed. Met zijne gebeden den hemel bestormen. |
| Gebied. Dat is buiten uw gebied. |
| Gebrek. Nalatigheid is de moeder van gebrek1). |
| Gebruik. Het is een gek, die van de gelegenheid geen gebruik maakt. |
| Geduld. Geduld en onschuld zijn de sterkste wapens. Geduld is zulk een schoone zaak, Dat elk zich dat ten nutte maak2). Het geduld is de weg des hemels. |
| Geduldig. Die gediend wil zijn, moet geduldig zijn3). |
| Geel. Hij telt zijne geeltjes. [Men zegt dit van een' rijk' man. Geeltjes geldt hier voor goudstukken.] |
| Geit. Een geitje van ééne maand, en een lam van drie4). [Men zegt ook: Neem biggen van ééne maand, en eene gans van drie.] |
| Gek. Een gek, die er zich op verlaat. Een gek zet zijn hoofd tot onderpand. Hij speelt voor gek. Zuinig is goed; maar al te zuinig is eens andermans gek5). |
| Gekakel. Eer zal de zang aan den nachtegaal ontbreken, dan het gekakel aan de vrouwen6). |
| Gekheid. Het wordt hoe langer hoe gekker. Van gekkigheid kan wel wijzigheid komen. |
| Gelatig. Gelatig, matig en statig7). [Dit zijn drie vereischten, om een goed huwelijk te sluiten.] |
| Geld. Als het geld op is, is ook de pret uit. Die van geld droomt, krijgt ruzie; maar die van stront droomt, krijgt geld. Die zijn geld leent, verliest zijn geld en zijn' vriend8). Geen beter geld, dan dat men zelf in den zak heeft9). Geldpijn is hellepijn. Geld zoekt geld. Heb mij lief, omdat ik u liefheb; maar spreek mij van geen geld10). Het geld is altijd welkom11). Het geld is geblazen. Het geld is plat voor de gierigaards, en rond voor de verkwisters. Het is, alsof hij het geld maar voor 't oprapen heeft. Het is gemakkelijk, den heer te spelen van eens anders geld. Ik moet zeker geld beuren of stront rapen; want mijne hand jeukt. Men moet geld hebben, om te spelen12). Men vindt geen geld in alle zakken, die toegebonden zijn13). Tel geen geld Op het veld14). Vuur, geld en gezondheid zijn te allen tijde goed15). |
| Gelderland. Het is eene Geldersche juffer16). |
| Geleend. Die van 't geleende eet, eet uit zijnen zak17). |
| Gelijk. Zie naar uws gelijken18). |
| Gelijkheid. Gij hebt het grootste gelijk van de vischmarkt, behalve de pomp. |
| Geluid. Het geluid is uit de viool. |
| Geluk. Het geluk is voor den stoute. |
| Gelukkig. Den gelukkige loopt alles meê. Om gelukkig te zijn, behoeft men slechts te gelooven, dat men het is. |
| Gemak. Het gemak wil er graag in. |
| Gemakkelijk. Men zal geen' gemakkelijke aan hem hebben. |
| Genade. Die op eens anders genade leeft, eet niet wel1). |
| Genot. Ploegen Doet zwoegen; Maar met zegen van God Geeft de oogst weêr genot2). |
| Geregt. Een vriendelijk gezigt Is 't allerbest gerigt3). |
| Getouw. Hij praat van groote stukken, maar zet het niet op touw. |
| Getuige. Valsche getuige, sta bij! |
| Gevecht. Schilderijen en gevechten moet men van verre zien4). |
| Geveinsdheid. Voor God geldt geene geveinsdheid5). |
| Gever. De gever moet zwijgen, de ontvanger spreken6). Raadgevers kan men voor niet krijgen. |
| Gewas. Water geeft gras, Overstroomt het de hei; Groen wordt er de wei En welig 't gewas7). |
| Gewigt. Gewigt en maat nemen den twist weg8). Meloen en kaas met wigt: hoe zwaarder, hoe beter9). |
| Gezin. Die eens een schurk is, zal nimmer voor een' vader des huisgezins gehouden worden. |
| Gezond. Wilt ge een goed testament maken, maak het, terwijl gij nog gezond zijt10). |
| Giegauw. Hij heeft een' molen met een giegauw. [Dr. de jager denkt bij een' molen met een giegauw aan eene versierde draaijerij. Zie de gronden daarvoor opgegeven in zijne Verscheidenheden uit het gebied der Nederd. Taalk., bl. 194. Sedert is mij het spreekwoord voorgekomen in het Navorschers Bijblad, bl. cxxxviii, alwaar men leest: ‘Tot het spel van het negenstck behoort ook het vastzetten door het schuiven, zoodat de tegenpartij geen zet meer kan doen, en het brengen van 3 schijven op ééne lijn, 't welk de molen heet, en het regt geeft, om ééne schijf, naar verkiezing van den speler, aan de tegenpartij te ontnemen. Als men op 2 lijnen de 2 schijven en ééne plaats open heeft voor eene derde schijf, en daardoor twee molens kan laten werken, heet dit een molen met een gigau hebben, 't geen ik, als spreekwoord voor twee kan- |
| sen hebben, meen te hebben aangetroffen in een tooneelspel.’] |
| Gierigheid. De gierigheid kent niemand, en heeft ouders noch vrienden1). |
| Gieter. Het is een gieter2). [De oefening, die hij, wien men een' gicter noemt, neemt, maakt, dat hij op de bierbank uitgestudeerd raakt.] |
| Gij. Met een ikke en een gij. [Wanneer iets met een' langen draad wordt toegeregen, dan heet dit met een ikke en een gij; waarschijnlijk, omdat de naaister van zich af en naar u toe werkt.] |
| Gijs. Het is een kind van Gijs: Vroeg groot en laat wijs. |
| Glad. Hij is glad. [Dat wil zeggen: hij is al zijn geld kwijt, hetzij 't hem is ontfutseld, hetzij hij 't zelf heeft zoek gemaakt, of dat vrouw fortuna hem den nek heeft toegekeerd.] |
| Glas. Dat uw hoofd van glas ware, gij zoudt mij niet met steenen werpen3). Een glaasje met een Mennist randje. [Dat wil zeggen: een glas tot aan den rand gevuld; zoodat de rand dezelfde kleur heeft als het overige deel van het glas.] Wie het glas te veel ligt, Wordt geplaagd door de jicht4). |
| God. Die honderd schuldig is, en honderd en één heeft, behoeft niet te vreezen; die honderd en één heeft, en honderd en twee schuldig is, God wil hem helpen5). Die zaait, stelt zijn vertrouwen op God6). God beware mij dengenen, op wien ik vertrouw, - en beware mij van dengenen, op wien ik niet vertrouw7). God beware mij voor den kakelaar8). God en de mestwagen zijn het wel eens9). In Gods naam: dat 's niet gevloekt. Wordt iemand ziek, of krijgt hij pijn: Eerst God en dan de medicijn10). - Hij heeft de goden te vriend. |
| Goed. Beter eens anders goed dan geen. Erfgoed is geen roofgoed. Het gescheiden goed Houdt de vrienden goed11). Het goed hem naakt, Die werkt en waakt12). Men leert de waarde van het goed, Wanneer men dat ontberen moet13). Men ziet, dat snel en haastig goed Al vrij wat onklaar wezen moet14). Verdoet Naar uw goed15). Verliest ge uw goed, Verlies geen' moed16). |
| Goede. Die kwaad wordt zonder reden, wordt weêr goed zonder troost. Ga met de goeden, en gij zult met hen zijn17). - Die daar is in heerlijken staat, Zij getroost, te hooren goed en kwaad18). Die gewend is, veel kwaad te hebben, weinig goed is hem genoeg19). Geen goed zonder kwaad20). Het goede moet men zoeken, het kwade verwachten21). |
| Gort. De gort is gaar. Hij heeft gort gegeten; nu moet hij de kippen van zijn lijf houden. [Men zegt dit, wanneer men iemand met een' wandelstok ziet, dien hij anders niet draagt.] |
| Goud. Koeijen met gouden horens geven geen melk1). Vrijheid gaat voor goud, zei de wachtel, en hij vloog in het hout2). |
| Graf. Hij kan zwijgen als het graf. |
| Gras. Hoe ruimer weide, hoe meer neiging naar gras3). (Zie de Bijlage.) Tusschen de beide Meijen regen Is voor 't gras een zegen4). [Regent het tusschen 1 en 12 Mei (nieuw en oud Mei in Groningen), dan groeit het gras goed.] |
| 's Gravenhage. Hij is uit den Haag van daan: hij weet van grootspreken. |
| Graver. Hij eet als een slootgraver5). |
| Grieksch. Het is Grieksch voor mij. |
| Griet. Trijn en Griet Deugen niet. |
| Griffier. Wilt gij van uw kreupel proces een regt maken, contenteer den griffier6). |
| Grijs. Die in tijds grijs wordt, leeft langst7). Hij is onder de wapenen grijs geworden. |
| Grond. Een rot schip gaat met eenigen wind te grond8). Waar men afneemt en niet bijlegt, daar geraakt men haast op den grond9). |
| Groote. Bij koningen en grooten: of zwijg, of spreek, wat hun aangenaam is10). [Zoo dacht er esopus over, gelijk blijkt uit een gezegde aan solon, als deze zich bij koning cresus bevond.] Wie wordt er zonder slagen groot! |
| Grootebroek. Hij spreekt van Grootebroek, maar Lutjebroek komt eerst. [Eene woordspeling met de beide in het spreekwoord genoemde Noord-Hollandsche dorpen van de Streek, en toegepast op menschen, die van het hunne groot opgeven, ofschoon 't lutje, dat is: klein is.] |
| Grutte. Het wil daar niet grutten. |
| Haag. Als één schaap door de haag breekt, zoo volgen ze allen11). |
| Haam. Hij is door het haam geloopen. |
| Haar. Ik verkoop het u met huid en haar. Met grijze haren moet men niet meer vrijen. Zijn haar is gekamd als dat van een' korporaal, die aan het vrijen is. |
| Haas. Hazen en konijnen grenzen na aan elkander. Iemand een' haas voeren. [‘Iemand een Haas voeren,’ zegt c. k[ramm] in den Utrechtschen Volks-Almanak voor 1856, bl. 74, ‘was in de xv eeuw de gewone spreekwijs te Arnhem,’ waarbij hij ‘uit Stads Rek. van 1434’ deze woorden aanhaalt: ‘Des Sonnendage na dertien dach, doe henrick albertssoen van bueren comen was, ende had enen groeten haese mede gebracht, |
| die hy den schepenen te voeren gaff in domo conraets, daer hansse des Bisscops bude van Utrecht by was.’] |
| Haastigheid. Al te haastig is kwaad. |
De spreekwoorden, in de thans opgegeven nommers voorkomende, zijn minder of meerder reeds aangewezen, behalve die van no. 159, welke eerst met den aanvang der volgende Afl. zullen voorkomen.
Onder de hier opgenomen spreekwoorden vindt men nog een 14tal uit gheurtz. Wanneer eene nieuwe verzameling te mijner kennis komt, heb ik steeds de gewoonte, om alles aan te teekenen, wat mij niet helder is, ten einde daarop het gevoelen van mijnen vriend Dr. de jager in te winnen, en het zijn deze spreekwoorden, die ik om genoemde redenen in de vorige Afl. niet geven kon.
De volgende spreekwoorden waren vroeger van geene aanwijzingen vergezeld, maar behooren daar thans van voorzien te worden:
| Afstel. Van uitstel komt afstel1). |
| Band. Slappe handen Maken kwade banden2). |
| Bij. De bij is dood, die den honig en het was gaf3). |
| Bliksem. Hij is den donder ontloopen, en in den bliksem gevallen4). |
| Bloem. Een oud man, die vrijt, is eene winterbloem5). |
| Bres. Voor iemand in de bres springen (of: Zich voor iemand in de bres stellen)6). |
| Bruid. Eene schoone bruid is haast gepareerd7). Het is de schoonste bruidniet, die meest opgesmukt is8). |
| Dag. Alle dagen zijn niet gelijk9). |
| Deugd. Volhard in de deugd, en laat dan God geworden10). |
| Deur. Een zilveren hamer verbreekt ijzeren deuren11). |
| Disselboom. Hij is vertrokken met de lantaarn aan den dissel12). |
| Dochter. Als moeders hemd de dochter past, ziet men, dat ze gemeenlijk denzelfden gang heeft13). |
| Doorn. De schapen, die tusschen hagen en doornen weiden, laten er van hunne wol14). |
| Draad. Liever 't draadje niet begonnen, Dan den rok niet afgesponnen15). |
| Duister. Het goud komt uit de duisternis, het woont in de duisternis, en het voert menigeen naar de duisternis16). |
| Duivel. God zendt hem wel de spijzen, maar de duivel kookt ze1). |
| Eten. Ja, kool met krenten, meid! dat is een smakelijk eten2). |
| Feest. Het hart van den waard is het halve feest waard3). |
| Gaten. Schep op, Lubbert! met den grooten lepel, de kleine heeft een gat4). |
| Geheugen. Lange haren, kort geheugen5). |
| Gek. Wat de heeren wijzen, Moeten de gekken prijzen6). |
| Geluk. Nooit is 't geluk volmaakt, Hoe hoog het ook geraakt7). |
| Gezucht. Veel ongenugt Maakt veel gezucht8). |
| Goud. De eene vrouw is goud, De andre wormig hout9). |
| Graan. Met graantje bij graantje krijgt de hen den krop vol10). |
| Haan. Oude hanen zijn moeijelijk te plukken11). |
| Haar. Den wolf kan men al zijne grijze haren niet uittrekken12). |
| Haard. De zeug gaat daar om den haard13). |
| Haas. Als de leeuw dood is, kunnen de hazen wel over hem heen huppelen14). |
De thans volgende aanwijzingen, vereenigd met die, welke uit plaatsgebrek waren blijven liggen, behooren aan de reeds gegevene te worden toegevoegd:
| bl. 1. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 135. aanw. 10: Sel. Prov. bl. 209. aanw. 17: Sel. Prov. bl. 41, 197. aanw. 25: Sel. Prov. bl. 95. |
| bl. 2. aanw. 4: Sel. Prov. bl. 10. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 185. |
| bl. 3. aanw. 11: Sel. Prov. bl. 29, 185. aanw. 16: Sel. Prov. bl. 9. aanw. 17: Sel. Prov. bl. 67, 170. aanw. 30: Sel. Prov. bl. 28. aanw. 37: Landbouwer bl.86. |
| bl. 4. aanw. 3: Sel. Prov. bl. 217. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 200. aanw. 8: Sel. Prov. bl. 30. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 92. aanw. 12: Gent bl. 126. aanw. 42: Veeteelt bl. 133. aanw. 43: Sel. Prov. bl.90,186. aanw. 46: Sel. Prov. bl. 135, 142. aanw. 47: Vecteelt bl. 126. |
| bl. 5. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 64, 199. aanw. 6: Sel. Prov. bl. 199. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 61. aanw. 14: Gent bl. 125. aanw. 21: Sel. Prov. bl. 133. |
| bl. 6. aanw. 16: Sel. Prov. bl. 59. aanw. 30: Sel. Prov. bl. 60, 189. |
| bl. 7. aanw. 27: Sel. Prov. bl. 157. |
| bl. 8. aanw. 4: Veeteelt bl. 124. |
| bl. 10. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 74. aanw. 11: Sel. Prov. bl. 224. Veeteelt bl. 129. |
| bl. 12. aanw. 21: Gent bl. 128. |
| bl. 13. aanw. 1: Sel. Prov. bl. 52. aanw. 17: Sel. Prov. bl. 193. aanw. 22: Veeteelt bl. 108. |
| bl. 14. aanw. 3: Haarebomée Esopus bl. 245. aanw. 4: Sel. Prov. bl. 93. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 1, 102. Landbouwer bl. 82. aanw. 15: Sel. Prov. bl. 177. Gent bl. 128. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 177. |
| bl. 16. aanw. 26: v. Dam bl. 137. aanw. 42: Sel. Prov. bl. 147. aanw. 50: Sel. Prov. bl. 169. |
| bl. 17. aanw. 7: Landbouwer bl. 86. aanw. 8: Sel. Prov. bl. 90. Landbouwer bl. 86. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 188. aanw. 12: Landbouwer bl. 86, 87. aanw. 13: Veeteelt bl. 126. aanw. 14: Sel. Prov. bl. 47. aanw. 16: Sel. Prov. bl. 186. aanw. 25: Veeteelt bl. 131. aanw. 28: Landbouwer bl. 84. aanw. 31: Landbouwer bl. 85. aanw. 33: Landbouwer bl. 86. |
| bl. 18. aanw. 4: Sel. Prov. bl. 138. aanw. 9: Landbouwer bl. 86. aanw. 11: Sel. Prov. bl. 48. aanw. 12: Sel. Prov. bl. 1, 102. aanw. 14: Sel. Prov. bl. 165. aanw. 25: Landbouwer bl. 71. aanw. 27: Sel. Prov. bl. 51. aanw. 30: Sel. Prov. bl. 17, 185. aanw. 31: Sel. Prov. bl. 174. aanw. 44: Sel. Prov. bl. 158. aanw. 45: Sel. Prov. bl. 159. aanw. 46: Sel. Prov. bl. 151. aanw. 48: Veeteelt bl. 110. |
| bl. 20. aanw. 1: Sel. Prov. bl. 158. aanw. 3: Sel. Prov. bl. 209. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 180. aanw. 19: Sel. Prov. bl. 194. aanw. 38: Veeteelt bl. 127. aanw. 41: Sel. Prov. bl. 160. aanw. 43: Veeteelt bl. 109. |
| bl. 21. aanw. 4: Sel. Prov. bl. 200. aanw. 19: Veeteelt bl. 109. aanw. 27: Landbouwer bl. 73. aanw. 30: Sel. Prov. bl. 10, 133, 158. aanw. 45: Sel. Prov. bl. 68. |
| bl. 23. aanw. 27: Sel. Prov. bl. 114. aanw. 37: Sel. Prov. bl. 238. |
| bl. 24. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 209. v. Dam bl. 136, 137. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 98. v. Dam bl. 137. aanw. 20: Sel. Prov. bl. 151 |
| bl. 26. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 35. aanw. 27: Sel. Prov. bl. 212. aanw. 29: Sel. Prov. bl. 194. |
| bl. 27. aanw. 11: Sel. Prov. bl. 48. aanw. 24: Sel. Prov. bl. 192. |
| bl. 28. aanw. 11: Sel. Prov. bl. 65. aanw. 22: Sel. Prov. bl. 24. aanw. 39: Sel. Prov. bl. 56. |
| bl. 29. aanw. 11: Sel. Prov. bl. 18. |
| bl. 30. aanw. 18: Sel. Prov. bl. 90. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 164. |
| bl. 31. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 134. |
| bl. 32. aanw. 22: Sel. Prov. bl. 93. |
| bl. 34. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 101. aanw. 6: Sel. Prov. bl. 58. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 20. aanw. 19: Sel. Prov. bl. 80. |
| bl. 35. aanw. 2: Sel. Prov. bl. 27, 133. aanw. 3: Veeteelt bl. 129. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 23. aanw. 10: Sel. Prov. bl. 32. aanw. 18: Sel. Prov. bl. 130. aanw. 22: Sel. Prov. bl. 84, 177. aanw. 25: Veeteelt bl. 110. |
| bl. 36. aanw. 13: Sel. Prov. bl. 31. aanw. 16: Sel. Prov. bl. 143. aanw. 18: Sel. Prov. bl. 95. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 24. aanw. 33: Sel. Prov. bl. 28. |
| bl. 37. aanw. 12: Sel. Prov. bl. 115. aanw. 14: Sel. Prov. bl. 108. aanw. 18: Sel. Prov. bl. 137. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 138. |
| bl. 38. aanw. 17: Sel. Prov. bl. 14. |
| bl. 39. aanw. 1: Sel. Prov. bl. 60. aanw. 2: Sel. Prov. bl. 24. aanw. 6: Veeteelt bl. 116. aanw. 8: Sel. Prov. bl. 26. |
| bl. 40. aanw. 3: Sel. Prov. bl. 211. aanw. 29: Sel. Prov. bl. 184. |
| bl. 41. aanw. 15: Landbouwer bl. 83. Harrebomée Esopus bl. 245. aanw. 30: Sel. Prov. bl. 219. |
| bl. 42. aanw. 2: Sel. Prov. bl. 32. aanw. 19: Veeteelt bl. 121. aanw. 33: Sel. Prov. bl. 171, 177. Veeteelt bl. 127. aanw. 39: Sel. Prov. bl. 116. |
| bl. 43. aanw. 6: Sel. Prov. bl. 201. aanw. 21: Sel. Prov. bl. 214. aanw. 24: Sel. Prov. bl. 45. aanw. 26: Sel. Prov. bl. 113. aanw. 28: Sel. Prov. bl. 195. |
| bl. 44. aanw. 14: Gent bl. 126. aanw. 24: Sel. Prov. bl. 167. Gent bl. 127. |
| bl. 45. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 40. Veeteelt bl. 111. |
| bl. 46. aanw. 4: Sel. Prov. bl. 18, 121. aanw. 14: Sel. Prov. bl. 110. aanw. 15: Sel. Prov. bl. 20. |
| bl. 47. aanw. 15: Landbouwer bl. 83. aanw. 24: Haarebomée Esopus bl. 244. |
| bl. 48. aanw. 10: Sel. Prov. bl. 133. aanw. 13: Tappius bl. 234. aanw. 14: Sel. Prov. bl. 150. aanw. 17: Sel. Prov. bl. 192. |
| bl. 49. aanw. 3: Sel. Prov. bl. 51, 146. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 172. aanw. 10: Sel. Prov. bl. 51. aanw. 14: Sel. Prov. bl. 21, 106. aanw. 16: Veeteelt bl. 111. |
| bl. 50. aanw. 8: Veeteelt bl. 113. aanw. 17: Landbouwer bl. 85. aanw. 31: Sel. Prov. bl. 66. |
| bl. 52. aanw. 1: Sel. Prov. bl. 18. aanw. 21: Sel. Prov. bl. 13. aanw. 38: Sel. Prov. bl. 115. aanw. 41: Sel. Prov. bl. 176. aanw. 42: Veeteelt bl. 130. |
| bl. 53. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 5, 128, 132. aanw. 12: Sel. Prov. bl. 186. Veeteelt bl. 127. aanw. 30: Sel. Prov. bl. 79. |
| bl. 54. aanw. 10: Veeteelt bl. 132. |
| bl. 55. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 87. |
| bl. 56. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 138. aanw. 21: Veeteelt bl. 132. Veeteelt 22: Sel. Prov. bl. 47. aanw. 23: Veeteelt bl. 130. aanw. 26: Sel. Prov. bl. 144. aanw. 28: Sel. Prov. bl. 158. |
| bl. 57. aanw. 18: Sel. Prov. bl. 163. aanw. 21: Sel. Prov. bl. 157. |
| bl. 59. aanw. 1: Sel. Prov. bl. 6. aanw. 2: Sel. Prov. bl. 1. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 101. Veeteelt bl. 119. |
| bl. 60. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 127, 193. |
| bl. 61. aanw. 6: Sel. Prov. bl. 9. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 5. aanw. 14: Sel. Prov. bl. 164. aanw. 20: Sel. Prov. bl. 132. |
| bl. 63. aanw. 15: Sel. Prov. bl. 93. aanw. 26: Sel. Prov. bl. 137. |
| bl. 64. aanw. 4: Sel. Prov. bl. 127. aanw. 24: Sel. Prov. bl. 23, 35. aanw. 25: Veeteelt bl. 113, 114. |
| bl. 65. aanw. 3: Sel. Prov. bl. 6. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 28. aanw. 39: Sel. Prov. bl. 9. |
| bl. 66. aanw. 2: Sel. Prov. bl. 62. aanw. 20: Sel. Prov. bl. 25. aanw. 31: Sel. Prov. bl. 140. |
| bl. 67. aanw. 17: Landbouwer bl. 82. aanw. 18: Landbouwer bl. 82. aanw. 19: Landbouwer bl. 83. aanw. 22: Landbouwer bl. 76. |
| bl. 68. aanw. 3: Sel. Prov. bl. 138, 188. aanw. 6: Landbouwer bl. 69. aanw. 15: Veeteelt bl. 129. aanw. 24: Veeteelt bl. 130. |
| bl. 69. aanw. 24: Veeteelt bl. 107. |
| bl. 70. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 22. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 83. |
| bl. 72. aanw. 12: Veeteelt bl. 108. aanw. 16: Veeteelt bl. 122. |
| bl. 73. aanw. 6: Meijer bl. 77. aanw. 16: Harrebomée Esopus bl. 244. Veeteelt bl. 121. aanw. 26: Sel. Prov. bl. 107. |
| bl. 74. aanw. 8: Veeteelt bl. 128. aanw. 13: Veeteelt bl. 118. aanw. 17: Veeteelt bl. 128, 133. |
| bl. 75. aanw. 6: Sel. Prov. bl. 151. |
| bl. 76. aanw. 10: Sel. Prov. bl. 44, 107. aanw. 12: Sel. Prov. bl. 115. |
| bl. 77. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 89, 93. aanw. 19: Tappius bl. 132. aanw. 20: Sel. Prov. bl. 177. aanw. 26: Landbouwer bl. 72. aanw. 27: Sel. Prov. bl. 29,185. |
| bl. 78. aanw. 7: Sel. Prov. bl. 129, 133. aanw. 8: Sel. Prov. bl. 133. aanw. 11: Sel. Prov. bl. 122. aanw. 17: Sel. Prov. bl. 158. |
| bl. 79. aanw. 3: Landbouwer bl. 70, 81. aanw. 4: Landbouwer bl. 81. aanw. 8: Landbouwer bl. 82. aanw. 9: Veeteelt bl. 120. aanw. 13: Landbouwer bl.81. aanw. 16: Landbouwer bl. 82. aanw. 20: Landbouwer bl. 71. |
| bl. 80. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 135. aanw. 35: Tappius bl. 79. |
| bl. 81. aanw. 5: Sel. Prov. bl. 69, 214. aanw. 11: Veeteelt bl. 118. |
| bl. 82. aanw. 10: Sel. Prov. bl. 27. aanw. 14: Veeteelt bl. 131. aanw. 22: Sel. Prov. bl. 170. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 58. aanw. 26: Veeteelt bl. 115. |
| bl. 83. aanw. 3: Sel. Prov. bl. 103. aanw. 4: Sel. Prov. bl. 41. aanw. 9: Sel. Prov. bl. 147. Veeteelt bl.116. aanw. 23: Sel. Prov. bl. 108. aanw. 25: Veeteelt bl. 124. aanw. 26: Veeteelt bl. 123. aanw. 27: Veeteelt bl. 12 |