Daar is geen taal of teeken van.6
Dat is bijbeltaal. (Zie bijbel.)
Dat is mannentaal (of: dingtaal). (Zie man.)
De ekster heeft eene schoone taal; Maar uw geldje nam het altemaal. (Zie ekster.)
Een fraaije taal Dringt in als staal. (Zie staal.)
Het is taal, om honden en katten te vergeven. (Zie hond.)
Hij geeft taal noch teeken van zich.
Hij spreekt de tale Kanaäns. (Zie kanaän.)
Ieder is zijn eigen taal-ontleder. (Zie ontleder.)
Klinkende munt spreekt overal verstaanbare taal. (Zie munt.)
Men moet niet stameren met hem, die kwalijk ter taal is.
Waar een man alleen is (of: Waar slechts één man is), daar zijn de woorden maar half (ook wel: daar is geene halve taal). (Zie man.)
Wat schaadt hem schoone taal? als hij wil, hij laat ze wel.7
Zooveel mans zijn in één' man, Als hij vreemde talen kan. (Zie man.)
Daar heb ik taart van gegeten.9
Dat is zooveel als eene taart zonder suiker. (Zie suiker.)
Hij kan de taart niet bakken.
Honger ziet wel struif voor taarten aan. (Zie honger.)
Iemand eene taart bakken (of: De taarten, die er gebakken worden, zijn voor hem).10
Ik bedank voor die taart.
Kwade zeden en goede taarten moeten gebroken worden.
Liever geene taart, dan die met eene schurftige hand gemaakt is. (Zie hand.)
Men deelt er (of: Hij krijgt) van de taart.11
Op eene gebrande taart (of: vlade) dient suiker gestrooid. (Zie suiker.)
Waar de taart verbrand is, strooit men de meeste suiker. (Zie suiker.)
Wie taarten eet den ganschen dag, Maakt, dat hij niet meer taarten mag. (Zie dag.)
Daar de dokter tabak rookt, mogen zijne patiënten wel smoken. (Zie dokter.)
Dat is andere tabak dan knaster. (Zie knaster.)
Dat is geene pijp tabak waard. (Zie pijp.)
Hij gelijkt beter naar een' aap, dan een dominé naar eene pijp tabak. (Zie aap.)
Hij heeft eene coleur, of hij in tabak en brandewijn was opgekookt. (Zie brandewijn.)
Hij heeft tabak in de doos. (Zie doos.)
Ik zal het er wat stijf indouwen, zei Ritsert tegen Fijtje, en hij stopte eene pijp tabak. (Zie fijtje.)
Is de tabak goed? vroeg de man; Zou ze niet goed wezen, zei besje, ik rook er zelve van. (Zie besje.)
Men zal hem naar Virginië zenden, om tabak te planten.
Tabak en papenwijven is gemeen mans voêr. (Zie man.)
Wat dunk je van dien tabak? vroeg goelijke Lijs aan Flip, en zij had hem eens laten stoppen. (Zie flip.)
Wie zijn geld wil zien verstuiven, Moet rooken tabak en koopen duiven. (Zie duif.)
De kapstok moet den tabbaard dragen. (Zie kapstok.)
Het is een man van den tabbaard. (Zie man.)
Hij heeft duchtig op zijn' tabbaard gekregen.
Ieder drage den tabbaard naar zijne lengte: te lang sleept. (Zie lengte.)
Liever eene verstandige in haar bloote hemd dan een doetje in een' fluweelen tabbaard. (Zie doetje.)
Aan tafel behoort men zich niet te schamen.2
Aan tafel smaken geene knorrige woorden.3
Al lang genoeg aan de wijze tafel gefantaseerd.
Beurs, tafel en bed moeten voor de vrienden open staan. (Zie bed.)
Daar behoort meer tot eene huishouding dan vier beenen onder eene tafel. (Zie beenen.)
Daar kwam een stuk vleesch op de tafel van Benjamin. (Zie benjamin.)
Dan moet de kok op de tafel. (Zie kok.)
Dat over tafel wordt gesproken, In 't tafellaken blijft geloken. (Zie laken.)
De kok maakt de spijs klaar, en de heer krijgt die op tafel. (Zie heer.)
Den rug aan 't vuur, den buik aan tafel, En in de hand een goede wafel. (Zie buik.)
Dertien man aan tafel is binnen het jaar één dood. (Zie jaar.)
De tafeldekster is geene maagd. (Zie dekster.)
De tafel in 't rond: hoe minder gasten, hoe beter onthaal. (Zie gast.)
Die aan eene gedekte tafel zijn gezeten, Moeten zich niet schamen, om te drinken en te eten.4
Die de tafel dekt, heeft den meesten kost. (Zie kost.)
Die wat eet, en wat laat staan, Kan tweemaal (of: nog eens) ter tafel gaan.5
Die zonder mes ter tafel gaat, verliest menigen beet. (Zie beet.)
Drie treedjes op een tafelbord. (Zie bord.)
Gekken en kwasten Schrijven hun namen op tafels en kasten. (Zie gek.)
Het is aan deze tafel eene oude manier, Dat nie-mand zonder betalen gaat van hier. (Zie manier.)
Het is eene gedekte tafel zonder zout.6
Het is een gezonde slaper, die met de hoenderen naar bed gaat, en met het rammelen der tafelborden weder opstaat. (Zie bed.)
Het is een tafeltje welbereid.7
Het kind, dat stilzwijgt, krijgt niet veel aan tafel. (Zie kind.)
Het lekkerste beetje zet men laatst op tafel. (Zie beet.)
Het smaakt nergens beter dan aan eigen tafel.8
Het zal afvallen, wanneer gij de beenen onder eens anders tafel steekt. (Zie beenen.)
Het zijn tafelhoeren. (Zie hoer.)
Het zout moet eerst op tafel staan, Aleer men mag aan tafel gaan.9
Hij begint met stoel en tafel. (Zie stoel.)
Hij eet altijd op eene ton; niemand kan den voet onder de tafel krijgen.10
Hij heeft tafelvrienden (of: al goede vrienden aan tafel, ook wel: Tafelvrinden Zal hij vinden).11 (Zie de Bijlage.)
Hij is ridder van de ronde tafel. (Zie ridder.)
Hij is te breed voor een servet, en te smal voor een tafellaken. (Zie breed.)
Hij kan niet best onder de tafel door.
[Hij weet van geene ondergeschiktheid.]
Hij ligt onder tafel.
[De dronkenschap heeft hem van zijn' stoel doen zakken.]
Hij zit met den buik aan tafel. (Zie buik.)
Honger is een groot kruis, zei Tijs Tafelbezem, en hij kwam pas van tafel af. (Zie honger.)
Iemand onder de tafel drinken.
Iets ter tafel brengen.12
Ik leg mijn mes bij u op tafel. (Zie mes.)
Kwalijk aan tafel gezeten, is half gevast.
Men kan van eene mooije tafel niet eten.
Men steekt gaarne zijne voeten onder eene eigene tafel.
Nabij de tafel en verre van de vrouwen, wilt gij lang een oud man blijven. (Zie man.)
Nieuwe grillen, nieuwe grillen, zei de snijder, en hij beet in zijne tafel. (Zie gril.)
Plomp verstand houdt vast, zei Plompardus, en hij hield zich aan een wijnglas vast, toen hij onder de tafel viel. (Zie glas.)
Tafelvliegen komen tot de suiker. (Zie suiker.)
Uit een vol huis is haast de tafel gedekt. (Zie huis.)
Van een hout maakt men een kakhuis en eene tafel. (Zie hout.)
Wanneer de kat weg is, dan dansen de muizen op de tafel. (Zie kat.)
Wij zullen ons mes aan 't tafellaken vegen. (Zie laken.)
Ziet men de tafel dekken, 't Opdoen mag wat rekken.
[Het troostrijke gezigt van tafeldekken geeft den hongerige al vast eenige pijnstilling.]
Zij kunnen hunnen wijn en hun bier niet drinken, of ik moet er mede over tafel gaan. (Zie bier.)
Buig het rijsje (of: takje), terwijl het jong is; als het een boom geworden is, is het te laat. (Zie boom.)
De takken aarden naar den stam. (Zie stam.)
Donder op den naakten tek, 't Heele jaar geen nat gebrek. (Zie donder.)
Het scheelt maar duizend takkebossen, of wij zijn van éénen tak.1
Hij kan van tak op boom springen. (Zie boom.)
Hij slacht de erwten: die staan altijd tusschen de takken. (Zie erwt.)
Hij springt als een vogel van den hak op den tak. (Zie hak.)
Hoe edeler boom, hoe buigzamer tak. (Zie boom.)
Iets met wortel en tak uitroeijen.
Kleine takken ontsteken het vuur, en groote onderhouden het.2
[Tot het aanleggen van eene zaak is niet veel noodig, - meer tot het voortzetten.]
Korte takken, lange wijnoogst. (Zie oogst.)
Wanneer een boom ter aarde zijgt, Maakt ieder, dat hij takken krijgt. (Zie aarde.)
Zij springen als meerkatten: van den eenen tak op den anderen. (Zie meerkat.)
Zijn boventuig (of: Zijne takelaadje) is in de war.4
[Men zegt dit van den onverstandige.]
Een blad of een takkebos (ook wel: of je muts). (Zie blad.)
Het is een takkebos, vol vloeken en zweren.5 (Zie de Bijlage.)
[Men zegt dit van iemand, die van vlocken en zweren aaneenhangt, en die, naar een ander spreekwoord, brandhout voor de hel aandraagt.]
Het scheelt maar duizend takkebossen, of wij zijn van éénen tak. (Zie tak.)
Hij leeft met de menschen, als de duivel met de takkebossen. (Zie duivel.)
Als hij vijgen eet, moeten hem de tanden kraken.
Dat is er een, dien het gras nog tusschen de tanden zit. (Zie gras.)
De duivel speelt met zijne tanden. (Zie duivel.)
De een roerde zijne tong, de ander zijne tanden.9
De hazen sterven van tandpijn. (Zie haas.)
De lekkertand valt hem uit.
De nood heeft scherpe tanden, en bijt fel. (Zie nood.)
Den wijntand (of: lekkeren tand) uittrekken.10
De tanden met iemand stoken.11
De tong gaat (of: is), waar de tand zeer doet.
[Waar het gebrek is, daar gaan de klagten op: de tong verraadt de kranke plaats.]
Die geen mes heeft, moet met de tanden kluiven. (Zie mes.)
Die scheldt, heeft het vergift tusschen de tanden.
Die vrijdags zijne nagels knipt, heeft geene tandpijn. (Zie nagel.)
Die wist, wat daar te eten ware, zoude de tanden wetten.12
Eene naarstige hand En sparende tand Koopt eens anders land. (Zie hand.)
Eene slak in 't land Geeft den boer een' ijzren tand. (Zie boer.)
Een geschonken paard moet men eerder naar den aars dan naar de tanden kijken. (Zie aars.)
Een ieder stookt er zijne tanden van.
Een rattentand geeft geen ivoor. (Zie ivoor.)
Een tandeloos besje wordt niet ligt herschapen in een jong meisje. (Zie besje.)
Eerpijn is erger dan tandpijn. (Zie eer.)
Er komt geen muis in 't land, Of zij laat een' gouden tand (ook wel: Er is geen muizen-tand, Of hij brengt goud in 't land). (Zie goud.)
Had ik dat geld in een' bevuilden doek, ik wilde den knoop met mijne tanden wel losmaken. (Zie doek.)
Heb je mij gebruid, ik zal je weêr bruijen, zei Aart, en hij brak eene luis de tanden uit den mond. (Zie aart.)
Het is de vernielende tand des tijds.
Het is geen tijd, om naar de frikkedillen te tasten, als ze een ander tusschen de tanden heeft. (Zie frikkedillen.)
Het is goed, dat men den mond opendoet, en de tanden sluit. (Zie mond.)
Het is niet naar zijnen mond (of: tand). (Zie mond.)
Het is van de hand In den tand. (Zie hand.)
Het schaapje van den eersten tand: men vond nooit beter. (Zie schaap.)
Het water loopt mij om de tanden.
Het wil niet, gelijk ik wil, zei de Indiaan; toen wilde hij met zijne tanden de ijzeren nagels uit het schip trekken. (Zie ijzer.)
Hij beschut het al op (of: met) zijne tanden.13
Hij bijt op zijne tanden.14
Hij eet met lange tanden.15
Hij geraakt van den tand.16
Hij heeft eenen tand, die leutert.1
Hij heeft haar op zijne tanden. (Zie haar.)
Hij heeft het mij uit de tanden getrokken.2
Hij heeft (of: krijgt) het voor de kiezen (of: tanden). (Zie kies.)
Hij heeft tandpijn achter de ooren. (Zie oor.)
Hij heeft vaak in zijne tanden.
Hij heeft zich tot de tanden verschanst.
Hij houdt het vast met hand en tand. (Zie hand.)
Hij houdt zijne ziel tusschen zijne tanden.
[Men zegt dit van den man, die in angst zit.]
Hij is gestorven van tandpijn. (Zie pijn.)
Hij is op den tand gevoeld.
Hij is tot de tanden toe gewapend.
Hij laat hem zijne tanden zien.3
Hij lacht als een boer, die tand- (of: kies-) pijn heeft. (Zie boer.)
Hij lacht om zijne kiezen, dat zijne tanden vóórstaan (of: om zijne tanden, dat zijne kiezen erachter staan). (Zie kies.)
Hij loopt op zijn tandvleesch.
[De zolen vallen uit zijne schoenen.]
Hij neemt het op zijne tanden.4
[Dat wil zeggen: hij weet zijnen wil wel door te zetten. Het is ontleend aan de handelwijze van stugge paarden, die den toom op de tanden nemen, en naar geen stuur luisteren. In denzelfden zin zegt men: Hij houdt het gebit op de kiezen.]
Hij spreekt uit zijne tanden.5
Hij staat, alsof hij den mond vol tanden had. (Zie mond.)
Hij staat te tandtrekken.6
[Dat is: hij maakt geen einde aan de zaak. Het is afgeleid van de handeling van iemand, die zich een' lossen tand zal uittrekken, maar door zijn dralen toont, dat het hem geen ernst is.]
Hij steekt tot de tanden in de schuld. (Zie schuld.)
Hij stookt daar zijne tanden meê.7
[Dat is: hij drijft er den spot mede. Het ziet op de handeling met den tandenstoker.]
Hij stoot er zijne tanden aan.
[Het strekt hem tot ergernis.]
Hij tast hem in den mond, of hem de tanden ook waggelen. (Zie mond.)
Hij zal hem eenen tand trekken.8
Hij zweert bij den tand van Sint Pleun. (Zie sint pleun.)
Henden hebben tanden In alle landen. (Zie hond.)
Houd dat tusschen uwe tanden.9
Iemand den tand bieden.10
Iemand de tanden uitbreken.
Iemand door de tanden slepen.11
Ik ben wel uit zijne hand, Maar toch niet uit zijnen tand. (Zie hand.)
Ik krijg de schuld, zei de kaas, maar de suiker heeft uwe tanden bedorven. (Zie kaas.)
Ik lach om mijne tanden.12
[Dit is een boertend antwoord op de vraag: waar lacht gij om? wanneer men geene juiste reden daarvan weet te geven, of die niet zeggen wil, en toch genoodzaakt is, een antwoord te geven. De lachtspier en bevinden zich in de wangen, en deze hebben hunne plaats om de tanden. Een ander zegt in dat geval van hem: Hij lacht om zijne kiezen, dat zijne tanden vóórstaan (of: om zijne tanden, dat zijne kiezen erachter staan).]
Kerkegoed heeft ijzeren tanden. (Zie goed.)
Klontjes eten is goed voor tandpijn. (Zie klont.)
Liggen de handen, Zoo liggen de tanden (Traag ter hand, Traag ter tand, of: Ledige handen, Ledige tanden, ook wel: Die spaart zijn handen, Spaart ook zijn tanden). (Zie hand.)
Men kan hem eerder een' tand uit den mond trekken, dan een' duit uit den zak kloppen. (Zie duit.)
Menschen, die de minste tanden hebben, kaauwen het meest. (Zie mensch.)
Met de tanden geld winnen. (Zie geld.)
Mijne tanden jeuken ernaar.13
Mondje toe (of: Tand voor de tong) is goed devies. (Zie devies.)
Niemand van zoo goeden stand, Of hij heeft een' wolven-tand. (Zie stand.)
Niet is goed voor de oogen, maar kwaad voor de tanden. (Zie oog.)
Notenkrakers moeten jonge tanden hebben. (Zie kraker.)
Op grijpende wolfsklaauwen passen hondstanden. (Zie hond.)
Oude lieden moeten het met de tanden houden (of: moeten zich met de tanden weren). (Zie lieden.)
Paardenvoet, wolfstand, hoerenaars en dobbelaarshand zijn niet te betrouwen. (Zie aars.)
Staan uw tanden als de huizen In de veenen van Benthuizen? (Zie benthuizen.)
Tot vleesch van wolven, tanden van doggen. (Zie dog.)
Tusschen hand en tand Wordt veel te schand. (Zie hand.)
Vlug met de hand, Vlug met den tand. (Zie hand.)
Wasch dikwijls uwe handen en tanden, maar zelden uwe voeten, en nimmer uw hoofd. (Zie hand.)
Welk een ding is mosterd! het bijt, en heeft geene tanden. (Zie ding.)
Wij nemen er elk wel tien op onze tanden.14
[Men legt dit spreekwoord den grootsprekers in den mond.]
Wilt gij u over de vloo wreken, Gij moet haar de tanden uitbreken.15
Wisselen de tanden, de memorie wisselt niet. (Zie memorie.)
Zeeveren is tanden krijgen.
Zelfs de kikkers en padden beten, zoo zij tanden hadden. (Zie kikvorsch.)
Zij bijten niet allen, die hunne tanden laten zien.16
Zijne botertanden zijn uitgevallen. (Zie boter.)
Zijn eigen tand Vernielt zijn hand. (Zie hand.)
Zijnen tand op iets wetten.17
Zijne tanden doen hem niet meer zeer.
[Dit zegt men van een' doode.]
Zijne tanden wateren daarnaar.18
Hij liegt als een tandentrekker.3
[Dat wil zeggen: hij brengt leugens voort van de grofste soort, het is een aartsleugenaar. Het tandentrekken was vroeger veelal aan de kwakzalvers toevertrouwd, en deze wisten, door het uitbrengen van allerlei grollen, hunne niets waardige medicamenten aan de gapende menigte allerduurst aan te smeren.]
Dat is ter goeder meening, zei Filippijntje, en zij roerde den hutspot met de tang om. (Zie filippijntje.)
Dat past als eene tang op een varken.4
De tang ligt in 't vuur.
[Er is haast bij 't werk.]
Het is zoo bot als eene tang.
Het zijn lieve meisjes, om met eene tang in de goot te dragen. (Zie goot.)
Hij legt er de tang op.5
Men kan het er met geene tang uitkrijgen.
Men zou haar met geene tang aanraken.6
Voor de tang Zijn de vrijers bang.7
Zij is geene tang, om zonder handschoenen aan te tasten. (Zie handschoen.)
Dat is tante Bloemkool, een nichtje van grootje uit den pottekelder. (Zie bloemkool.)
Het is eene ongemakkelijke tante.
Dat bier (of: Die wijn) volgt den tap. (Zie bier.)
Dat komt van tappen, loopt al ten tap weg.8
Dat smaakt als scharrebier op den tap. (Zie bier.)
De kan rent op den tap. (Zie kan.)
De tap is toe (of: Het is taptoe).9
[Bij tuinman lezen wij, ter opheldering dezer spreekwijze: ‘Dit is ontleent van den trommelslag, ten negen uuren 's avonds, in garnizoensteden, welke men den tap toe heet, om dat de waarden voor soldaaten niet langer mogen tappen, of hen op de bierbank houden. Dit word toegepast, wanneer men niet meer tappen kan of wil; 't zy dan, om dat het verken met den tap is weggeloopen, en de waard zyn dubbel kryt verlooren heeft; of om dat de beurs der drinkebroers roept halte, en zy geen rokje uit te schudden, noch bedde om by Jan oom te verzetten hebben; of om andere diergelyke gewigtige redenen.’]
De zeug is met den tap gaan loopen.10 (Zie de Bijlage.)
[Dat men dit niet ‘zegt van een dronkaard, die de kroeg heeft moeten verlaten,’ zoo als v. eijk verzekert, maar van een' waard, wiens zaken slecht staan, is reeds opgemerkt bij het spreekwoord: De paal is door den oven gestoken. De vraag, die tuinman doet, I. bl. 136: ‘waarom men van een bedorven waard zegt: 't verken is met den tap doorgeloopen?’ heeft hij zelf beantwoord, II. bl. 52, met deze woorden: ‘Dus word gespeelt op de spoeling in ledige vaten, die voor de verkens is, wanneer de tap word uitgetrokken.’]
Die betaalt vóór den tap, Hoort geen' achterklap. (Zie achterklap.)
Het deugt niet, en zal op den tap niet beteren.11
Het was goed bier, maar de tap is nu uit. (Zie bier.)
Het zwijn volgt den tap.12
Hier trekt de zeug den tap uit.
Hij verbetert zich als zuur scherpbier op den tap. (Zie bier.)
Nooit beterde scharrebier op den tap. (Zie bier.)
Daar is wat op het tapijt.13
[Dat wil zeggen: er is wat gewigtigs te verhandelen. De spreekwijze is ontleend van het kleed, dat op de tafel der raadsleden gespreid is. Men zegt ook, wanneer men eene zaak ter behandeling aanbiedt: Iets ter tafel brengen.]
De drank is goed, zei Goosen de tapijtwerker, en hij lag tot over zijne ooren in het slijk. (Zie drank.)
Vrouwen, wijn en paarden: dat is koopmanschap van tarra (ook wel: al lakende (of: bedriegelijke) waar). (Zie koop.)
Bij gebrek van tarwe maakt een leeuwerik zijn nest in de haver. (Zie gebrek.)
Daar is onkruid onder de tarwe. (Zie onkruid.)
De duivel is in de tarwe. (Zie duivel.)
De tarwe moet men tweemaal vergeten.14
Een broodje daags gespaard, maakt een' goeden zak tarwe 's jaars. (Zie brood.)
Een landman, die maar alleen tarwe zaait, ziet zijnen oogst dikwijls mislukken. (Zie landbouwer.)
Zie toe, dat uwe tarwe niet liggerig worde.
[Dit spreekwoord bevat eene waarschuwing aan ouders, die huwbare dochters hebben, om niet al te kieskeurig te zijn in het aannemen van een' schoonzoon, daar zij al ligt met hunne dochters zouden kunnen blijven zitten.]
Zoekt gij beter brood dan van tarwe? (Zie brood.)
Zij zouden ons wel willen doen gelooven (of: willen wijsmaken), dat de kiekens hooi eten op een' havertas. (Zie haver.)
De hond zit hem op de tasch. (Zie hond.)
Die op de tasch kloppen, zijn zelden aangename vrienden.1
Eene bedelaars tasch is nooit vol. (Zie bedelaar.)
Een woordje op zijn pas Is als geld in de tasch. (Zie geld.)
Het is eene brave (of: lustige) tasch van eene vrouw.2
Hij is zotter dan een kreeft: die draagt zijne hersens in de tasch. (Zie hersens.)
Hij kan wel zien door eene dubbele huik, wat een goed man in zijne tasch draagt. (Zie huik.)
Hij kijkt, alsof hij zijne brieventasch onder het rijden verloren had. (Zie brief.)
Hij ribbezakt de goudtasch met de scherpste nijptang. (Zie goud.)
Met slappe tasschen doet men geen geweld. (Zie geweld.)
Zij heeft de tasch op zij.3
[De vrouw bestuurt de geldzaken, is meesteresse over de kas.]
Zij vrijt hem (of: heeft hem lief) op de zijde, daar hem de tasch hangt.4
Het zou ook een' tater ontfermd hebben.5
[Een tater is in den Nedersaksischen tongval, wat wij Heiden of Zigeuner noemen.]
Het is goed; maar er is te bij.6
[Waar te bijkomt, daar is de zaak overdreven, en dus niet goed; want al te goed is buurmans (ook wel: andermans, of: allemans) gek.]
Nu mogen wij zingen Te Deum Laudamus.7
[Dat wil zeggen: wij hebben alle reden, om verheugd te zijn, en dankbaar den lofzang aan te heffen. De woorden Te Deum Laudamus zijn de aanvang van den Ambrosischen lofzang, en beteekenen: Heere God! U loven wij.]
Die eene ritsige teef in huis heeft, kan de honden niet van de deur houden. (Zie deur.)
Het is eene assurante teef.8
Het zal er honden, zei de boer, en hij zat op eene teef. (Zie boer.)
Het zijn regte marktkaauwen en vischteven. (Zie kaauw.)
Hij bijt reuën en teven. (Zie reu.)
Hij is aan het teefje vast.9
[Men bezigt dit spreekwoord bij het ontstaan van moeijelijkheden van allerlei soort, waarvan men niet afkan, of die men niet zal ontgaan.]
Hij snaauwt en bijt van zich als eene vleeschhouwers (of: bleekers) teef. (Zie bleeker.)
Aan de merken kent men de balen; aan het merkteeken alle dingen. (Zie baal.)
Als de drommels eene conscientie hebben, is 't een teeken, dat er vrome luî in de hel zijn. (Zie conscientie.)
Daar is geen taal of teeken van. (Zie taal.)
Goede scholen en goede uurwerken zijn twee kenteekens van eene goede stadsregering. (Zie regering.)
Het is een veeg teeken.10
Het teeken wijst de zaak.
Hij geeft taal noch teeken van zich. (Zie taal.)
Iemand een vredeteeken op den muil maken. (Zie muil.)
Liegen is een waarachtig teeken van een' slimmen bedelaar. (Zie bedelaar.)
Ofschoon de wond al is genezen, Daar zal nog wel een teeken wezen.11
Oude teekenen liegen nooit.12 (Zie de Bijlage.)
Wanneer de zwaluwen laag vliegen, is het een teeken van regen. (Zie regen.)
Beter een modderige schoen dan een teen met asch bemorst. (Zie asch.)
Een goed man kan wel een' tred op zijne teenen lijden; hoewel hij geen' harden schop tegen zijne scheenen kan verdragen. (Zie man.)
Hak op teen nemen. (Zie hak.)
Het is een heilige met wassen teenen. (Zie heilige.)
Het moet eruit, al zou het ten teenen uitzweren.16
Het moet of ten mond, of ten teenen uitzweren. (Zie mond.)
Het schort hem in den grooten teen, waarop de boeren den hoed dragen. (Zie boer.)
Hij is op de teenen getrapt.1
Hij laat zich niet op de teenen trappen.
Hij stinkt als een veenboer tusschen zijne teenen. (Zie boer.)
Hij ziet liever zijne hielen dan zijne teenen. (Zie hiel.)
Hij zuigt het uit zijn' poot (zijne teenen, of: zijn' vinger). (Zie poot.)
Jantje, stoot je teentjes niet. (Zie jan.)
Speel met je grooten teen, dan doen de kleintjes meê.
Van top tot teen.2
Daar is teer aan den vloer.3
Dat schikt als eene luis in eene teerton. (Zie luis.)
Dat smaakt naar teer: Had ik maar meer.
[Men geeft hier op dezelfde boertende wijze te kennen, dat zich eene of andere spijs of drank nog al goed laat smaken, als men zulks doet door het spreekwoord: Dat is leelijk (of: bitter) goed: - geef mij nog voor een oordje (of: vier duitjes).]
Hij galoppeert (of: Het werk gaat voort) als eene luis over eene beteerde huik. (Zie huik.)
Hij komt vooruit (of: De zaken gaan er voort,) gelijk eene luis op eene teerton. (Zie luis.)
Hij loopt met den teerkwast. (Zie kwast.)
Hij vordert als eene slak in eene teerton. (Zie slak.)
Als de abt de teerlingen geeft, dan mogen de monniken wel dobbelen. (Zie abt.)
Dat loopt op den teerling.4
De teerling is geworpen.5
Het is geen' teerling wijd.6
Hij heeft mij de teerlingen in de hand veranderd. (Zie hand.)
Hij is wankelbaarder dan drie teerlingen.7
Hij weet, wat op den teerling loopt.8
Hij zet het op den teerling.9
Mond, aars en teerling is het bederf van alle goed. (Zie aars.)
Teerlingen, vrouwen en kannen - Deze drie dingen onteeren de mannen. (Zie ding.)
Weet je wel, wat aan den Teersdijk geschreven staat?
[De Teersdijk is eene herberg, in de nabijheid van Nijmegen, waar met groote letters aan den zolder van de gelagkamer staat geschreven: Wie weet, of 't waar is. Daarom bezigt men te Nijmegen het spreekwoord: Weet je wel, wat aan den Teersdijk geschreven staat? wanneer iemand eene tastbare leugen vertelt.]
Daar zit niet veel gras op de weide, zei Teeuwes de boer, en hij zag eene luis op een' kalen kop grazen. (Zie boer.)
Dat is een groote baviaan, zei Teeuwes, en hij zag eene hoer in den Haag in de ijzeren kooi draaijen. (Zie baviaan.)
Dat is een knappe sopbaars, zei Teeuwes, en hij zag een' walvisch zwemmen. (Zie baars.)
Dat is een schepsel met lange beenen, zei Teeuwes de boer, en hij zag een' aap op stelten loopen. (Zie aap.)
Hij weet van Teeuwes noch Meeuwes. (Zie meeuwes.)
Ik verzuip, riep Teeuwes, en hij rolde van een duin af. (Zie duin.)
Wat dunk je van dien rolstok, zei Teeuwes, en hij zag een' grooten klos. (Zie klos.)
Wat holligheid is dat, zei dronken Teeuwes, en hij viel in een kakhuis. (Zie holligheid.)
Dat een mensch geld ware, hij zou zich zelven wel uitgeven, en laten wisselen in tegenspoed of groote begeerlijkheid. (Zie begeerlijkheid.)
Denk in voorspoed op tegenspoed, en in tegenspoed op voorspoed.10
De tegenspoed is onze moeder, maar de voorspoed is onze stiefmoeder. (Zie moeder.)
Helpers kent men in tegenspoed. (Zie helper.)
In den tegenspoed is menige zaligheid gevonden.11 (Zie de Bijlage.)
In den tegenspoed zijn er geene vrienden.12
In kwade zaken goeden moed, Dat dient een' man tot voorspoed (of: in tegenspoed). (Zie man.)
Voorspoed en tegenspoed doen zich bij beurten op. (Zie beurt.)
Berijd geen jong veulen, noch prijs uwe vrouw in hare tegenwoordigheid.13
[Beide is even gevaarlijk: door het eerste valt gij welligt, door het laatste mogelijkuwevrouw.]
Tegenwoordigheid doet gelooven.14
Tegenwoordigheid is zonder faam (of: heeft de faam niet van doen). (Zie faam.)
Hij blijft bij den tekst.
Hij dringt al te diep in den tekst.
Hij geeft hem tekst en uitleg (of: den tekst met de glos). (Zie glos.)
Hij geraakt van den tekst.15
Hij helpt hem van den tekst.
Iemand den tekst van voren af aan oplezen.16
Men behoeft hier geene glossen: de tekst is klaar. (Zie glos.)
Een groot tempeest duurt niet lang.
In Italië zijn te veel feesten, Te veel hoofden, te veel tempeesten. (Zie feest.)
De tempel van het geluk staat voor hem niet open. (Zie geluk.)
Iemand op den tempel komen (zitten, of: rijden).2
[Men leest bij tuinman ter opheldering dezer spreekwijze: ‘Ymand op zijn Tempel komen, drukt uit: ymand op de huid komen. Zo zegt men: Ymand op den Tempel zitten of rijden, voor: hem ergens toe aandringen. Zoude dit Tempel, voor huid, niet met misbruik genomen zyn uit 1 Korinth. iii: 16 en 17?’ Men zegt in denzelfden zin: Hij krijgt (of: Men speelt hem) op zijn' tabernakel.]
Kreupelen en blinden moeten uit den tempel blijven. (Zie blind.)
Hij zuipt als een Tempelier.3
[De Tempelheeren of Tempeliers waren de geestelijke bewaarders van het Heilige Graf, en hadden alzoo hunne verblijfplaats bij den Jeruzalemschen tempel. Hunne trotschheid en ongebondenheid, maar meer nog hunne groote bezittingen, maakten hen gehaat. Om de laatste te verkrijgen, werden de eerste zoo breed uitgemeten, dat men wist te bewerken, dat paus clemens v en de Fransche koning philippus de schoone, in 1308, hunne goedkeuring tot de vernietiging der orde gaven. Sedert werden de Tempeliers alomme vervolgd en gedood. Van eene hunner wezentlijke, maar althans zeer vergroote ondeugden ontstond het spreekwoord: Hij zuipt als een Tempelier.]
Hij zal er de tering nog van zetten.
Liefde en tering zijn twee ongeneeslijke kwalen; die ervan geneest, bewijst, dat hij ze niet gehad heeft. (Zie kwaal.)
Andere nering, Andere tering. (Zie nering.)
Een man van alle nering Vindt ligtlijk zijne tering. (Zie man.)
Kleine winkel, groote nering; Rijke staatsie, smalle tering. (Zie nering.)
Men moet de tering naar de nering zetten. (Zie nering.)
Neringachtig en teringachtig. (Zie nering.)
Sobre nering, Slechte tering. (Zie nering.)
Dat gaat al op zijn Oude Testaments.
Het zijn de vaders van het Oude Testament.5
Als men zijn goed verkwist: het testament kan niet bestaan. (Zie goed.)
Die eene erfenis wil halen, moet het testament lezen. (Zie erfenis.)
Eene vette koe laat wel eens een mager testament na. (Zie koe.)
Een lekker leven maakt een mager testament. (Zie leven.)
Het is Jan Splinters testament. (Zie jan splinter.)
Hij kan zijn testament wel maken.
[Het loopt in eene of andere zaak met hem op het einde.]
De eerste teug is de beste.6
Hij drinkt als eene koe met teugjes van een' vaâm. (Zie koe.)
Op blijde dagen malsche teugen, Kan 't hart van jong en oud verheugen. (Zie dag.)
Water, water, mijn hart brandt af, zei dronken Griet, en zij had een pintje jenever in ééne teug uitgezopen. (Zie griet.)
Dat is een raar gezelschap, zei Teunis, van twaalf menschen zijn er dertien Jannen bij malkander. (Zie gezelschap.)
Dat is onvergankelijk werk, zei blinde Teunis, en hij zag een boerenhuis met stroo dekken. (Zie boer.)
Die kruik wil geen water houden, zei nuchtere Teunis, en hij goot eene kan bier in eenen slaëmmer. (Zie bier.)
Het zal er honden, zei Teunis, en het regende stokslagen. (Zie hond.)
Hoe kunt ge mij zoo plagen, ik moei u immers niet, zei Teunis, en hij werd gegeeseld.5
Ze bijten mij, die mij helpen zouden, zei Teunis, en hij had zijn hemd vol vlooijen. (Zie hemd.)
Hij is teut.6
[Teuten is talmen, gelijk mede het klanknabootsend temend snappen. In deze laatste beteekenis is het van toepassing op den beschonkene, wiensspraak door den drank belemmerd is.]
Als het niet mag, zoo als wij dat willen, Dan zijn wij tevreden en zwijgen stille.7
Die in den zadel niet kan, moet tevreden zijn, op de kroppier te zitten. (Zie kroppier.)
Die met weinig tevreden is, heeft niet veel van doen.8
Die tevreden is met hetgeen hij heeft, Is de weelderigste, die er leeft.9
Het ga, hoe 't wil, ik moet ermeê tevreden zijn.10
Hij is met een blaauw oog tevreden. (Zie oog.)
Hij is niet rijk, die niet tevreden is. (Zie rijke.)
Hij is niet tevreden, voor hij bloed ziet. (Zie bloed.)
Hij is zoo tevreden, dat men hem niet veel behoeft te kittelen, om hem te doen lagchen.11
In Gods naam: dunkt het u goed, zoo ben ik ook tevreden. (Zie god.)
Laat elk tobben en teezen: Wil gij met het uwe tevreden wezen.12
Niemand is met zijne nering tevreden. (Zie nering.)
Wees tevreden met uwe kaart. (Zie kaart.)
Wie keurboom zoekt, moet dikwijls met vuilboom tevreden zijn (of: die vuilboom vindt). (Zie boom.)
Zij zijn niet tevreden, voor zij aan de waterpap zijn. (Zie pap.)
Zulkeen laakt wel, die met erger moet tevreden zijn.13
Dat is zijn Thabor.14
[Men zegt dit, wanneer iemand in hooge geestverrukking verkeert, en doelt op 's Heilands verheerlijking op den berg, dien men meent, dat Thabor geweest is.]
Mundus vult decipi, zei de kwakzalver op het theater, En hij verkocht den luî krotensop voor oogwater. (Zie kroot.)
Een thee- (of: koffij-) briefje gaan bestellen. (Zie brief.)
Het is thee, als jufvrouw de meid roept. (Zie jufvrouw.)
Het is thee met witte puntjes. (Zie punt.)
Hij drinkt sterke thee.
[Verbloemde reden, om te zeggen: hij is een liefhebber van sterken drank.]
Hij is over zijn theewater (ook wel: bier, of: drank). (Zie bier.)
Mijne thee (of: peper) is zoo goed als zijn saffraan. (Zie peper.)
Hij is Tiberius.17
[Deze, op den dronkaard toegepaste vergelijking, zegt tuinman, ‘zal overgenomen zyn van dien Keizer, wiens naam claudius tiberius nero van de Romeinsche soldaaten vervormt wierd in caldius biberius mero, om zijne genegentheid tot wijndrinken. Op die wijze zeiden zy niet onaardig van den opgeworpen Keizer bonosus, als die, verwonnen zijnde, zich zelven verhangen had: Daar hangt een wijnkruik.’]
Beter is één heb-ik dan tien had-ik. (Zie één.)
De moed geeft tien vooruit. (Zie moed.)
Eén hou-daar is beter dan twee (of: tien) gij-zult-het-hebben. (Zie één.)
Eén verloren, Tien verkoren. (Zie één.)
Gij zult er wel komen met uw ééntje, zei de boer, ik heb er al tien geraden. (Zie boer.)
Hij is van nommer tien. (Zie nommer.)
Hij staat erbij, of hij geen tien kan tellen.
Van tienen en van vieren.1
Wij nemen er elk wel tien op onze tanden. (Zie tand.)
Het is de tierelier: Beter twee bedorven dan vier.3
[Tierelieren is kwinkeleren, het geluid, dat de vogelen maken, en tierelier dat geluid zelf. Men zegt dus van den doorbrenger, dat hij zijn goed vertierelierd heeft, dat is: in brooddronkenheid heeft doorgebragt. Is de handeling der beide echtgenooten niet dan wildzang, dan zegt men van zulk een bedorven huwelijk: Het is de tierelier: Beter twee bedorven dan vier.]
Hij wil den tigchelen hunne roodheid afwasschen. (Zie roodheid.)
Hoe een tigchel meer gewreven wordt, hoe hij rooder wordt.
Alle dingen hebben hunnen keer, behalve de tijd; want als die eens voorbij is, zoo komt hij niet weder. (Zie ding.)
Alle ding slijt Met der tijd. (Zie ding.)
Alles moet zijn' tijd hebben.4 (Zie de Bijlage.)
Alles, wat hier lustig schijnt, verdwijnt in korten tijd.5
Alle tijden, één tijd.6
Alle tijden hebben hunne weêrtijden.7
Alle tijden zijn niet goed, om de wol van het schaap te scheren. (Zie schaap.)
Al met der tijd komt Harmen in 't wambuis en Griet in de broek (of: de rokken). (Zie broek.)
Als de oude honden blaffen (of: bassen): zie toe! (of: is het tijd, dat men uitziet). (Zie hond.)
Als de spa gevaagd is, is het tijd genoeg, om de kas te zuiveren. (Zie kast.)
Als die tijden komen, dan als dan.8 (Zie de Bijlage.)
Als die tijden komen, komen die plagen (of: zorgen). (Zie plaag.)
Als een ding op zijn hoogst is, is het meer dan tijd, het te laten. (Zie ding.)
Als het spel op zijn best is, (of: Met gewonnen spel, ook wel: Met winst) moet men eindigen (of: zoo is het tijd, het te laten). (Zie spel.)
Als men komt te weten, Is de tijd versleten.9
Als uws buurmans huis brandt, is het tijd, dat gij uitziet (of: om brand te roepen). (Zie brand.)
Al te blijd Duurt geen' tijd. (Zie blij.)
Andere tijden, andere zeden.10
Beter in den tijd dan ten ontijde. (Zie ontijd.)
Bij tijds aan de markt (of: brug), zoo dringt men u daar niet van daan. (Zie brug.)
Bij tijds een zaak voorzien, Is 't werk van wijze liên. (Zie lieden.)
Brouwers bidden om goeden-, bakkers om duren tijd. (Zie bakker.)
Daar kan nog een andere tijd komen.11
Dat deuntje is hier half den tijd te doen. (Zie deun.)
Dat is wel gedaan, zei jonker Jutfaas, en hij leerde zijnen kinderen, dat zij terstond in het hoerhuis zouden gaan, zoo konden zij bij tijds eene herberg sparen. (Zie herberg.)
Dat tot krom hout dienen moet, buigt zich tijdig. (Zie hout.)
De eene tijd zegt den anderen niet.12
De gekken vragen naar de klok, maar de wijzen weten hunnen tijd. (Zie gek.)
Den schoot in tijds los gooijen. (Zie schoot.)
De pot is eene jufvrouw: zij moet op den tijd bediend worden. (Zie jufvrouw.)
De raad is goed, was ze tijdig. (Zie raad.)
De rivieren, die in korten tijd opzwellen en hoogwassen, hebben altijd veel troebel water. (Zie rivier.)
De sneeuw is goed, als ze op haren tijd komt. (Zie sneeuw.)
Des zomers een wambuis en des winters eene pij doet den molen goed, en bakt op zijn' tijd. (Zie molen.)
De tijd baart alles.13
De tijd baart rozen. (Zie roos.)
De tijd doet sterven.
De tijden veranderen, en wij met dezelve.14
De tijd gaat, de dood komt. (Zie dood.)
De tijd gaat om als een brieschende leeuw. (Zie leeuw.)
De tijd gaat op wollen zolen.15
De tijd geeft (of: eischt) het (ook wel: De tijd brengt het mede).16
De tijd Glijdt.17
De tijd heeft twee aangezigten: een mooi en een leelijk. (Zie aangezigt.)
De tijd is aan geen' post gebonden. (Zie post.)
De tijd is aan God en ons. (Zie god.)
De tijd is de beste medicijn. (Zie medicijn.)
De tijd is kort, de dood is snel: Wacht u van zonden, zoo doet gij wel. (Zie dood.)
De tijd is kostelijk, waar men dien noodig heeft.1
De tijd is meester van alle kunsten. (Zie kunst.)
De tijd is snel: Dat wist paus Gregorius ook wel. (Zie gregorius.)
De tijd is voor God en de menschen gemaakt. (Zie god.)
De tijd leert staâg wijzen en onwijzen. (Zie onwijs.)
De tijd leert vroedschap.2
De tijd moet honderd jaar lang dragen, eer hij een' groot' man baart. (Zie jaar.)
De tijd mogt komen, dat de koe haar' staart zou behoeven. (Zie koe.)
De tijd slijt alles.3
De tijd staat niet stil.4
De tijd verderft al, wat er gemaakt is, en de tong al, wat er te maken is.5
De tijd Verslijt.6 (Zie de Bijlage.)
De tijd verwerft.7
De tijd vliegt heen, en komt nimmer weder.8 (Zie de Bijlage.)
De tijd zal 't leeren.9
De vliegen volgen den honig t' allen tijën, En de gulzige honden de prijen. (Zie hond.)
De waarheid is eene dochter van den tijd. (Zie dochter.)
De ziekte moet tijd hebben, om te genezen.10
Die den eenen tijd tot staat wordt gebragt, Die wordt den anderen tijd niet geacht. (Zie staat.)
Die den tijd heeft, behoort niet te beiden.11
Die den tijd verbeiden kan, Wordt van jongen eens een man (of: Met der tijd wordt het kind een man). (Zie jongen.)
Die in den tijd van zaaijen slaapt, mag bij 't oogsten wel in de veren blijven.
Die niet gereed is, verlet geen' tijd.12
Die op zijn' tijd knollen wil eten, Moet sint Lourens niet vergeten. (Zie knol.)
Die pepergoeden (of: gepeperden) tijd heeft, doet peper in (of: pepert) zijne pap. (Zie pap.)
Die tijd heeft, en tijd laat glijen, Zal zijn leven niet gedijen (of: Vindt geen' tijd tot alle tijën). (Zie leven.)
Die tijd heeft, heeft leven. (Zie leven.)
Die vroeg zaait, heeft den tijd vóór zich, - die laat zaait, achter zich.13
Die weet, dat hij gansch niet en weet, Heeft wel zijn moeite en tijd besteed. (Zie moeite.)
Die wiedt op zijn' tijd, Vindt loon voor zijn vlijt. (Zie loon.)
Die zich schamen en zich mijden, Staan den meesten tijd bezijden.14
Die zijnen tijd verzit, bidt zelf op het laatst.15
Die zijnen zaaitijd verslaapt, vindt geen' maaitijd.16
Die zijn tijdje weet te gissen, En zijn touwtje weet te splitsen, En zijn glas te roere staan, Mag wel voor een' bootsman gaan. (Zie bootsman.)
Die zijn' tijd in rust wil leven, Moet hooren en zien, en 't beste geven. (Zie rust.)
Die zit en lolt, of zit en vrijt, Verlet zijn werk, vergeet zijn' tijd.17
[Lollen beteekent warmen; van daar lollepot voor vuurpot. Het prentje bij cats, ter opheldering van dit spreekwoord, is bekend, en in hetgeen ‘de Lolster spreeckt,’ vindt men het spreekwoord geheel verklaard.]
Dit is de tijd, dien men bezigen zoude.18
Dure tijd leert huishouden.19
Een dapper soldaat gaat op zijn' tijd loopen. (Zie soldaat.)
Eene kwade markt komt tijdig genoeg van zelf. (Zie markt.)
Een korte vreugd, een kort jolijt Is deze tijd. (Zie jolijt.)
Een oud wijf, die in haren jongen tijd hoer is geweest, wordt eene koppelaarster, of zij verkoopt kaarsen in de kerk. (Zie hoer.)
Eens oud' mans vreugd en de Maartsche zon dienen tijdelijk waargenomen. (Zie maart.)
Eén steek op zijn' tijd voorkomt negen andere. (Zie steek.)
Elke duivel heeft zijn' tijd. (Zie duivel.)
Elk zijn' tijd.20
En tijd en stond Komt uit Gods mond. (Zie god.)
Er is een tijd van beginnen en van eindigen.21
Er is een tijd van komen en van gaan.22
Er is een tijd van zwijgen en een tijd van spreken.23
[Dit spreekwoord is genomen uit Pred. iii: 7.]
Ga altijd op zijn' tijd ter molen. (Zie molen.)
Geef tijd, zei de koekebakker, en hij ging bankeroet. (Zie bakker.)
Geef wat tijd, zei vader Van Vleuten, want al te haastig is kwaad.24
Geene zorgen (ook wel: ellende) voor den tijd. (Zie ellende.)
Geen nutter ding voor gramme zinnen, Dan stil te zijn en tijd te winnen. (Zie ding.)
Geen tijd Zonder strijd. (Zie strijd.)
Geld te bergen, maakt den tijd kort; voor een ander te werken, maakt hem lang. (Zie geld.)
God is geen spreker, Maar op zijn' tijd een wreker. (Zie god.)
God kan wel een' tijd lang borgen, maar daarom scheldt Hij nog niet kwijt. (Zie god.)
Goede dingen moeten tijd hebben. (Zie ding.)
Grijp, als het tijd is.25
Groote werken eischen grooten tijd.26
Hartzeer slijt Met der tijd. (Zie hart.)
Heb zorg, om te winnen; want gij zult het met der tijd uit moeten geven.1
Hetgeen de tijd in droefheid doet, Doe gij dat met een wijs gemoed. (Zie droefheid.)
Het is altijd geen zweel- (of: speel-) tijd, al schijnt de zon.2
Het is daar een doode tijd.
Het is de vernielende tand des tijds. (Zie tand.)
Het is een brief na posttijd. (Zie brief.)
Het is eene kunst: bij tijds te loopen. (Zie kunst.)
Het is eene kunst: in tijds ja te zeggen. (Zie ja.)
Het is geen hooitijd (of: Gij behoeft niet uit hooijen te gaan). (Zie hooi.)
Het is geen tijd, om naar de frikkedillen te tasten, als ze een ander tusschen de tanden heeft. (Zie frikkedillen.)
Het is geen tijd, te stuipen, als het hoofd af is. (Zie hoofd.)
Het is hard ooft, dat de tijd niet meukt. (Zie ooft.)
Het is in den komkommer-tijd. (Zie komkommer.)
Het is mijn dag wel, maar mijn tijd (of: weêr) nog niet. (Zie dag.)
Het is nu geen tijd, dat Bertha spint. (Zie bertha.)
Het is van hertog Ott's tijd. (Zie hertog.)
Het is van Maarten van Rossems tijd. (Zie maarten van rossem.)
Het kan ten allen tijde niet gelijk zijn.3
Het komt maar grooten bergen toe, sneeuw en groen op denzelfden tijd te dragen. (Zie berg.)
Het moet in tijds naturen, dat van goede stof opgeleid is. (Zie natuur.)
Het tijdelijk goed wordt met moeite vergaârd, met zorg bewaard, en met rouw verloren. (Zie goed.)
Het verliezen op tijd en plaats is winnen. (Zie plaats.)
Het was in dien tijd, dat de visschers aan de orde van den dag waren, en de slagers met de handen over elkander zaten. (Zie dag.)
Het weder volgt den tijd.4
Het wordt tijd, om het geschut op den wal te brengen. (Zie geschut.)
Het zal hem met der tijd wel vergaan.5
Het zal met der tijd eene vette koe worden. (Zie koe.)
Het zal met der tijd een leghennetje worden. (Zie hen.)
Het zal met der tijd wel gaan, zei Jan, en hij had een klein kind aan den leiband. (Zie band.)
Hij geeft tweemaal, die een ding in tijds geeft. (Zie ding.)
Hij heeft altoos tijd genoeg.6
Hij heeft bij tijds aangeloefd.7
Hij heeft eenen tijd lang voor de honden geloopen. (Zie hond.)
Hij heeft er den brui (ook wel: den hooi, den bras, of: den lieven tijd) van. (Zie bras.)
Hij heeft geen' tijd, om zijn zijdgeweer te trekken. (Zie geweer.)
Hij heeft zich in tijds geborgen.8
Hij heeft zijn' tijd (of: zijne poos) te roer gestaan. (Zie poos.)
Hij heeft zijn' tijd vergist.9
Hij heeft zooveel werk, dat hij naauwelijks tijd heeft tot k......10
Hij hooit met zijn goed al buiten den hooitijd. (Zie goed.)
Hij is gewis een deugdelijk man, Die op zijn' tijd zwijgen en spreken kan. (Zie man.)
Hij is het gevaar bij tijds ontloopen. (Zie gevaar.)
Hij is uit den tijd.
Hij is wijs, die den tijd neemt, als hij tegenwoordig is.11
Hij komt te regter tijd.12
Hij komt van Hoorn: hij heeft den tijd. (Zie hoorn.)
Hij krijgt het nog bij tijds in de punt. (Zie punt.)
Hij loopt, alsof hij zijnen ganschen leeftijd achter den ploeg gesleten heeft. (Zie ploeg.)
Hij loopt in het lange pak (of: langen tijd in het pak). (Zie pak.)
Hij moet bij tijds opstaan, die de moêr met de jongen vangen zal. (Zie jong.)
Hij neemt er den tijd wel toe.13
Hij slacht de suikerboontjes (of: groene erwtjes): hij heeft zijn' tijd (of: zijne beste dagen) gehad. (Zie boon.)
Hij slacht de suikerperen: hij heeft zijn' besten tijd gehad. (Zie peer.)
Hij verkwist zijn' tijd met ledige bezigheid. (Zie bezigheid.)
Hij weet van uur noch tijd.14 (Zie de Bijlage.)
Hij weet zich naar den tijd te voegen.15 (Zie de Bijlage.)
Hij zal op eenen anderen tijd wel beter voor zich zien.16
Ieder ding heeft zijnen tijd en zijne bijzondere wijze. (Zie ding.)
Iedereen klaagt over den slechten tijd, en toch slaat de hoovaardij deur en venster uit. (Zie deur.)
Iedere tijd komt, voor die hem kan verwachten.17 (Zie de Bijlage.)
IJs en sneeuw versmelt door tijd, Zoo ook, wat ons steekt en snijdt. (Zie ijs.)
Ik ben al tot den vespertijd gekomen.18
[Dat wil zeggen: ik word oud. De vesper is de avonddienst der Roomsche kerk, dus genoemd naar het Latijnsche vesper, hetwelk avond beteekent.]
In alle tijden en landen Eert men groote verstanden. (Zie land.)
In duren tijd trouwen, Leert goed huishouën.
In elk verbond, waar geen tijd bepaald is, mag men de schuld terstond vorderen. (Zie schuld.)
In tijds gewaarschuwd, in tijds gewapend.
In tijds voorzien, Baat alle liên. (Zie lieden.)
Is de tijd goed, Dit maakt den moed. (Zie moed.)
Is 't nu nog tijd van zingen? De vijand staat gereed, om 't klooster te bespringen. (Zie klooster.)
Jupijn zag er in zijn' tijd al geene kans toe. (Zie jupiter.)
Klappers en nieuwmaristen Doen anders niet dan tijd verkwisten. (Zie klapper.)
Komt tijd, komt raad. (Zie raad.)
Koop het in den tijd, en gebruik het in den nood. (Zie nood.)
Korte redenen, daar lange bedenkingen uit voortspruiten, zijn dienstig voor hen, die den tijd achten. (Zie bedenking.)
Kort is de loop van onze dagen: De tijd komt alles weg te dragen. (Zie dag.)
Laat ze ook zorgen, die nakomen: het zal mijnen tijd wel uithouden.1
[Een egoïstisch gezegde, toegepast op den man, die zorgeloos zich aan de genietingen der wereld overgeeft, zonder te bedenken, dat hij voordeelen geniet van het voorgeslacht, of zich te bekommeren over zijne nakomelingen.]
Lang leven de wijzen van den ouden tijd, die dood zijn.2
Maak, dat gij maar in tijds de timmerlieden bestelt.3
Maak uwe reis even lang als uw' tijd. (Zie reis.)
Meer goed dan tijd. (Zie goed.)
Men dient zijn' tijd wel uit te koopen, Terwijl dat onze jaren loopen. (Zie jaar.)
Menigeen lacht, die daarna weenen zou, had hij tijd.4
Men moet alles op zijn' tijd doen.5
Men moet den tijd des geluks verwachten, totdat het eenmaal beter worde. (Zie geluk.)
Men moet den tijd nemen, zoo als hij komt.6
Men moet den tijd zijn regt geven. (Zie regt.)
Men moet op zijn' tijd uitzien, van waar de wind waait.7
Men moet te allen tijde Om de wijsheid strijden.8
Men moet te regter tijd den mond kunnen openen en sluiten. (Zie mond.)
Men moet tijden en stonden kennen. (Z