In een tijdsverloop van bijna vijf jaren, zien thans 10 afleveringen van mijn Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal het licht; daarmede sluit ik het eerste Deel, en met een tweede van plus minus denzelfden omvang zal het werk voltooid wezen. In het werk zelf sprak ik meermalen van de ondersteuning, die ik van vele zijden in mijnen arbeid mogt ondervinden. Ik herhaal dat hier met dankgevoel, en blijf mij bij voortduring in dezen aanbevelen, opdat daardoor onze spreekwoordenschat des te vollediger bijeengebragt worde. Het is bij mij toch sedert geruimen tijd reeds eene uitgemaakte waarheid, dat onze taal te dezen aanzien om zoo te zeggen onuitputtelijk is, en dat ik alzoo de hulp van allen, die zich tot hare verrijking in staat achten, volstrekt blijf behoeven.
Mag ik het niet verzwijgen, dat de Heeren uitgevers geene kosten ontzien hebben, om het werk eene waardige plaats in de typographie te doen innemen, het is mij leed, erbij te moeten voegen, dat, waar het hun, gelijk mij, alleen te doen is, om een' zoo gewigtigen taalschat, als wij in onze spreekwoorden bezitten, aan den ondergang en de vergetelheid te ontrukken, er niet alleen van geen geldelijk voordeel sprake kan zijn, maar er nog altijd aan groote opofferingen moet gedacht worden.
Daarom heb ik het met mijne letterkundige vrienden in ernstige overweging genomen, om, in het tweede Deel van mijn Spreekwoordenboek, alle herhalingen van reeds geplaatste spreekwoorden achterwege te laten, al werden de beide Deelen daardoor in vorm aan elkander ongelijk, en al zou het geheel in volkomenheid en bruikbaarheid, naar mijne wezentlijke overtuiging, veel verliezen. Maar tot mijn groot genoegen vermeld ik het: het tweede Deel zal op dezelfde wijze als het eerste worden gedrukt.
Maar wat ik bovenal niet mag verzwijgen, en wat ik daarom gaarne opentlijk vermeld, het zijn de zoo belangeloos gegeven nuttige wenken en opmerkingen, waardoor niet zelden groote verbeteringen in de drukproeven ontstonden. Tot aan het einde van hun leven bewezen de Heeren j. auwen jr. en a.j. van der aa mij die dienst; terwijl de Heeren Dr. n. beets, Dr. j.h. holwerda, Dr. a. de jager en Mr. h.j. swaving nog steeds daarmede blijven voortgaan.
De lijst van werken over Nederlandsche Spreekwoorden kan nog met de drie volgende verrijkt worden:
57*. a.a. van moerbeek. Sammlung einiger Holländischen Redensarten und Sprüchwörter, zijnde de Zweyter Anhang, voorkomende, bl. 239-272, in zijne Neue, vollkommene Holländische Sprachlehre. Leipzig. junius. 1791. kl. 8o. De opgaven van spreekwoorden in Fransche en andere spraakkunsten heb ik in den regel niet opgenomen, omdat die werden gegeven met het doel, om eene andere taal aan te leeren, zoodat de spreekwoorden niet altijd te vertrouwen zijn. Wat anders is het met deze ‘Holländische Sprachlehre, verfertigt von adam abrahamsz van moerbeek, Prediger bey der Taufgesinnten Gemeinde zu Dordrecht in Süd-Holland.’
161. a.e. zwitzers. xxi Spreekwoorden, voorkomende, bl. 79 en 80, in zijn' Elementarbuch der Niederländischen Sprache. Hannover. 1857.
162. p.j. harrebomée. Eenige opmerkingen over de opvoeding der jeugd, naar aanleiding van de spreekwoorden, aan het kind ontleend, voorkomende, bl. 95-105, 180-189, 214-231, in het Nieuw Nederlandsch tijdschrift voor Opvoeding en Onderwijs, ten dienste van Ouders, Onderwijzers, Schoolbesturen en allen, die in het Onderwijs en de Opvoeding der jeugd belangstellen. Nieuwe serie. Derde jaargang. Gron. scholtens. 1857. 8o.
Deze werken zijn aldus aangewezen:
| 57*. | v. Moerbeek. |
| 161. | Zwitzers. |
| 162. | Harrebomée Kind. |
Thans volgen de spreekwoorden, die voor het Aanhangsel zouden bestemd zijn, indien er nog sprake van een Aanhangsel kon zijn. Toen ik mij voornam, om dáárin alle overgeslagen spreekwoorden op te nemen, en wel op dezelfde wijze, als zulks in het Spreekwoordenboek geschiedt, kon ik niet denken, dat dit getal zoo groot zou zijn, als het thans reeds blijkt te wezen. Om nu het werk niet noodeloos uit te breiden, en vooral, om de uitgevers niet met kostbaar misdruk te bezwaren, en den inteekenaars dubbele betaling te vragen, dienen we ons met het overgeslagene op de wijze, gelijk het thans voorkomt, te vergenoegen.
Tot de hier volgende groote lijst van overgeslagen spreekwoorden leverden, behalve zij, die ik vroeger noemde, ook de Heeren f. diepenbroek en j.w. van leeuwen, van Gorinchem, en p.a. van walsem, van Utrecht, eene bijdrage, gelijk mij door de redactie van de Navorscher eenige spreekwoorden werden toegezonden, door s.v.w. opgeteekend uit de Groote Historische Oceaan, opwerpende allerleij geheugenis-waerdige Gevallen, door s. de vries (Utrecht, 1683). Van eene andere lijst, getrokken uit den Spieghel van de Maleysche Tale, door albert cornelisz ruyll, heb ik niets overgenomen; waarvan de toezender de redenen begrijpen zal.
| Aangezigt. Hij heeft eene kwade streep (of: een' leelijken veeg) door het gezigt gekregen. Hij zet een gezigt, of hij brand zal kleppen. Men zou het hem op zijn goed gezigt wel geven. [Zijn uiterlijk toont reeds, dat hij een eerlijk man is.] Van rapen krijg je een lang gezigt. Voor een bang gezigt heeft men het1). Zij heeft een gezigtje, de burgers zouden ermeê uit mommen gaan. [Zij heeft zulk een leelijk bakkesje, dat men er zich mede maskeren zou.] |
| Aanslag. Zijn aanslag is verijdeld2). |
| Aap. Men trouwt een' aap om 't goedje. |
| Aarde. Dat valt in verkeerde aarde. [Dit spreekwoord is mogelijk ontleend aan de Gelijkenis van den Zaaijer.] Een groote boom moet groote wortelen in de aarde hebben. Hij heeft (of: geniet) het vette der aarde. |
| Aars. Iemand een vervaard aars-gat aanjagen. Veeg dat kind zijn' aars. [Dit is, zegt oudemans, in zijn Woordenboek op de Ged. van g. az. bredero, bl. 238, eene ‘figuurlijke uitdrukking voor een glas tot op den bodem ledig drinken.’] |
| Abraham. Hij gaat naar Abrahams tuin, om boonen te poten. [Men zegt dit van iemand, wiens dood men te gemoet ziet.] |
| Achter. Als je van voren inkomt, zou je van achteren weêr uitloopen. [Men zegt dit van een slordig huishouden.] Hij kust van voren, maar krabt van achteren1). (Zie de Bijlage.) |
| Achterdocht. Men moet voor een dubbeltje pas-op, en voor vier duiten achterdocht hebben. [Achterdocht geldt hier voor nadenken, niet voor wantrouwen.] |
| Achterste. Wat hij in zijn hoofd heeft, dat heeft hij in zijn achterste niet. |
| Actie. Actie genoeg: het varken ziet scheel. |
| Adam. Als de regte Adam komt, gaat Eva meê. |
| Adel. Hij is van adel, want hij is van de stortkar gevallen. [Men zegt dit van hem, die zich airs geeft boven zijn' stand.] |
| Advocaat. Een advocaatje bel Is brandhout voor de hel. Het is een slecht advocaat, die zijne zaak geen drie kwartier verdedigen kan. Zijne ooren staan open, als de tasch van den advocaat. |
| Afkeer. Ik heb zulk een' af keer van die juffer, als de juffer van een' boer. |
| Afstand. Afstand doen met halm en mond. [Volgens i.a. nijhoff, in zijne Gedenkwaardigheden van Gelderland, i. bl. 98, is deze spreekwijze afkomstig van de voormalige zinnebeeldige eigendomsoverdragt van vaste goederen, daarin bestaande, dat de verkooper of hij, die de overdragt deed, den regtverkrijgende een' korenhalm, een rijsje of iets dergelijks toewierp. Men vindt de spreekwijze o.a. in een stuk van 15 December 1400, waarbij johanna, dochter van wenemar, heer van Kuik, afstand doet ten behoeve van willem, hertog van Gelre en Gulik, van het land van Kuik met de stad Grave: ‘Op twelke lant - - - - ich voir mij ende voir mijnen erfgen en nacomelingen erflich ende ten ewigen dagen alentlich vertegen heb, ende vertije dair op mit halme ende mit monde.’ Zie het aangehaalde werk, Deel iii. bl. 231.] Hebt gij van die waren afstand gedaan2)? Hij neemt een' goeden afstand3). |
| Akker. De vroege man bouwt den akker. |
| Alf. Rijdt u de alf? [Dat wil zeggen: zijt gij bezeten? Alf is het booze wezen. Zie het spreekwoord: Elf is het gekken-nommer.] |
| Ambacht. Er bestaan geene dwaze ambachten, er bestaan slechts dwaze menschen. Zij kent haar ambacht wel fraaitjes. |
| Amen. Het is altijd niet te doen, om er maar ja en amen op te zeggen. |
| Amor. Amor vincit omnia; Dat lieg je, zei pecunia. [Waar men meent, dat de liefde alles overwint, wordt zulks door het geld dikwijls gelogenstraft.] |
| Angst. Hij beeft van angst, om staatsie te houden. |
| Anker. De kat op het anker zetten1). [Dat beteekent, zegt v. lennep: ‘zijn koetjens op 't droog zetten; omdat een gekat anker dubbel zeker ligt. Ook wel: een vast besluit nemen.’] Hij ligt voor twee ankers2). |
| Antwoord. Mag ik er wat bij u insteken? vroeg een soldaat aan eene waschvrouw; ja, was het antwoord, kom morgen, dan wasch ik hondsvotten. |
| Appel. Het is een man als een gebraden appeltje. |
| Appèl. Daar mankeert er één op het appèl. |
| Appointé. Hij vaart uls appointé3). |
| April. Iemand van den April geven4). |
| Arbeid. Geen loon zonder arbeid5). |
| Arm. De juffer met den krommen arm komt erbij. [De juffer met den krommen arm is de theeketel. Men zegt dit, als de thee, door het opgieten van veel water, slap wordt, dat door een ander spreekwoord aldus wordt uitgedrukt: Het is thee, als jufvrouw de meid roept.] Hij heeft knobbels onder de armen. [Men zegt dit van den luiaard.] |
| Arme. Maak mij arm, ik maak u rijk6). |
| Armoede. Eenigheid is armoê, en armoê doet treuren. |
| Asch. Het is, alsof hij asch in den wind draagt. Het vuur smeult onder de asch. Zij is tegen de aschkar aangeloopen. [Men zegt dit te Amsterdam van eene zwangere vrijster.] |
| Avond. Het is Jan Piet van Maaslandsluis: 's Avonds altijd dronken t' huis. Hij neemt het 's avonds mede naar bed. [Men zegt dit van den kostganger, die zoo weinig vertering maakt, dat er geene winst op overschiet.] Wij eten van avond gortepap. [Men zegt dit spottenderwijze, als iemand zich om beuzelingen driftig maakt; doelende op de kleurverandering des toornigen.] |
| Avonturier. De Oost-Indische avonturiers laten hunne conscientie aan de Kaap, en nemen die op hunnen terugtogt weder met zich. |
| Baan. Buiten de baan rollen. |
| Baar. Hij is nog baar7). |
| Baard. Nu het hoofd is geschoren, laat ons aan den baard beginnen. |
| Badinage. Alle badinage ter zijde8). |
| Bagijn. Men moet het al nemen, zoo als het komt, zei de bagijn, en zij vatte den pater bij zijn' neus. |
| Bahr. Bronkhorst de edelste, Bahr de oudste, Bergh de rijkste, Wisch de stoutste. [Gelijk de vier Hollandsche edelen bredero, wassenaar, egmond en arkel aanleiding gaven tot het spreekwoord: Bredero de edelste, Wassenaar de oudste, Egmond de rijkste, Arkel de stoutste, zoo deden de vier Geldersche baanderheeren bronkhorst, bahr, bergh en wisch het spreekwoord ontstaan: Bronkhorst de edelste, Bahr de oudste, Bergh de rijkste, Wisch de stoutste.] |
| Bak. Als de zon schijnt en 't regent, dan haalt zij voor drie dagen regen (of: dan haalt zij de waterbakken vol). |
| Bakelaar. Zij achten hem als bakelaar. [Dat is: zij verachten hem. Een bakelaar is, volgens oudemans, in zijn Woordenboek op de Ged. van g. az. bredero, op het woord, eene ‘laurierbes, wier smaak bitter en onaangenaam, en wier naam van het Lat. bacca lauri verbasterd is.’] |
| Bakker. Als een koekje bij den bakker. [Dat wil zeggen: tot een' gezetten prijs, prix fixe, zoo als dat gewoonlijk is bij bakkers-waar. Zoo zegt ook de winkelier, als men bij hem wil afdingen, in denzelfden zin: Het is net zoo goed, of je bij den bakker om een broodje komt.] Geduld, zei de bakker, en hij stak de kat in den oven. |
| Bal. Hij zet het balletje op het tuitje. [‘Zulk een Bal,’ nl. kolfbal, zegt berkhey, in zijne Nat. Hist., iii. bl. 1394, ‘sloeg men toen gemeenlyk slegts van paal tot paal, van een hoopje Zands, door de handen als eene tuit gemaakt; waar uit het spreekwoord ontstaan is van het balletje op het tuitje te zetten, dat zoo veel betekende, als een frisschen slag te waagen.’] |
| Baldus. Ik heb met Bartholus en Baldus niet veel te schaffen. |
| Balie. Hij springt als Hans in de pckbalie. |
| Balk. Daar zijn papieren balken in het huis. [Dat is: het huis is met hypotheek bezwaard.] |
| Ban. Des man, Des ban. [Dit was vroeger, te Maastricht, een regtsspreekwoord, en uit de halfheerigheid van die plaats te verklaren. Het oppergezag behoorde er voor de helft aan den bisschop van Luik, en voor de wederhelft aan de Staten Generaal, vertegenwoordigende den hertog van Braband. De schrijver van den Tegenw. Staat der Vereen. Nederl., ii. bl. 354, zegt: ‘Beide de Hoofdschouten [die der Staten en van den bisschop van Luik] mogen alle Misdaadigen, zonder onderscheid van Brabantsche of Luiksche geboorte, vryelyk doen vatten, mids dat ze dezelven terstond in de magt van derzelver bevoegden Regter stellen, de Brabantschen voor de Brabantsche, en de Luikschen voor de Luiksche Regtbank. Deeze bevoegdheid wordt te Maastricht met de woorden: des man des ban uitgedrukt.’] |
| Bangmaker. Dat zijn van die bangmakers1). |
| Bank. Groote platteelen, lekkere mosselen, vroeg aan de bank: dat zijn de drinkbuiken van Holland. [Uit p. nijhoffs Voornaamste uit de |
| gesch. van Gelderland aan jonge lieden verhaald, bl. 257, blijkt, dat dit spreekwoord, in Gelderland, ten tijde van karel van egmond, gebruikelijk was.] |
| Barrevoeter. Het is Barrevoeter-kost1). |
| Barring. Wat ligt daar eene barring. [Door barring verstaat men te scheep de plaats, waar de rondhouten geborgen worden, welke rondhouten in voorraad worden medegenomen, om de bestaande des noodig te vervangen. Deze bergplaats is niet ruim, en daarom spreekt men vergelijkender wijze van eene barring, wanneer de noodige zaken ergens naauw zijn ingepakt, en daardoor al spoedig door elkander liggen, te meer, daar ook de verzameling der genoemde rondhouten mede eene barring wordt genoemd.] |
| Battem. Dat is eene Battemsche. [Men bezigt deze spreekwijze te Lochem voor een spottend gezegde; maar welke reden men dáár heeft, om de bewoners van het naburige Overijsselsche dorp Bathmen, ook wel Bathem of Battem genoemd, steeds uijen te laten debiteren, is mij niet gebleken.] |
| Bed. Die een' weduwenaar vrijt, Vindt het houtje hangen, en het beddeken gespreid. [Het houtje is de haalboom, de houten boom, waaraan de haal hangt.] Eene boel in het bed, een kindje met rood haar2). Het is een held: een klein kind jaagt hem naar bed3). Met de kippen naar bed, en met de kippen weder op. [Men zegt dit van den wind, die, als hij in den vooravond gaat liggen, den volgenden morgen vroeg weder begint op te steken.] |
| Bedeeling. Jufvrouw! ga je meê naar de bedeeling? |
| Bedelaar. Men vindt er noch edelman noch bedelman. [Men blijft dáár in 't middelmatige, en valt niet in uitersten.] |
| Bedelzak. Lekkerbekken maken bedelzakken. |
| Beeld. Deugd is het ware beeld der vriendschap. Kleine beelden kleine, groote beelden groote misslagen. |
| Beenen. Als je vloekt, dan krijg je dikke beenen. Hij lacht zich van de beenen. Hij weet zijne beenen goed naar zich te halen. |
| Beest. Boer! hou je bij je beest. [Men wil hier hetzelfde zeggen als met het spreekwoord: Schoenmaker! houd u bij uwe leest.] Motten zijn beestjes. [Men zegt dit, wanneer iemand een' hoogen toon aanneemt, en daarbij van het woord motten voor moeten gebruik maakt.] Wat is het goed, dat een klein beestje ook wat smeer inheeft! |
| Beet. Om dat beetje wil ik geen hondsvot wezen. |
| Begeerlijkheid. Kwaad begeer Schaadt haar' heer. |
| Bejag. Hij is op zijn bejag uit4). |
| Beitel. Kom voor den beitel1). |
| Bek. Hij is spits gebekt2). [Men zegt dit van den man, die spitsvindige redenen voortbrengt.] |
| Beker. Hij houdt veel van den beker3). |
| Bekwaam. Hij is nergens goed (of: bekwaam) toe4). |
| Belust. Dan moet men wel belust zijn5). |
| Bemind. Een vierteltje boter, dunnetjes gespaaid op een blaauw papiertje: mijn dochters beminde komt. [Men zegt dit, wanneer er veel omslag wordt gemaakt, die niet te beduiden heeft.] |
| Benoorden. Hij gaat benoorden om6). [Dat wil zeggen: hij is altijd even langzaam; men kan niets uit zijne handen krijgen. In oorlogstijd zeilde men veiligheidshalve niet door het Kanaal, maar benoorden om, dat is: om Groot Brittanje en Ierland heen. Deze verlengde reis deed de spreekwijze ontstaan.] |
| Beraad. Nood weet van geen beraad7). |
| Berg. Zijne haren rijzen te berg8). - Hooi in den berg is zoo goed als geld in de kast. |
| Beroerte. Hij heeft eene jenever-beroerte gekregen. |
| Besje. Dat besje is geldig9). Het is een regt hullebesje. |
| Bestek. Hij zet het bestek naar de afgevaren breedte10). |
| Betje de Veren. Hij gaat naar Betje de Veren, in de Witte-lakenstraat. |
| Beurs. Procureurs Snijden de beurs. |
| Bewijs. Te veel bewijs is geen bewijs. |
| Bezem. Stront schrobt den bezem. |
| Bezwaar. Onervaren Teelt bezwaren. |
| Bier. Een jenever- of bierdrinker heeft ook maar een jenever- of bierverstand. Het is een vaatje zuur bier. [Men zegt dit van eene oude vrijster.] Hij heeft ook bier aan boord. Tusschen bier en schuim. |
| Bij. Eene bij in den Mei Is zoo goed als een ei. |
| Bijgeloovigheid. Bidden en mesten is geene bijgeloovigheid. |
| Bijl. Hij kreeg de bijl op den kop11). Iemand de bijl voor den kop geven12). |
| Bijt. Hij valt in de conversatie, als een os in eene bijt. |
| Bil. Vier kinderen, acht billetjes. [Dat wil zeggen: het is juist berekend. Men brengt dit vooral te pas, wanneer uit een spel juist zooveel slagen gemaakt worden, als erin liggen.] Zoo de kinderen het deden, zou men ze op de billen geven. [Men zegt dit, al schertsende, wanneer groote menschen kattekwaad uitvoeren.] |
| Bisse. Het is eene bisse van een wijf. [Men zegt dit van eene vrouw, die vlug ter hand, maar scherp van tong is.] |
| Bisserij. Hij heeft de bisserij op 't lijf. [Zie over het werkwoord bissen, waarvan de naamwoorden bisse en bisserij ontstaan zijn, het spreekwoord: Als de eene koe bist, zoo bissen ze allen (of: dan steken de anderen den staart reeds op, ook wel: Als de eene koe den staart opheft, zoo beginnen ze allen te bissen).] |
| Bitter. Daar loopt bitter onder. |
| Blaas. Hij heeft de blaas zoo gekronkeld, dat hij geene boonen kan p...... |
| Blad. Als het elzenblad zoo groot is, dat de boer er het oog mede bedekken kan, mag hij een middagslaapje nemen. Al vallen de bladeren af, evenwel houdt men den boom in eere. |
| Blank. Zij klaart hare dingetjes al zoo wel als eene pop van twee blanken. |
| Blij. Hij is zoo blijde, of hij een doosje gevonden had1). |
| Blik. Rotterdammers en blikken pannen: gaauw heet, gaauw koud. Verroest in een blik, dan kunt gij rammelen. |
| Blind. Blindemannetje spelen2). Die blind is, eet veel muggen. |
| Bloed. Eigen goed Raakt meest 't bloed. Het jonge bloed zit er nog in. Hij heeft kwaad bloed in zijn lijf. |
| Bloem. Als Kersmis komt met blommen, Dan zal Paschen met sneeuw kommen. Er is honig in de bloem. [Er is kooplust; de prijzen der waren zijn willig.] Hij heeft een bloemeken op het oog. [Hij lonkt een meisje toe, of hij heeft een meisje op het oog, dat is: hij heeft zin in haar.] Hij schikt haar op met marïen-bloemen. [Men zegt dit o.a., wanneer een jongeling een meisje vleit en flikflooit.] |
| Blok. Het is een jongen als een blok. |
| Boedel. Dat is een oude-pruikenboêl. Het is een poffertjes-boêl. [Men zegt dit van een vuil huishouden.] |
| Boeg. Het is een mensch met een' breeden boeg3). Wij krijgen al het geld op éénen boeg4). |
| Boek. Die boeken zijn niet meer te bekomen5). Fijn in de boeken En grof in de hoeken. Rijk boek, arme kas. Stel dat in het vergeetboek6). |
| Boekweit. Dat was hem de boekweit-fooi. [Dat wil zeggen: hij heeft dien maaltijd om niet. Wanneer te Breda en omstreken de boekweit gedorscht is, wordt er een maaltijd gegeven, onder den naam van boekweit-fooi bekend. Zie hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen, op het woord fooi.] Vrouwen-raad en boekweiten zaad lukt zelden; maar als het lukt, lukt het dubbel. |
| Boer. Als heeren boeren, en boeren heeren, is 't schade voor de hand. [Heeren worden gezegd te boeren, wanneer zij zelven de bouwerij besturen, en van boeren heet het, dat zij heeren, wanneer zij het werk maar aanzien.] Als het altijd zoo dauwde, verlangde de boer nooit naar regen. [Men zegt dit, in de provincie Groningen, misschien ook elders, bij het vallen van een' zwaren regen.] Als het bij den boer regent, dan druipt het op den burger. Een boer is een boer; als je hem omkeert, is 't nog een boer. Een boer weet niet, hoe een burger aan den kost komt. Hij gaat den boer op. [Dat is: hij gaat schooijen.] Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. Zij hielden hem voor den boer1). [Men zegt dit van den man, die ten speelbal van het overige gezelschap verstrekt.] Zij houden hem voor 't zotje, dat de boeren 't merken. |
| Bogt. Een ander aan de bogt springen2). |
| Bok. Hij rijdt den bok. [Men zegt dit, als iemand zich in den vinger snijdt.] Loop naar Sigorretje, en schop den bok, dan verdient gij vier duiten daags. |
| Bokking. Dat is geene bokkinggraat waard. |
| Bokse. Hij is in de bokse gestorven. [Dat wil zeggen: hij is bij den verkoop van eenig goed aan den inzet blijven hangen. Bokse, hoewel in sommige streken onzes vaderlands nog in zwang, is een verouderd woord voor broek. Men zegt dan mede: Hij krijgt het voor zijne broek (ook wel: voor zijn gat), ofschoon dit van algemeener beteekenis is.] |
| Bom. Als eene bom ergens invallen3). |
| Boodschap. Dat is de boodschap niet4). Iemand om eene boodschap sturen5). |
| Boog. Hij heeft geen' boog. |
| Boom. Aan een' boom, zoo vol geladen, Mist men vijf, zes pruimen niet. [Dit spreekwoord is genomen uit de Kindergedichtjes van van alphen, en beteekent, dat men in den overvloed op geene kleinigheid ziet.] Al krabt gij ook de boomen uit den grond, het helpt u toch niet. Alle boomen wassen niet regt op. Al zou ik ook het mos van de boomen eten. Den boom, die te hoog wil wassen, moet men stompen. Die den boom plant, geniet billijk de vruchten. Die een' boom plant als een' staak, krijgt een' boom; maar die een' boom plant als een' boom, krijgt een' staak. Een goede boom draagt al weêr op nieuw, schoon men hem zijne vruchten heeft ontnomen. Een knoestige boom moet men ongekloofd laten. Een wilde boom draagt wrange vruchten. Geen boom is zoo goed, of daar komt wel een wormsteek in zijne vrucht. God laat geenen boom tot in den hemel wassen. Hij steekt den |
| boom in den brand. Kromme boomen geven zoowel vruchten als regte. Van een klein spruitje werd een groote boom. |
| Boon. Hij kan lijden, dat men hem een' boonenstok op den kop aanscherpt. [Men zegt dit van een' gierigaard; omdat die zich alle laagheden kan laten welgevallen.] Hij kookt zijne boontjes gaar. |
| Boord. Het boord kwijt raken1). Hij houdt het aan een ander boord. [Hij kiest de tegenovergestelde partij.] Hij legt het roer aan boord, en zet het vast2). Wanneer het schip deinst, legt men het roer verkeerd aan boord3). |
| Bootsman. Het is bootsmans voêr, zijn eigen koopmansgoed mede te brengen4). |
| Bord. Dubbele borden, en nog geen ham. |
| Borrel. Iemand een' bitteren borrel geven. [Bitter geldt hier voor de onaangenaamheden des levens. Men bezigt deze spreekwijze, wanneer iemand duchtig wordt doorgehaald.] |
| Bot. Hij zal geene oude botten maken. [Hij zal niet tot hooge jaren komen.] Kinderen van motten Krijgen op de botten. [Dit staat in beteekenis gelijk met het spreekwoord: Kinderen, die willen, Slaat men voor de billen. Voor moeten bezigen zij motten.] Met menschen-botten kan men het best schuren. [Men moet zijne armen krachtig voor den arbeid gebruiken.] |
| Boter. De boterschotel is leêg, 't is morgen mooi weêr. Het gaat om de boter. [Men zegt dit bij het spel, wanneer elke der beide partijen eens gewonnen heeft, en het derde spel beslissen moet.] Hij is zoo sterk als oude boter. Voor geld koopt men de boter5). Zoo bakken ze de boter bruin. |
| Boterham. Een boterham en een eitje, Een slepers karreweitje. Hij zit daar als een kind, wien de kat zijne boterham uit de hand heeft gehaald6). |
| Botterdam. Te Botterdam zijn zij gedoopt. [Botterdam is het wezentlijke domicilium der botteriken, al moge ook die naam op geene aardrijkskundige kaart voorkomen.] |
| Bouw. In den vollen bouw zijn. |
| Boven. Het is al goed, wat van boven komt, zei de vrouw, en zij lag onder7). |
| Braafheid. Braafheid is overal gangbare munt. |
| Braband. Meenen ligt drie uren achter Braband. |
| Brand. Hij heeft er een brandje aan. Hij is den brand ontloopen. [Dat wil zeggen: hij is het gevaar ontvlugt. Het spreekwoord is aan de geloofsvervolging ontleend.] |
| Brander. Hij heeft er een' gloeijenden brander op. [Dat wil zeggen: hij is smoorlijk op dat meisje verliefd.] |
| Branding. Branding in lij1)! |
| Bras. Het is een wilde bras2). [Men zegt dit van een' wildzang, omdat een bras, die los is, in 't wilde hangt, en heen en weêr wappert.] Hij trekt aan den vuilen bras3). [Dat is: hij werkt altijd tot zijne eigene schade, ‘om dat,’ zegt v. lennep, ‘wie aan de vuilebras trok, het vuile water over 't lijf kreeg.’] Hij zal de brassen wel vastzetten4). |
| Breed. Hij speelt den breede (of: Hij hangt den breede uit). [Hij doet zich kennen als een genereus man. Deze spreekwijze is, volgens hoeufft, in zijne Proeve van Bredaasch Taal-eigen, op het woord, te Breda in gebruik.] |
| Bremen. Dat is de gewoonte, sprak Bremer Hans. |
| Brief. Daar zult ge de brieven met hunne zegelen zien hangen. De goden alleen hebben brieven. [Bij de magtigen der aarde, en bij niemand anders, moet men de vette posten zoeken.] Hij heeft brieven, die feilen niet. Hij heeft een' brief als de Zuiderzee. Hij is koning in zijn' brief. [Dat wil met een ander spreekwoord zeggen: Hij is de wereld te rijk af. Men denke hier aan magt- of lastbrieven.] Hij verkoopt zijne brieven. [Dat is: hij geeft zich gewonnen. Brieven zijn hier credietbrieven.] Ik houd van geene brieven. [Ik heb niets op met menschen, die zich alles aanmatigen.] Nu, hij heeft een' brief! [Men zegt dit, al gekkende, van den man, die zich op den voorgrond plaatst.] O, wat mooije brieven! |
| Brij. Als het brij regent, dan zijn mijne schotels omgekeerd. [Als er voordeelen te behalen zijn, ben ik er niet bij. Het is een klagende uitroep van den man, die altijd meent, dat hij te kort komt, en anderen alleen het geluk aanlacht.] |
| Broeder. Dat is voor de geleerden, zei broêr Kornelis. |
| Broek. Dat is zoo sterk als eene hertslederen broek met eene stalen klep. Dikke hammen in de broek hebben. Hij heeft de sabbatsbroek (of: het sabbatsvest) aan. [Men zegt dit te Groenlo en omstreken van iemand, die niet gaarne betaalt.] Hij heeft goede voering in zijne broek. [Hij is ruim van geld voorzien.] Hij is zoo joolig als eene broek met luizen. |
| Brok. Men dient zoowel om een' goeden brok Als om een' goeden rok. [Wanneer de dienstboden zich verhuren, denken zij zoowel om de wijze van voeding als om het huurloon.] |
| Brood. Als de hond droomt, is het van brood. Dat is sop en geweekt brood. [Men bezigt deze spreekwijze, wanneer er van twee dingen sprake |
| is, die geheel aan elkander gelijk zijn, en alleen in naam verschillen. In denzelfden zin zegt men: Eene kranke vrouw en een ziek wijf.] Dat slaat af als brood. De rijke man is in 't brood. [Men zegt dit van beschimmeld brood.] Die koek is klik voor roggebrood blijven stil staan. Het huis vol brood en geene kinderen, dan is het moeijelijk, om er de schimmel af te houden1). Het is den honden leed, dat de katten brood eten. Tranenbrood eten. Vlijt geeft brood2). |
| Brouwer. Zij brouwen niet bij éénen brouwer3). |
| Brouwerij. Het is wat te zeggen in de brouwerij van de kikvorschen. |
| Brug. Hij heeft een' rug, Die zoo rond is als de Uilenburger brug. [Men zegt dit van een' gebogcheld' mensch. Uilenburg is eene bijbuurt van het tot den Bommelerwaard behoorende dorp Hedel. Daar is een veer over de Maas; maar geene brug. Misschien is dus de Uilenburger brug te Amsterdam bij de gracht of straat van dien naam te vinden.] |
| Bruid. Dat is het kroontje, daar de bruid om danst. [Als, in ouden tijd, de bruid in orde gekleed was, ging zij naar de bruiloftskamer, en wachtte daar hare vriendinnen en geburinnen af. Deze, na haar begroet te hebben, deden met de bruid een' rondedans, tot de bruidegom kwam, die haar een min of meer eenvoudig of kostbaar kroontje op het hoofd zette, om er zich mede ten trouw te begeven. Zie berkhey, Nat. Hist. iii. bl. 1125.] De bruids lakens opnemen. [Dit spreekwoord, behoorende tot de gebruiken, die plaats hadden, wanneer men min of meer feestelijk de gehuwden, na den eersten huwelijksnacht, des morgens ging ontmoeten, komt voor in berkheys Nat. Hist. iii. bl. 1144.] |
| Bruiloft. Hij houdt bruiloft zonder speelman. [Hij is niet wettig verbonden.] |
| Bui. Hij heeft noordsche buijen4). Hij ziet onweêrsbuijen, als de hemel helder is. [Men zegt dit van een' zwaar tillend' man.] |
| Buidel. Dan doet de buidel zooveel als het geld. [Wanneer men nl. alleen is overgebleven, dat is, gelijk een ander spreekwoord zegt: Die langst leeft, Alles heeft.] |
| Buik. Een kind, dat groeit, heeft den wolf in den buik5). |
| Buis. Hoekers en buizen Zijn zeemans-huizen. [Dit spreekwoord prijst de hoekers en buizen als goede zeeschepen, gelijk de koffen en smakken als ongemakkelijke schepen worden gelaakt in het spreekwoord: Koffen en smakken Zijn waterbakken, en de boeijer, als geheel ongeschikt, om tot zeeschip te dienen, wordt afgekeurd in het spreekwoord: Een boeijer Is een zeeknoeijer.] |
| Buit. Of buit, of slagen1). |
| Buurman. Buren, sta bij! mijne vrouw krijgt tandjes. Hij heeft er zijn' buurman niet bij noodig. [Hij kan zich zelven goed redden, en alleen zijne zaken wel afdoen.] |
| Cadzand. Hare tanden staan als de huizen van Cadzand. [Het zeer verspreid gelegen Land van Cadzand, in Zeeland, bestaat uit verschillende dorpen. Deze omstandigheid wordt op de scheeve tanden der in het spreekwoord bedoelde vrouw toegepast, die men alzoo wil begekken.] |
| Casquet. Hij krijgt op zijn casquet. |
| Cent. Als alles zoo afsloeg als het bijslapen, kwam de rogge nog op een' cent het schepel. |
| Chapiter. Hij brengt het altijd weêr op 't oude chapiter. |
| Chinees. Een' Chinees bij zijn slinger-perdoen trekken2). [Dat is, zegt v. lennep: ‘by zijn staart, die even als een slingerpardoen hem van het hoofd hangt;’ terwijl hij ‘de pardoen’ beschrijft als een ‘lang touw, dat van den masttop loopt naar het want, waarop het bevestigd is.’] |
| Chits. Daar heb je den geheelen chitsewinkel. |
| Colère. Hij heeft eene katte-colère3). [Colère beteekent toorn. Het spreekwoord zegt dus: hij is zoo boos als eene kat. Men past het toe op den man, die spoedig gramstorig wordt.] |
| Compliment. Complimenten koopt men gratis. Vele complimenten in een' kleinen zak. |
| Courant. Hij heeft er de courant van. [Hij weet de nieuwtjes 't eerst.] |
| Daad. Geen ware daad In schijn bestaat. Goede daden zijn zeer zelden weggeworpen. |
| Dag. Dat is gebeurd in de dagen van Olim, toen Quondam regeerde (of: een kleine jongen was)4). Dat lijkt wat meer dan: kom alle dag. Dat mag geen' dag zien. De lucht zit nog vol dagen. [Men zegt dit te Groenlo in dezelfde beteekenis, waarvoor men elders zegt: Morgen komt er weêr een dag.] Een goed feest duurt niet maar éénen dag. Het is een schoppendag. [Men zegt dit, als de arbeidslieden, uithoofde van aanhoudenden regen, niet kunnen werken.] Het springt hem dagelijks voor het hoofd5). Het zal er dagen! Hij is (of: loopt) op zijne nadagen. Hij laat er den dag over gaan. Hij verdient alle guldens zes weken, en daags vrij licht. Je bent ook net een vent als de pastoor van Katsloch: die kwam, om de menschen te beregten, toen ze al acht dagen dood waren. Ik heb het wel honderdmaal op meidag hooren regenen, zei de jongen. Met de eerste hondsdagen wordt hij dol. Negen dagen jagen, Negen weken dragen, Negen dagen blind: Heeft kat en hond een kind6). Pus, pooi, Dag |
| en zondag even mooi. Wat van daag goed hooi is, is morgen goed voêr. Zoo menige zoutkorrel men laat vallen, zoo menige zure dag. |
| Dame. Ruikende dames, stinkende geuren. |
| Dank. Dat is je dank: eerst breng je ze groot, En heb je ze groot, dan trappen ze je dood. [Men zegt dit, wanneer de kinderen den verkeerden weg opgaan.] Is dat voor mijn' dank1)? |
| Deeg. Hij is kwaad deegs2). |
| Deel. De Heidenen zijn in het erfdeel. |
| Dek. Dat schip houdt altijd droog dek: er loopt geene zee overheen3). De stortzeeën maken glad dek4). |
| Deken. Iemand de deken aftrekken. [Dit geeft zooveel te kennen als: Iemand den mantel uitvegen.] |
| Deugd. Deugd is het hoogste goed. Jeugd Heeft geen deugd. |
| Deur. De honger jaagt hem de deur wel uit. Ieder maakt het schoon voor zijne eigene deur. Neem cen' stoel, en ga de deur uit. [Een boertend gezegde, hem toegevoegd, die, als hij iemand een bezoek brengt, niet wil gaan zitten.] Zet de deur los (of: open), dat ze eruit kan. [De leugen nl., die men hoort vertellen.] Zij moet toch de klink aan de deur laten. [Men zegt dit van eene dienstbode, die zich te veel regt aanmatigt, vooral tegenover de mindere standen.] |
| Deuvik. Hij likt gaarne aan den deuvik. |
| Dichter. Het is een dichter in de koelte5). |
| Dief. Die meer neemt dan een' neus vol, is een dief. Het is een knappe dief, die een' dief besteelt. |
| Dienaar. Hij is een oogendienaar. |
| Diender. Pak maar aan, zei Piet de diender, en hij dorst zelf niet. |
| Dienst. Daar zijn meer goede diensten dan kerken. |
| Diepte. Wat moet ik nu roepen, zei de schoolmeester, in het water liggende: hulp! of help! en meteen zonk hij in de diepte weg. |
| Dier. Het is een goed dier voor zijn eigen gat. [Hij leeft alleen voor zich zelven, vooral wat eten en drinken betreft.] |
| Digt. Hij is niet digt6). [Hij kan niet zwijgen.] |
| Dijer. Alle vrijers Zijn geen dijers. |
| Dijk. Ik ben zoo rijk Als Jan op den dijk. Men moet midden op den dijk blijven. [Men moet zich voor alle uitersten wachten.] |
| Dik. Kort en dik is ongeschikt7). |
| Ding. Dat zijn gebeurlijke dingen. Er is een leelijk ding in den weg. Hij beoogt groote dingen8). Vat geen ding aan, dat gij niet kunt omvamen. |
| Discant. Hij zingt den discant. |
| Dixmuiden. Dat zijn menschen, die te Dixmuiden geboren zijn. [Het aan de Yser gelegene West-Vlaamsche stadje Dixmuiden had hier eertijds dezelfs muyde of mond, daar er een zeeboezem tot aan het stadje liep. Andere steden met den uitgang muiden liggen aan de mondingen van wateren, zoo als Muiden zelf, Genemuiden, IJsselmuiden, enz., en hebben om genoemde reden dien uitgang. Mond is in het Engelsch mouth, en daarom wordt Portsmouth wel Portsmuijen door de Hollandsche schippers genoemd. Dixmuiden, voor dik van mond, komt in dit spreekwoord enkel als woordspeling voor.] |
| Dobbel. Ik heb een' kwaden dobbel1). |
| Dochter. Je dochters loopen in den Haag met zwavelstokken2). |
| Doek. Zonder valschheid van doeken. |
| Doel. De hemelsche vergelding treedt met langzamen, maar zekeren tred tot haar doel, en vergoedt het uitstel door de zwaarte der straf. |
| Dókter. Als men dertig jaar geworden is, dient men zijn eigen dokter te kunnen zijn. Hij klikt met de doctoren. [Dat is: hij steekt den gek, met hetgeen noodzakelijk is en goed. Klikken of klieken is morsen.] |
| Dolle. Vol Maakt dol3). |
| Domheid. Rijkdom is het paspoort der domheid. |
| Dood. De dood is doof voor hun geroep4). Om den dood niet! |
| Dooi. Dooi, zonder regen of wind, Is niet waard, dat hij begint. |
| Dorp. Hij heeft het zoo druk, alsof hij op zeven dorpen te gelijk moet preken. |
| Draad. Dat kunt gij slepen met een lang touw en een' zijden draad. Een lange draad En een luije naad. Het is dwars tegen den draad in. Het maakloon is nog niet betaald, de rijgdraden zitten er nog in. Hij houdt zich aan de herfstdraden vast. |
| Draai. Hij heeft er den draai van5). |
| Drek. Hij zal nog in den hennedrek verzuipen. |
| Drie. Wat drie weten, dat ervaren honderd6). - Dat is, om van de drie zes achteruit te komen. Drie geldt u zoo lief als één: gij hebt daar goed mallen meê7). |
| Driehoek. Ga uwen wereldschen driehoek. |
| Drijver. Te dien tijde sterft de os of de drijver. |
| Dril. Hij heeft er den dril van. [Dat is: hij wil er niets van weten; hij heeft er een' tegenzin in.] |
| Droes. De droes zou 't niet verzinnen, wat hij bedenken kan. Loop bij den droes op Marken. |
| Drommel. Als men van den drommel spreekt, dan rammelen zijne ooren (of: dan ziet men zijne klaauwen). |
| Dronk. Hij heeft een' goeden (of: kwaden) dronk. |
| Dronkaard. Hij mag in de kan niet kijken, of hij is dronken. |
| Droog. Hij heeft geen nat of droog1). |
| Droogpruimer. Het is een droogpruimer. |
| Druif. De vos lust ook wel getelde druiven. [Men zegt dit, als iemand zekere verbruikbare waren telt, om zich voor het stelen ervan te vrijwaren.] |
| Druk. Er is geen prachtdruk, of er blijft wel een tusschenzetseltje staan. [Ook de beste werkman is aan niet te voorziene en ligt ontstane tegenheden in zijn werk onderhevig. Een tusschenzetseltje wordt op de boekdrukkerijen pasje of spatie genoemd.] |
| Dubbeltje. Jut en Jul: een paar om een dubbeltje. |
| Duif. Eer zal de teedere duif den verwoeden wouw vermoorden. Hij dacht eene ringelduif te schieten, en het was nog geene houtduif. Hij houdt duifjes op slag. [Men zegt dit van een' hoerenwaard.] |
| Duim. Het schiet hem van den duim. Hij drinkt op het duimpje af. Zij heeft een' breeden duim. [Men zegt dit van de vrouw, die den baas speelt. De man zit eronder, dat is: onder den breeden duim van de vrouw.] |
| Duit. Hij krijgt wat voor den duit. [Met den duit doelt men hier op den aars, en geeft erdoor te kennen, dat aan iemand zijne verdiende duiten op eene hem onaangename wijze worden toegeteld.] |
| Duivel. De duivel komt in 't spel2). De duivel zal je genant zijn. Die hem gelooft, en God afvalt, is zeker voor den duivel. Eens priesters toorn, des duivels nijd. Hoe kwam de duivel aan de ziel van den paap? die had hij op het ijs gevangen. |
| Dun. Hij is aan den dunne. [Men gebruikt deze spreekwijze, als iemand bij het spel aan de verliezende hand is.] |
| Dut. Zij heeft den dut. [Men zegt dit van een meisje, dat haar 28ste. jaar bereikt heeft, dat is: het jaar, om als oude vrijster gestempeld te worden. Het is waarschijnlijk afgeleid van de deuk of den klop op de achtentwintigen of goudguldens. Dat dut voor deuk geldt, zegt bilderdijk, in zijne Verkl. Geslachtl., op het woord duit.] |
| Edam. Het is het mooiste weêr van Edam. |
| Eén. Dat is er één van: wat geldt het honderd3)? Eén op den schoot, één in 't lijf En één aan de wieg is 's moeders tijdverdrijf. - Dat is er één op den Hollander! Hij gebruikt een' zwavelstok in vieren, en eene flesch in éénen. Voor één had hij er gaarne tien weder1). |
| Eer. Daar is geene hoer zoo kwaad, Of zij ziet gaarne, dat haar kind ter eere gaat2). Hij smijt zijne eer te grabbel. Zij heeft niets dan hare kleêren en hare eere. |
| Eeuw. Gij zijt in uwe laatste eeuw. |
| Egel. Ik gun hem den egel in de klapmuts. [Dit zal, zegt oudemans, in zijn Woordenboek op de Ged. van g. az. bredero, bl. 241, ‘denkelijk eene spottende uitdrukking zijn voor: ik wensch hem de stekels op zijn hoofd, als of er een egel in zijne muts zat; en bij uitbreiding beteekent het misschien nog iets ergers.’ De hier bedoelde klapmuts is munt noch bovenbovenbramzeil (zie het spreekwoord: Dat klinkt als eene klapmuts), maar, volgens oudemans, bl. 175, eene ‘soort van lederen muts met opstaande kleppen, zoo als men nog op het hoofd van erasmus' standbeeld te Rotterdam zien kan. Te Amsterdam [en hier leeren wij eene vierde soort kennen] waren klapmutsen eene soort van pakkers of waagdragers, die, even als de blaauw- of roodhoeden, tot zeker veem of gild behoorden.’] |
| Ei. Dat is een ei op een' kruiwagen, en zeven hengsten ervoor. Die zijne eijeren heeft opgegeten, moet er geene kuikens van verwachten. Gij krijgt een hanen-ei met een' krommen haak. Gij zult niemand vogel heeten, Of gij zult eerst van zijne eijeren eten. Kinderen en een korf vol eijeren is gebrekkige waar3). Men kan hem wijsmaken, dat de kat ganzeneijeren legt. Zij is zoo morsig, dat ze eijeren klopt in haar' pels. Zij zit rondom in de eijeren. [Men zegt dit van eene vrouw, die vele kleine kinderen heeft.] |
| Einde. Die kinders heeft en vrenden, Weet zijn leed geen ende. [Kinderen en familie-leden kunnen het iemand al vrij ongemakkelijk maken.] Hij heeft het eind in den mond. [Eind wordt hier voor adem genomen. Men zegt dit van den zwaar vermoeide.] Hij wil het middelste en de beide einden hebben. |
| Ekster. Daar heeft geen ekster in gek.... Hij meent, den ekster op het nest te hebben gevangen4). |
| Eksteroog. Zij hebben ook hunne kwalen en eksteroogen. |
| El. Zij doet het niet minder dan zeven el tot een' tip (of: tot eene trekmuts). [Eene trekmuts is eene vrouwemuts, die met banden toegetrokken wordt. Men bezigt dit spreekwoord van eene opgeschikte vrouw.] |
| Elf. Hij k... voor half elf niet, of hij weet wel, dat hij wat weêr krijgt. |
| Elfde. Daar gaat niet voor, die 't elfde kan. |
| [Men zegt dit te Groenlo en omstreken van mooipraters.] Job in het elfde, Altijd hetzelfde. |
| Emmer. Het is, alsof mij een emmer koud water over het ligchaam wordt gegoten. |
| Empt. Het is een emptengat. [Men zegt dit van eene eenigzins snibbige en stekelachtige vrouw. Eene empt, door bilderdijk in zijne Verkl. Geslachtl., op het woord, empte genoemd, is eene vliegende mier. Weiland zegt, op het woord mier: ‘in Gelderland heet zij emt.’ Zie ook swaving, in de jagers Taalk. Magazijn, i. bl. 312.] |
| Emster. Ik ben niet goed Emsters. [Dat is: ik houd, wat ik heb, en geef niets weg. Emster, ook Eemshoorn, maar meestal Eemster genaamd, is een gehucht, eene der vier bijbuurten van Dwingelo, een dorp in Drenthe. De afleiding dezer spreekwijze is mij onbekend. Oudemans teekent ze op in zijn Woordenboek op de Ged. van g. az. bredero, bl. 104.] |
| Engel. Het is, of er een engel uit zijn' mond sprak. |
| Engeland. Zooveel als eene Engelsche nothing. [Men bezigt dit van dingen, die geene waarde hebben. Nothing is niets.] |
| Enkhuizen. Hoe komt Hoorn dus, zei de man, en hij stond te Enkhuizen voor de poort. |
| Excellentie. Die gezondheid van zijne excellentie, die weet wat. [Men bezigt dit, wanneer er gelegenheid gezocht wordt, om gezondheidsconditiën te drinken.] |
| Ezel. Wat de paarden verdienen, dat krijgen de ezels. |
| Figuur. Hij slaat eene wonderlijke figuur in de wereld1). |
| Flip. Tijs is een lieve mop, zei Flip; als hij maar een zwart snoetje had. |
| Fok. Hij trekt aan den fokkehals2). [Dit beteekent, zegt v. lennep: ‘by krijgt stank voor dank; omdat de loos van de Fokkehals onder 't galjoen hangt, en men, aan de Fokkehals trekkende, wel eens iets anders dan zeewater over 't lijf krijgt.’] |
| Fonds. De fondsen zijn gedaald. |
| Fortuin. Gelukkig hij, die de fortuin meê heeft3). Hij zal nimmer zijne fortuin maken4). |
| Frankrijk. Dat is eene Fransche verschooning. [Men bezigt deze spreekwijze, wanneer men slechts voor het oog knap voor den dag komt, en gebruikt ze bepaaldelijk van een schoon boordje en half-overhemd.] |
| G. Goed en gek beginnen beide met eene G. [Dat wil zeggen: goed en gek zijn zeer wel voor vergelijking vatbaar; van het eene gaat men ligtelijk tot het andere over. Zoo is 't ook met gek en goud, maar in anderen zin, in het spreekwoord: Gek en goud beginnen beide met eene G.] |
| Gaar. Altijd pruttelen en nooit gaar. [Men zegt dit van menschen, die nooit tevreden zijn. Pruttelen is opborrelen, en wordt hier dus voor aanhoudend knorren genomen.] |
| Galg. De galg ziet hem de oogen uit. |
| Gang. Hij gaat zijn' gang1). [Hij laat zich door niemand gezeggen, maar doet altijd zijn' eigen' zin. Men zegt in gelijke omstandigheden: Hij volgt altijd zijn eigen hoofd.] |
| Gans. Het zijn gansjes, daar men zich voor wachten moet. [Men zegt dit van verleidelijke meisjes.] Vergeefs gezworen, dat de ganzen barrevoets gaan. |
| Garnaal. Garnaal is in geen tel: die koopt men bij de vleet2). [Wanneer men iemand, vooral een kind, wil aanduiden, wiens oordeel geene opmerking waardig is, dan bezigt men dit spreekwoord. In gelijken zin zegt men: Schar (of: Sprot) is in geen tel: die verkoopt men bij het bosje.] |
| Garp. Het is eene koe van alle garpen. [Dat wil zeggen: het is ‘eene koe, die overal vrij mag weiden.’ Zie oudemans, Woordenboek op de Ged. van g. az. bredero, bl. 119.] |
| Gast. Breng dien fijnen man daar, waar onze juffer te gast is. [Dat wil zeggen: bemoei u niet met hem; maar laat het hem bij zijne soort zoeken.] De neuzen zijn de gasten in de keuken. Het is een kroppige gast3). [Men zegt dit van een' hardnekkig' en eigenzinnig' mensch.] Regen breekt geen masten, Maar maakt slappe gasten4). Wanneer de gasten eten, Wordt de praat vergeten. |
| Gaten. De vorst heeft een gat. [Dat wil zeggen: het gaat er beter uitzien. Als het begint te dooijen, is de vorst hare kracht kwijt.] Hij blaast in het groote gat. [Men zegt dit van een' grootspreker, snoever, pogcher of blazer. Het spreekwoord is waarschijnlijk afgeleid van de opgezetheid der wangen, door het blazen ontstaan. Maar spreekt men van iemand, die in het hoogste gat wil blazen, dan is dit waarschijnlijk ontleend aan den hoogen toon, dien men uit een blaasinstrument haalt.] Voor dat gat had ik mij niet behoed. |
| Gatten. Als zijn gat los zat, vergat hij het ook. [Men zegt dit te Groenlo en omstreken van een' vergeetachtig' mensch.] Dat weet mijn gat wel. Die het eerst ruikt, die 't uit het gat kruipt. Die zelden uitgaat, die wascht het gat, of die brandt het. [Die zich zelden van huis begeeft, treft het meesttijds ongelukkig met het weêr: òf regen, òf sterken zonneschijn.] Elk moet zijn eigen gat schoeijen; een ander doet het niet. Ga op den rug liggen, dan regent het u niet in 't gat. Geluk op |
| 't pad, Val niet op 't gat. [Te Groenlo en omstreken een gezegde bij het afscheid nemen.] Hij heeft zijn gat omgesmeten. Hij zit met zijn gat op een' hekel1). Iemand een gatje geven. [Iemand ondersteunen; hem in zijne oogmerken behulpzaam zijn.] In den pispot gewasschen, en in het hennegat gedroogd. Knollen kan je in 't gat niet houden. Vlak in mijn gat, zei koperen Ka. Zij heeft de krevel in het gat. |
| Gebouw. Jonge ratten ondermijnen het gansche gebouw. |
| Gebruik. Het is een zot, die van de gelegenheid geen gebruik maakt. |
| Geest. Het is een booze (of: kwade) geest. [Men zegt dit van eene groote rekening, die te betalen staat.] Hij heeft eenen waarzeggenden geest. |
| Geheim. Hoe fijn men iets belegt, 't geheim lekt nogtans uit2) |
| Gek. Negen en negentig saletjonkers, honderd gekken. |
| Gelag. Het gelag wil een woord hebben. [Men bezigt dit, als men iets zegt, om de conversatie aan den gang te brengen.] |
| Geld. Ergens geld uit knoopen. Het geld is de zenuw van den krijg3). Dit vroeger geschrapte spreekwoord, is mij later gebleken, ook tot onze spreekwoorden te behooren. Het geld is schaarsch4). Het geld moet onder de menschen. Hij drinkt niet, naardat hij geld heeft. Hij houdt van smullen; maar het moet hem geen geld kosten5). Nette (of: Zindelijke) huizen verdienen geen geld. |
| Gelderland. Hooge paarden, Blanke zwaarden, Rasch van de hand: Dat zijn de snaphanen van Gelderland. [Uit p. nijhoffs Voornaamste uit de geschiedenis van Gelderland aan jonge lieden verhaald, op bl. 257, blijkt, dat dit spreekwoord ten tijde van karel van egmond in Gelderland gebruikelijk was.] |
| Geleerdheid. Hij loopt met zijne geleerdheid te koop. |
| Geliefde. Geliefdens strijd Spruit meest uit nijd. |
| Gelijk. Bij zijn' meerdere is ontzag, bij zijn' gelijke vermaak. Elk schept behagen in zijn' gelijke6). |
| Geloof. Dat is van het oude geloof. [Oude geloof, zegt oudemans, in zijn Woordenboek op de Ged. van g. az. bredero, bl. 275, is eene ‘spottende benaming voor Delftsch bier van de echte soort.’ Geloof zal hier dus wel in den zin van crediet te nemen zijn.] |
| Geluk. Geluk daarmeê7)! Wie het geluk meê heeft, dien gaat alles voor den wind8) |
| Gemoed. Een trouw gemoed Gaat boven goed. |
| Gemul. Hij heeft er al vrij wat gemul mede. [Men zegt dit, wanneer eene zaak veel moeite kost. Mullen, van mul = aarde, is eigentlijk wroeten, en zegt hier zooveel als tobben.] |
| Geneesmiddel. Groote kwalen vorderen groote geneesmiddelen. |
| Getij. Hij laat het tij verloopen1). Hij weet wel tij te kavelen2). |
| Gevaar. Als de zeilen kielen, loopt men gevaar, een' uil te vangen3). |
| Gever. Pronkers zijn geene melkgevers. [Men zegt dit van koeijen, die groote uijers hebben.] |
| Geweten. Men kan wel met een linieschip over staag door zijn geweten zeilen. |
| Gewigt. Iemand met Keulsch gewigt betalen. [Hem wakker afrossen.] |
| Gezelschap. Gezelschap is een wagen op den weg. |
| Gezigt. Hij heeft er geen gezigt op. |
| Gezit. Elk brengt zijn eigen gezit mede. |
| Gezwaai. Hij heeft al vrij wat gezwaai op zijn lijf. [In denzelfden zin zegt men: Hij heeft nog al wat wind op zijn lijf.] |
| Giek. Wacht u voor de giek4). |
| Gierbrug. Hij is zeker nooit aan de gierbrug te Nijmegen geweest. [Dat wil zeggen: hij weet van geene afwijkingen, maar gaat regt door zee. Het spreekwoord bevat eene woordspeling met gieren, dat is: in slingerende beweging zijn.] |
| Gift. Eene kleine gift doen, om eene groote te verkrijgen5). |
| Gijp. Pas op de gijp6). |
| Gijs. Het is een kind van Gijs: Vroeg groot en laat wijs7). |
| Gild. Die iemands hart wil stelen, Die moet de gilde spelen. |
| Glad. Daar het glad is, moet men glijden. |
| Glas. Een glas klare jenever: dat houdt de mot uit de maag. Koop je geen glas? |
| God. De zon gaat tot God8). Hier niet, daar niet; uit niets heeft God de wereld geschapen. Hij bidt hem, als God om den regen. |
| Goed. Beter eens andermans goed dan geen. Zet geene jonge merriën op uw' stal; want dat is een welig goed. |
| Goede. Die wat goeds voorneemt, moet het niet uitstellen. Je moet op een blaauw steentje wateren, dan wordt je weêr goed. [Men zegt dit tegen een kribbig kind.] |
| Goud. Hij moet eraan, al was zijn hals van goud. Hij spreekt als goud. Men kan hem over goud laten gaan. |
| Grap. Het is maar pour le grap. |
| Graven. Iemand in den graven stooten, als hij op 't kantje staat. [Deze spreekwijze geldt te Groenlo en omstreken, als men, in plaats van iemand te helpen, zijne ellende nog vermeerdert. Graven (meerv. gravens) bezigt men in Gelderland voor sloot.] |
| 's Gravenhage. De Twenthsche Haag: meer japonnen dan hemden. [Men zegt dit, in het noorden van Gelderland, van het Overijsselsche stadje Goor.] Een jongen uit den Haag: Houd hem bij den kraag. Het is weêr, of het uit den Haag komt. Zij doen de Haagsche wasch alle weken. [Men zegt dit van schamele lieden, die hunne hemden vrijdags wasschen, om ze zondags schoon aan te doen.] |
| Greep. Het is, of gij mij aan den greep steekt. |
| Grol. Dat is zoo vast als Grol. [Grol was vroeger eene zeer sterke vesting; daarom gebruikt men deze spreekwijze in de graafschap Zutphen, om iets krachtig te bevestigen. Uithoofde eener plaatselijke eigenheid is graafschap hier vr., ofschoon anders onz. Zoo ook bijv. de Haarlemer meer, alhoewel meer onz. is; enz.] Grol! met permissie! [Dit is eene oude Zutphensche spreekwijze, die gebruikt werd, wanneer men over vuile zaken sprak. Grol had nooit den roep van groote zindelijkheid.] |
| Grond. Dat is een grondschot1). Hij is van den kouden grond. [Dat wil zeggen: die man heeft weinig te beduiden. Fijne vruchten teelt men in broeikasten, en niet op den kouden grond.] Iemands grond peilen2). Men kan met zijn hoofd wel een' paal in den grond heijen. Noch grond, noch staal3). |
| Grondman. Hij gaat naar Kolkman of Grondman. [Men zegt dit, bij wijze van woordspeling, van een huisdier, waarvan men zich wil ontdoen. Het dier gaat naar kolkman, dat is: het zal verdronken worden, of het gaat naar grondman, dat is: het zal doodgeslagen en begraven worden.] |
| Groote. Zoo gij 't kleine niet acht, U 't groote niet wacht. |
| Grutte. Hij verkoopt grutten. [Grutten, als werkwoord, is gort pellen, maar wordt hier voor morren genomen, als woordspeling met het geluid, dat de grutten maken, wanneer zij gekooktworden.] |
| Gul. Hij is gul, als hij op het kakhuis zit. [Men zegt dit van een' schriel' mensch.] |
| Gulden, Aangeklopt, niet opengedaan: één gulden zestien. |
| Gunst. Kunst Voor gunst. |
| Haag. Het is al Hagemans volk. [Zoo wordt het onbeschaafdste deel der menschheid benoemd.] Hoe komt het volk bij malkaar? Huig is er bij Haag. |
| Haai. Dat is geene haaijevin waard. Hij is naar de haaijen4). |
| Haak. Hij bijt naar den vischhaak. Men kan alles niet in den haak maken1). |
| Haan. Commandeer de kippen, als de haan niet t' huis is. De haan zit op den tuin, de Rijn komt. [Men zegt dit in eenige streken aan den Nieuwen IJssel, als een haan op eene hegge of schutting staat te kraaijen. De haan wordt dan verondersteld, den in die streken dikwijls voorkomenden hoogen waterstand te ontwijken.] Een haan zou het overp...... Er is een haan van 't rek gevallen. [Men gebruikt dit spreekwoord in Drenthe, wanneer een voornaam ambtenaar is overleden.] Morgen ander weêr, of dezelfde haan. [Dit is een boertend gezegde te Groenlo en omstreken, wanneer men den haan hoort kraaijen. Wordt het weder niet anders, de haan blijft stellig dezelfde.] |
| Haar. Daar is geen goed haar van te spinnen. De nestharen moeten eraf. Haar met haar, en veêr met veêr. [Men vangt het wild met den hond, en vogels met valken.] Haar om haar. Hij is niet wel in zijn haar. [Men zegt dit te Kortrijk in denzelfden zin als: Hij is niet wel (of: Hij is kwalijk) gemutst. Zie snellaert, in het Belgisch Museum, 1844, bl. 177.] Ik vreet hem op met huid en haar. Ik wensch je geen haar minder in de pruik. Sluik haar, sluike zinnen. |
| Haarlem. Hij is van Haarlemer maat. |
| Haas. Een haas, die in het leger wacht, Is van een' jager 't minst geacht. [Men past dit spreekwoord toe op meisjes, die al te voorkomend zijn.] |
| Hak. Den hak op iemand werpen. Hij krijgt een' hak aan. [Hij lijdt verlies.] Iemand een' hak aanzetten. [Men zegt dit voor: iemand schade berokkenen. Hak geldt in deze en de beide voorgaande spreekwijzen voor houw.] |
| Hakker. Het is een houthakker. [Dat wil zeggen: hij weet ze goed te raken. Men gebruikt deze spreekwijze van iemand, die in 't kegelen uitmunt.] |
| Hallo. Hallo is opgehangen. [Men zegt dit te Groenlo en omstreken in antwoord, als iemand het tusschenwerpsel van aansporing bezigt. Of er ergens een hallo bestaan hebbe, die werkelijk opgehangen is, weet ik niet; ik gis echter, dat men alleen aan eene woordspeling te denken heeft.] |
| Hals. Daar is geene koe meê om hals. Dat is hals- en keel-werk. Hang het om uw' hals. Het is hals en keel. [Het is alles en alles.] |
| Halster. Hij heeft den halster op den rug gekregen. |
| Hand. Als hij op zijne hand k..., wordt het eene wafel. [Men zegt dit van iemand, wien alles meêloopt.] Dat was de regte valk, om van mijne |
| hand te vliegen. Dat zijn lieden, die men niet dan met den hoed in de hand moet aanspreken. De handen jeuken hem. Den hoed in de hand nemen. Die water maakt tot land, Werkt voor de tweede hand1). Eene vrouwehand en een paardentand mogen nimmer stilstaan. Een goed voerman laat zich de teugels niet uit de handen nemen2). Het is alleen de vlugge hand, Die 't hooi en 't koren brengt van 't land3). Het is in vaste handen. [Men zegt dit van zaken, vooral van effecten, welke in bezit zijn van hen, die ze voor blijvende geldbelegging gebruiken, en niet behooren aan hen, die door koopen en verkoopen winst zoeken te behalen.] Hij is er zoo handig mede als eene oude zeug met het haspelen. Hij is met ledige handen t'huis gekomen (of: vertrokken). Hij is mij uit de hand geglipt. [Men zegt dit van iemand, op wien men bouwde, maar die zijn woord niet gestand deed.] Hij regeert met eene ijzeren hand. Iemand de handen zalven. Iemand de hand vullen. Ik zou er mijne hand niet om willen verdraaijen. Koude handen, warme (of: bestendige) liefde. Men moet de hand aan den ploeg slaan. Wanneer men de handen niet vrij heeft, kan men niets uitvoeren. Zich verontschuldigen met zijne eene hand. [‘Dat is,’ zegt i.a. nijhoff, in zijne Gedenkwaardigheden van Gelderland, i. bl. 227: ‘met eenen eed, en wel zonder dat de kracht van dien eed nog daarenboven door de eedelijke verklaring van anderen behoeft versterkt te worden, gelijk - - - in sommige gevallen vereischt werd.’ Zoo leest men in de oorkonde van hertog reinald van gelre, van 25 April 1328, waarbij aan de ingezetenen van Nieuwbroek op de Veluwe vrijheid en regten werden gegeven: ‘voirt soe en mach sij nyemant bynnen onsen landen, bynnen onsen steden ofte buyten steden, besetten oft becommeren, om schult oft om ennigerhande bijticht, sij en moegens hem ontschaldigen mit oire eynre hant, ende dair me quyt gaen, ten waere dat men se mit gericht oft mit schepenen betuygen muchte, oft mitoire selffs apene brieffuen.’ Zie het aangehaalde werk, i. bl. 237.] |
| Handel. Wanneer men zijn woord gegeven heeft, is de handel klaar. |
| Handspaak. Hij kan beter met de handspaak dan met den snaphaan te regt4). [Die matroos kan beter zijn scheepswerk verrigten dan vechten.] |
| Hannekemaaijer. Hij eet als een hannekemaaijer. |
| Hans. Door den tijd, zei Hans, komen de mouwen in het wammes. Groote Hansen hebben groote voorvechters. Hij speelt hem een' trek, die Hans heet. |
| Hans jurgen. Het is een regte Hans Jurgen. |
| Happa. Hij is happa. [Hij is dood.] |
| Happig. Hij is vrij happig (of: Hij is er happig bij). |
| Harmen. Mis pastoor! het kind zal Harmen heeten1). [Men bezigt dit spreekwoord al gekkende, als iemand iets verkeerd doet, of als hij zijn oogmerk niet bereikt, vooral bij het kaartspel. Het geldt in Drenthe. Het is mij onbekend, of het de Zuiderzee is overgestoken.] |
| Harnas. Ik zal er mij geen harnas over aantrekken2). |
| Hart. De stront ligt hem digt aan zijn hart (of: zit hem digt bij het hart). [Men zegt dit zoowel van een' trotschaard als van een ligt geraakt manneken.] Een gierig hart Bemint zijn smart. Het hart kibbelt met mijne oogen. Het ligt hem als een koek voor het hart. Hij is mij in het hart gegroeid, als de tak in den stam. Veel hart voor iemand hebben. Zich van iemands hart meester maken. Zijn hart aan stuk vreezen. Zij spartelt in mijn hartje. |
| Haver. Vetten paarden steken de haverkorrels3). |
| Haverij. Daar is haverij4). Daar zal haverij vallen5). [v. Lennep zegt: ‘Daar is avary, daar is schade geleden; doch daar-en-tegen: daar zal avary vallen, daar zal voordeel vallen, 't welk niet te verwonderen is, naardien schippers by zulke gelegenheden doorgaands hun rekening wel zoo weten op te maken, dat zy er niet by te kort komen.’] |
| Heden. Wat heden niet gebeurt, kan morgen nog geschieden. |
| Heeltje. Het heeltje is nog ongeklost. [De zaak is nog niet afgeloopen.] |
| Heer. Hij zou ons wel willen vertellen, dat onze Lieve Heer Jakob heette. - Den grooten heer uithangen (of: spelen). Eén heer, geen heer; twee heeren, één heer. [‘De zin van dit Spreekwoord,’ zegt de schrijver van den Tegenw. Staat der Vereen. Nederl., ii. bl. 348, ‘komt duidelyk hier op uit, dat geene van de beide Heeren [tusschen welke de oppermagtover Maastricht vroeger verdeeld was, zie het spreekwoord: Des man, Des ban,] de Oppermagt over Maastricht bezit; maar dat zy, met malkanderen, ééne onverdeelde Oppermagt uitmaaken.’] Het is eene jufvrouw, gelijk hij een heer is. Het loon, dat pokken en heeren geven, Is kreupel, lam of uit den lande verdreven. Hij hangt den jongen heer uit. Ik bedank je, heeren! Voor je soppige peren. [Men past dit spreekwoord toe, wanneer er diensten worden bewezen, die meer na- dan voordeel aanbrengen.] |
| Heerlijkheid. Zij hebben elkander de heerlijkheden toegemeten. [Men bezigt dit spreekwoord al spottende, wanneer beide partijen, in het zeggen van harde waarheden, malkander niets toegeven.] |
| Heet. Hij wordt er heet noch koud van. |
| Heilige. Alle menschen kunnen geene heiligen zijn. Hij gaat in de kerk, daar men de heiligen met hoepels bindt. [Alles komt hier in overdragtigen zin voor: de kerk is de kroeg, en de met hoepels gebonden heiligen zijn de jenevervaten. Derwaarts begeeft zich de likkebroêr. Mogelijk is dit spreekwoord oorspronkelijk van de 12 wijnvaten, die de namen der 12 apostelen dragen, en gevonden worden in een' der kelders van het raadhuis te Bremen.] |
| Heiligheid. Slordigheid is geene heiligheid, zei Lijsje Kladdebels. |
| Hein. Daar speelt Heintjemaat onder. Dat is voor Heintjemaat. |
| Hek. Dat is te dwaas, om op een hek te zetten. De laatste koe Doet het hek toe. [Men zegt dit als verwijt, wanneer de laatst binnenkomende de deur achter zich vergeet te sluiten.] |
| Hel. Dat is zoo goed, of men een' smous in de hel gooit. Die verrekt in den meelzak, komt gepoeijerd in de hel. Parijs is de hel der paarden. [De ongelijke, hobbelige grond op de kaden en Boulevards te Parijs maakt het rijden zoo bezwaarlijk, dat daardoor het spreekwoord ontstond, dat men bij gelijksoortige moeijelijkheden in toepassing brengt.] |
| Hemd. Die het eerst verneemt, zit het onder 't hemd. Hij danst in zijn hemd. Hij haalt het hemd, daar zijne moeder in gedoopt is. Sok, sok, Het hemd is langer dan de rok. |
| Hemel. Wat de hemel te zamen voegt, dat zal de mensch niet scheiden. - Dat is eene slechte hemelvaart. [Men zegt dit, als iemand roekeloos den dood heeft gezocht.] Hij is uit den hemel komen vallen. [Dat is: zoo onverwacht als eene vallende ster of eenige andere luchtverheveling.] Hij meent, dat de hemel zoo gemakkelijk te verkrijgen is1). Hort, hort, en nog een hort, dan kom je in den hemel. |
| Hen. Als de hennen schuilen, duurt de regen niet lang. Het is eene regte broedhen. Hij gaat met de hennen te kooi. [Dat is: hij zoekt al vroeg zijn bed op. In gelijken zin zegt men mede: Hij gaat met de kippen op stok, en spreekt men van met de hoendertjes naar het rek te gaan.] Hij houdt zich stil, zoo lang de hen een koren pikt. |
| Hengelaar. Hij slacht den hengelaar: hij leeft op hoop. |
| Hengst. Iemand met een' Spaanschen hengst berijden. [Dat wil zeggen: iemand rottingslagen geven. Een' rotting heet men een' Spaanschen hengst naar het Spaansche riet, waaruit men de karwats voor den paardrijder maakt.] Ze staan tegen elkander op als hengsten. |
| Hersens. Arme kasten maken verdraaide hersens. Hij heeft hersens. |
| Heup. Zijne heup is over koot. |
| Hit. Het is eene hitjes reis. |
| Hoed. Den ijzeren hoed ophebben. [In staat van faillissement zijn.] Hij brengt veel hoofden onder één' hoed. Hij draagt musschen onder den hoed1). Hij heeft een' hoed aan voor de koude voeten. [Men zegt dit van iemand, die zich opschikt, van wien men 't niet gewoon is, en wien het niet goed staat.] Hij heeft een' nieuwen hoed verdiend. [Men zegt dit vrij algemeen in Gelderland en Overijssel, misschien ook elders, wanneer iemand een ander eene vrouw heeft bezorgd. Het komt dus in zin overeen met de spreekwoorden: Hij heeft eene fulpen broek verdiend en Hij heeft er de gele kousen aan verdiend. Bij herhaling komt de huwelijks-makelaar alzoo mooi in de kleêren.] Hij is onder een' hoed te vangen. |
| Hoek. Iemand in den hoek zetten. [Iemand zijne minderheid doen gevoelen.] Iemand uit den hoek doen. [In het oostelijk gedeelte van Gelderland wil dit onder de landlieden zeggen: met iemand allen buurschappelijken omgang afbreken. Om dan weder in den hoek te geraken, wordt een teeken van berouw, en vooral eene kleine traktatie vereischt.] |
| Hoen. Hij gooit een' knuppel onder de hoenders. |
| Hoer. Als de keizer eene vrouw was, had hij voor hoer gezeten. [Een antwoord op het ongegrond vooronderstellende als.] Het is eene hoer als een konijn. Het is eene ponshoer. [Men zegt dit van een meisje, dat met hare gunsten zeer vrijgevig is, uitgezonderd de uiterste gunst.] |
| Hoest. Hij doet veel, om dien hoest te vermijden. |
| Hof. Hij blaast van 't hof. [Dit spreekwoord is gangbaar in de omstreken van Borculo, en wil zeggen: hij pocht; het is een grootspreker. Het hier bedoelde hof is het kasteel te Borculo, waar, in vroegeren tijd, bij de aankomst van voorname vreemdelingen, op den horen plagt geblazen te worden.] |
| Hol. Een slepers paard op hol. |
| Hollander. Ruimte voor een' Hollander! |
| Holsblok. Het is een regte holsblok. |
| Hom. Hij heeft van het hommetje gesnoept. [Hij is duchtig beet genomen.] Hom: Geef ik niet om; Kuit: Gooi ik eruit. |
| Hond. Daar fluit de hond wat in. Dat heeft hij uit de hondenziekte gehouden. Die zaken zijn |
| er op een' hond. [Men vindt er niet meer van; het is te zoek geraakt.] Die zich voor hond verhuurt, moet knoken eten. Doe menschen goed, dan doe je honden goed. Eenen kwaden hond moet men kort houden. Half hond, half rekel. Het is een slim hondje1). Het is net een jonge hond, die niet ligt los laat, als men hem aanhaalt. Hij draait met zijn hoofd als een hond, die op de viool hoort spelen. Hij heeft het zoo druk als een hond, die zeven schotels te likken heeft. Hij leert de menschen leven, al waren 't honden. Hij loopt haar na als een hondje. Hij moet opzitten en pootjes geven als een hondje. Hij schudt het af als een waterhond. Men ziet hem daar zoo gaarne als den hond in den pot. Voort hond! je hebt vlooijen. Zie daar een' mooijen stok voor de honden. |
| Honderd. Gij zijt ook wel al in uw laatste honderd. Honderd en een zakje vol. |
| Honger. Het wordt groen en geel voor zijne oogen van den honger. Honger heeft geene ooren2). |
| Hongersnood. Hongersnood maakt smalle pensen. [Boertender wijze gevormd uit de spreuk: Honny soit qui mal y pense.] |
| Hoofd. Daar draait hem een rad in 't hoofd. [Dat wil zeggen: hij is niet wel bij zijne zinnen. Men zegt even zoo: Hij heeft een molentje in het hoofd.] De man is wel het hoofd, doch de vrouw het nekje. De oogen vliegen hem door het hoofd. Die dat zou gelooven, heeft wel een kalf in zijn hoofd. Het onweder trekt boven zijn hoofd te zamen. Hij draagt het hoofd in den nek. Hij heeft het hoofd gebogen. Hij schudt er zijn hoofd over. Hij toont een hoofd. Hoe rammelt hem het hoofd! Iemand over het hoofd springen. Zet het maar zeven voeten van je, dan springt het niet voor je hoofd. Zijn hoofd duizelt ervan3). Zoo'n hoofd zou ik ook hebben. |
| Hoogmoed. Ze stinken van hoogmoed. |
| Hoogte. Ik heb van die zaak geene hoogte4). |
| Hooi. De tijd zal hooi maken5). Er is hooi voor de vork. Het hangt erom als nat hooi om de schuit. Het hooi t'huis, de mest uit, en de vrouw met kind: dan is 't werk af. Hij blijft om huis en hooi. Hij heeft nat hooi in zijne schoenen. [Men zegt dit van iemand, die veel kooplust heeft.] Hij loopt uit het huis in het hooi. Klei, gestrooid op veenig zand, Geeft goede wei - en hooi in 't land6). Roskam en strooi Doen meer dan hooi7). Sint Margriet p... in 't hooi. Voor een voêr hooi en een' dronken mensch moet men uit den weg gaan8). |
| Hoop. De hoop liegt. Hij leeft in hoop en vrees9). Mijne hoop is vervallen10). |
| Hoopen. Als je wedden wilt, wed dan om een' hoop stront, dat je het mes zult aflikken. |
| Hoovaardig. Twee hoovaardigen moeten niet te zamen op één paard rijden; want zij willen beide vooraan zitten. |
| Hop. Dat gaat als een hop. - Het is zoo droog als hop. Hij is zoo ligt als hop. |
| Horen. Hij is hoornwoest. Hij zweert bij Sint Huiberts hoorn. Ik laat mij door geen worsthoorntje voeren. |
| Hospes. Hij meet den hospes na. [De dronkaard spuwt.] |
| Hout. Dat is iets voor 't houthakken. Hij heeft een houten huis. Hij is zoo droog als hout. Pas maar op, anders krijgt gij een kind met een' houten kop. Van eens andermans hout is het goed planken zagen. Ze sneden met houten messen, en bloedden als meelzakken. |
| Huid. Hij heeft eene krokodillenhuid. [Hij is niet ligt te kwetsen: men kan hem ongestraft beleedigen en grove smaadredenen toevoegen.] |
| Huis. Aan alle heilige huisjes aanleggen. [Geene kroeg overslaan.] De zon beschijnt altijd het huis van Oranje. [Men gebruikt dit spreekwoord in 's Gravenhage, wanneer er eenig koninklijk feest gevierd zal worden, hetzij van verjaardagen van vorstelijke personen, hetzij van optogten, enz. Wanneer men zich dan eenige dagen vooraf reeds bekommert over het ongunstige weêr, dan troost men elkander met het spreekwoord: De zon beschijnt altijd het huis van Oranje, dat is: God is het huis van Oranje goedgunstig, en zal dus ook wel helderen zonneschijn geven.] Doe, of je t'huis waart. Eene vrouw is eene gezellige huisplaag. Het is een huisjes-melker. Het wordt hem met schoppen vol in huis gebragt. Hij heeft invallen als een oud huis. Hij is in een wijnhuis groot gebragt. [Men zegt dit, als iemand de gewoonte heeft, om, de kamer in- of uitgaande, de deur achter zich open te laten. Bij dergelijke gelegenheden zegt men mede: Hij is vast in de kerk geboren en Het is een dominé's kind; daarom laat hij de deuren open.] Hij loopt in 't oliekoeken-huis. Niet te huis krijgen. Niet te vuis en niet te kuisch: Dan is 't goed in huis. Was hij maar t' huis gebleven! Wat gij in huis hebt, moet ik op straat zoeken. |
| Hul. Zij woont in hare hul. |
| Hurk. Hij zakt op zijne hurken. [Hij heeft geen' moed meer.] |
| Ja. Zijn ja is ja, en zijn neen blijft neen. |
| Jaar. Dan is 't nog erger dan het jaar 40. Een Jood is van zijn twaalfde jaar af koopman. In het jaar nul voor den muzen-oorlog. Over een jaar spreken wij elkander. |
| Jaffa. Hij komt van Jaffa1). [Dat wil zeg- |
| gen, zoo leest men bij v. lennep: ‘hy is, niemand weet waar, - hy ligt in onmacht.’] |