In dit boek worden verschillende organisaties en begrippen genoemd die niet meer zo algemeen bekend zijn. Een lijst met verklaringen hiervoor is achterin afgedrukt (p. 249-252).
Voor Oorlog zonder vrienden Ontving Evert Hartman de Europese Jeugdboekenprijs 1980 voor actuele literatuur.
Arnold had het beter niet kunnen zeggen. Met de rug tegen de schoolmuur zag hij de drie fors gebouwde jongens op zich afkomen. Ze hadden een blik in de ogen die niets vriendelijks had.
‘Zeg dat nog eens!’ De stem van de middelste, een jongen met slordige blonde haren, was hees van woede.
Arnold was niet bang uitgevallen; hij begreep echter dat het weinig zin had een bij voorbaat verloren vechtpartij uit te lokken. Ongemerkt trok hij zijn rechtervoet op om zich in geval van nood tegen de muur te kunnen afzetten. Maar hij zweeg.
De blonde knaap stond een meter van hem af toen hij nadrukkelijk herhaalde: ‘Zeg dat nog eens..., vuile NSB-er!’
Arnold verstarde. Hij zag de drie dreigend tegenover zich staan. Hij las de haat in hun ogen, een haat die hen ertoe had gebracht hem de afgelopen maanden te beledigen, te treiteren en hem het leven zo zuur mogelijk te maken..., omdat zijn vader lid was van de NSB. Zijn ouders hadden hem gezegd dat hij zich daar niets van moest aantrekken, dan zouden ze vanzelf wel ophouden. Ze hadden hem gezegd dat een goede NSB-er zich moest kunnen beheersen. Maar... ook aan zelfbeheersing is een grens. ‘Jullie hebben me wel verstaan!’ Zijn stem was niet meer dan een gesmoord fluisteren.
De jongens drongen op hem in. ‘We willen het graag nog eens horen.’ Arnold klemde zijn lippen opeen. Hij zag zijn klasgenoten door een waas. Maar zijn voet rustte stevig tegen de muur. Hij zei zo kalm mogelijk: ‘Als jullie denken dat dat mens in Engeland nog iets voor jullie doet, zijn jullie stomme idioten.’
De vuist van de grootste van zijn tegenstanders stootte naar voren. En terwijl hij zich afzette wist Arnold dat hij te laat was om die vuist te ontwijken. De knokkels raakten hem in de buurt van zijn sleutelbeen. Een felle pijn schoot door zijn schouder en leek zijn arm te verlammen. Alleen - zijn woede was nog groter dan de pijn. In het wilde weg trapte en sloeg hij van zich af tot een venijnige schop tegen zijn enkel
hem deed wankelen. Wanhopig deed hij een paar stappen in de richting van het hek, maar een harde slag in zijn gezicht maakte een vlucht onmogelijk. Iemand lichtte hem beentje - het volgende ogenblik smakte hij tegen de keien.
Het was een ongelijk gevecht. Ze trapten hem tegen de benen, bonkten hem op de rug en draaiden zijn armen zo ver omhoog tot hij het uitschreeuwde van pijn en angst. Tenslotte greep een van de jongens zijn haar en trok zijn hoofd omhoog met de bedoeling het voorover op de stenen te slaan.
‘Jongelui!’
Ze hadden de lange, magere man in de deuropening niet opgemerkt, maar zijn stem trof hen als een zweepslag.
‘Hou daar ogenblikkelijk mee op!’
‘De rector!’ hoorde Arnold sissen. ‘Wegwezen!’
Arnold voelde hoe ze hem loslieten om het op een lopen te zetten, maar de rector had met een paar lange passen het groepje bereikt. ‘Martin, Johan en Hans..., naar mijn kamer!’
‘Hij begon!’ protesteerde Martin. ‘Hij schold de koningin uit.’
De rector sprak zonder stemverheffing, maar zijn ogen straalden geen vriendelijkheid uit.
‘Jullie hebben mij zeker wel gehoord, jongelui?’
Terwijl Arnold moeilijk overeind krabbelde zag hij de drie naar de schooldeur sjokken.
‘En jij...’, hoorde hij de rector toonloos zeggen, ‘jij gaat je wassen bij de kraan, waarna je op de gang op mij wacht. Begrepen...?’
Arnold gaf geen antwoord. Hij wreef over zijn zere gezicht. Een brede streep bloed verscheen op de rug van zijn hand. Hij keek er even naar zonder dat het tot hem scheen door te dringen. Ook de pijn in zijn armen en rug scheen hij nauwelijks meer te voelen. Het enige wat hij voelde was een verschrikkelijke woede. Hij staarde de rector strak aan toen hij zei: ‘Ik ga naar huis.’ Hij draaide zich om.
De rector greep hem bij zijn arm. ‘Ik heb je gezegd hier te blijven. Ik wil precies weten wat er gebeurd is.’
Het kostte Arnold nog een paar rode striemen om zich los te rukken. De tranen in zijn ogen waren echter niet het gevolg van pijn. ‘U gelooft me toch niet!’ schreeuwde hij. ‘U kunt barsten! Ik ga naar huis!’ Het
volgende moment was hij bij het fietsenrek, pakte zijn karretje en vloog het schoolplein af.
De rector keek hem na, roerloos, zijn vingers ineengestrengeld. Daarna keerde hij zich bedaard om en stapte de school binnen.
Als een bezetene reed Arnold door de zonnige straten. Dat sommigen hem bevreemd aankeken en hem vervolgens nawezen interesseerde hem niets. Hij joeg voort tot zijn benen hun dienst bijna weigerden en hij tenslotte, zwaar hijgend, zijn fiets tegen de muur van hun huis smeet. Half struikelend kwam hij de kamer in, plofte neer op een stoel en barstte in snikken uit.
Mevrouw Westervoort was een vrouw die blijkbaar gewend was aan onverwachte gebeurtenissen. Ze stond snel op, nam even zijn hoofd in haar handen en zei alleen maar: ‘Jongen toch...’ Drie seconden later was ze in de keuken en keerde terug met een paar natte wasdoekjes. Voorzichtig veegde ze de klonters bloed van zijn bovenlip, bette zijn gezicht en streek pieken haar van zijn bezwete voorhoofd. Toen liep ze opnieuw naar de keuken, haalde een glas water en zette dat voor hem neer. Ze stelde geen vragen; ze herhaalde alleen: ‘Jongen, toch...’ Het duurde geruime tijd voor Arnold iets kon uitbrengen. ‘De rotzakken!’ zei hij hees.
‘Wat is er gebeurd, Arnold?’ Mevrouw Westervoort vroeg het bijna zakelijk, maar er was toch een ongeruste klank in haar stem.
‘De rotzakken!’ Arnold had het snikken nog niet onder controle. ‘De smeerlappen...! Als ik ze in mijn vingers krijg... Ik... ik vermoord ze!’
Haar gezicht kreeg nu een bezorgde uitdrukking. ‘Als je me nu eens rustig probeert te vertellen wat er gebeurd is...’
‘Ze waren met z'n drieën... Ze hebben me in elkaar geslagen... Ze...’
‘Wie...?’
‘Martin en Hans en Johan...’
‘Martin Jonkers?’
Arnold knikte. Hij hield een doek tegen zijn neus om een nieuwe bloeding te voorkomen.
‘Waarom hebben ze dat gedaan?’ Naast bezorgdheid toonde mevrouw Westervoort ergernis.
‘We hadden het over dat mens in Engeland. En toen...’
‘Je bedoelt de koningin?’
‘De koningin...? U weet even goed als ik dat die al lang geen koningin meer is!’
‘Goed... En wat heb jij toen gezegd?’
‘Dat ze stomme idioten waren als ze dachten dat dat mens nog iets voor ze deed.’
Ze schudde ernstig haar hoofd. ‘Zulke dingen kun je ook veel beter voor je houden.’
‘O ja...? Mag de waarheid soms niet gezegd worden?’
‘Soms is het inderdaad erg onverstandig de waarheid te zeggen. Je had beter je mond kunnen houden.’
‘Ik laat me niet op m'n kop zitten door dat stelletje ezels!’ Hij haalde de doek van zijn neus en bekeek de bloedplekken. ‘Ik ga morgen niet naar school.’
Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Waarom niet?’
Arnold scheen haar vraag niet gehoord te hebben. ‘Zaterdag neem ik ze te grazen... Zaterdagmorgen...’
Mevrouw Westervoort begon iets van haar kalmte te verliezen. ‘Ik vroeg je waarom je niet naar school wilde. Als de rector dat te weten...’
‘Ik heb tegen de rector gezegd dat ie kon barsten.’
‘Wàt zeg je...?’
Arnolds snikken was verdwenen. Alleen trilde zijn stem nog van woede. ‘De rector wou mij terug laten komen, samen met die rotzakken. Ik heb het vertikt. Ik heb gezegd dat ie barsten kon.’
Ze was een ogenblik sprakeloos. Toen fluisterde ze: ‘Heb je dat werkelijk gezegd?’
Hij knikte.
Haar stem was opeens streng en beheerst. ‘Dan ga jij morgen wèl naar school, al was het alleen maar om je excuses te maken. Je weet hoeveel moeite we hebben moeten doen om jou op die school te krijgen. En nou zul jij in één keer de boel bederven? Daar komt niets van in. En wat die jongens betreft..., ik zal wel even...’
Ze stopte toen Arnold opstond. Hoewel hij nog maar net veertien was, was hij bijna even groot als zij. Hij stond vlak voor haar en ze schrok van de blik in zijn donkerbruine ogen. Hij zei strak: ‘Ik ga morgen
niet naar school! En m'n excuses aanbieden...? Nooit! Dat zouden ze wel willen... De zoon van een NSB-er biedt zijn excuses aan... Maar dat doe ik niet..., dat doe ik nooit!’ Hij sloeg met zijn vlakke hand op de tafel, maar meteen hijgde hij van een pijnscheut in zijn rechterzij. Hij kromp in elkaar en zakte neer op de stoel.
‘Jongen, wat is er?’
Arnold haalde diep adem. ‘Ze hebben me tegen m'n ribben getrapt, denk ik.’
Mevrouw Westervoort knoopte haastig zijn blouse los en trok het hemd omhoog; twintig centimeter onder zijn oksel liepen twee diepe, blauwrode striemen. Ze bekeek de plekken zorgvuldig en had vervolgens al haar zelfbeheersing nodig om kalm te zeggen: ‘We kunnen er misschien beter een verband om doen.’ Ze duwde voorzichtig op de huid naast de zere plekken. ‘Doet dit pijn?’
Hij schudde zijn hoofd.
Ze liep naar de kast en haalde een trommel te voorschijn.
‘Wat gaat u doen?’
‘Er moet een verband om, zei ik toch al.’ Ze viste een rol verbandgaas en een schaar uit de doos.
‘Moet dat nou, ma?’ Hij trok zijn blouse omlaag. ‘U weet best dat ik daar een hekel aan heb. Het gaat zo ook wel over.’
Ze bleef weifelend staan. ‘Maar je wang dan?’
Deze keer stond Arnold voorzichtig op en liep naar de spiegel. De pijn in zijn zij was te dragen. ‘Alleen maar een schram’, zei hij. ‘U zegt zelf altijd dat zoiets het snelste geneest zonder pleisters.’
Ze legde schaar en verband terug in de doos en ging aan tafel zitten. Ze vroeg kalm: ‘Zijn die jongens..., Martin en zo..., zijn die wèl naar de rector gegaan?’
‘Ja.’ Arnold wendde zich af van de spiegel, liep naar het venster en staarde naar buiten, zijn handen in de zakken.
‘Dan zullen ze er wel flink van langs hebben gekregen.’
‘Dan kent u de toestand op school niet.’
‘Wat bedoel je?’
‘Dat weet u toch ook wel moeder! Wekenlang hebben ze me zitten pesten zonder dat één van de leraren zich daar druk over maakte. Die lui lachen zich dood als ze horen wat er gebeurd is. En de rector...?
Die is nou waarschijnlijk druk bezig die schooiers in de watten te leggen.’ Hij keerde zich bruusk om. ‘Ik hoor het hem al zeggen: zo Martin..., zo Hans..., zo Johan..., en... hebben jullie Arnold geslagen? Nou, dat mag je niet weer doen, hoor! Dat geeft geen pas op onze school... We hebben al moeilijkheden genoeg. Zullen jullie dat niet weer doen? - Nee, meneer.’
‘Arnold!’
‘Wat Arnold! Het is de waarheid. Laatst botste die vent van Verdam, u weet wel, die vleesberg uit klas vijf, keihard tegen mij aan. Hij deed het expres. Ik weet het zeker. De baas stond er bovenop. En weet je wat ie zei? Gerard, een beetje voorzichtig met onze tweede-klassertjes... Ik kon die kerel wel naar z'n strot vliegen!’
‘Doe toch niet meteen zo heetgebakerd, Arnold. Hoe vaak hebben we je niet gezegd dat je je moet beheersen. Hoe kwaaier jij wordt, des te meer plezier hebben ze.’
‘Dan hèbben ze maar plezier. Maar ik kan het niet langer verdragen!’ Mevrouw Westervoort frunnikte aan de verbanddoos, maar ze zweeg. Ze keek pas op toen het geluid klonk van een fiets die tegen de muur werd gezet. ‘Daar heb je pa.’
Even later betrad meneer Westervoort de huiskamer. Hij was een wat schrale man met een spits gezicht. Zijn donkerblonde haar was strak achterover gekamd en vertoonde grijze plekken bij de slapen. Ondanks het zonnige voorjaarsweer droeg hij een regenjas. Hij zag er moe uit.
‘Wat ben je vroeg vanmiddag...’ Mevrouw Westervoort keek haar man onderzoekend aan. ‘Is er iets?’
‘Ja, hoofdpijn. Ik ben maar een uurtje eerder weggegaan. Dat haal ik later wel in.’
‘Vonden ze dat goed op het stadhuis?’
‘Dat hèbben ze goed te vinden!’ Hij begon zijn jas uit te trekken. ‘Of denk je soms dat ik daar nog toestemming voor vraag?’
Ze antwoordde niet.
‘Ik bepaal zèlf wel wanneer ik ga en kom. Daar heb ik niemand voor nodig!’ Hij smeet zijn jas over de stoelleuning en wreef over zijn ogen. ‘Geef me maar een kop thee.’ Hij stond op het punt te gaan zitten, toen hij Arnold zag, of liever - hij zag zijn gezicht met de bloedige schram op de rechterwang. ‘Wat is er met jou gebeurd?’
Arnold haalde onwillig de schouders op. ‘Ach, niks... Vraag maar aan ma. Dan hoef ik het geen twee keer te vertellen.’ Hij wilde de kamer uitlopen, maar zijn vader greep hem bij de arm. ‘Wacht eens even, jij... Je weet dat ik niet van zulke brutaliteiten gediend ben. Wat mankeert jou eigenlijk?’ Zijn stem had een trillende klank.
Mevrouw Westervoort stond haastig op. ‘Koos, alsjeblieft! Die jongen heeft al genoeg te verduren gehad.’
‘Dat wil ik nou juist graag weten. En mag ik dan misschien een normaal antwoord verwachten?’
Ze moest even naar woorden zoeken voor ze zei: ‘Ze hebben ruzie gehad.’
‘Wie hebben ruzie gehad?’
‘Arnold..., en nog een paar jongens.’
‘Wie waren dat?’
‘Ach, dat doet er niet zoveel toe.’
‘Ik vroeg wie dat waren!’
‘Nou, Martin Jonkers en eh...’
‘En Johan Laning en Hans van Beek’, vulde Arnold aan. Zijn gezicht had een uitdrukking alsof hij aan iets heel anders dacht.
‘Met z'n drieën?’ Meneer Westervoorts stem was hees geworden, maar hij hield zijn zoon niet meer vast. ‘Waar hadden jullie ruzie over?’
‘'t Zelfde als altijd.’ Even keek Arnold zijn vader strak aan. ‘Ze hebben me in elkaar geslagen.’
Het scheen even te duren voordat die woorden tot meneer Westervoort doordrongen. Toen greep hij zijn jas en stapte driftig de kamer uit. Of eigenlijk: hij wilde de kamer uitstappen, maar zijn vrouw versperde hem de weg.
‘Koos, alsjeblieft, doe geen domme dingen! De rector...’
‘Doe geen domme dingen...! Wie doet er hier eigenlijk domme dingen?’
‘Wind je toch in 's hemelsnaam niet zo op!’
‘Ik wind me niet op.’ Meneer Westervoort sprak nu sissend. ‘Ik heb er alleen maar genoeg van dat die jongen dag in dag uit wordt getreiterd! Ik heb er genoeg van dat ze jou met de nek aankijken. En ik ben het zat op mijn werk het stomme gegrinnik van een stelletje slampampers te moeten aanhoren. Ik ben het zat!’ Zijn stem beefde van
drift. ‘En daar zullen we nu eindelijk eens wat aan doen!’ Hij duwde zijn vrouw opzij en beende de gang in, de keuken door.
Bij de achterdeur haalde ze hem in. Ze greep hem haast wanhopig bij de schouders. ‘Koos, denk toch eens even na. Je maakt ons het leven onmogelijk. En we hebben al zo weinig vrienden!’
Meneer Westervoorts ogen hadden een vreemde glans toen hij antwoordde: ‘Wij hebben meer vrienden dan jij denkt.’ Hij opende de deur, stapte op zijn fiets en reed met grote haast de straat uit.