terug  begin  verderprepost
[p. 1]

Nederlandsche spreekwoorden.

[A]

A.

Die A zegt, moet ook B zeggen.1

Hij kent geene A voor eene B (of: Hij kent noch A noch B).2

Hij kent nog niet eens de groote A.

Hij kent (of: verhaalt) het van A tot Z.

Weêr beginnen van kruisje A.3

Aafje.

Aafje dacht te winnen; maar zij verloor 't.4

Aagt.

Aagt (of: Mat) kent Trui wel.5

Nieuwsgierig Aagtje van Enkhuizen.6

Nu zal ik een' doodslag begaan, zei Aagt, en zij stak een' paling onder de korte ribben.7

Aal.

Aal is geen paling.8

Aan een' goed' visscher ontglipt wel een aal.9 (Zie de Bijlage.)

Als de zalm gevangen is, zoo zuigt hem de aal uit.10

Daar is een aal te kragen.11

Dat is eene pruik met Alphonsus, zei de boer, en hij had twee aalsvellen aan zijn haar hangen.12

Dat is een schoone steur, zei Aart, en hij haalde een' puitaal op.13

De aal kruipt gaarne dáár in, waar het gat het naauwst is.

Dek toe den pot: daar is aal (of: paling) in.14

Die geen' aal wil, krijgt ook geen' kabeljaauw.15

Die netten zijn van eng beslag, Daar geen aal door de maas mag.16

Een' schelvisch (aal, of: spiering) uitwerpen, om een' kabeljaauw te vangen.17 (Zie de Bijlage.)

Het is een koopman van aalsvellen.18

Hij domineert als een aal in de tobbe.19

Hij heeft eenen gladden aal (of: paling) bij den staart.20 (Zie de Bijlage.)

Hij is te stikken (te houden, of: te vangen) als een aal (of: paling) bij den staart.21

Hij is zoo glad als een aal.

Hij krimpt als een aal in elkander.22

Hij ontsnapt als een aal door de vingeren.

Hij wringt zich als eene slang (of: een aal) in allerlei bogten.23

Hij zal geen' grooten aal vangen.24

Aalmoes.

Aalmoezen geven verarmt niet.25

De aalmoezen die naar de hand rieken, verliezen kracht en naam.

Eene aalmoes dwaalt niet.26

Het blijft hem aan de vingers hangen, als der goede vrouw de aalmoes.27

Hij verliest zijne aalmoes niet, Die ze aan zijn varken biedt.28

Aalst.

Lang en smal gelijk Aalst.

[Naar de ligging van dit Noord-Brabandsch dorp, toegepast op andere voorwerpen, die gelijke gesteldheid hebben.]

[p. 2]

Aaltje.

Hij zingt van mooi Aaltje.1

Man, wat ben je ruig, zei Aaltje, en hij was in geen zes en dertig jaar geschoren.2

Aaltje Vlamme.

Doe er wat in, zoo komt er wat uit, zei Aaltje Vlamme.3

Aanbeeld.

Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.

Als ik een aanbeeld ben, lijd ik als een aanbeeld; maar als ik een hamer ben, voeg ik mij tot slaan.4

Een goed aanbeeld moet voor geen' slag bezwijken (of: vreest den hamer niet).5

Hij klopt op het verkeerde aanbeeld.

Hij slacht de smidshonden, die, als de hamer meest gaat, omtrent het aanbeeld liggen, en ronken.

Ik zal nog dikwijls op dat aanbeeld slaan.

Tot een hard aanbeeld, dient een hamer van pluimen.6

Tusschen den hamer en het aanbeeld.7 (Zie de Bijlage.)

Zij slaan op hetzelfde aanbeeld.8

Aanbeveling.

Een zindelijk kleed is eene goede aanbeveling.9

Het is een brief van aanbeveling.

Aanbieding.

Aanbieding kost weinig.10

Aandrager.

Hij loopt (of: zweet) als een aandrager.11

Aangenaam.

Zeldzaam is aangenaam.12

Aangezigt.

Aan het aangezigt kent men de lieden.13

Al heeft een hoer een schoon gezigt, 't Is een lantaarne zonder licht.14

Al is de rug ook sterk van kracht, Het aangezigt heeft meerder magt.

Bij de leelijke zal haar aangezigt haren aars wel beschermen.15

Bij een slecht spel een goed gezigt zetten.16

Dat is een mooi gezigt, zei de papegaai, en hij zag een klein-kindergatje.

De beurze plooit wel, die eerst vol was; En 't aanzigt rimpelt, dat eerst bol was.17 (Zie de Bijlage.)

De blijdschap des harten maakt eene schoone verw in het aangezigt.18

De eene hand wascht de andere, en beide wasschen het aangezigt.19

De kinderen zijn al ongelijk van aangezigt.20

Der vrouwen gezigt Bedriegt zoo ligt.21

De tijd heeft twee aangezigten: een mooi en een leelijk.

Die haar aangezigt blanket, peinst op haren aars.22

Die u blijder aangezigt toont, dan hij plagt, die heeft u bedrogen, of wil u bedriegen.23

Die zijn' neus afsnijdt (of: schendt), schendt zijn aangezigt.24

Een aangezigt is een doolhof, zei de vrijer, als er iemand komt, die er zin in heeft.25

Een blij aangezigt, blijde sier.26

Een leelijk aangezigt is bewaard voor geile zinnen.27

Een schoon aangezigt veilt lompe leden.28

Een schoon aangezigt verkoopt wel een' schurftigen aars.29

Groote eters hebben roode aangezigten.30 (Zie de Bijlage.)

Haar gezigt glimt, of het met boter gesmeerd is.

Het aangezigtin de derde krap (of: plooi) zetten.31

Het aangezigt onder het orgel.32

Het aangezigt staat niet als gisteren en eergisteren.33

Het aangezigt wijst het wel uit.34

Het is kwaad, den wind in het aangezigt te hebben.35

Het kind gelijkt zijn' vader, alsof het uit zijn aangezigt gesneden was.36

Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijne vrouw een blaauw gezigt.

Hij draagt zijn hart in zijn aangezigt.37

Hij durft zijn aangezigt (of: hoofd) niet voorbrengen.38

Hij heeft een berderen (of: houten) aangezigt.39

Hij heeft eene sneê door den neus (of: het gezigt).

Hij heeft een gezigt als een aap (of: een regt apengezigt, ook wel: een gezigt als een baviaan).40

Hij heeft een gezigt als een appeltje.41

Hij heeft een gezigt van eene el lang.

Hij heeft een klein aangezigtje en een rond buikje.42

Hij heeft een volle-maans gezigt.

Hij heeft net een gezigt als eene paardenvijg, daar de kippen in gepikt hebben.

Hij heeft net een gezigt als een kippenhok, met den stront naar buiten.

Hij heeft net een gezigt als een omgekeerd koolblad.

Hij staat te kijken, of hij een' klap voor zijn gezigt krijgt.

Hij trekt een gezigt als een bok, die zure kornellen vreet.

Hij zegt het hem in het aangezigt.43

Ik spuw van zijn gezigt.

[p. 3]

Ik zie het aan uw' neus (of: aan uw aangezigt).1

Men kan hem den brandewijn (of: jenever) wel uit zijn gezigt tappen.

Men moet elk doeken naar zijn aangezigt.2

Men zou de passie uit zijn aangezigt lezen.3

Men zou haar peterselie in (of: op) het gezigt zaaijen, zoo zindelijk is zij.

Niets beter, dan het aangezigt bieden en schoon spreken.4

Schoone aangezigten hebben vlekken.

Stond dat aangezigt aan den hemel, men vond geene sterrekijkers meer.

Stond haar aangezigt aan eene keukendeur, daar kwam nooit hond in.

Streelt gij de kat: zij zal u in het aangezigt springen.5

Vele aangezigten dingen schoon.6

Wacht u voor een' man met twee aangezigten.7

Wie geen gezigt heeft, kan niet lagchen.8

Zijn neus past hier op mijn aangezigt.9

Aanhoorder.

Daar zouden geene achterklappers zijn, waren er geene aanhoorders.10

Aanhouder.

Een aanhouder wint (of: Aanhouden doet verkrijgen).11 (Zie de Bijlage.)

Aanklager.

Als de aanklager niet bewijst, spreekt men den gedaagde vrij.12

Aanklagt.

Een goed geweten vreest geene aanklagt.13

Zonder aanklagt mag men niemand veroordeelen.14

Aankomer.

Wacht op goede aankomers.15

Aanraking.

Het kruid ontbrandt niet, voor het met vuur in aanraking komt.

Aanslag.

Alle aanslagen gelukken niet even wel.16

Aanstoot.

Die aan den weg timmert, lijdt veel aanstoot (of: heeft veel beregts).17 (Zie de Bijlage.)

Die geen' aanstoot wil lijden, moet uit de woeling blijven.18

Die lange neuzen hebben, lijden veel aanstoot.19

Hij is een steen des aanstoots.20

Hij kan geen' aanstoot velen.

Hooge dingen lijden veel aanstoot.21

Schoone lieden en gescheurde schortekleederen hebben veel aanstoot.22

Aantogt.

Het schip met zure appelen is in aantogt.23

Aanval.

Zoete aanval maakt zoet antwoord.24

Aanvang.

Haastigheid is de aanvang - berouw het einde des toorns.

Luiheid is de aanvang van allen laster.25

Aanwenst.

Aanwenst (of: Gewoonte) wordt (of: is) eene tweede natuur.26 (Zie de Bijlage.)

Aanziender.

Ik ben geen aanziender der personen, zei de hondenslager; toen sloeg hij een' grooten dog, die hem gebeten had.27

Aap.

Aap! wat hebt gij mooije jongen.28

Al draagt een aap een' gouden ring, 't Blijft altijd toch een leelijk ding.29

Als apen hooge klimmen willen, Dan ziet men vaak hun naakte billen.30 (Zie de Bijlage.)

Als de aap een houten rapiertje op zijde heeft, meent hij don Diëgo van Salamanca te zijn.

[Of don diëgo van Salamanca dezelfde is als de verstandige ridder don diëgo de miranda, die in het 2e. Deel van cervantes' Don Quichot voorkomt, of wel don diëgo de montesor, die in de Avonturen van gil-blas van santillana genoemd wordt, dan dat men hebbe te denken aan de vermaardheid der hoogeschool van dien naam, durf ik niet bepalen. Het spreekwoord stelt op eene bespottelijke wijze den eigenwaan ten toon.]

Apen bij apen, en meerkatten bij meerkatten.31

Apen willen de spiegels breken, omdat zij hunne leelijkheid vertoonen.

Beter een schaap dan een aap.32

Daar is een aap te vlooijen: wilt gij den zak ophouden (of: den staart vasthouden)?33

Dat is al een bejaard man, zei stikziende Volkert, en hij zag een' aap met een' langen baard op de koord dansen.34

Dat is apen-liefde.35

Dat is een schepsel met lange beenen, zei Teeuwes de boer, en hij zag een' aap op stelten loopen.36

Dat is toevallig, zei apenkees.

De aap gooit de kastanjes in het vuur, en laat ze er de kat met de pooten weêr uithalen.37 (Zie de Bijlage.)

[p. 4]

De aap is geligt.1

De aap kijkt (of: springt) uit de mouw.2

De aap wil met een ieder gekken, En toch kan hij zijn' aars niet dekken.3

De duivel is Gods aap.4

Den aap met zijne jongen vertoonen.

Den aap scheren.5

Den aap spiegelt zijne schoonheid in het glas.

Den aap uit de mouw schudden.

Den ouden aap leert men geene kunsten.

Een aap, een paap en eene weegluis Zijn drie duivels in één huis.

Een aap, een paap en een wetsteen Komen zeer wel overeen.6

Een aap is een aap, al draagt hij eene gouden huif (of: al had hij gouden rokken aan).7 (Zie de Bijlage.)

Een aap is gaauw, maar nog gaauwer, die hem vangt.8

Een aap, uit al te groote min, Die perst zijn jong de lenden in.9

Eene vloo in de zon, Eenen aap op de ton, En eene stoute maagd, Scheid ervan, eer ge 't u beklaagt.10

Een' jongen paap, Een' ouden aap, Een' wilden beer, Ik nimmer in mijn huis begeer.11

Een schaap bij een schaap, Een aap bij een aap.12

Een zot is een zot (of: Een aap is een aap), al ware het paaschdag.13

Eer zal hem een aap uit het achterste vliegen.14

Ei zie hem eens grinniken, zei Gerrit, en hij klisteerde zijn' aap.15

Geen olijker goed dan menschen: men vangt er zelfs apen mede.16

Het is, alsof er een os (of: aap) in den bijbel las.17

Het is een malle (of: leelijke) aap.18

Het is maar aperij (of: apenspel, ook wel: apenkool).19

Het is volmaakt zijn aap (of: Hij aapt alles na, ook wel: Iemands aap wezen).20

Hij dient er als een aap in de porselein-kast.21

Hij doet gelijk de aap: die heeft den mond vol, en hij begeert nog te eten.22

Hij gelijkt beter naar een' aap, dan een dominé naar eene pijp tabak.23

Hij groeit in alle schoonheid op, gelijk de jonge apen.24

Hij heeft den aap beet (of: al t'huis).25

Hij heeft een gezigt als een aap (of: een regt apengezigt, ook wel: een gezigt als een baviaan). (Zie aangezigt.)

Hij heeft een' goeden aap uit Oost-Indië medegenomen.26

Hij houdt den aap in de mouw.27

Hij is daar (of: haspelt ermede) als een aap in een' garen- (of: lint-) winkel.28

Hij is er zoo mal mede als een aap met zijne jongen.29

Hij is zoo mooi als een aap in 't purper.30

Hij keert het hoofd gelijk een aap, die pillen inzwelgt.

Hij maakt aapjes.31

Hij rijdt op den aap.32

Hij weet er geen' aap van.

Hij zag er uit als een geschoren aap.33

Hij ziet op geen' aap, als hij uit Oost-Indië komt.34

Hoe erg de apen ook zijn, zij kunnen de vossen niet bedriegen.35

Hoe schooner aap, hoe leelijker jongen.36

Ik wensch je continuatie van gezondheid, zei Jan van der Knaap, En hij nam afscheid van zijns buurmans aap.37

Kinderen zijn apen.38

Nooit deed een aap eenen grooten sprong met zijn blok.39

Veel ruigs en weinig wol, zei de aap, en hij schoor het varken.40

Wat doet de ezel onder de apen?41

Wat maakt men al om het geld, zei de boer, en hij zag een' aap op het venster zitten.42

Wat van apen komt, wil luizen (of: Apen-jongen zoeken graag luizen).43

Wat vindt men ter wereld zeldzame kinderen, zei de boer, en hij zag een' aap in het venster zitten.44

Zelfs apen gluren wel in spiegels.

Zooveel apen als meerkatten.

Aar.

De aar in de schoof, De druif in het loof.45

De volle korenaren hangen 't laagst.46

Eéne brandaar kan de beste schoof bederven.47

Eene koornaar op de tong hebben.48

Eéne vore, ééne aar.49

Twee musschen aan ééne korenaar verdragen elkander niet.50

Vroege aren, een slechte Sint Jakob.51

Wanneer de rogge tierig te velde staat, dan is zij met Mei in de aar.52

[p. 5]

Aard.

Aard is een vast kleed.1

Bastaarden slaan altijd uit den aard.2 (Zie de Bijlage.)

Daar de schaamte schade baart, Is zij van een' zotten aard (of: is ze niet dan dwaasheid).3

De aard gaat voor alle gewoonte.4

De eerste aard Blijft bij het paard.

De vrouwen zijn van éénen aard.

De wolf ruit wel van baard, Maar niet van aard.5

Elk lief zijn' eigen' aard.

Hij heeft een aardje Naar zijn vaârtje.6

Hij heeft een' vossenaard.7

Hij is buiten den aard geslagen.

Hij moet van eenen kwaden aard zijn, die nooit vreugde zien mag.8

Ieder vogel doet naar zijnen aard.

Komkommers zijn van maagden-aard: Zij dienen niet te lang bewaard.

Lieden van gelijken aard Zijn te zamen (of: Zijn al ligtlijk) wel gepaard.9

Men speurt aan haar schortje Den aard van haar mortje.

Naardat de aard is van uw kind, Zie, dat gij ook een' stijl verzint.

Reist vrouw of maagd in bedevaart, Zij krijgt al ligt een' kwaden aard.10

Roode baard, Duivels aard.11

Van dien kent men straks zijn' aard, Die nooit zijne tong bewaart.12

Wie uit den aard heeft zotte kuren, Dien zullen ze al zijn leven duren.13

Zeg mij, met wien dat gij verkeert, Zoo heb ik uwen aard geleerd (of: Zeg mij, met wien gij leeft, ik zal u zeggen, hoe gij leeft).14

Aardappel.

Als dat zijne aardappelen zijn, begeer ik zijn vleesch niet.15

Hij giet zijne aardappelen af.

Aarde.

Aarde wil van aarde niet, 't Spek wil van den zwaarde niet (of: Onkruid uit den gaarde niet, ook wel: De kat wil uit den gaarde niet, En zij laat haar muizen niet).16 (Zie de Bijlage.)

Aardsche vreugde is vuur van stoppels.

Als de hemel valt, krijgt de aarde eene huik.17

Als men de buffels te zeer vermoeit, gaan zij op de aarde liggen.18

Begraaf uw talent niet onder de aarde.19

 

[Dit spreekwoord is genomen uit Matth. xxv: 18.]

Daar gaat niets de vrijheid van het paard te boven, dat zoowel een' prins als een' lakkei ter aarde werpt.

Daar is trouw noch geloof op de aarde.20

Daar vliegt nimmer een vogel zoo hoog, of hij moet zijnen kost op de aarde zoeken.21

Daar zijn geene heiligen in den hemel, die op aarde niet gelasterd geweest zijn.

De aarde, die het zout uitgeeft, heeft geene andere vrucht.

De aarde is gerezen of de hemel is gedaald, zei de sterrekijker, en men had hem een meiblad onder zijn' stoel gelegd.22

De geest zegt niet: wond, maar dood uwe aardsche leden.23

De mensch is op de aard gezet, Om God te eeren, naar zijn wet.

Die een kwaad wijf heeft, diens hel (of: vagevuur) begint op de aarde.24

Die langs de aarde kruipt, is geen' hoogen val onderhevig.25

Drie papen van boozen rade, Drie schouten zonder genade, Drie boeren, gierig en rijk, Zijn negen duivels van 't aardrijk.26

Een kleine put in de aarde, eene groote ruimte (of: een groot gemak) in huis.27

Een kwaad huwelijk is eene hel op aarde, zei Jochem, en hij kreeg eenige baffetoenen van zijn wijf tot een' morgen-groet.28

Een ondankbaar mensch is niet waard, dat hem de aarde draagt (of: De aarde draagt geen' snooder' last dan een' ondankbaar' mensch).29 (Zie de Bijlage.)

Geen aardsche zaken, Die lang vermaken.

Geen grooter vreugd op aard, zei Jantje van der Buis, Dan 's middags lekkre kost, en 's avonds dronken t' huis.30

Heden in hoogheid verheven, morgen onder de aarde.31

Hemel en aarde bewegen.32

Hemel en aarde is er vol van, De mensch is er dol van.

Hemel en aarde zijn immers niet op éénen dag gemaakt.

Het blaauw-geneusd oud-wijf Zoekt de aarde voor haar lijf.

Het heeft veel voeten in de aarde.33

Het is al ongewis, Wat dat op aarde is.

Het is een echt aardmannetje.

Het is zoo ver van elkander als hemel en aarde.34

Het komt niet bij: het raakt hemel noch aarde.35

Het kwaad van de aarde leidt tot den hemel.36

[p. 6]

Hij gaat boven de aarde en onder de aarde.1

Hij gelijkt de radijzen: hoe langer die onder de aarde blijven, hoe grooter zij worden.2

Hij geniet eenen hemel op aarde.

Hij heeft den eenen voet op de aarde, den anderen op het water.3

Hij houdt zich bij de aarde.4

Hij is naast den hemel, die zich minst bekommert, in wat handen de aarde is.

Hij kreeg een' klap, dat hij den hemel voor eene viool, en de aarde voor een' strijkstok aanzag.

Hij raakt naauwelijks met zijne voeten aan de aarde.5

Hij weet van hemel noch aarde.6 (Zie de Bijlage.)

Hij zal immer mijn duivel op de aarde wezen.7

Hij ziet eerder eene mug in de lucht, dan een' os op de aarde.

Hij zucht (ook wel: Hij liegt) boomen uit de aarde.8

Hoovaardij mag in hemel noch op aarde.9

Ik wilde, dat hij eene spiets diep onder de aarde stak.10

Kon hij den hemel beklauteren, hij draaide, met Jan Vos, den aardkloot om de zon.11

[jan vos, een in zijn' tijd zeer gevierde dichter, had nog al vrij wat waanwijsheid. Het is die waanwijsheid, welke in haar verheven idée hier bespottelijk ten tooneele wordt gevoerd.]

Men vindt menig zeldzaam moeders kind op aarde.12

Mij dunkt, dat ik in de aarde ga.13

Niemand is in waarde In zijn eigen aarde.14

Peterselie helpt de mannen te paard, en de vrouwen onder de aarde.15

Steek den vinger in de aarde, en riek, in wat land gij zijt.16

Tusschen twee stoelen valt de aars op de aarde.17

Van eene booze aarde zal men ook geene jongen over laten blijven.18

Vertrap nimmer iemand, als hij reeds ter aarde ligt.

Vrouwen, paauwen en paarden Zijn de trotschte (of: stoutste) dieren der aarde.19 (Zie de Bijlage.)

Wanneer een boom ter aarde zijgt, Maakt ieder, dat hij takken krijgt.20

Wat de aarde geeft, dat neemt zij weder.21

Wat iemand niet kan geworden, dat is hem 't liefst op aarde.22

Wien het aan hoop ontbreekt, is de armste man op aarde.

Wien het geluk tegen is, die breekt wel een been op slechter aarde.23

Zij wroeten als mollen in de aarde.24

De misslagen der geneesheeren worden met aarde, de gebreken der rijken worden met geld bedekt.25

Den wijngaard onder de aarde snijden.26

Gierigheid is niet verzadigd, voor zij den mond vol aarde heeft.27

Het ligchaam van den paus beslaat niet meer aarde dan dat van den kapellaan.

Hij zal aarde gebrek hebben.28 (Zie de Bijlage.)

Men kan in nood wel water drinken, maar geen aarde eten.

Met eens anders aarde zijne eigene gracht vullen.

 

Dat is kraakporselein, zei Dirk, en hij hoorde een' aarden schotel aan stukken vallen.29

Een aarden pot bij een' metalen, Kan nimmer iets dan nadeel halen.30

Het water holt een' aarden steen, En dat maar door een' drup alleen.31

Het zijn zieltjes van potaarde.32

Ik wil mijn' porseleinen kop voor zijn' aarden kop niet ruilen.

Steenen muren worden door de kogels verbrijzeld, maar aarden wallen worden daardoor versterkt.

Viel de hemel, dan bleef er geen aarden pot of pan heel.33

Zet een' aarden wal tegen een' harden kogel: hij zal erin versmoren.

Aardigheid.

Daar is somtijds wel aardigheid binnen een onaardig aauzien.34

Zulke aardigheden Passen aan geen waardigheden.

Aarle.

Is Lieshout zonder dieven, Beek zonder moordenaars en Aarle zonder hoeren, dan duurt de wereld niet lang meer.

[Lieshout, Beek en Aarle, drie Noord-Brabandsche dorpen, in elkanders nabijheid gelegen, maakten zich, in vroegeren tijd, om de in het spreekwoord genoemde ondeugden berucht.]

Aäron.

Mozes zal Aäron niet met het volk laten begaan.

[Een spreekwoord, hetwelk te kennen geeft, dat de wetgevende magt naijverig is van priester-heerschappij of invloed.]

Aars.

Aan arme lieden hoovaardij vaagt de duivel zijn' aars.35

Achterna raad is aars-gekraauw.

Al liep men hem met eene sparre in den aars, hij zou het niet voelen.36

Als die hond niet lustig tot jagen is, zoo rijdt hij op den aars.37

Als men muizenessen in het hoofd heeft, moet men een stuk spek in den aars steken.

[p. 7]

Als men voor de hen de hand sluit, dan sluit zij haren aars.1

Ben ik een varken, zei Kaatje, zoo eet spek van mijn' aars.2

Beter een bedwongen aars dan geen.3

Bij de leelijke zal haar aangezigt haren aars wel beschermen. (Zie aangezigt.)

Dat is keurige muziek, zei Govert, en hij hoorde zijn' jongen op een' aarsdarm spelen.4

Dat is verkeerd, zei de stalknecht, en hij toomde het paard aan den aars.5

Dat steekt zijn' aars uit.6

Dat zit op zijn' aars.7

De aap wil met een ieder gekken, En toch kan hij zijn' aars niet dekken. (Zie aap.)

De aars gaat hem van benaauwdheid open en toe.

De aars popelt hem.8

De dankbaarheid, die de mond schuldig is, betaalt de aars.

De ekster huppelt zoo lang, tot hij den bout in den aars heeft.9

De kar is aan zijn aars niet gebonden.10

De mond doet, waarvoor de aars slagen krijgt.11

De mond en de aars zijn gebroeders.12

De oogen moeten vol zijn voor de aars (of: de buik).13

De pijen broek vindt zelden een kussen voor haren aars, - de fluweelen vindt het overal geschud en gereed.

De schotels hangen niet aan een' vrouwenaars.14

De smaken verschillen, want de honden likken elkander den aars.15

Die geene vlooijen wil krijgen, moet zijnen aars krabben, als ze hem in de keel bijten.

[Krijgen, in de beteekenis van vangen, niet ontvangen. Het is eene aardige woordspeling, die bij dubbelzinnige voorstellingen wordt toegepast.]

Die grutten eten, dien loeren de kippen op den aars.

Die haar aangezigt blanket, peinst op haren aars. (Zie aangezigt.)

Die het aarsje niet kastijdt, hoe zal hij den aars geeselen?

Die het te kwaad heeft, mag zijn' aars kraauwen, zei Jaap Krijne, en hij zat er sommigen met den vochtel achter na.16 (Zie de Bijlage.)

Die stier heeft zijn' aars al omgeworpen.17

Die zijnen duim in zijn' aars wil breken, kwetst zich zelven.18

Drie dingen moet men doen, of zijn doen het zich zelven: zijnen staat maken, zijne dochter uithuwen, en zijnen aars wisschen.19 (Zie de Bijlage.)

Een aars zonder bedwang: dat dient niet.20 (Zie de Bijlage.)

Eene ijzeren roede tot een' stalen aars.21

Een geschonken paard moet men eerder naar den aars dan naar de tanden. kijken.

Een schoon aangezigt verkoopt wel een' schurftigen aars. (Zie aangezigt.)

Een schout en eene aarswisch zijn even dra gemaakt.22

Een warm bed en een luije aars zijn als twee gelieven: zij scheiden niet gemakkelijk.23

Ei zie, dat is wat raars, zei Jeroen, en hij peuterde der kat de veren uit den aars.24

Er gaat geen nood vóór (of: boven) den nood van den aars.25

Geven heeft een' wijden aars.26

God geeft der ganzen den kost wel; maar zij moeten dien plukken, dat zij op haar' aars vallen.27

Groote aarzen hebben wijde broeken noodig.28 (Zie de Bijlage.)

Haar bek gaat als een wagenmans zweepje (of: als een teljoors aars).29

Hadde ik hier mijn' aars maar door.30

Hemdje, raak me naarsje niet: mijn gatje is van goud.

Her op bemind vleisch, zei goedige Trijntje, en zij klopte op haar' aars.31

Het gasthuis hangt de slempers aan den aars.32

Het geluk is rond: Het valt den eenen in de hand (of: den aars), en den anderen in den mond.33 (Zie de Bijlage.)

Het is al van liefde, zei Lillekomdijne (of: Kurkumdijne); toen kuste hij het paard voor den aars, daar de bruid op zat.34

Het is geene vrouw: zij heeft aars noch borsten.35

Het is gewis een gek, die den kok in den aars blaast, om een' schotel vol vleeschnat.36

Het is ieder niet gegeven, op een varken te rijden, met de borstels in den aars.37

Het oog in het venster, en de aars op het kakhuis.38

Hierna Mei, zei de zeug, toen sloeg haar de hagel voor den aars.39

Hij haalt (of: maakt) eene roede voor zijn' eigen' aars.40 (Zie de Bijlage.)

Hij heeft den aars buiten de dekens gehouden.41 (Zie de Bijlage.)

Hij heeft den storm in den aars (of: de muts).42 (Zie de Bijlage.)

[p. 8]

Hij heeft geene broek aan den aars.1

Hij heeft wormen (of: mieren) in den aars.2

Hij heeft zijn' aars wel gekraauwd.3

Hij is al bang, als hem een wind dwars voor den aars zit.

Hij is met zijn' aars in de boter gevallen.4

Hij is niet verre van den aars, die zich aan den staart houdt.5

Hij is te lui, om zijn' eigen' aars te besch.....6 (Zie de Bijlage.)

Hij kraauwt den stoel voor zijn' aars.7

Hij laat hem in den aars zien.8

Hij loopt, alsof hij het vuur in den aars (of: in het lijf) had.9

Hij maakt van zijn' aars eene boei.10

Hij moet voort, al had hij een bord voor zijn' aars.11

Hij neemt zijn' aars in den arm, en gaat heen.12

Hij verheft zijne stem als een bok, die wormen in zijn' aars heeft, zei Govert Wijsneus, en hij hoorde den Haagschen omroeper schreeuwen.13

Hij vliegt als een geladen aars naar het kakhuis.14

Hij weet er zijn' aars wel in (of: uit) te draaijen.15

Hij weet niet, op wat aars hij zitten wil.16

Hij weet niet, waar hij zijnen weligen aars laten zal.17

Hij wil den aars leeren sch.....18

Hij zaait de straat met aarzen.19 (Zie de Bijlage.)

Hij zal zijn' eigen' aars ontdekken.

Hij zoude eene mug in haren aars zien.20

Hoe schooner vrouw, hoe vuiler aars.21

Honden-muilen, mans aarzen, en vrouwen-kniën zal men zelden warm zien.22 (Zie de Bijlage.)

Iemand bij de broek (of: den aars) ophalen.23 (Zie de Bijlage.)

Iemand den aarsdoek opsteken.24

Iemand den aars nadragen.25

Iemand een' voet onder den aars geven.26

Iemand het aars-gat ontdekken.27

Iemand in den aars kruipen.28

Iets voor den aars slaan (of: lappen).29

Ik wilde wel, dat ik het al gedaan had, zei de jongen, en hij zou het varken den aars kussen, om de blaas te hebben.30

Kleine aarzen behoeven geene groote broeken.31

Men moet de fortuin grijpen, eer ze den aars toekeert.

Men zal ten jongsten dage wel zien, wie den wijdsten aars heeft.32

Met de hand zetten, met den aars omgooijen.

Mond, aars en teerling is het bederf van alle goed.33 (Zie de Bijlage.)

Over aars, over bol.34

Over eenen naauwen aars komt niets ruims.35

Paardenvoet, wolfstand, hoerenaars en dobbelaarshand zijn niet te betrouwen.36

Steek hem een kloen in den aars, en volg den draad.37

Tusschen twee stoelen valt de aars op de aarde. (Zie aarde).

Uit eenen engen aars kwam nooit ruime stront.38

Veeg uws buurmans kind den aars (of: neus), en neem het in huis.39

Voorzigtigheid is de moeder der wijsheid, zei Joris, en hij lag, terwijl zijne vrouw sliep, een half dozijn eijeren onder haren aars, om uit te broeijen.40

Wel zeker ben je een kadet: je moêrs aars bestond uit twee kwartieren.41

Wilt gij lang en lustig leven: Aan den aars dient wind gegeven.42

Zijnen aars aan den disselboom werpen.43

Zijn hart lijdt, voor zijn aars klopt.44 (Zie de Bijlage.)

Zoo als de oude wijven, zei Maarten, als men haar met een' vinger aan den aars krabt, besch.... ze de geheele vuist tot dankbaarheid.45

Zoo lang is de hand aan den aars, tot er de veest uit is.46

Aart.

Dat is een schoone steur, zei Aart, en hij haalde een' puitaal op. (Zie aal.)

Heb je mij gebruid, ik zal je weêr bruijen, zei Aart, en hij brak eene luis de tanden uit den mond.47

Aas.

Beter een gedwongen aas dan geen.

Dat is uit den aaszak gespeeld.48

De brak doelt op den haas, De wind behoudt het aas.49

De kraaijen moeten op aas loeren.

De krokodillen kunnen wel om hun aas huilen.

De zeeman noemt ze regte dwazen, Die visschen willen zonder azen.50

Die aan den wolf een' bode zendt, krijgt een aas t'huis.51

Eendvogels krijgen aas, maar moeten duiken en zoeken.52

Geen gruwelijker aas dan van menschen.53

Het is een kat-aas.54

Het is een lokaasje.

Het is een raven-aas.55

[p. 9]

Het is te vergeefs gegluurd, als de visch in het aas niet bijten wil.

Hij stinkt als een dood aas.

Hoerenaas, Loer en dwaas.1

IJs in het water geeft aas aan de visschen.

Knipjes in den aaszak slaan.2

Spot met geene geepen: 't is voor dezen goed aas geweest.

 

Daar speelt de duivel meê, zei Saam, vier azen en niet ééne troef.3

Deux aas, heb je mijn paard niet gezien?4

Eén aas heeft niet, Twee aas geeft niet, Drie en vier aas moeten geven, Daar vijf en zes aas van moeten leven.

[De azen zijn de éénen of oogen van een' dobbelsteen. Het is eene zinspeling op de belastingen: men drukt erdoor uit, wie niet kunnen betalen, wie zijn vrijgesteld, wie moeten opbrengen, en voor wie zulks geschiedt. Het spreekwoord beteekent, dat de middelstand kleinen en grooten onder houden moet.]

Het is volkje van deux aas.5

Zij weten op een aas na, wat een ding vermag.6

Abc.

Dat lijkt wel een verguld ABC-bordje, zei de boer, en hij zag een notaris-bord met vergulde letteren uithangen.7

Er is maar ééne F (Effe) in het ABC, en die is kwaad te treffen (of: Effen Is kwaad treffen).8

Het wordt hem zoo eigen als zijn alphabet (of: Hij kent het als zijn ABC).9

Hij heeft kuiten als een ABC-boek.

Hij slacht Erasmus: die leerde zeven jaren over het ABC.

[Men heeft gemeend, dat dit spreekwoord niet op den grooten Rotterdammer toepasselijk kan wezen, en daarom naar iemand omgezien van denzelfden naam. Daar echter de naam erasmus tot de Grieksche taal behoort, heeft men weinig grond, aan iemand van denzelfden naam te denken. De ware naam van desiderius erasmus is geert gerrits of gheraert gheraerts. Naar de gewoonte van zijnen tijd, bragt hij niet alleen zijn' voornaam in 't Latijn over, maar vertaalde hij zijn' familienaam daarenboven in 't Grieksch. Het spreekwoord han zeer wel op den grooten Rotterdammer worden toegepast. Den toestand van het onderwijs te zijnen tijde in aanmerking genomen, is het geen wonder, dat erasmus, op den ouderdom van zeven jaren, de letters nog niet heeft gekend. Zoo vergelijkt men den trage van begrip met den man, die de eerste zeven jaren zijns levens doorbragt, zonder nog het ABC te kennen, en die evenwel zulk een beroemd geleerde geworden is.]

Hij verstaat het als een ezel het ABC.

Abdij.

Hij zal eene prebende krijgen in de abdij van Ga-heen.

Abigaïl.

Het is een kind van Abigeltje-nicht.

Abraham.

De kinderen Abrahams durven zich niet ligt op zwak ijs wagen.

God zal er in voorzien, sprak Abraham.10

Hij leeft als in Abrahams schoot.11

Hij speelt Abrahammetje.

Hij weet wel, waar Abraham den mutsaard haalt.12 (Zie de Bijlage.)

[De vier laatste spreekwoorden zijn uit het bijbelverhaal ontleend, en vinden hunne verklaring in de teksten: Gen. xxii: 14, Luk. xvi: 22, Gen. xii: 13 en Gen. xxii: 8. Zij drukken het geloovige vertrouwen, den onverstoorden voorspoed, het halve-waarheid spreken en de kennis van het fijne der zaak uit.]

Wat heeft het Abraham geschaad, dat hij een kind van Terah was!

Abrakadabra.

Het is abrakadabra.13

Absolutie.

Eene goede biecht, zei de boer, doet eene goede absolutie bekomen.14

Abt.

Als de abt de teerlingen geeft, dan mogen de monniken wel dobbelen.15 (Zie de Bijlage.)

Als de abt met de kaart speelt, dan troeven ook de monniken (of: wat zullen de monniken doen!).16

Den abt met zijne monniken.

Een abt en zijn konvent zijn een, maar de beurzen zijn verschillend.17

Een monnik wordt nooit gram, omdat men hem mijnheer den abt noemt.18

Geen wijzer abt, dan die eerst monnik is geweest.19

God is een Heer, en de abt is een monnik.20

Het is goed verbeiden, gelijk de abt zijne monniken doet.21

Waar de abt herbergier is, mogen de monniken wel bier halen.22

Wie mogt dat niet? vroeg de abt van Bosen.23

Zingt de abt wel, de prioor blijft hem niets schuldig.

Zoo de abt is, zoo zijn de monniken.24

Acht.

Acht is meer dan duizend.

[Acht in de beteekenis van zorg, naauw toezigt, zoo als in achtgeven.]

Hij drinkt met vermaak de klok van achten.25

Achtbaarheid.

Die voor niemand behoeft te wijken, moet ontzaggelijke achtbaarheid hebben.26

[p. 10]

Achteloosheid.

Achteloosheid Teelt boosheid.1

Achtentwintig.

Ik zal maken, dat ik het aan je verdien, zei de beul, en hem was van een' gaauwdief een achtentwintig gepresenteerd, om wat zoetjes te geeselen.2

Achter.

Die de gelegenheid van voren niet aangrijpt, heeft daaraan van achteren geen vat.3

Hij laat niemand het achterste van zijne tong zien.

Achterklap.

Die betaalt vóór den tap, Hoort geen' achterklap.4

Geen spiets maakt zulke diepe wonden, Als achterklap en booze monden.5

Men kan achterklap wederstaan met weldoen en stilzwijgen.6

Achterklapper.

Daar zouden geene achterklappers zijn, waren er geene aanhoorders. (Zie aanhoorder.)

Achterste.

Alles is maar eene weet, zei de boer, en hij haalde eene pier uit zijn achterste, en bond er zijne schoenen mede vast.

Alles met maten, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met de el voor haar achterste.

De vinger leert het achterste sch.....7

Eene oude koe likt haar achterste zoo gaarne als eene jonge.8

Eer zal hem een aap uit het achterste vliegen. (Zie aap.)

Hang zulke zegels vrij eener zog voor het achterste.9

Hij denkt, dat zijn achterste eene kardinaals-muts is.

Hij is zoo dom als het achtereind van eene koe.10

Hij is zoo scherp (of: beleefd) als het achtereind van een varken.11

Hij loopt haar na, alsof zij suiker aan haar achterste heeft.

Hij smeert zijn achterste met boter, en eet zijn brood droog.

Hij vreest voor zijn achterste.12

Houd uw hoofd en voeten warm, En vul matig uwen darm, Houd daarbij uw achterste open: Dan kan de dokter naar den drommel loopen.

Is dat trekken, zei de mof, en hij haalde eene pier van twintig duim uit zijn achterste.13

Reinig (of: Kraauw) een' boer het achterste, hij zal uwe handen bevuilen.14

Wel gepast: de toom voor het achterend.15

Zijn achterste jeukt: dat geeft vast een goed boterjaar.

Zijn krop wist wel, wat zijn achterste woog.

 

De voorsten doen, dat de achtersten niet mogen.16

De voorsten maken, dat de achtersten niet in de kerk kunnen (of: Die eerst komen, sluiten de anderen uit de kerk).17

Achting.

Die zonder achting leeft, die leeft met schande.18

Actie.

Al actie genoeg: de beuling is niet omgekeerd.19

Men moet geene actie maken Van ongeregte zaken.20

Adam.

De oude Adam kijkt uit de mouw.

De oude Adam zit er al vroeg in.

Geen schooner lied, sinds Adam in den appel beet.21

Het is wonder, wat Adams kinderen al brouwen.22

Hij slaapt als Adam in het paradijs.

Men zegt nog neef, maar het is van Adams wege.

Toen Adam spitte en Eva span, Waar vond men toen den edelman?23 (Zie de Bijlage.)

Wij zullen al Adams kinderen sterven.24

Adder.

Daar schuilt eene adder in (of: onder) het gras.25

Die een vreemd kind aan zijne borst neemt, vindt eene adder in zijnen boezem.

Het is een regt addergebroedsel.26

Hij heeftzijne pen in adderspog (of: gal) gedoopt.27

Vertreed de adder in den dop.28

Additie.

Hij houdt van additiën, en doet daar niets af.29

Adel.

Adel is een arm geregt (of: eene dunne schotelspijs).30

Adel moet bij adel, en stront bij zijn' broêr wezen.31

Beloven is adellijk, maar houden is boerlijk.32

De adel der ziel is meer waardig dan alle adel des geslachts.

De adel moet eenen boog hebben, al zou de drommel de pees spannen.33

Deugd alleen maakt waren adel.34

Hij draagt zijnen adelbrief in den zak.

Hij is van adel, want zijn gat is in twee stukken.

Hij is van ouden adel.35

Hij is zeker van adel, want hij heeft eene kloof in de kin.

Adeldom.

Die aâldom door zijn deugd verwerft, Passeert hem, die ze heeft geërfd.

Adem.

Ademhalen is 't werk.36 (Zie de Bijlage.)

Als hij er zijnen adem maar over laat gaan, dan is het al bedorven.37

Daar is zijn adem te kort voor.

Dat is een ding van een' langen adem.

De adem is er bij hem al uit.

De wijn heeft een' open mond en korten adem.

[p. 11]

Die eene kaars uitblaast met te sterken adem, doet ze maar stinken, en blaast ze weder aan.

Een vuile adem besmet het reine glas.1

Eet karnemelk met gouden torren, zei Joor, daar krijgt men geen' stinkenden adem van.2

Geen adem voor geld.

Het is eene knappe meid, maar zij heeft een' stinkenden adem.

Hij is te lui, om zijn' adem te halen.

Hij leeft langer, dan hij adem heeft.

Hij zegt het hem in eenen adem uit.3

Ik ben kortademig, hoe kom ik de ladder op, zei kromhakige Dries, en hij moest hangen.4

Wat adem heeft, geeft den adem.

Zij is te digt onder zijnen adem geweest.

Zoo lang mijne oogen open staan, en ik ademtogt in 't lijf heb.5

Ader.

De schurftige is haast adergelaten (of: heeft haast zijn bloed gestort).6 (Zie de Bijlage.)

De werkader is hem gebarsten.7

Iemand van de spanader snijden.8

Admiraal.

Dat is er een van den ouden admiraal.

De admiraal heeft geschoten.9

Was ik daar admiraal van geweest!10

Adolf.

Ik ben gansch geen deeg van daag, zei Adolf, en hij lag op sterven.11

Advocaat.

Dan leert men, hoe de advocaten en procureurs in den Haag aan den kost komen.12

De beste zaak heeft nog een' goed' advocaat noodig.

Die gaatprocederen, Wil advocaten beurzen smeren.

Een advocaat brengt vele leugens voort.

Het is een theologus (advocaat, raadsman, of: getuige) als Judas een apostel.13

Hij kan praten als een advocaat.

Hij lijkt zoo wel naar een' advocaat, als de drommel naar een' kaasboer.14

Men moet nooit iets verzwegen laten Aan dokters en aan advocaten.15

Noch advocaat, noch procureur Zien ooit hun eigen zaken deur.16

Oud advocaat, jong procureur: Dat is vooral de beste keur.17

Voor zware moeite mag men groote belooning eischen, zei de advocaat, en hij nam dubbel geld, omdat hij zekere fideïcommissaire quaestie, daar hij zijn hoofd al drie etmaal meê gebroken had, niet verstond.18

Zoo zoude men den knapsten advocaat wel van zijn stuk kunnen brengen.

Affaire.

Bemoei u met uwe affaire.19

Hij gaat smeren voor affaire.20

Affront.

Hij neemt een affront voor een compliment aan.

Afgang.

Hij is leelijk aan den afgang.

Afgod.

Hij maakt een' afgod van zijn' buik.21

Hij maakt het geld tot zijnen afgod.22

Men moet van de pop geen' afgod maken.23

Afgrond.

Die in kleine wateren vaart (of: in eene tobbe speelt), zal in geen' afgrond versmoren.

Iemand tot den helschen afgrond vervloeken.24

Afkeer.

Altijd verlangen of afkeer.25

Afkomst.

Afkomst zegt niet.26

Hij is van geene afkomst.27

Aflaat.

Daar zal hij geen' aflaat van krijgen.

De aflaat is al gegeven.28

Hij deelt den aflaat met stokken uit.29

Ik ben geen paus van zulken staat, En ik en geef ook geen' aflaat.30

Op zulke kermissen geeft men geene andere aflaten.31

Afleider.

Het is een goede afleider.

Afscheid.

Een goed afscheid bewijst een vroom bestaan.32

Ik wensch je continuatie van gezondheid, zei Jan van der Knaap, En hij nam afscheid van zijns buurmans aap. (Zie aap.)

Afslag.

Afslag is goede betaling.33

Dat vóór Kersmis vriest, doet geen' afslag.34

Er komt afslag op de vischmarkt.

Men komt altijd vroeg genoeg tot den afslag.35

Afspraak.

Afspraak is voorwaarde.36

Afstand.

De visschen bewonen de diepten der zee, de arenden zweven in de lucht, - men kan de eerste met een' haak, de laatste met een' pijl treffen; maar 's menschen hart is op geringen afstand niet te doorgronden.

Afsteker.

Hij leert er wel meer, zulk een' afsteker te maken.

Afstel.

Uitstel is geen afstel (of: kwijtschel).37

Van uitstel komt afstel.

Aftogt.

Hij moet den aftogt blazen.38

Afval.

Hij leeft van den afval.

Afzakkertje.

Hij neemt een afzakkertje, maar het loopt ver-

[p. 12]

keerd.1

Agnietje.

Ik lust zulken kost niet meer, het is mij wat harig, zei Agnietje de moffin, en zij at het haar van artisjokken op.2

Aise.

Hij is regt op zijne aise.

Ajuin.

Het is ieder niet gegeven, ajuin met drooge oogen te schillen.

Hij behoeft wel een' ajuin met een' wetsteen.3

Hij is meer dubbel dan een ajuin.4

Hij meent een schoon ajuin te zijn, en is maar bieslook.5

Ik vraag naar bieslook, en gij antwoordt mij van ajuin.6

Akademie.

Hij bekleedt het professoraat aan de akademie, waar de studenten knor! knor! schreeuwen.7

Aken.

Daar is Keulen en Aken.8

Keulen en Aken niet te gelijk (of: zijn niet op éénen dag gebouwd).9 (Zie de Bijlage.)

[Keulen is de grootste stad, die door den Rijn bespoeld wordt, - Aken, na deze, de aanzienlijkste stad in de Rijnlanden. Beide hebben hooge oudheid, en zijn in de twee laatste spreekwoorden als zoodanig, en om hare naburigheid bijeengebragt. Zulke vermaarde steden hebben veel tijd ter geheele voltooijing noodig gehad. Door het eene spreekwoord geeft men te kennen, dat het doel der onderneming bereikt is; door het andere duidt men aan, dat men niet te veel op eens moet wenschen, maar met vasten tred voortgaan, om in een voorgenomen plan te slagen.]

Men vindt menig dwaas, die nooit te Aken kwam.10

Noorden wind, Akens kind, Luiks bloed: Nooit deed zulks goed.11

[Om aan te duiden, wat niet tot onzen welstand dienen kan, worden hier drie verschillende dingen bijgebragt: de noorden wind, als schadelijk voor de ligchamelijke gesteldheid, de gezondheid, - het Akens kind, als hinderlijk voor de ontwikkeling des verstands, - en het Luiks bloed, als een beletsel voor de zedelijkheid. - Aken werd vroeger voor de stad der dwaasheid gehouden, waarvan ook het vorige spreekwoord zijn aanwezen verkreeg. Alles trok naar Aken, daar deze stad, om hare gunstige ligging, al spoedig zeer veel aantrekkelijks had. Deze gemengde menigte baarde een tooneel van dwaasheid. Nog levert de taal, aldaar gesproken, een mengelmoes van Platduitsch, Waalsch, Vlaamsch, Fransch, Hollandsch en wie weet wat al. - Luiks bloed is revolutiebloed. Maximiliaan van Beijeren liet in 1685 op het midden van den Pont des Arches, eene der bruggen over de Maas, een' versterkten toren bouwen, ten einde, in tijden van oproer, de gemeenschap van de beide deelen der stad te verhinderen. In 1790 haalde men dezen toren omver, en ook toen werden de Luikenaren, gelijk op zoo vele andere tijden, door de revolutiekoorts aangegrepen, houdende de omwentelingsgezinden oproerige redevoeringen op genoemde brug.]

Van Aken tot Paschen.12

[Op eene belagchelijke wijze worden hier eene stad en een feest bijeengebragt, om eenen tijd aan te duiden, van welken men de onmogelijkheid wil aanwijzen.]

Zoo lang, dat 't van Keulen tot Aken strekken kan.

[Men bezigt dit spreekwoord, om eene kleinigheid aan te duiden.]

Aker.

Zoo lang de aker onder water blijft, kan een kind dien bewegen, maar om er dien vol water uit te trekken, is meer dan kindsche kracht van doen.

Akker.

Brood van allen akker Maaktden kreuplewakker.13

De beste mest op den akker is des meesters oog en voet.14 (Zie de Bijlage.)

Die van zijn' akker oogsten wil, moet hem bezaaijen (of: Onbebouwde akker draagt zelden goede vrucht).15

Die wel aan zijnen akker doet, Hij doet gewis hem weder goed.16

Gij zult den akker niet bewerken met een' os en een' ezel te zamen.17

[Dit spreekwoord is genomen uit Deutern. xxii: 10.]

Gij zult uw' eigen' akker ploegen.18

Het berouw is geene plant, die op den akker groeit.

Het water liep al over zijn' akker.19

Hij is aan het eind van den akker.20

Hij laat Gods water over Gods akker loopen.21

Lof molenaars akker, bij heeren poppengoed.22

Naar dat men den akker bouwt, draagt hij vrucht.23

Wie zwijgt, tot men hem vertrouwt, Die doet beter, dan die een' akker bouwt.24

Akkerman.

De akkerlieden zijn altijd rijk in het toekomende jaar.25

Akkevietje.

Dat is een akkevietje.26

[Akkevietje is verbasterd van aqua vita, een gezondheids-drankje. Het spreekwoord drukt dus eenige onaangenaamheid uit.]

Akkoord.

Akkoord, mijnheer Van Varelen!

[In dit Haarlemsch spreekwoord wordt ge-

[p. 13]

zien op een verdrag met zijne dienstmaagd, waartoe een van varelen, volgens een regterlijk vonnis, genoodzaakt werd.]

Akkoord, Van Putten!

[Eerst dacht ik, dat hier gedoeld werd op den Dordschen hoofdman nicolaas van putten, die als een onverschrokken krijgsheld, op het einde der 13e. eeuw, tegen de Vlamingers en Brabanders streed, doch later, met zijne stadgenooten, in moeijelijkheid geraakte over een regtsgeding, daar gevoerd, en dat wolfertvan borselen, voogd van janI, hun betwistte; - tot mij later, door meer dan eenen Delvenaar, verzekerd werd, dat dit spreekwoord van een' te Delft wonenden timmerman afkomstig is, die altijd van akkoord sprak.]

Beter een mager akkoord dan eene vette sententie.1

Ons leven is een muziekstuk, daar de zwarte en witte nooten ondereen gemengd zijn, om een goed akkoord te maken.

Alarm.

Het is maar een loos alarm.

Albert Durer.

Dat is een stukje van Albert Durer.2

[Die iets voortreffelijks daarstelt, wordt gezegd een stukje te leveren, als de groote Duitsche schilder albert durer in het begin der 16e. eeuw er vele voortbragt. Op het raadhuis te Neurenburg en elders in Duitschland, zoo ook in ons vaderland, dat hij bezocht, worden zijne schilderstukken gevonden.]

Alexander.

De amazone verwacht eenen Alexander.3

[Demanhafte vrouw wileen' held tot echtgenoot.]

Algebra.

Hij heeft er zooveel verstand van, als een ezel van de algebra.4

Algemeen.

Wie voor het algemeen vecht, die vecht met een houten zwaard.5

Aliborum.

Het is meester Aliborum: hij is van alle ambachten, uitgenomen het goede.6

Alicante.

Het is geen wijn van Alicante, maar van alle kanten.7

[Eene klanknabootsende uitdrukking, om eene slechte soort van wijn aan te duiden, die men voor Spaansche wil doen doorgaan. Men geeft erdoor te kennen, dat men de geringe waarde eener bedoelde zaak heeft ontdekt.]

Alikruik.

Daar zal een dronk op smaken, zei Goosen, en hij at alikruiken met braadvet.8

Die zulke dingen doen, die raken in het gat, zei de meid, en zij zag een' man in eene alikruik peuteren.9

Het is eene alikruik van een' jongen.

Zijn dat nu die oesters, daar ge zoo lang van gesproken hebt? vroeg de boer aan zijn' landheer, en hij kreeg alikruiken te eten.10

Alkmaar.

Van Alkmaar begint de victorie!

[Alkmaaris de eerste stad, waar men, in 1573, de Spanjaarden tot den terugtogt heeft kunnen noodzaken. Dit voor de Alkmaarders zoo roemruchtig spreekwoord ontstond sedert, en wordt nog bij eene onverwachte vreugde uitgeroepen.]

Alleen.

De liefde zoekt vier dingen: wijs, alleen, zorgvuldig en geheim.11

Allerheiligen.

Na Allerheiligen deelt men de varkens uit.12 (Zie de Bijlage.)

Allerlei.

Allerlei is tweeërlei.13

Allooi.

Hij is van al te laag allooi.14

Iemand voor slecht allooi houden.

Zij zijn van één allooi.15

Almanak.

Als het schip stoot, is het te laat in den almanak gezien, om het getij te berekenen.

Dan staat er eene eclips meer in den almanak.16

De almanak en de courant Brengen de leugens in het land.

De dood kent geen' almanak.17

Dedwazen hebben altijd regen in hunnen almanak.18

Een almanak, Een leugenzak.19

Een menschenhoofd is geen almanak.20

Het is een stukje voor den almanak.

Het is geen heilige: hij zal geene roode letter in den almanak krijgen.21 (Zie de Bijlage.)

Hierna beter, zegt de almanak.22

Hij drukt almanakken.

Hij komt nog in den almanak.

[Hij wordt nog wel honderd jaar, en heeft dus kans, dat men melding van hem maakt.]

Alphabet.

Er zijn meer medeklinkers dan klinkers in het alphabet.

Het wordt hem zoo eigen als zijn alphabet (of: Hij kent het als zijn ABC). (Zie abc.)

Alphonsus.

Dat is eene pruik met Alphonsus, zei de boer, en hij had twee aalsvellen aan zijn haar hangen. (Zie aal.)

Alsem.

Dat is een bitter zoopje, zei Krelis de boer, en hij dronk alsemwijn.23

Dat is schoone alsem, zei de boer, en hij zag een' bos wouw op het venster liggen.24

Men moet geen' alsem in den wijn mengen.

Altaar.

Die het altaar bedient, leeft ervan.25

Het altaar kan den booswicht niet van straf bevrijden.

[p. 14]

Hij dekt het eene altaar, en ontdekt het andere.1

Hij wil het hoogaltaar hebben.2

Hij zou het van Gods altaar nemen.3

Komt de duivel in de kerk, dan wil hij op het hoogaltaar zitten.4

Loop voor den drommel, zei de paap, dan besch.. je het altaar niet.5

Men zal een ander altaar ontdekken.6

Om profijt gaat de paap ten altaar.7

Voor een gebroken altaar zal men geene kaars ontsteken.8

Amandel.

God geeft ons wel de amandels, maar Hij wil, dat wij ze zelven kraken.

Honger maakt raauwe boonen zoet (of: tot amandelen).9

Ik pas voor zulke amandelen.

Amazone.

De amazone verwacht eenen Alexander. (Zie alexander.)

Ambacht.

Alle ambachten smitten.10

Als niets-doen een ambacht was: dat koos hij.

Dat is het ambacht van dikken Michiel: drinken, eten en wandelen.11

Die een ambacht heeft geleerd, Krijgt den kost, waar hij verkeert.12

Die het ambacht niet kent, moet geen' winkel opzetten.13

Die het ambacht verstaat, krijgt het werk, zei Jan de snijder, en hij kreeg in de paaschweken een paar kousen te verzolen (of: eene oude broek te lappen).14

Die veel ambachten te gelijk leert, leert er zelden een goed.15

Die zich zijne nering (of: zijn ambacht) schaamt, gedijt niet.16

Een ambacht is beter dan eigen bezitting.17

Een ambacht is zoo goed als eigen land.

Het is meester Aliborum: hij is van alle ambachten, uitgenomen het goede. (Zie aliborum.)

Hij kent vele ambachten, maar bedelen is het laatste.18

Hij moet er maar een ambacht van maken.

't Is voor uw huis een vaster balk: Een ambacht, dan een grage valk.19

Kuipen is een goed ambacht.20

Leer weven, zoo kent gij een ambacht.21

Twaalf ambachten, dertien ongelukken.22

Vrijen is een leugenachtig ambacht.23

Zoo smids dochter niet met een' van het ambacht trouwt, dan is het ten minste met een' kolendrager.

Ambachtsman.

Als een ambachtsman niet liegt, dan gaat het hem niet wel.24

Ambachtsman, graafsman.25

Een ambachtsman op zijne voeten is grooter dan een edelman op zijne kniën.

Ambassade.

Boden en ambassaden zijn op alle plaatsen vrij.26

Hij gaat, daar de paus (of: keizer) te voet (of: zonder lakkei) gaat (of: geen' ambassade kan zenden).27 (Zie de Bijlage.)

Ambt.

Ambten en posten hangen niet aan den boom, maar wel aan den kruiwagen.28

Die het ambt kan, krijgt het verstand daartoe.29 (Zie de Bijlage.)

Geen ambt zonder nijd.30

Het ambt geeft kappen.31

Het ambt toont den man.32

Hij wil den burgers ambten bezorgen.

Iemand tot een ambt kruijen.

Is het ambt smerig: elk een vlamt er op.33

Men roept geene vrouwen tot een ambt.34

Nooit ambtje zoo klein, of het is beter dan geen.35 (Zie de Bijlage.)

Wat de man kan, Wijst het ambt an.36

Zij hebben niet wel gedaan, dat zij hem tot zulk een grootambt (of: regiment) verraden hebben.37

Zulk een ambt, zulk een leven.

Amelia.

Roer je gat, Amelia!38

Amen.

Amen, zei de koster, en de kerk was uit.

Het is een jabroêr (of: amenzegger).39

Het is zoo waar als amen.40

Hij slacht den koster (of: Het is een goede koster): hij zegt amen.41

Houd uw kinnebakken, en als de hond vijst, zeg: amen (of: dat is mijn).42

[p. 15]

Ik zeg daar amen toe; de koster een' braspenning.1

Van eeuwigheid tot amen.2

Amerij.

Het is in een amerij gedaan.3

[Amerij voor ave Maria. Het spreekwoord doelt dus op een' kleinen tijd, daar een ave Maria spoedig gelezen is.]

Amersfoort.

Dat zei jufvrouw Drilbil ook, toen ze het met die van Amersfoort glijën liet.

Die vent was goed, den kei van Amersfoort te slijpen.

Hij was van den Amersfoortschen kei genezen.

Hij weet nergens van: hij komt van Amersfoort.4

Hij zou zijne diamanten tot Amersfoortsche steenen maken.

[Als een gedenkteeken op den met Portugal in 1661 gesloten vrede, had de magistraat van Amersfoort, op een pedestal, een' grooten kei ten toon gesteld. Het volgende jaar vestigde de Amersfoortsche edelman, Jhr. everard meyster, zich in de stad Utrecht, en deed er, in de toen nieuw aangelegde Van Buerestraat, behalve een' overvloed van sieraden en Latijnsche spreuken, in den gevel van zijn huis, boven het poortje, tusschen den stal en het huis, een' keisteen inmetselen, een zinnebeeld van het overwinningsteeken zijner vaderstad. Deze straat is sedert spottender wijze Keistraat genoemd, gelijk tot den huidigen dage de kei niet verre van het naambordje te zien is. Kei heeft de beteekenis van zot; maar liever vind ik de afleiding in het genoemde vredeteeken dan in den Romeinschen keizer cajus caligula, naar wien, volgens tuinman (in zijne Fakkel der Nederduitsche Taale, op het woord kei), ‘zyn wedergade een kai, een tweede kajuszou genoemd zijn. Van dezen Amersfoortschen kei, den koningskei, den kei (zot) der keijen (zotten), vinden de spreekwoorden op dit onderwerp verklaring.]

Ammelaken.

Als de man van huis is, is het ammelaken verloren.

A mol.

Dat stukje speelt uit A mol.

[Het is eene treurige geschiedenis: bijv. wanneer de man zijne vrouw slaat, en deze zit te schreijen.]

Amos.

Ik ben, zegt Amos, geen profeet, Maar herder, die niet veel en weet.5

[De eigen woorden van den profeet vindt men: Amos vii: 14. Het is een spreekwoord ter beschaming van den op zijne wetenschap zich verhoovaardigenden mensch.]

Amphibie.

Het is een amphibie.

Amsterdam.

Amsterdam heeft lucht noch water goed.

Grootebroek ligt bij Enkhuizen, gelijk Buiksloot bij Amsterdam.6

Het is schelvisch, die van Utrecht naar Amsterdam is gebragt.7

Het lijkt zooveel als Amsterdam op een kommetje soep.

Hij is op de Amsterdamsche beurs geweest.

Ik sprak met u van Amsterdam, en gij antwoordt mij van Rotterdam.8

Wanneer Amsterdam mijn was, zoo wilde ik het te Utrecht verteren.9

Wie lust er een stukje Amsterdamschen koek, vroeg Gerrit, en hij presenteerde een blokje, in een papier gewonden.10

Angel.

Daar blijft al een angel steken.11

Daar ligt een angel achter.12

[Men heeft gemeend, dat de hier bedoelde angel in het gras moest schuilen; doch dit is het geval met de adder. Zie het spreekwoord daarvan op bl. 10. Over het vóór en tegen in deze raadplege men het Magazijn van Nederlandsche taalkunde, Deel I, bl. 137, 138 en 207-210, en Deel II, bl. 49-52, 101, 102 en 144.]

De angel trekt wel onwillige visschen uit het water.13 (Zie de Bijlage.)

Eene bij zonder angel maakt geene honig.

Geen bijtje, of zij heeft een' verborgen angel.

Groote visschen gaan met den angel door.14

Is de bij haar' angel kwijt, Sterft zij dra van enkel spijt.

Vrouwen zijn de angels, om mannen aan te vangen.

Zij krijgt hem aan haren angel.

Angst.

Als de angst hoogst is, dan is Gods hulp allernaast.15

Angst en vreeze doen den oude loopen.16

Die angst heeft van de bladeren (of: alle bladeren ontziet), die jage (of: ga) niet in het bosch.17 (Zie de Bijlage.)

Hij sterft van angst.18

Hij weet van angst niet, in welk gat hij het gieten zal.

Keur baart angst (of: Die de keur heeft, heeft de kwel).19 (Zie de Bijlage.)

Misdoen is angst.20

Van angst zou hij zich de broek besch.....21

Anjer.

Dat is een anjer, zei de boer, en hij at vijgen.

Dat is een anjer, zei de boer, en 't was een tiloos.

Anker.

Alle grond is geen ankergrond.22

Beter nog een anker kwijt dan het geheele schip.23

Dat is flink, zei Gerrit de smid, en hij draaide een anker zonder ijzer.24

Die wist, of hij eenen vasten grond had, eer hij

[p. 16]

zijn anker liet vallen, die was de slechtste schipper niet.1

Een anker toe laten gaan.2

Ergens ten anker komen.3

Goede ankergrond is de beste grond.4

Het anker gaat meê.5

Het anker is blind.6

Het anker is doorgegaan.7

Het anker kentert in zijne zelling om.8

Het anker onzer hoop is in een' vasten grond gehecht.9

Het anker slepen.

Het anker slipt.10

Het anker vangen.11

Het anker voor den boeg vieren.12

Het is goed, twee ankers tot zijn schip te hebben.

Hij gelijkt de ankers, die altijd in het water zijn, en nooit leeren zwemmen.13

Hij haalt zijn anker t' huis.14

Hij heeft het anker achter de kat gezet.15

Hij heeft klaar anker.16

Hij is ons eenig plechtanker.17

Hij is op een anker t' huis gekomen.18

Hij is zoo vet als een Spaansch anker (of: een ankerstok).