terug  begin  verderprepost
[p. 13]

2

‘Schiet nou op, Arnold. Als je te laat komt krijg je misschien nog meer narigheid.’ Mevrouw Westervoort stond bij de keukentafel en sneed bruine, kleverige sneden van iets dat eruit zag als brood. Aan haar bleke gezicht en haar vermoeide, bezorgde ogen was te zien dat ze slecht had geslapen. ‘Wil je de melk warm of koud?’

‘Koud.’ Arnold knoopte zijn veters vast en sjokte de trap af. Zijn gezicht stond somber, maar had tegelijk de waakzame uitdrukking van iemand die bang is betrapt te worden op iets dat verboden is. ‘Is pa al weg?’

‘Ja.’

‘Die is anders nooit zo vroeg.’

Ze zei haastig: ‘Ik denk dat hij vandaag al wat wil inhalen..., je weet wel van de tijd die hij gisteren heeft verloren.’

‘Ik was wel gek om me zo uit te sloven.’

‘Dat moet je niet zeggen. Je weet hoe je vader is...’

Arnold knikte en begon een hap brood naar binnen te werken.

‘Wil je een boterham mee hebben?’

‘Als er maar niet van die walgelijke, kleurloze stroop op zit.’

‘Ik doe er wel bruine suiker op.’

‘Goed.’ Hij nam een paar slokken melk. ‘Is Rita al wakker?’

‘Nee.’ Mevrouw Westervoort ging door met boterhammen klaarmaken.

‘Ze was laat, hè, vannacht...’

‘Heb je haar horen thuiskomen?’

Hij antwoordde spottend: ‘Ik denk dat ik niet de enige ben. De hele buurt heeft kunnen meegenieten. Ik moest het eens lappen om zo laat thuis te komen!’

‘Jij bent nog geen zeventien!’ Ze zweeg een tijdlang voor ze verder ging: ‘Ze hebben haar thuisgebracht.’

‘Wie...? Jürgen en Manfred?’

‘Ja.’

Hij grijnsde. ‘O, dus wèl dezelfden van de vorige week...’

‘Arnold!’ Ze frunnikte met het mes in de boter en glimlachte opeens:

[p. 14]

‘Zeg, je wang is al aardig opgeknapt. Heb je nog last van je zij?’

‘Bijna niet. Zie je wel dat er geen verband om hoefde?’

Ze streek even door zijn haar, terwijl ze naar de kast liep. Maar op hetzelfde ogenblik dat ze hem opende om de suikerpot te pakken wist ze een fout te hebben gemaakt. Met een snelle beweging klapte ze de deur dicht.

Arnold had het echter gezien. Hij hield op met kauwen. ‘Hoe komt u aan die worsten?’

‘Worsten...?’ Mevrouw Westervoort begon nerveus te smeren.

‘O..., die had ik nog...’

‘Gisteren lagen ze er nog niet... Trouwens, als u me toch een boterham meegeeft, heb ik er liever een stuk worst op dan dat zoete spul.’

‘Die worsten zijn voor vanavond...’ Ze haalde diep adem. ‘En voor zondag.’

‘Ik had anders best een paar plakkies gelust’, mopperde Arnold.

Ze keek hem een moment besluiteloos aan. ‘Goed’, zei ze toen, ‘ik zal je een stuk meegeven. Als je maar niet vertelt...’ Ze stopte midden in de zin.

‘Wat moet ik niet vertellen?’

‘Ach, nee..., laat maar. Trouwens, we moeten de tijd niet zitten verkletsen. 't Is al kwart over acht. En je bent toch van plan te gaan lopen, niet?’

‘Ja.’ Arnold spoelde de laatste hap klef brood weg, terwijl hij gretig toekeek hoe zijn moeder een centimeters lang stuk van de worst afsneed en bij zijn boterhammen stopte.

Ze pakte hem bij de armen. ‘Ik ben blij dat je toch weer naar school gaat.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Je moet je niet met die jongens bemoeien’, zei ze ernstig. ‘Beloof je me dat, Arnold?’

‘Ik zal m'n best doen.’ Hij trok zijn jekker aan.

‘Heb je je tas?’

‘Die staat nog op school. Tenminste - als ze hem niet gegapt hebben. Nou..., dan ga ik maar. Tot vanmiddag.’ Even later liep hij de straat door in de richting van het lyceum. Op het punt waarvan hij wist dat zijn moeder hem niet meer kon zien, sloeg hij een zijstraat in -

[p. 15]

de kant van de rivier op. Hij vertraagde zijn pas tot een onverschillig slenteren.

 

De eerste mei van het jaar 1942 begon met een heldere, maar frisse morgen. Arnold knoopte zijn jas wat hoger dicht en liep op zijn gemak een steeg door in de richting van de binnenstad. Het was niet druk op straat, behalve bij de bakkers, waar rijen mensen voor de deur stonden te wachten tot de verkoop van brood zou beginnen. Hij stak het kerkplein over, maar vermeed het stadhuis, waar zijn vader werkte.

Gisteravond tegen zes uur was zijn vader thuisgekomen. Hij had niets gezegd. Ook niet toen zijn moeder hem had gevraagd waar hij geweest was. En tot negen uur, het moment waarop Arnold naar bed was gegaan, had hij alleen maar zwijgend de krant zitten lezen. Arnold had pas een gedeelte van een gesprek opgevangen toen hij een paar uur later naar de wc moest. Op de trap had hij gezeten, doodstil luisterend. ‘Hij had zich niet met die jongens moeten inlaten’, had hij zijn moeder horen zeggen.

Hij had zich verbaasd over de kalmte waarmee zijn vader had geantwoord: ‘In zijn plaats was ik ook begonnen met knokken.’

‘Hij is niet begonnen...’

‘Nou, goed dan..., ik was een vechtpartij ook niet uit de weg gegaan.’

‘Wie weet takelen ze hem de volgende keer nog veel erger toe.’

‘Ik denk niet dat ze dat nog durven.’

‘Dan ken jij Martin Jonkers niet. Arnold heeft het al vaker met hem aan de stok gehad.’

‘Martin Jonkers...?’ Arnold had de minachting in de stem van zijn vader gehoord. ‘Martin Jonkers doet vanaf morgen helemáál geen vervelende dingen meer.’

‘Hoe weet jij dat? Of ben je vanmiddag bij boekhandel Jonkers geweest?’

‘Je denkt toch niet dat ik daar een voet over de drempel zet? Nee, laat zulke zaken maar rustig aan mij over.’

‘Soms maak ik me wel eens zorgen over jou.’

‘Je hoeft je over mij helemaal geen zorgen te maken.’ Voor het eerst was de toon van zijn vader korzelig geweest. ‘Ik heb er alleen meer dan genoeg van steeds in een hoek te worden gedrukt. Wat dat betreft

[p. 16]

kunnen we een voorbeeld nemen aan onze Leider. Die laat zich ook niet op de kop zitten! En dat tuig van Jonkers verdient al veel langer een lesje.

Ik vraag me wel eens af of die kerel soms joods bloed heeft. Hoe kun je anders met zo'n armzalig boekhandeltje zoveel geld verdienen?’

‘Je weet helemaal niet of ze veel geld verdienen.’

‘Je wou ze toch zeker niet gaan verdedigen?’

De stem van zijn moeder was zó zacht geworden dat hij haar nauwelijks meer kon verstaan. ‘Nee..., natuurlijk niet..., maar...’

‘Wàt maar...?’

‘Als jullie maar niets overkomt...’

‘Daar hoef je niet bang voor te wezen. Daar is dat stelletje veel te laf voor. En het wordt tijd ze dat eens goed te laten merken.’

‘Wat bedoel je?’

‘Dat zul je wel zien!’

Aan het schuiven van stoelen had Arnold gehoord dat ze waren opgestaan. Haastig was hij de trap verder afgelopen, maar bij de kamerdeur was hij bijna tegen zijn moeder aangebotst.

‘Arnold, wat doe jij hier?’

‘Ik moet naar de wc.’

‘Je bent koud. Kom je net uit bed?’

‘Eh... ja, ik kom net uit bed.’

‘Voel je je wel goed?’

‘Ja...’

‘Je hebt ons zeker horen praten?’

‘Wat...? Nee, ik heb niets gehoord.’

‘Was je al een poos wakker?’

‘Ja, ik kon niet zo goed slapen.’ En om nog meer lastige vragen te voorkomen had hij er in een opwelling aan toegevoegd: ‘Ik ga morgen toch maar weer naar school, ma.’

Ze had hem bij het zwakke licht uit de kamer glimlachend aangekeken en gezegd: ‘Daar ben ik blij om...’

Twee minuten later was hij weer in bed gekropen, maar het had een tijd geduurd voor hij in slaap was gevallen. Tegen een uur of half een was zijn zusje Rita thuisgebracht door haar Duitse vrienden. Ze hadden luidruchtig bij de voordeur staan praten voor ze afscheid namen. Daarna

[p. 17]

had hij nog wat geluiden in de keuken gehoord, maar hij was te moe geweest om er veel aandacht aan te schenken.

 

Terwijl hij zich afvroeg wat zijn vader bedoeld kon hebben toen hij over boekhandel Jonkers had gesproken, liep Arnold door. Hij passeerde het gebouw van de Ortskommandant met de hakenkruisvlag. Honderd meter verder bevond zich in een zijstraat de boekhandel van Jonkers. Arnold liep er langs, terwijl hij deed alsof hij er niet de minste belangstelling voor had. Uit zijn ooghoeken nam hij echter alles goed op. Er was niets bijzonders te zien.

Vijf minuten later bereikte hij de rivier. Een frisse noordoostenwind, die dwars op de stroomrichting stond, maakte korte golfjes. Krijsende meeuwen scheerden over het water. In zuidoostelijke richting over de kade slenterend probeerde hij te bedenken hoe hij Martin Jonkers en zijn vriendjes te pakken kon nemen. Eenvoudig zou dat niet zijn. Martin Jonkers was nu eenmaal een jongen die voor weinig terugdeinsde. En de gemakkelijkste manier - dingen zoals er gisteren waren gebeurd aan de Gestapo vertellen - had zijn vader hem vanaf het begin van de oorlog streng verboden. Hij had het hem verscheidene keren horen zeggen: als zoiets ooit nodig is, doe ik dat zelf! Arnold had niet de moed om tegenover zijn vader ongehoorzaam te zijn.

Na een minuut of twintig kwam hij bij de rand van de stad. De kade ging hier over in een brede dijk die in grote slingers langs de rivier lag. Min of meer evenwijdig aan de dijk liep, op een afstand van vijftig meter, de spoorlijn.

Een melkrijder met paard en wagen haalde hem in. Lege bussen rammelden tegen elkaar. Arnold versnelde zijn pas tot hij naast de voerman liep. ‘Mag ik meerijden?’

De man keek hem even fronsend aan en duimde toen als antwoord over zijn schouder.

Even later zat Arnold achterop de wagen, de benen bungelend over de opstaande ijzeren rand.

Gedurende een minuut of vijf liet hij zich voorthotsen, tot ze het punt bereikten waar de weg de dijk verliet en de spoorlijn afboog naar het zuiden. Daar sprong hij van de wagen. ‘Bedankt!’ schreeuwde hij, maar aan de reactie van de voerman was niet te zien of hij het gehoord had.

[p. 18]

Arnold keek de melkboer na tot deze bij een bocht van de weg in het naast de dijk gelegen bos verdwenen was.

Vervolgens liep hij, doelloos steentjes voortschoppend, over de smallere weg op de dijk. Honderd meter verder splitste deze zich opnieuw: een zo te zien kort geleden geasfalteerde weg leidde door de uiterwaarden omlaag naar een aanlegsteiger die behoorde bij een verderop gelegen steenfabriek. Bij de steiger lagen twee schepen. Een aantal in grijsgroene uniformen gestoken mannen was bezig met het uitladen van kisten; op de weg naast de steiger stonden twee motoren met zijspan van de Duitse Wehrmacht. Vijftig meter ervoor was een bordje aangebracht: STRENG VERBODEN VOOR ONBEVOEGDEN.

Arnold bleef staan.

Het landschap leek wel wat op een schilderij: een traag stromende rivier met kribben; grazende koeien; een molen tegen de rand van de stad; alles overkoepeld door een stralend blauwe lucht. Tenminste, in het oosten. In het zuiden en westen zweefden windveren. Hij keek er even onverschillig naar tot hij ontdekte dat de dunne wolkjes gezelschap hadden gekregen van een drietal pijlvormige, witte strepen die zich tamelijk snel voortbewogen: de onmiskenbare tekenen van drie jachtvliegtuigen. De hoogte was echter zo groot dat er van motorgeronk niets te horen was en Arnolds belangstelling ervoor hield dan ook op toen de streepjes plotseling, als in het niets, oplosten. Hij stond op het punt terug te keren naar de straatweg, toen hij iemand bij de steiger hoorde roepen. Een van de Duitse militairen wenkte hem. ‘Du, komm mal her!’

Arnold bleef enkele ogenblikken staan, besluiteloos en een beetje op zijn hoede.

‘Hab nur keine Angst!’ schreeuwde de soldaat. ‘Wir fressen dich bestimmt nicht!’

Arnold overwon zijn aarzeling en liep traag op het groepje militairen af. Ze waren met z'n zessen, zag hij nu. Twee zaten er in het ruim van het schip en reikten kisten aan, twee brachten de kisten tot vooraan de steiger en twee stapelden ze op in rijen van vijf hoog. Het laatste werk was blijkbaar het meest tijdrovend, want er stonden nog tientallen kisten niet opgestapeld.

‘Bist du stark?’ De militair die hem geroepen had keek hem aan met

[p. 19]

een brede grijns. ‘Verstehst du mich?’ Arnold knikte.

‘Kannst du uns helfen?’ De soldaat sprak met opzet langzaam.

Arnold wees naar zijn ribben. ‘Weiss nicht... Habe Schmerzen.’ Duits was niet zijn slechtste vak.

De Duitser lachte daverend. Hij wendde zich tot zijn collega die juist een kist op de bovenste rij hees. ‘Hör mal, Werner, ein Holländer der den Trick auch schon kennt!’

‘Was...?’

Arnold begon zich kwaad te maken. ‘Es ist kein Trick!’ snauwde hij.

‘Es ist wahr!’

De eerste militair schoof geamuseerd zijn kepi naar achteren. ‘Zeig mal, wo's dir weh tut!’ grijnsde hij.

Arnold klemde zijn tanden opeen. ‘Nein!’ antwoordde hij. Toen liep hij op een van de kisten af en tilde hem op. Wat erin zat wist hij niet; het interesseerde hem ook niet. Hij merkte alleen dat het ding tenminste vijftien kilo woog. Met gespannen spieren en een stekende pijn in zijn ribben liep hij ermee naar de stapel en zette hem met een klap op de derde rij.

De beide soldaten applaudisseerden waarderend. ‘Bravo, bravo! Schön gemacht.’ Ze wezen op het schip. ‘Jetzt nur noch hundert!’

Arnold gaf geen antwoord. Met de rechterhand gedrukt tegen de pijnlijke plek in zijn zij liep hij terug naar de op de grond staande kisten. Hij zou zich niet laten kennen. Hij zou ook laten zien dat er nog wel Nederlanders waren die niet te beroerd waren Duitse militairen een handje te helpen.

Gedurende een paar minuten probeerde hij het tempo van de beide soldaten bij te houden, maar hij hield ermee op toen het zweet langs zijn gezicht begon te lopen. Hijgend viste hij een zakdoek uit zijn zak en wiste zijn voorhoofd af.

 

Op dat moment zag hij de vliegtuigen. Het waren er drie en ze kwamen uit het zuidwesten. Normaal zou hij het motorgeronk wel hebben gehoord maar de straffe noordoostenwind waaide zulke geluiden weg. Bijna aarzelend wees hij op de aanstormende jagers. ‘Flugzeuge...’, zei hij.

De militair die met Werner was aangesproken keek op van zijn werk.

[p. 20]

‘Was...?’ Eén seconde later smeet hij de kist die hij in zijn handen had van zich af. ‘Verdammt nochmal!’ schreeuwde hij. ‘Flugzeuge! Deckung!’

prepostterug  begin  verder