|
| |
[V]
Vaandelen.
Daar valt niets te vaandelen.
[Dat wil zeggen: er is daar niets te halen. Men steekt daar geen vaandel op.]
| |
Vallen.
Al naar het valt.
[Op het woord besje komt deze spreekwijze reeds als deel voor van het spreekwoord: Naar het valt, zei Uilespiegel, en besjes neus droop over het beslag.]
Als een ander valt, dan ligt hij reeds. (Zie liggen.)
Al viel ik over hem, ik zou hem toch niet kennen. (Zie kennen.)
Beter eens te vallen, dan altijd te waggelen.
Daar gaat niets verloren, dan wat bezijden valt.9
Die hooger klimt, dan hem betaamt, Valt lager, dan hij had geraamd. (Zie betamen.)
Die kruipt, valt niet. (Zie kruipen.)
Die laag zit, valt niet hoog.
Die loopt, valt ligter, dan die kruipt. (Zie kruipen.)
Die niet valt, behoeft niet op te staan. (Zie opstaan.)
Die sta, zie toe, dat hij niet valle. (Zie staan.)
Die valt, die ligt, En wordt van niemand opgerigt. (Zie liggen.)
Die valt, een ieder loopt straks over hem. (Zie loopen.)
Die veel wil mallen, Moet eenmaal (of: Zal haastig) vallen. (Zie mallen.)
Het dreigt, dat vallen zal. (Zie dreigen.)
Het is op zijn hoogst gekomen: het moet vallen. (Zie komen.)
Het vallen gaat vóór 't zeerdoen. (Zie gaan.)
Het valt niet al, dat waggelt.10 (Zie de Bijlage.)
Hij moet hoog klimmen, die laag vallen zal. (Zie klimmen.)
Hij zal over mij niet vallen.11
Houd je wat laagjes, zoo val je niet hoog. (Zie houden.)
Ik zou hem niet kennen, al viel ik over hem. (Zie kennen.)
Men kan zoo mal niet kallen, Of het kan zoo vallen. (Zie kallen.)
Men moet het nemen, zoo als het valt. (Zie nemen.)
Met vallen en opstaan. (Zie opstaan.)
Stoot mij, daar ik wezen wil, ik kom er toch wel (of: ik val er anders van zelf). (Zie komen.)
Vallen is geen vervallen.12
Valt het wel, zoo hebt gij 't wel. (Zie hebben.)
Waar er één over valt, daar haken ze allen op. (Zie haken.)
Wat laag is, kan niet hard vallen.13
Zie voor u, en gij zult niet vallen.14
| |
Vangen.
Al wat hij grijpen en vangen kan. (Zie grijpen.)
| |
| |
Die niet jaagt, vangt niet. (Zie jagen.)
Gij zult niet vangen.1
Het is hier al geslagen of gevangen. (Zie slaan.)
Het is kwaad te vangen, wat er vliegt.2
Hij meent te vlieden, en wordt gevangen.3
Hij vangt bot.4
[Volgens winschooten beteekent dit: ‘slip krijgen, misdobbelen;’ volgens v. alkemade: ‘dat ijmand zijn oogwit gemist heeft;’ volgens tuinman: ‘hy zal afgewezen worden;’ volgens den Verhandelaar in de Letteroef.: ‘den neus stooten, den wind van voren krijgen, leelijk ter haring varen, of eene onaangename teleurstelling, eene onverwachte afwijzing, hekeling of smadelijke bejegening ondergaan door woorden of daden, of beide te gelijk;’ volgens v. eijk: ‘slecht in zijn oogmerk slagen,’ en eindelijk volgens de jager: ‘slaag krijgen.’ Alles waar; maar ‘bot vangen heeft met den visch bot niets gemeen,’ zoo als de jager aanteekent, omdat v. eijk het onder de spreekwoorden der genoemde vischsoort had opgenomen. Dat deed ook de Verhandelaar in de Letteroef., waarom hij geen' goeden zin aan de spreekwijze wist te geven, en verwonderdvraagt: ‘hoe is ze ooit in de wereld gekomen?’ Tuinman spreekt van ‘de dubbelzinnigheid van 't woord bot, dat eigentlijk een platvisch beduid en ook een bots of wederstuiting, van botten, botzen.’ Maar bot vangen, als men aan visch denkt, kan immers niets onaangenaams zijn! Wij vinden dan ook reeds bij winschooten: dat ‘bot hier beteekend botmis, gants en gaar niet.’]
Meê gevangen, Meê gehangen. (Zie hangen.)
Men gaat dikwijls uit, dat men niet vangt. (Zie uitgaan.)
Ontvlied nimmer, hetgeen gaarne gevangen is. (Zie ontvlieden.)
Zou hij hengelen, en niet vangen! (Zie hengelen.)
| |
Varen.
Die weleer heeft leeren roeijen, Laat dien zich met varen moeijen. (Zie bemoeijen.)
Ga eenvoudig, om niet kwalijk te varen. (Zie gaan.)
Het is kwalijk met hem gevaren.5
Hij tuigt vroeg, en hij vaart laat. (Zie tuigen.)
Hij vaart en vlet.6
[Dat wil zeggen: hij brengt de lading niet alleen nabij den wal (met zijn schip), maar ook aan den wal (met een' vlet, als het schip niet aan den wal kan komen). De toepassing is op den man, die alles zelf waarneemt, en geene vreemde hulp behoeft. Hoe sartorius dus aan 't denkbeeld komt, dat det gezegd wordt van iemand, die om winst zich aan allerlei gevaren blootstelt, begrijp ik niet.]
Hij vaart nu wel, het gaat hem nu voorwaarts. (Zie gaan.)
Hij vaart (of: zeilt) achteruit.7
Hij veert vroeg, en vaart laat.8
[Dat is: hij maakt een toestel, alsof hij u terstond helpen zal; maar laat u lang wachten, als hij u eenmaal in zijne magt heeft. Zoo doet de schipper, die aan het veer alles vroeg voor de afvaart gereed houdt, maar des niet tegenstaande laat van wal steekt. Ook v. eijk neemt het spreekwoord in die beteekenis; maar bij hem heet het: hij vaart vroeg en hij vaart laat, en zoo kan het, althans in de opgegeven beteekenis, niet zijn.]
Hoe vaart gij?9
[Deze wijze, om naar iemands gezondheid te vragen, toont aan, dat wij altijd veel met de scheepvaart ophadden.]
Hoe zijt gij daar gevaren?10
[In hoeverre zijt gij al of niet in uwe onderneming geslaagd?]
Ik wil liever goed zitten dan kwalijk varen.
Laat hem maar meê varen.11
Vaar er wel mede.12
Vaar ik met u niet, dan vaar ik met een ander.13
Vaar wel, zeil wel.
Varen, gelijk het mag. (Zie mogen.)
Zoo het kwam, zoo het voer. (Zie komen.)
Zoo kwalijk varen zij, die 't tappen, als die 't drinken. (Zie drinken.)
Zoo moet hij varen.14
| |
Vasten.
Daar is wel naar te wachten, maar niet (of: kwaad) naar te vasten.15 (Zie de Bijlage.)
Die niet heeft, vast genoeg. (Zie hebben.)
Die niets heeft, kan ligt vasten. (Zie hebben.)
Hij vast genoeg, die kwalijk eet. (Zie eten.)
Tweemaal kwalijk gegeten, is half gevast. (Zie eten.)
| |
Vasthouden.
Hij is houvast (of: vasthoudend).
Houd vast en beleg. (Zie beleggen.)
Houd vast, wat gij hebt. (Zie hebben.)
Men kan iemand niet vasthouden, voor men hem ziet.16
| |
Vatten.
Daar is geen vat aan.17
Die een ander meent te grijpen, wordt zelf gevat. (Zie grijpen.)
| |
Vechten.
Dapper aangegrepen is half gevochten. (Zie aangrijpen.)
Het is al: houd mij! houd mij! ik wil vechten. (Zie houden.)
Het is beter, eerlijk geweken dan schandelijk gevochten.
Ik wilde liever met haar eten dan kijven (of: vechten). (Zie eten.)
Stout gesproken is half gevochten. (Zie spreken.)
Vechten, dat het sta! zegt. (Zie staan.)
Wilt gij vechten, eer gij kijft! (Zie kijven.)
| |
| |
| |
Vedelen.
Wil zij dansen, hij wil vêlen. (Zie dansen.)
| |
Veesten.
Hij zoude hem niet eens laten ruiken, dat hij geveest had. (Zie ruiken.)
| |
Veilen.
Wat duur geveild wordt, is meest begeerd. (Zie begeeren.)
| |
Verachten.
Dat is niet te verachten.1
Gehaat te worden, is erg; maar veracht te worden, nog erger. (Zie haten.)
Hij veracht zulken, daar hij naderhand naar zoekt.2
| |
Veranderen.
Het is zeer met mij veranderd.3
Men verandert zich wel, maar verbetert zich zelden.4
| |
Verantwoorden.
Die niet veel zegt, heeft luttel te verantwoorden.5
Die veel weet, heeft veel te verantwoorden.6
Die veel zegt, heeft veel te verantwoorden.7
[Na over het zwijgen eenige regtsspreekwoorden te hebben aangehaald, en die uit de regtsbeginselen en de regterlijke gebruiken te hebben verklaard, komt v. hall tot het tegenovergestelde, nl. het spreken. ‘De beide spreukachtige gezegden: Die veel zegt, heeft veel te verantwoorden, en Die veel spreekt, liegt veel,’ zegt hij, ‘brengen waarheden mede, die, zoo zij al geene volstrekte regtswaarheden in zich bevatten, vermaningen behelzen, die op de praatziekte en veelschrijverij van onzen tijd niet minder dan op die van vroegere dagen kunnen worden toegepast.’]
Hij zal het kwaad te verantwoorden hebben.8
Zwijgen verantwoordt veel.9
| |
Verbabbelen.
Hij had zich bijna verbabbeld.10
| |
Verbakeren.
Als gij het zelf wilt verbakeren, dan kan er niets van worden.11
| |
Verbakken.
Hij moet noodig eens verbakken worden.
[Dat is: de verandering zal al ligt iets beters van hem kunnen maken; want hij zit vol gebreken.]
| |
Verbeiden.
Beter wel verbeiden, dan dwaaslijk beginnen. (Zie beginnen.)
Die wel verbeidt, doolt niet geheel. (Zie dolen.)
| |
Verbeteren.
Die niet doet, feilt niet, en die niet feilt, verbetert zich niet. (Zie doen.)
Het is een goed spreken, dat een goed zwijgen verbetert. (Zie spreken.)
Het valt ligter (of: is eerder) te berispen dan te verbeteren. (Zie berispen.)
Men verandert zich wel, maar verbetert zich zelden. (Zie veranderen.)
Zwijgen kan niet verbeterd worden.
[Dit spreekwoord vindt men reeds op het woord spreker aldus: Er is geen spreker, die het eenen zwijger verbeteren kan.]
| |
Verbeuren.
Die kwalijk spreekt, heeft anders niet dan een goed zwijgen verbeurd. (Zie spreken.)
Met zwijgen verbeurt men niet.12
| |
Verbieden.
Daar is verbied aan.
[Van die zaken moet men afblijven.]
Eten verbiedt eten. (Zie eten.)
Naauw te dingen en wel te betalen, dat is niemand verboden (dat kan wel, of: dat schikt wel, ook: dat is goed). (Zie betalen.)
Wat er verboden wordt, kakken en trouwen blijft altijd geoorloofd. (Zie blijven.)
Wat men hem verbiedt, dat heet men hem. (Zie heeten.)
Wat veroorloofd is, mishaagt; wat verboden is, behaagt. (Zie behagen.)
Weder gekken was nooit verboden. (Zie gekken.)
Weder slaan is niet verboden. (Zie slaan.)
| |
Verbijten.
Hij zit zich te verbijten.13
| |
Verblijden.
Geen verblijden Dan na 't lijden (of: Na het lijden Komt verblijden). (Zie lijden.)
Men moet zich niet te gaauw verblijden.
| |
Verbloemen.
Hij verbloemt het.14
Iets verbloemd zeggen.15
[Iets verbloemd zeggen is in verbloemden stijl spreken, dat wil zeggen: met geheimzinnige uitdrukkingen. Het beteekent dus hetzelfde als: iets verbloemen, dat hij doet, die eene zaak verbloemt.]
| |
Verbranden.
Driemaal verhuisd is zoo goed als ééns verbrand.16
Hij meende zich maar te warmen, en hij verbrandt zich.17
Iemand levend verbranden.
| |
Verbrassen.
Gij zult u niet verbrassen.18
[Dat wil zeggen: de voorraad levensmiddelen, daartoe noodig, is niet voorhanden. Het is er schraalhans, en waar deze gebied voert, daar is magerman kok.]
| |
Verdeelen.
Verdeel en heersch. (Zie heerschen.)
| |
Verdenken.
Het ziet er verdacht uit. (Zie uitzien.)
| |
Verdienen.
Die wat verdient, moet wat hebben. (Zie hebben.)
Het staat te verdienen, wat verdiend behoort te zijn. (Zie behooren.)
Zoo gij eens gegeeseld waart, gelijk ik het verdiend had. (Zie geeselen.)
| |
| |
| |
Verdoemen.
Al gelooft gij het niet, gij zult er nogtans niet om verdoemd zijn. (Zie gelooven.)
| |
Verdragen.
Die altijd gedwee verdraagt, Wordt bedrogen en geplaagd. (Zie bedriegen.)
Die altoos verdraagt en zwijgt, Overwint eens en verkrijgt. (Zie overwinnen.)
Die kan lijden en verdragen, Weet van alles zonder vragen. (Zie lijden.)
Die verwinnen wil, die leere verdragen.1
Hoort, ziet, zwijgt en verdraagt, Zoo weet niemand, wat u jaagt. (Zie hooren.)
Verdraag u zelven.2
Zij heeft al veel tobbens verdragen. (Zie tobben.)
| |
Verdrieten.
Het verdriet iemand zeer, als hij lang beiden moet. (Zie beiden.)
Laat het u niet verdrieten, Dat een ander u moet genieten. (Zie genieten.)
| |
Verdrinken.
Die geboren is, om te hangen, verdrinkt niet. (Zie geboren worden.)
| |
Verduwen.
Hij kan het niet verduwen.3
| |
Veren.
Hij veert vroeg, en vaart laat. (Zie varen.)
| |
Vergaan.
Al gevoelende verga ik. (Zie gevoelen.)
Het lagchen zal hem wel vergaan. (Zie lagchen.)
Hooren en zien vergaat. (Zie hooren.)
Wat haast ontstaat, Ook haast vergaat. (Zie ontstaan.)
| |
Vergaderen.
Die veel vergadert, kan veel verliezen.4
Een scherp vergaderen maakt een vriendelijk scheiden. (Zie scheiden.)
Het vergaderen is zoet; maar het scheiden is bitter. (Zie scheiden.)
Hoe eer gespaard, Hoe eer vergaârd. (Zie sparen.)
Kwalijk verkregen, omverre gedreven; kwalijk vergaârd, onlangs verjaard. (Zie drijven.)
Lang vergaârd, Haast geschaard. (Zie scharen.)
Ontijdig sparen Doet niet vergâren. (Zie sparen.)
Sparen Boven gâren. (Zie sparen.)
Wie niet vergadert, die verstrooit.5
[Dit spreekwoord is genomen uit Matth. xii: 30.]
Zonder sparen Kan niemand vergâren. (Zie sparen.)
| |
Vergalopperen.
Hij heeft zich vergaloppeerd.
| |
Verganzen.
Hij moet verganzen.6
[Men bezigt deze spreekwijze, zegt tuinman, ‘wanneer ymand ergens [nl. in een gezelschap] voor de eerste maal komt,’ en als lid wordt ingelijfd. ‘'t Wil zyn,’ zegt hij verder: ‘hy moet uit den hensbeker [d.i. den beker, ter eere van Hans] drinken.’ Hoe en waarom verganzen ‘van verhanzen of verhenzen verbastert is,’ blijkt niet; terwijl zijne Fakkel, werwaarts tuinman verwijst, geen meerder licht verspreidt.]
| |
Vergapen.
Hij heeft zich leelijk vergaapt.
Men vergaapt er zich aan, waar men aan wurgt.7 (Zie de Bijlage.)
| |
Vergen.
Dat nooit gevergd was, is nog niet ontzegd. (Zie ontzeggen.)
Te veel te vergen, Is maar tergen. (Zie tergen.)
| |
Vergeten.
Daar is niets aan vergeten.8
Die niet veel weet, Niet veel vergeet.9
Die niet wel schrijven kan, moet veel vergeten. (Zie schrijven.)
Die zeer bemint, spade vergeet. (Zie beminnen.)
Eten En vergeten. (Zie eten.)
Hard geschreeuwd en gaauw vergeten. (Zie schreeuwen.)
Het is al vergeten, wat verleden is.10
Het zal vergeven en ook vergeten zijn.11
Hij heeft er niet veel van vergeten.12
Ik heb vergeten, dat ik u niet beval, dat gij spoedig zoudt terugkomen. (Zie bevelen.)
Kunt gij sterven, gij kunt vergeten worden. (Zie sterven.)
Ligt gestoord, ligt vergeten). (Zie storen.)
Luid gekreten, Haast vergeten (of: Hoe harder gekreten, Hoe eerder vergeten. (Zie krijten.)
Wat hij hier ziet, is hij ginder vergeten.13
Wel vergeven, maar niet vergeten.14
Werwaarts gij ook ziet, Ons vergeet gij niet!15
| |
Vergeven.
De eerstemaal is 't u vergeven.16
Het is hem te vergeven: hij weet niet beter.17
Het zal vergeven en ook vergeten zijn. (Zie vergeten.)
Wel vergeven, maar niet vergeten. (Zie vergeten.)
| |
Vergooijen.
Zij vergooit zich.
| |
Vergrijpen.
Hij heeft zich vergrepen.18
| |
Verhakstukken.
Daar valt wat te verhakstukken.19
| |
Verhanselen.
Hij wordt verhanseld.
| |
Verheeren.
Hij lijden leert, Die is verheerd. (Zie lijden.)
| |
Verheffen.
Is het zwaar, verhef je niet.20
[Verheffen is hier vertillen, niet verhoogen. De spreekwijze geeft te kennen, dat men zich niet moet verheffen (verhoogen) in zaken, waaraan men zich verheffen (vertillen) zou.]
| |
Verhelen.
Hij is te prijzen, die wel verheelt. (Zie prijzen.)
| |
| |
| |
Verhoogen.
Die zich vernedert, zal verhoogd worden; maar die zich verhoogt, zal vernederd worden.1 (Zie de Bijlage.)
[Dit spreekwoord is genomen uit Matth. xxiii: 12 en Luk. xiv: 11 en xviii: 14.]
| |
Verhuizen.
Driemaal verhuisd is zoo goed als ééns verbrand. (Zie verbranden.)
Hij is verhuisd.
| |
Verhuren.
Die verhuurd is, die is verkocht.2
| |
Verjaren.
Je zult ervan verjaren.
Kwalijk verkregen, omverre gedreven; kwalijk vergaârd, onlangs verjaard. (Zie drijven.)
| |
Verkassen.
Hij is verkast.
[Dat wil zeggen: hij heeft zijne aardsche woning ledig gelaten. Men zegt het van den doode. In gelijken zin gebruikt men de spreekwijze: Hij is verhuisd.]
| |
Verkeeren.
Daar men meê verkeert, Wordt men meê geëerd. (Zie eeren.)
Niet met wien gij geboren wordt, maar met wien gij verkeert. (Zie geboren worden.)
| |
Verkerven.
Goed getrouwd is half bedorven; Slecht getrouwd is heel verkorven. (Zie bederven.)
Hij heeft het verkorven.3
Hij kan het niet gemakkelijk verkerven.4
| |
Verketelboeten.
Wij zullen het wat verketelboeten.5
[De beteekenis dezer spreekwijze is in het algemeen: eene zaak herstellen. Zij wordt al gekkende op slechte verzen toegepast.]
| |
Verkiezen.
Die niet verkiezen, Mogen niet verliezen.6
Verkiezen Doet verliezen.7
| |
Verkijken.
Het is verkeken.
[Deze spreekwijze vindt men reeds op het woord spel aldus: Het spel is verkeken.]
| |
Verklappen.
Hij heeft zich zelven verklapt.8
| |
Verknijpen.
Hij zit zich te verknijpen.
| |
Verknollen.
Hij heeft het verknold.9
[Sedert men knollen voor citroenen is gaan verkoopen, is de knol in minachting geraakt, en verstaat men door verknollen: iets bederven door verkeerd spreken of handelen; daarom begrijp ik niet, hoe tuinman vragen kon: ‘Maar waarom zegt men: Hij heeft het verknolt, voor verkerft, verhoetelt, verdorven?’ evenmin als dat v. eijk zegt, dat het ‘onbekend schijnt, van waar dit zijn oorsprong heeft.’]
| |
Verkoken.
Wat lang kookt, verkookt geheel. (Zie koken.)
| |
Verkoopen.
Beter verkocht en berouwen, dan gehouden en berouwen. (Zie berouwen.)
Die koopt en verkoopt, gevoelt niet, wat hij uitgeeft. (Zie gevoelen.)
Die verhuurd is, die is verkocht. (Zie verhuren.)
Duur geloofd is niet verkocht. (Zie loven.)
Het is verkocht, maar nog niet geleverd. (Zie leveren.)
Hij is al verkocht; ware hij maar geleverd. (Zie leveren.)
Hij wordt verkocht, daar hij bijstaat. (Zie bijstaan.)
Indien ge daarop winnen wilt, moet ge 't terstond verkoopen.
[Dit spreekwoord vindt men reeds op het woord schade aldus: Als ge dat zonder schade verkoopen wilt, moet ge er spoedig toe besluiten (of: gaauw bij zijn).]
Men kan hem verraden en verkoopen.
Men moet duur loven, wat men duur verkoopen wil. (Zie loven.)
Schoon voorgedaan is half verkocht.
[Op het woord bakker komt dit spreekwoord reeds als deel van een ander aldus voor: Schoon voorgedaan is half verkocht, zei de bakker, en hij stelde geschilderd brood op 't venster.]
Wat iemand verkocht heeft, dat moet hij leveren. (Zie leveren.)
Zij is zoo duur verkocht, als zij gelden mag. (Zie gelden.)
| |
Verkouten.
Men zal zich eer verkouten dan verzwijgen.
| |
Verkrijgen.
Aanhouden doet verkrijgen. (Zie aanhouden.)
Dat met bidden verkregen wordt, is duur gekocht. (Zie bidden.)
Die altoos verdraagt en zwijgt, Overwint eens en verkrijgt. (Zie overwinnen.)
Doe het al weenende, en gij zult het al lagchende verkrijgen. (Zie doen.)
Goedkoop verkregen, Staat elk een tegen. (Zie tegenstaan.)
Kwalijk verkregen, draagt niet ver. (Zie dragen.)
Kwalijk verkregen, omverre gedreven; kwalijk vergaârd, onlangs verjaard. (Zie drijven.)
| |
Verkroppen.
Hij kan het niet verkroppen.
| |
Verlangen.
Daar men naar verlangt, dat ziet men gaarne.10
| |
Verlaten.
Op wien ik mij verliet, Die was 't, die mij verried.11
[In Psalm xli: 10 vindt men het denkbeeld, door dit spreekwoord uitgedrukt.]
Wie zich op anderen verlaat, is verlaten.12
| |
Verleeren.
Het is hem heuschelijk verleerd.13
| |
Verleggen.
Wel gevonden, fijn verlegd.14
| |
| |
| |
Verlekkeren.
Hij is er geheel op verlekkerd.1
| |
Verliezen.
Al begeerd, al verloren. (Zie begeeren.)
Alzoo lief verlies ik het, als ik het win.2
Al zou ik nog eens zooveel verliezen.3
Daar elk zich zelven zoekt, gaat niemand verloren.4
Daar gaat niets verloren, dan wat bezijden valt. (Zie vallen.)
Daar verliest niemand minder, dan die niet te missen heeft. (Zie missen.)
Die niets heeft, wat kan hij verliezen? (Zie hebben.)
Die niets te verliezen heeft, slaapt gerust. (Zie slapen.)
Die niet verkiezen, Mogen niet verliezen. (Zie verkiezen.)
Die nooit afdingen, verliezen gaarne. (Zie afdingen.)
Die veel heeft, kan meer verliezen, dan die niet bij kan brengen. (Zie bijbrengen.)
Die veel vergadert, kan veel verliezen. (Zie vergaderen.)
Gij zult hem al staande verliezen. (Zie staan.)
Het is al verloren, als het niet wezen wil.5
Het is verloren, daar men het al in slaan zal. (Zie slaan.)
Het was: hier had ik u, daar verloor ik u. (Zie hebben.)
Hij meent te winnen, maar verliest.6
Hij zoekt, daar 't niet verloren is.7
Kwalijk gewonnen, kwalijk verloren.8
Ligtelijk gewaagd doet bezwaarlijk verliezen.9
Ligtelijk gewonnen, ligtelijk verloren.10
Men moet zoeken, daar men 't verloren heeft.11 (Zie de Bijlage.)
Men wint of verliest, Naardat men kiest. (Zie kiezen.)
Niemand verliest, hetgeen een ander wint.12 (Zie de Bijlage.)
Verkiezen Doet verliezen. (Zie verkiezen.)
Verliezen leert vinden.13
Wagen wint en wagen verliest.14
Wat men duur koopt, verliest men noode. (Zie koopen.)
Wie verliest, die zoekt het naauw.
Zoo gewonnen, zoo verloren.15
Zoo gij iets vindt, laat u dat niet bekoren; Maar geef het weêr aan hem, die 't heeft verloren. (Zie bekoren.)
| |
Vermeten.
Dat niemand zich vermeet, Daar hij niet van weet.16
| |
Vermogen.
Die nooit at, weet niet, wat eten vermag. (Zie eten.)
Eenig vermag veel.17
| |
Vermoorden.
Het schijnt, dat hij al vermoorden zal, wat daaromtrent is. (Zie schijnen.)
Hij laat hem dunken, dat hij 't al vermoorden zal. (Zie dunken.)
| |
Vernagelen.
Zij gaat, of zij vernageld was. (Zie gaan.)
| |
Vernederen.
Die zich vernedert, zal verhoogd worden; maar die zich verhoogt, zal vernederd worden. (Zie verhoogen.)
| |
Vernestelen.
Iemand vernestelen.18
[Dat is: op zijn nest betrappen.]
| |
Verontschuldigen.
Die zich verontschuldigt, beschuldigt zich. (Zie beschuldigen.)
| |
Veroorloven.
Wat veroorloofd is, mishaagt; wat verboden is, behaagt. (Zie behagen.)
| |
Verpikken.
Men zou het verpikken.19
| |
Verpraten.
Verpraat u zelven niet.20
| |
Verpruilen.
Die het zijne verpruilt, die heeft er niets van. (Zie hebben.)
| |
Verraden.
Daar er twee luisteren, is de derde verraden. (Zie luisteren.)
Die zich te haast laat raden, laat zich ook haast verraden. (Zie raden.)
Gij meent altijd, dat gij verraden zijt. (Zie meenen.)
Het is al verraden: om en om.21
Hij is evenwel daartoe verraden geworden.22
Men kan hem verraden en verkoopen. (Zie verkoopen.)
Op wien ik mij verliet, Die was 't, die mij verried. (Zie verlaten.)
| |
Verrijzen.
Er zal wat verrijzen.23
[Men zegt dit, wanneer er iets nieuws of wonderlijks te wachten is.]
Wel verrezen, Maar niet genezen. (Zie genezen.)
| |
Verroeren.
Die wel is, verroere zich niet.24 (Zie de Bijlage.)
| |
Verschansen.
Hij weet zich goed te verschansen.25
| |
Verscheuren.
Hij zag hem aan, of hij hem levend wilde verscheuren. (Zie aanzien.)
| |
Verschimmelen.
Hij zal niet ligt verschimmelen.26
| |
Verslapen.
Hij heeft zich verslapen.
| |
| |
| |
Versleuren.
Die ligt versleurt, Ook ligtlijk treurt. (Zie treuren.)
| |
Verslijten.
Eer wij wat weten, Zijn wij versleten.1
Hij is zoo gemaakt, hij moet ook zoo versleten worden. (Zie maken.)
Ik heb hem daarvoor versleten.2
Ik wil hem verslijten, voor dat hij is.3
| |
Verslinden.
Hij moet het winnen, Dat zij zal verslinnen.4
Zoo gewonnen, Zoo verslonnen.5
| |
Verslingeren.
Hij is op haar verslingerd.6
| |
Verspreken.
Beter versproken dan vertast.7
Met zwijgen verspreekt zich niemand.
| |
Verstaan.
Die wel verstaat, regt wel. (Zie regten.)
Hij verstaat het zich, gelijk ik 't u zeide.8
Hij verstaat zich op het kuipen. (Zie kuipen.)
Ik versta uw kraaibekken en uw kakelen wel. (Zie kakelen.)
Kwalijk verstaan doet kwalijk antwoorden. (Zie antwoorden.)
Spotten leert gek verstaan. (Zie spotten.)
Wie alles lastert, verstaat gewoonlijk niets. (Zie lasteren.)
| |
Versteken.
Hij heeft zich verstoken.9
| |
Verstoren.
Die verstoord is, verstoort er meer.10
| |
Verstrooijen.
Wie niet vergadert, die verstrooit. (Zie vergaderen.)
| |
Vertasten.
Beter versproken dan vertast. (Zie verspreken.)
| |
Vertellen.
Het is goed, als men 't vertellen mag.11
Laat mij toch vertellen.12 (Zie de Bijlage.)
| |
Verteren.
Kwalijk gewonnen, kwalijk verteerd.13
Ligtelijk gewonnen, ligtelijk verteerd.14
Wel winnen doet wel verteren.15
Zoo gewonnen, zoo verteerd.16
| |
Vertrekken.
Hij is vertrokken.
[Van hier nl., dat is: uit dit leven. De spreekwijze wordt op den doode toegepast.]
| |
Vertrouwen.
Die een ander niet vertrouwt, deugt zelf niet. (Zie deugen.)
Help u zelven, en vertrouw niet op anderen. (Zie helpen.)
Ik vertrouw hem niet verder, dan ik hem zie.
| |
Vervallen.
Vallen is geen vervallen. (Zie vallen.)
| |
Vervelen.
Hetgeen te lang duurt, verveelt. (Zie duren.)
Te veel verveelt.17
| |
Vervuilen.
Hij wil het zouten, opdat het niet vervuile.18
[Hij wil het als eene rariteit bewaren.]
| |
Verwarmen.
Men verwarmt zich wel met werken.19
| |
Verwegen.
Hij kan zich verwrikken noch verwegen.
| |
Verwekken.
Borgen Maakt (Geeft, of: Verwekt) zorgen. (Zie borgen.)
| |
Verweren.
Altijd een haken en verweren. (Zie haken.)
| |
Verwijderen.
Als gij meent, op het naast te zijn, zoo zult gij er het verst van verwijderd wezen. (Zie meenen.)
| |
Verwijzen.
De een verwijst, Wat de ander prijst. (Zie prijzen.)
| |
Verwinnen.
Die verwinnen wil, die leere verdragen. (Zie verdragen.)
Die volhardt, die verwint.20
| |
Verwrikken.
Hij kan zich verwrikken noch verwegen. (Zie verwegen.)
| |
Verzadigen.
Hij is niet te verzadigen.21
| |
Verzaken.
Hij kan liegen en verzaken. (Zie liegen.)
Met zwijgen zal men zich niet verzaken.22
Zij kunnen malkander niet verzaken.23
[Men zegt dit van menschen, die in doen en laten overeenstemmen, getijk mede van zaken, die men zonder voordeel of schade voor elkander in ruil kan nemen.]
| |
Verzamelen.
Veel omvâmen, Weinig verzâmen. (Zie omvademen.)
| |
Verzeggen.
Men moet niets verzeggen; men kan niet weten, waartoe men komen kan. (Zie komen.)
| |
Verzeilen.
Hoe komt gij hier verzeild?24
[Men roept dit verwonderd uit, als men iemand op eene plaats vindt, waar men hem volstrekt niet dacht te ontmoeten.]
| |
Verzellen.
Beter alleen dan kwalijk verzeld.25 (Zie de Bijlage.)
| |
Verzeren.
Wat verzeert, Dat leert. (Zie leeren.)
| |
Verzinken.
Hij zoude liever willen verzinken.26
| |
| |
| |
Verzinnen.
Half verzonnen Is lomp begonnen. (Zie beginnen.)
Hij ziet zich zelven blind, Die al te lang verzint.1
Verzint, Eer gij begint. (Zie beginnen.)
| |
Verzoeken.
Laat een ander het zoo lang verzoeken, als ik het verzocht heb.2 (Zie de Bijlage.)
| |
Verzouten.
Hij heeft het achterna al verzouten.3
| |
Verzuchten.
Hopen en duchten Doet velen verzuchten. (Zie duchten.)
| |
Verzuimen.
Die zich verzuimt, Die wordt ontpluimd. (Zie ontpluimen.)
| |
Verzuipen.
Men moet pompen of verzuipen. (Zie pompen.)
Zeilen of verzuipen.4
| |
Verzwijgen.
Men zal zich eer verkouten dan verzwijgen. (Zie verkouten.)
| |
Vetigen.
Wat baat het kleven, als het niet vestigen wil! (Zie baten.)
| |
Veteren.
Men kan niet veteren, dat niet knoopen wil. (Zie knoopen.)
| |
Vieren.
Hij wordt gaarne naauw gevierd.5
Iets bot vieren.6
[‘Dat is,’ zegt tuinman: ‘ymand involgen en toegeven,’ erbij voegende: ‘'t is een gelijkenis van Walvisschen, enz., waar aan een ruime lijn word gegeven, om voort te schieten, als zy van 't harpoen getroffen zyn.’ Als hij echter zijne reden aldus vervolgt: ‘zo geeft men ook een touw bot,’ dan is zijne vraag niet bevreemdend: ‘maar wat is dat bot te zeggen?’ want bot is het touw zelf, of liever een eind van hetzelve, gelijk de jager uit verschillende schrijvers bewijst in zijn Taalkundig Magazijn, iii. bl. 53. Dáár en op de voorgaande bladz. wordt mede aangetoond, dat bot vangen is slaag krijgen.]
| |
Vijsten.
Hij meende te vijsten, en hij bekakte zich. (Zie bekakken.)
Men heeft zooveel van wenschen als van vijsten. (Zie hebben.)
Vijst niet, of het zou stinken. (Zie stinken.)
| |
Villen.
Dien het niet zeerdoet, die mag vrij villen en snijden. (Zie snijden.)
| |
Vinden.
Daar men 't wel gelaten heeft, daar vindt men 't niet kwalijk weder. (Zie laten.)
Deugt hij niet, men vindt er meer. (Zie deugen.)
Die kwalijk speurt, kwalijk vindt. (Zie speuren.)
Die waagt, die wint; Die zoekt, die vindt.7 (Zie de Bijlage.)
[Het tweede deel van dit spreekwoord is genomen uit Matth. vii: 8 en Luk. xi: 10.]
Die wat spaart, vindt wat. (Zie sparen.)
Die wel wil zijn bemind, Laat het al, gelijk hij 't vindt. (Zie beminnen.)
Eet, wat gij vindt; denk, wat gij wilt. (Zie denken.)
Gij zoekt aan een ander, dat men bij u zoude vinden.8
Gij zult wel komen, daar gij 't vindt. (Zie komen.)
Het is goed vinden, waar men gewezen wordt.9
[Men zegt dit, al gekkende, van menschen, wier eigen wil niet meer in aanmerking komt, van hen nl., die naar het tuchthuis gebragt worden.]
Het is vast gezocht, dat gevonden moet zijn.10
Het is wel gevonden.11
Het laat zich anders vinden.12
[Die zaak is zoo niet; hare bewijsgronden falen.]
Hij heeft het daar goed gevonden.13
Hij kan wel zoeken, maar kwalijk vinden.14 (Zie de Bijlage.)
Hij lacht zoo witjes; wat mag hij gevonden hebben? (Zie lagchen.)
Ik had het wel, ik vind het wel. (Zie hebben.)
Menigeen zoekt, dat hij niet vinden wil.15
Men vindt er niet veel.16
Men vindt hem niet, waar men hem laat. (Zie laten.)
Men vindt nog erger.17
Verliezen leert vinden. (Zie verliezen.)
Wel gevonden, fijn verlegd. (Zie verleggen.)
Wij hebben het zoo gevonden, wij moeten het ook zoo laten blijven. (Zie blijven.)
Zij hebben malkander wel gevonden.18 (Zie de Bijlage.)
[Men zegt dit, wanneer twee personen, die, naar ligchaam of naar ziel, gelijkelijk besmet zijn, dezelfde zaak bewerken of ten uitvoer brengen.]
Zoo gij iets vindt, laat u dat niet bekoren; Maar geef het weêr aan hem, die 't heeft verloren. (Zie bekoren.)
| |
Vinken.
Er valt niet te vinken.
| |
Visschen.
Gij zult mij niet visschen.19
Hij moet uit visschen gaan. (Zie gaan.)
Hij vischt ernaar.20
Weinig gemist Is veel gevischt. (Zie missen.)
| |
Vlammen.
Eens gebrand, haast gevlamd. (Zie branden.)
Hij vlamt daarop.21
| |
| |
| |
Vleijen.
Schoon gevleid is half geëischt. (Zie eischen.)
Vleijen weet wat.1
| |
Vletten.
Hij vaart en vlet. (Zie varen.)
| |
Vlieden.
Hij meent te vlieden, en wordt gevangen. (Zie vangen.)
| |
Vliegen.
Dat lieg je; Stuif je op, zoo vlieg je. (Zie liegen.)
Die te hoog zijn gevlogen, Vonden zich ligt bedrogen. (Zie bedriegen.)
Die wil leeren vliegen, moet eerst leeren loopen. (Zie loopen.)
Het is kwaad te vangen, wat er vliegt. (Zie vangen.)
Hij laat het vliegen.2
Hij vliegt, daar hij gaat. (Zie gaan.)
Hij vliegt over alles heen.
Hij wil al te hoog vliegen.3
Ik had liever, dat het vloog. (Zie hebben.)
Ik weet niet, waar het gestoven of gevlogen is. (Zie stuiven.)
| |
Vloeken.
Hij is geheel tot vloeken en zweren gemaakt. (Zie maken.)
| |
Vlotten.
Het wil niet vlotten.4
Iemand laten vlotten en drijven. (Zie drijven.)
| |
Vlugten.
Die zich zelven jaagt, moet altijd vlugten. (Zie jagen.)
| |
Voeden.
Het is al goed, wat wel doet voeden.5
| |
Voederen.
Goed voederen kost veel, maar slecht voederen nog meer. (Zie kosten.)
| |
Voegen.
Dat welstaat, voegt niet kwalijk.6
Goedschiks voegt wel.7
| |
Voelen.
Die niet hooren wil, moet voelen. (Zie hooren.)
Hij liegt, dat men het voelen en tasten kan. (Zie liegen.)
Men voelt, dat deert, En niet, dat smeert. (Zie deren.)
Prik ik je? ik voel er niets van. (Zie prikken.)
Tast en voel. (Zie tasten.)
| |
Volgen.
Aarzel of zie terug, wat daar volgt. (Zie aarzelen.)
Die zwijgt, die volgt.8
Het is pleizierig kakken, als het goed volgen wil. (Zie kakken.)
Het rotten volgt na 't rijpen. (Zie rijpen.)
Laat hem blijven: hij wil niet volgen. (Zie blijven.)
Wel voorgaan doet wel volgen.9
| |
Volharden.
Die volhardt, die verwint. (Zie verwinnen.)
| |
Volhouden.
Beginnen is wat; maar volhouden is meer. (Zie beginnen.)
Men moet volhouden.10
| |
Volstaan.
Laat dat volstaan.11
| |
Voordienen.
Voorgezet is voorgediend.
| |
Voordoen.
Die zich valsch voordoet, bedriegt zich zelven 't meest. (Zie bedriegen.)
Met schoon voordoen wordt er veel bedrogen. (Zie bedriegen.)
Schoon voorgedaan is half verkocht. (Zie verkoopen.)
Voorgedaan is nageleerd. (Zie naleeren.)
| |
Voorgaan.
Ga juist voor, als ge zelf zoudt willen nakomen. (Zie nakomen.)
Ga mij zoo lang na, als ik u voorgegaan ben. (Zie nagaan.)
Wat noodig is, moet voorgaan.
Wel voorgaan doet wel volgen. (Zie volgen.)
| |
Voorkaauwen.
Dat is hem voorgekaauwd.12
| |
Voorkijven.
Hij maakt hem in het voorkijven. (Zie maken.)
| |
Voorstaan.
Daar staat mij wel iets van voor.13
Hij laat er zich nog al wat op voorstaan.
| |
Voortdrijven.
Men moet hem voortdrijven.14
| |
Voortgaan.
Dat gaat vlot voort.15
Die niet wachten kan, moet voortgaan.16
Wij je voortgaan, Blijf niet staan. (Zie staan.)
| |
Voortporren.
Men zal hem wel voortporren.17
| |
Voortzeggen.
Dat noodig dient geweten te worden, zal men vlijtig voortzeggen.18
| |
Voorwinnen.
Het is hem al voorgewonnen.19
| |
Voorzetten.
Voorgezet is voorgediend. (Zie voordienen.).
| |
Voorzien.
Hij is er dubbel en dwars van voorzien.20
Hij is van van klinktem voorzien. (Zie klinken.)
Voorzien doet nadenken. (Zie nadenken.)
| |
Vouwen.
Hoe gij het vouwt en plooit, gij krijgt het niet regt. (Zie krijgen.)
| |
Vragen.
Beschroomd vragen leert weigeren.21
Beter te sparen, dan daarna te vragen. (Zie sparen.)
| |
| |
Die kan lijden en verdragen, Weet van alles zonder vragen. (Zie lijden.)
Die niet kan vragen, kan niet leven. (Zie leven.)
Die veel vraagt, doolt veel. (Zie dolen.)
Die veel vragen, Zullen gemeenlijk veel overdragen. (Zie overdragen.)
Die vraagt, leert klappen. (Zie klappen.)
Die weten wil, moet vragen.1
Die wil vragen, wat hij niet behoort, die moet hooren, wat hij niet gaarne hoort. (Zie hooren.)
Gij wordt niet gevraagd (of: Het wordt je niet gevraagd).
[Zoo scheept men den voorbarige af.]
Het is altijd weêr aan: 't oude vragen.2
Het vragen staat vrij; Maar 't weigeren erbij.3
Hij houdt nog wat achter voor het vragen. (Zie achterhouden.)
Hij vraagt nergens naar.4
Hij zal achteraankomen, en vragen, waar het is. (Zie achteraankomen.)
Ik vraag naar u niet.5
Ik wil het liever gelooven, dan dat ik het zoude gaan vragen (of: gaan zien). (Zie gelooven.)
Is ze vraag-vrij, Ze is ook jaag-vrij. (Zie jagen.)
Men moet laten bedanken voor het vragen. (Zie bedanken.)
Met vragen gaat men ver. (Zie gaan.)
Niemand vrage: van waar hebt gij dat? maar gij moet het hebben. (Zie hebben.)
Niets zonder vragen.6
Te veel vragen is niet goed.7 (Zie de Bijlage.)
Vraag het hiernaast.
Vraag te veel, om genoeg te krijgen. (Zie krijgen.)
Wilt gij 't niet gelooven, zoo moogt gij 't loopen vragen. (Zie gelooven.)
Zoet vragen maakt zoet antwoorden. (Zie antwoorden.)
| |
Vreezen.
Beter bemind dan gevreesd. (Zie beminnen.)
Beter eens te lijden, dan altijd te vreezen. (Zie lijden.)
Die dreigt en niet slaat, die vreest. (Zie dreigen.)
Dien men vreest, geeft men het zijne. (Zie geven.)
Doe wel en vrees niemand.8
Hij vreest voor zich zelven.9
Indien gij van velen ontzien wordt, hebt gij ook velen te vreezen. (Zie ontzien.)
Menigeen dreigt, die zelf vreest. (Zie dreigen.)
Weldoen doet niet vreezen.10
| |
Vreten.
Hij vreet zoo, dat hij het weder moet uitspuwen. (Zie uitspuwen.)
Zuipen en vreten Doet luttel weten.11
| |
Vriezen.
Als het hard vriest.12
[De spreekwijzen: Als het hard vriest en Als het eens een harde winter is, worden beide gebruikt als zekere voorwaardelijke uitdrukking eener gebeurtenis. Bilderdijk noemt ze ‘een oud zeggen, om een buitengewoon toeval uit te drukken.’]
Het vriest, dat het kraakt. (Zie kraken.)
Te meer het vriest, te meer het kraakt. (Zie kraken.)
| |
Vrijen.
Aanzien doet vrijen. (Zie aanzien.)
Beschuldigen doet vrijen. (Zie beschuldigen.)
Die niet weet en niet durft, wat zegt hij, als hij uit vrijen gaat? (Zie durven.)
Die verre gaat vrijen, bedriegt of wordt bedrogen. (Zie bedriegen.)
Ergens om vrijen.
[Zijn best doen, om een ding tot zijn' eigendom te maken, en wel door zulke middelen, die de vrijers gebruiken, om zich bij het voorwerp hunner liefde bemind te maken.]
Goed vrijen is zachtkens praten en hard liegen. (Zie liegen.)
Vrijen Is lijën. (Zie lijden.)
Zij is heet te vrijen.
| |
Vrijstaan.
Het vragen staat vrij; Maar 't weigeren erbij. (Zie vragen.)
| |
Vuilen.
Het wil er met hem vuilen.13
|
9Gruterus II. bl. 129. Mergh bl. 5. Tuinman I. bl. 163.
10Gruterus III. bl. 150. Meijer bl. 78. Gent bl. 128.
11Sartorius sec. III. 20.
13Cats bl. 539. Sel. Prov. bl. 132.
1Tuinman I. bl. 245, 323.
2v.d. Venne bl. 230. v. Eijk III. bl. 75.
4Winschooten bl. 35, 261. v. Alkemade bl. 122. Tuinman I. bl. 80, 240, 245. Gales bl. 42. Letteroef. bl. 409-422. v. Eijk II. bl. 11, nal. bl. 4. de Jager Bijdr. bl. 100.
5Winschooten bl. 177. v. Eijk I. bl. 141, 142. v. Lennep bl. 237.
7Witsen bl. 481. Winschooten bl. 7, 251. Tuinman I. bl. 56, 175. v. Eijk I. bl. 142, 163. v. Lennep bl. 278.
8Tuinman I. bl. 141. Julij 1. v. Eijk I. bl. 142.
9Winschooten bl. 321. Blijg. bl. 114, 115. v. Eijk I. bl. 140, II. nal. bl. IV. v. Lennep bl. 236. Roodhuijzen bl. 4. Andriessen bl. 226.
10Sartorius sec. VIII. 92. Adag. quaedam bl. 38. Adag. Thesaurus bl. 35.
12Campen bl. 71. Gales bl. III.
14Winschooten bl. 321. v. Zutphen II. bl. 95.
15Campen bl. 110. v. Alkemade bl. 102. Tuinman II. bl. 200. Everts bl. 233. Bogaert bl. 95.
16Campen bl. 3. Meijer bl. 2.
417 Aug., 24 Dec. Gruterus I. bl. 114. Sel. Prov. bl. 64. Tuinman I. bl. 356. Harrebomée Tijd bl. 307.
5Gruterus II. bl. 135. Mergh bl. 12.
7Euphonia bl. 514. Everts bl. 315. Sermoen bl. 50. v. Hall bl. 286.
9Campen bl. 26. 29 Mei. Gruterus I. bl. 115. de Brune bl. 325, 475, 477. Sel. Prov. bl. 172, 222. v. Nyenborgh bl. 133. Tuinman II. bl. 212. Gales bl. 28. Martinet 38. Euphonia bl. 514. Koning bl. 22.
11Sartorius sec. VII. 59.
14Tuinman I. bl. 11. v. Zutphen I. 11.
16v.d. Hulst bl. 18. v. Waesberge Geld bl. 166.
17Motz bl. 78. de Brune bl. 344.
3Campen bl. 100. Tuinman I. bl. 110, II. bl. 21. Gales bl. 43.
7Prov. seriosa bl. 43. v. Vloten bl. 369.
8Sartorius tert. II. 16, quart. 33.
11Campen bl. 45. Tuinman II. bl. 203.
14Gheurtz bl. 63. v.d. Willigen 2.
15Sartorius tert. VI. 93.
16Servilius bl. 162*, 248*. Gheurtz bl. 9.
17Tuinman I. bl. 10. v. Duyse bl. 196.
18Sartorius sec. VII. 63.
1Gruterus II. bl. 165. Mergh bl. 41. v. Eijk bl. 14. Schaberg bl. 68.
3Winschooten bl. 104. Tuinman I. bl. 96, 137, II. bl. 195.
4Harrebomée Kind bl. 221.
614 Dec. Gruterus I. bl. 100.
715 Jan. Gruterus I. bl. 121. 15 Jan. 53.
9Tuinman II. bl. 19. v. Eijk III. bl. 47.
12Servilius bl. 43. Campen bl. 77.
14Sartorius pr. VII. 26, sec. IX. 56.
4Servilius bl. 237*. Campen bl. 72. Gheurtz bl. 18. 10 Febr. Gruterus I. bl. 95, II. bl. 143, 150. Cats bl. 533. Mergh bl. 18, 27. Sel. Prov. bl. 24, 49, 66. Richardson bl. 35. Tuinman II. bl. 43. Meijer bl. 33. Modderman bl. 53.
51 Nov. Gruterus I. bl. 110.
10Prov. seriosa bl. 28. Gruterus III. bl. 157.
11Campen bl. 4. 29 Jan. Gruterus I. bl. 115. v.d. Venne bl. 198. de Brune bl. 478.
15Campen bl. 18. de Brune bl. 86. Mergh bl. 39.
16de Brune bl. 62, 228. Sartorius sec. III. 56.
1710 Junij. Gruterus I. bl. 104.
21Sartorius tert. VI. 89.
22Campen bl. 59. Meijer bl. 28.
1Cats bl. 546. Mergh bl. 50. Sel. Prov. bl. 219.
5Gheurtz bl. 58. de Brune bl. 161. Lassenius XXI.
9Campen bl. 67. Meijer bl. 31.
11Gruterus III. bl. 154. Meijer bl. 79.
12Sartorius tert. VI. 27.
13Servilius bl. 287*. Gheurtz bl. 56. Zegerus bl. 49. Gruterus II. bl. 161. Cats bl. 486. Mergh bl. 37. Sartorius pr. VIII. 49. Adag. quaedam bl. 54. Adag. Thesaurus bl. 56. Wassenbergh IV. bl. 97.
14Gheurtz bl. 47. Zegerus 3 e. dr. bl. 39. de Brune bl. 86. Willems III. 48.
15Motz bl. 80. de Brune bl. 89.
16Campen bl. 84. Cats bl. 489, 503. de Brune bl. 59, 86, 162. Richardson bl. 31. Tuinman II. bl. 137. B. Studeerk. II. bl. 12. Willems VIII. 129, 182. Sancho-Pança bl. 24, 37.
20Gruterus II. bl. 137. Mergh bl. 13.
23Campen bl. 77. Meijer bl. 35.
24Sartorius pr. I. 85. Winschooten bl. 251. Tuinman I. bl. 4.
25Cats bl. 431, 525. de Brune bl. 36. Richardson bl. 26. Modderman bl. 145. Gent bl. 126. Veeteelt bl. 126.
26Sartorius tert. II. 37.
3Servilius bl. 33*. de Brune bl. 480.
5Campen bl. 43. Meijer bl. 21. v. Lennep bl. 243.
6Winschooten bl. 5, 137. Tuinman I. bl. 241. de Jager Bijdr. bl. 100.
727 Jan., 9 Dec. Gruterus I. bl. 123, II. bl. 136. Cats bl. 458, 503. v.d. Venne bl. 73, 106. Mergh bl. 12. Sartorius pr. II. 89. Winschooten bl. 345. v. Alkemade bl. 34, 164. Tuinman bl. 90, I. bl. 125, 213, 286, II. bl. 106, 110. Kerkhoven bl. 57. Hoffmann bl. XXXVIII. Martijn bl. 2-5. v. Eijk bl. 19. Verkl. 19. Sancho-Pança bl. 29. Bogaert bl. 28, 85. 28 Jan., 5 Dec. 53. Landbouwer bl. 74.
9Zoet bl. 13. v. Alkemade bl. 10.
13Gheurtz bl. 33. Sartorius sec. VIII. 38.
14Motz bl. 23. Gruterus II. bl. 165. Mergh bl. 41.
18Campen bl. 15. Sartorius pr. II. 69, IV. 3, sec. I. 44, VI. 73, tert. II. 82. Meijer bl. 8.
20Winschooten bl. 333. Everts bl. 344. v. Eijk I. nal. bl. 4, III. bl. 73.
21Tuinman I. bl. 257. v. Waesberge Vrijen bl. 55.
1v. Alkemade bl. 58. Tuinman I. bl. 342.
8Prov. seriosa bl. 18. Campen bl. 26.
9Servilius bl. 81*. Gheurtz bl. 74. Zegerus bl. 64. de Brune bl. 53, 117. Sel. Prov. bl. 97. Sartorius pr. IX. 69. Witsen 142. v. Alkemade bl. 181. Adag. quaedam bl. 70. Martinet 18. Euphonia bl. 518. Everts bl. 232. Willems VIII. 32. Koning bl. 17. v. Waesberge Vrijen bl. 54, Wijn bl. 16. Modderman bl. 7. 27 Junij 53.
15Winschooten bl. 60. v. Waesberge Vrijen bl. 63.
21Cats bl. 465. de Brune bl. 317. Tuinman I. bl. 86, II. bl. 101. v. Waesberge Vrijen bl. 63.
1Zoet bl. 3. v. Alkemade bl. 1.
2de Brune bl. 465. Sartorius tert. I. 34.
3Gruterus I. bl. 121. v.d. Venne bl. 5. Tuinman I. bl. 84, II. bl. 62.
4Adag. quaedam bl. 37. Adag. Thesaurus bl. 35.
6Adag. quaedam bl. 50. Adag. Thesaurus bl. 51.
7Motz bl. 79. Zegerus bl. 65.
8Gruterus II. bl. 138. v.d. Venne bl. 223. Mergh bl. 14.
9Campen bl. 101. Meijer bl. 47.
10Adag. Thesaurus bl. 70.
1125 April. Gruterus I. bl. 125. Sel. Prov. bl. 87. Sartorius tert. VI. 96. 22 April 53.
13Tuinman I. nal. bl. 16.
|