Als hij meteen gereageerd had, had Arnold misschien nog weg kunnen komen. In plaats daarvan stond hij als versteend naar de nadering van de Engelse jagers te kijken tot één van de Duitse militairen hem onzacht tegen de grond sleurde. Het volgende moment lagen ze met zijn vijven plat achter de stapels kisten.
Het eerste wat hij hoorde was een hoge janktoon die snel aanzwol tot een oorverdovend gieren. Toen barstte de hel los. Ratelende mitrailleurs zonden een stroom van kogels omlaag. Als hagelstenen spatten de projectielen op de steiger, boorden zich in de schepen en spoten fonteinen water omhoog. Tegelijk met de over hen heen flitsende schaduw van de machine veranderde het gieren in een donderend gebulder. Het vliegtuig scheerde over de rivier, klom toen snel en begon aan een grote bocht.
Met zijn gezicht stijf tegen het beton hoorde Arnold de volgende jager aankomen, vrijwel onmiddellijk gevolgd door nummer drie. Hij rook de doordringende stank van uitlaatgassen. De angst kroop hem naar de keel.
Twee nieuwe kogelregens maakten denken onmogelijk. Hij begreep pas dat het voorbij was toen hij boven het gedaver van de vliegtuigmotoren uit de soldaten naast zich hoorde schreeuwen.
Een van de militairen die op het schip hadden gewerkt klom uit het ruim en rende naar de voorplecht. Met een snelle beweging trok hij een zeildoek weg - even later lag de man geknield achter een machinegeweer, waarvan hij de loop naar het zuidwesten draaide. Hij was net op tijd, want de eerste jager begon aan zijn tweede duikvlucht.
Arnold bleef kijken hoe de soldaat zijn wapen richtte tot hij opnieuw hardhandig omlaag werd geduwd. ‘Deckung, du Idiot!’
De mitrailleur op het schip knetterde nog voor de Engelse piloot zijn machine in de juiste positie had. Waarschijnlijk was het daaraan te danken dat een nieuwe stroom kogels een eind naast hen insloeg. Maar de tweede en derde waren weer veel nauwkeuriger. Kogels kaatsten gillend terug van de stenen. Houtsplinters vlogen rond. Twee kisten
op de bovenste rij wankelden, tolden om en kraakten vlak naast Arnold tegen de grond.
Maar toen hij voor de tweede maal opkeek zag hij pas goed de verwoesting die de Engelsen hadden aangericht. Het schip met de kisten was doorzeefd en begon langzaam scheef te zakken. De stuurhut was één ruïne. De helft van het roer was verdwenen. Arnold staarde de vliegtuigen na, bang als hij was dat ze voor de derde keer zouden terugkomen. Maar de jagers raasden met grote snelheid omhoog. Behalve de laatste. Hij zag er een rookpluim achteraan slieren die snel dikker werd. De machine maakte een onzekere bocht, alsof de vlieger er geen controle meer over had en braakte plotseling oranje vlammen uit. Toen verloor het toestel hoogte. Ademloos keek Arnold toe hoe zich een klein figuurtje van de brandende jager losmaakte. Een witte parachute ontplooide zich en zeilde met de wind mee in de richting van het bos. Het jachtvliegtuig viel snel. Een bol van vuur en rook stortte omlaag. Drie seconden later smakte het vijfhonderd meter van hen af in de rivier. De vlammen doofden. Een vette walm dreef over het water.
De Duitsers toonden echter nauwelijks belangstelling. Terwijl Arnold naar het schouwspel stond te staren draafden ze opgewonden naar het zinkende schip. ‘Schnell! Der Klaus... Er ist verletzt!’ Struikelend over kapotte kisten in het gangboord bereikten ze de voorplecht. Het slappe lichaam van de Duitse soldaat hing achter zijn mitrailleur. Met zijn tweeën sleepten ze hem haastig van het dek en brachten hem op de steiger. Het was net op tijd. Het schip helde sterk over tot het bleef hangen aan de als snaren zo strak gespannen meertouwen; de helft van het dek liep onder water.
Terwijl Arnold overeind krabbelde hoorde hij vanuit de stad de sirene van het luchtalarm huilen. De Engelse piloot dreef aan zijn parachute verder af en verdween tenslotte achter de kruin van de dijk ergens in het bos.
Toen hij zich omdraaide zag hij de soldaten gebukt over het stille lichaam van hun kameraad. Als in de verte hoorde hij Werner zeggen: ‘Er ist tot...’ Het volgende moment schreeuwde de Duitser het uit: ‘Mein Gott..., er ist tot!’ Hij balde zijn vuisten van machteloze woede tegen de hemel: ‘Verfluchte Schweinhunde..., das werdet ihr bereuen!’ Woest keerde hij zich tot de anderen. Arnold zag de tranen in zijn
ogen. ‘Wir werden den Flieger suchen’, zei hij schor.
De soldaten verspilden geen tijd. Met zijn vieren renden ze naar de gereedstaande motoren, grepen hun machinepistolen uit het zijspan en startten. Eén motor gehoorzaamde onmiddellijk, maar de andere zweeg: een kogel had de cilinder doorboord.
Uit de richting van de stad kwam een wagen aanrazen, nam gevaarlijk snel de bocht en remde op enkele meters afstand van het groepje. Achterin, zag Arnold, zaten zeker tien gehelmde militairen, hun geweren tussen de knieën. De man naast de chauffeur klom uit zijn cabine. Met één oogopslag had hij de chaos overzien. Ze wisselden snel een paar woorden, waarna hij weer instapte. Toen zag hij Arnold. ‘Wer ist der Junge?’
‘Er hat uns geholfen.’
De militair keek hem aan met stekende, grijze ogen. ‘Hast du den Flieger gesehen?’
Arnold knikte. Zijn hart bonsde met snelle slagen.
‘Ich meine - wo ist er gelandet?’
Arnold voelde zijn benen trillen. Een beetje onzeker wees hij in de verte. ‘In het bos’, zei hij. ‘Im eh... Wald.’
‘Weisst du den Weg?’
‘Ja.’
De Duitser maakte een rukkende hoofdbeweging. ‘Mitkommen!’
Een tikje hardhandig duwden ze hem op de motor achter de brede rug van Werner. Een ander nam plaats in het zijspan. Arnold moest zich stevig vasthouden toen de machine de dijk opronkte.
Ze kwamen bij de splitsing. ‘Links!’ schreeuwde hij Werner in het oor. En na tweehonderd meter: ‘Hier rechts!’
De motor schoot het bospad op, gevolgd door de legerauto.
Met de grootste moeite kon Arnold blijven zitten, want Werner raasde door het bos alsof er geen bobbels en kuilen bestonden. Slechts een paar minuten duurde de tocht, maar Arnold voelde zich volkomen geradbraakt toen ze op een open plek aankwamen. ‘Stoppen!’ riep hij.
Werner draaide zijn motor het grasveldje op. Even later arriveerde ook de legerwagen.
‘Hier heb ik hem ergens naar beneden zien komen’, zei Arnold.
‘Was...?’
‘Es muss hier sein...’
‘Gut.’
Er werden korte bevelen geschreeuwd, waarna de Duitsers verbeten het bos begonnen te doorzoeken. Een soldaat hield de wacht bij de voertuigen.
Arnold bleef staan, zijn hoofd vol verwarde gedachten. Hoe lang was het geleden dat hij van huis was gegaan? Een uur? Twee uur? Hij wist het niet. Er was te veel gebeurd. Het begon nu ook pas goed tot hem door te dringen dat hij door het oog van de naald gekropen was. Het was dus waar wat ze zeiden; wat zijn vader al een paar keer verteld had: de Engelsen schoten op alles wat ze zagen, zonder erop te letten of onschuldigen misschien het slachtoffer werden. Hij had gehoord van bombardementen op grote steden. Honderden mensen waren daarbij omgekomen.
Ze hadden gelijk: laffe aanvallen waren het. Nog steeds zag hij voor zich het roerloze lichaam van de Duitse militair die ze Klaus hadden genoemd. Hoe oud was hij geworden... Een jaar of twintig misschien? En hij had geen schijn van kans gehad. Het was nog een wonder dat hij een van de Engelse vliegtuigen had geraakt. Hij hoopte dat ze de kerel die eruit gesprongen was gauw zouden vinden. Dan kon ie zijn verdiende loon krijgen!
Langs het bospad verscheen een fietser. Op een klein aanhangwagentje vervoerde hij melkbussen. Toen hij de auto en de motor zag wilde hij snel doortrappen, maar de soldaat had hem gezien.
‘Halt!’ Hij richtte zijn geweer.
De boer stopte. Er was schrik in zijn ogen.
‘Wer sind Sie?’
De fietser schudde verward zijn hoofd. ‘Ik heb niets gedaan...’
De Duitser aarzelde, waarna hij Arnold wenkte. ‘Du, komm her... Wer ist dieser Mann?’
Arnold voelde zich niet op zijn gemak. Hij had de man vaker gezien. Waarschijnlijk woonde hij op een van de boerderijtjes achter het bos. Hij had natuurlijk de bussen opgehaald die de melkrijder aan de kant van de weg had gezet. ‘Die man woont hier in de buurt’, zei hij. ‘Ein Bauer...’
De militair zwaaide met zijn wapen. ‘Schon gut... Weiter gehen!’
De boer bedacht zich niet en vervolgde na een schichtige blik op Arnold haastig zijn weg.
Het duurde nog een minuut of vijf voor ze de piloot vonden. In de verte klonken opgewonden kreten; even later kwamen ze met zes man het bos uit.
De Engelsman zag er slecht uit. Zijn gezicht zat onder de schrammen, bloed kleefde aan zijn gescheurde uniform en hij hinkte een beetje. Maar zijn jonge gezicht stond trots. Bij de wagen liet hij zijn omhoog gestoken handen zakken.
‘Hände hoch!’ snauwde een van de Duitsers.
De Engelsman deed echter of hij het niet gehoord had, klom achterop de legerwagen en begon de veters van zijn schoenen los te maken.
Na enkele minuten kwamen de andere militairen terug. Werner zag de vlieger zitten. Zonder zich te bedenken sprong hij op de wagen en greep hem bij de keel. ‘Du hast es gemacht!’ siste hij. ‘Du englisches Schwein!’ Hij haalde uit voor een vuistslag, maar opeens snerpte de stem van de commandant: ‘Lass das!’
Werner haalde diep adem. Hij liet zijn hand zakken.
‘Der Engländer ist Kriegsgefangener!’ snauwde de ander. ‘Komm runter!’
De soldaat klom traag van de wagen en liep naar zijn motor. Woedend trapte hij op de starter. Twee anderen stapten bij hem op. De motor raasde weg.
De overigen beklommen de legertruck. De commandant stak zijn hoofd uit de cabine. ‘Mitfahren?’ riep hij.
Arnold schudde zijn hoofd. Hij keek toe hoe de wagen draaide. De chauffeur gaf gas. Gras en aarde spatten onder de achterwielen vandaan. De militairen met hun gevangene schommelden heen en weer. Bij een kromming van de bosweg verdwenen ze uit het gezicht. Daarna was er alleen nog maar wegstervend motorgeronk.
Arnold voelde zich opeens moe. Zijn benen trilden nog steeds en in zijn keel was een benauwde kramp die hij niet kon wegslikken. Onzeker ging hij op een omgevallen boom zitten, zijn hoofd in de handen.
Hij had er goed aan gedaan de militairen de weg te wijzen. Dat wist hij zeker. De Engelsen waren immers Nederlands grootste vijanden. Dat had hun leider Mussert zelf gezegd, vijanden van het vaderland.
En nog niet zo lang geleden had hij op de Jeugdstorm plechtig gezworen het vaderland trouw te zijn. Samen met zijn kameraden had hij beloofd het vaderland desnoods te zullen verdedigen tot de dood toe. En was dat vanmorgen niet gebeurd? Een kogelregen was over hem heengegaan. Maar hij was niet geraakt. Was dat een wonder? Of was dat de besturing van een Hogere Macht?
Hij keek omhoog, waar de boomtoppen geruststellend ruisten. En opeens moest hij denken aan de belangrijkste spreuk van de Jeugdstorm: ‘In Godsvertrouwen alles voor het Vaderland.’ En nu wist hij ook wat dat woordje ‘alles’ voor hem betekende: hij moest zich tot het uiterste voor het vaderland inspannen. Al was het nog zo moeilijk. Al moest hij ervoor door een hel van pesterijen en verdachtmakingen.
Hij had het zelf iemand van de Beweging voor de radio horen zeggen: ‘er zijn familieleden die u verwensen en vervloeken, er zijn vrienden die u voorbijlopen zonder groeten. Er zijn collega's die net doen of u niet bestaat. Eenzaam bent u, in uw huis, op uw werk en in uw kerk.’ Zijn vader had die woorden vaak herhaald en er meteen bij gezegd dat ze daarom alleen in hun eigen NSB echte, trouwe vriendschap konden vinden.
Het was bovendien een geluk dat ze zulke machtige vrienden en beschermers hadden. Dat had hij zelf ondervonden. Als Werner hem niet omlaaggetrokken had...
Hij stond op en liep terug in de richting van de straatweg. Hij had er nog steeds geen idee van hoe laat het was, maar hij kon gerust onder schooltijd thuiskomen. Hij hoefde niet bang meer te zijn voor een uitbrander. Achteraf gezien was het juist goed dat hij niet naar school was gegaan.
Hij liet het bos achter zich. Op de dijk tegenover de steiger stond een groepje mensen, sommigen met de fiets aan de hand. De melkrijder was er ook bij, nu met een lege wagen. ‘De arme drommel’, hoorde hij hem zeggen, ‘heb je hem zien zitten tussen die moffen? Als je 't mij vraagt hebben ze hem afgetuigd..., met tenminste tien man! En dat schorem noemt zichzelf Edelgermanen! Schoften zijn het!’ Er lag echter een grote hoeveelheid leedvermaak in zijn stem toen hij eraan toevoegde: ‘Maar wat hèbben ze er van langs gekregen!’ Hij wees naar het halfgezonken schip. ‘Daar is vast niet veel bruikbaars meer bij...’
Hij ging op de kar zitten en zette zijn paard aan. ‘Nog een paar van zulke klusjes’, zei hij over zijn schouder, ‘en ze hebben die moffen gekraakt!’ Hij zag opeens Arnold staan. ‘Hé’, riep hij bijna vrolijk, ‘wil je weer meerijden?’
Arnold slaagde er niet in zich te beheersen. ‘Nee!’ snauwde hij. ‘Ik kijk wel uit naar ander gezelschap!’
Op hetzelfde moment wist hij dat hij zoiets niet had moeten zeggen. Ze staarden hem aan, eerst met verbazing, daarna met een mengsel van wantrouwen en vrees. Zonder iets te zeggen ging het groepje uiteen en fietste weg.
De melkrijder reed in de richting van de stad, zijn paard aansporend met een zweep die Arnold hem eerder op de dag niet had zien gebruiken.
Het liep tegen elf uur toen Arnold de keuken binnenstapte. Zijn zusje Rita zat aan tafel voor een half leeg ontbijtbord. Ze begroette hem met volle mond.
‘Sjonge, jij bent vroeg, zeg!’
‘Dat kan ik van jou niet zeggen!’ bitste hij terug.
‘Nou, doe maar niet zo aangebrand! Of ben je d'r soms weer uitgetrapt? Zeker je grote mond weer niet kunnen houden...’
‘Over grote monden gesproken..., ik ken er nòg zo een!’ Hij liep door naar de kamer.
In de gang hoorde hij de stem van zijn moeder van boven. ‘Wie is daar, Rita?’
‘Ik!’ riep hij terug, voor zijn zusje antwoord kon geven.
‘Wat? Nu al?’ Mevrouw Westervoort daalde haastig de trap af. Haar gezicht stond nog steeds zorglijk. ‘Wat is er gebeurd? Ben je van school gestuurd?’
Hij plofte neer op een stoel en schudde zijn hoofd. ‘Ik ben niet naar school geweest.’
‘Wat...? Maar... waar heb je dan al die tijd gezeten...?’
Hij antwoordde niet dadelijk.
‘Arnold..., zeg op! Je hebt toch geen gekke dingen gedaan, hè?’
Opnieuw schudde hij zijn hoofd. ‘Nee, ik geloof het niet.’ Hij glimlachte een beetje vaag, terwijl hij naar zijn moeder opkeek. ‘Ik ben een eindje gaan wandelen. Buiten de stad.’
Rita kwam uit de keuken en bleef belangstellend in de deuropening staan luisteren.
‘Buiten de stad? Wat had je daar in 's hemelsnaam te zoeken? En dat luchtalarm... Waarom ben je niet dadelijk thuisgekomen? Of heb je dat schieten helemaal niet gehoord?’
Arnold keek beurtelings van zijn moeder naar zijn zusje. Hij zei langzaam: ‘Ze hebben ook op mij geschoten.’
Als het zijn bedoeling was zijn moeder te laten schrikken was hij geslaagd. Mevrouw Westervoort werd lijkbleek. Haar handen klemden zich om de stoelleuning. Nauwelijks verstaanbaar fluisterde ze: ‘Wát zeg je?’
Arnold probeerde een nonchalante houding aan te nemen. ‘Er waren soldaten aan het werk’, verklaarde hij. ‘Op de kade, bij de steenfabriek, u weet wel... Ze waren een schip aan het lossen. Ik heb ze geholpen. En toen kwamen ineens die vliegtuigen.’ Hij las de dodelijke schrik in de ogen van zijn moeder. Een tikje overbodig voegde hij eraan toe: ‘Ze hebben me niet geraakt.’ Hij zweeg even voor hij verder ging: ‘Maar één vliegtuig hebben ze naar beneden geschoten. En toen zijn we de piloot gaan zoeken.’
‘We...? Bedoel je dat jij ook...?’
Hij knikte. ‘Ik ken de weg in het bos. Ze hebben die vent gevonden ook.’ Hij spreidde zijn handen. ‘Nou weet u alles...’
‘Hebben ze die piloot gevangengenomen?’ vroeg Rita gretig.
‘Ja, dat zèg ik toch!’
‘Hoe zag hij eruit? Was ie groot?’
‘Weet ik veel!’
‘Je hebt hem toch wel gezien, hè? Of zit je maar wat te kletsen?’
‘Natuurlijk niet! Maar wat kan mij het nou schelen hoe groot die kerel was.’
Mevrouw Westervoort zei nadrukkelijk: ‘Arnold, zul je me beloven zulke dingen niet weer te doen?’
‘Wat bedoelt u? Mag ik de Duitsers soms niet helpen?’
‘Nee..., jawel..., dat bedoel ik niet. Ik bedoel - je hebt nu zelf gezien hoe gevaarlijk het is.’
‘Dat kon ik toch van tevoren ook niet weten!’
‘Maar waarom ben je er dan heengegaan?’
‘Omdat ik me stierlijk verveelde. Trouwens, ze hebben me zelf gevraagd of ik ze wou helpen.’
‘Kon je ze wel verstaan?’ spotte Rita.
‘Ach, vlieg op! Ik ben niet zo achterlijk als jij!’
Ze liet een heldere lach horen. ‘Meteen boven op de kast!’
Mevrouw Westervoort schudde langzaam haar hoofd, draaide zich om en verliet de kamer.
Om kwart over twaalf kwam meneer Westervoort thuis. Hij leek tamelijk opgewekt, maar had toch een gespannen uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij verwachtte dat er elk moment iets ergs kon gebeuren.
Na vijf minuten was hij op de hoogte van wat Arnold was overkomen. Hij zweeg echter een tijd voor hij tenslotte ernstig zei: ‘Het was fout van je Arnold, om niet naar school te gaan. Maar wat je gedaan hebt is goed. Je hebt de Duitsers laten zien dat ze in Nederland ook echte bondgenoten hebben. En wat belangrijker is: je hebt ons vaderland helpen verdedigen tegen een laffe aanval. Het was gevaarlijk wat je deed, maar ik ben toch trots op je. Als iedereen in onze Beweging zo was, konden we met elkaar de sterkste vijanden verslaan!’
Arnold voelde dat hij een kleur kreeg toen zijn vader een hand op zijn schouder legde. Half stotterend zei hij: ‘Maar... de school dan? Moet ik daar vanmiddag wel naar toe?’
Westervoort glimlachte. ‘Och, die paar uurtjes zullen niet zoveel uitmaken. Ga maar een mooi boek lezen, of zo. Maar morgen ga je wel. Afgesproken... kameraad?’
Arnold knikte. Zijn stem had een vreemde klank toen hij herhaalde: ‘Afgesproken.’