terug  begin  verderprepost
[p. 30]

4

Het was tamelijk koud, de volgende morgen. De lucht was zwaar bewolkt en het regende zachtjes.

Een beetje somber liep Arnold naar school. En ook een beetje bang. Wat zou de rector zeggen? Tenslotte had hij flink gespijbeld. En hij was knap brutaal geweest. Zijn wegblijven zou hij misschien kunnen verklaren door te zeggen dat hij zich niet lekker had gevoeld. Maar zijn brutaliteit tegen de rector...?

Vijf minuten voor half negen stapte hij het schoolplein op, aarzelend en wat schichtig. De jongens van zijn klas stonden onder de overkapping van de fietsenstalling en schenen in druk gesprek gewikkeld te zijn. Martin Jonkers was er niet bij, maar Johan Laning en Hans van Beek zag hij meteen. Snel wilde hij naar de ingang van de school lopen, maar het leek wel of het groepje zijn aanwezigheid rook, want plotseling draaiden ze zich bijna gelijktijdig in zijn richting. Het gesprek verstomde.

Johan Laning stak zijn handen in zijn broekzakken. Hij had een grijns op zijn gezicht. ‘Hallo, Arnold!’ zei hij. Het klonk luid over het schoolplein. Uit het groepje steeg gegrinnik op.

Arnold voelde zich onzekerder worden. Waren ze iets van plan? Maar wat? Of zouden ze zijn tas hebben gevonden en daar iets mee hebben uitgehaald? Of zouden ze hem toch weer willen accepteren? Had de rector of een leraar zich ermee bemoeid? Als dat zo was kon het alleen meneer Dijkman van geschiedenis zijn. Die was tenminste een van de weinigen geweest die nog nooit vervelend tegen hem had gedaan.

‘Hallo, Arnold!’ Ditmaal was het Hans van Beek.

Arnold wist niet hoe hij het had. Zo'n opgewekte begroeting van een jongen met wie hij kort geleden vechtend op straat had gelegen was wel het laatste wat hij verwacht had. Of zouden ze toch een beetje bang zijn geworden? Alleen - op Hans' vrolijke gezicht lag helemaal geen angst...

Arnold bleef staan en glimlachte hem schutterig toe.

‘Hallo, Arnold!’ Weer iemand anders.

[p. 31]

Hadden ze dan misschien met elkaar afgesproken geen geintjes meer uit te halen? Hij antwoordde zwakjes: ‘Hallo...’

Ze moesten erop hebben gewacht. Een explosie van vrolijkheid barstte uit het groepje los. Brullend van het lachen rolden ze over de fietsenrekken, grepen elkaar vast en sloegen elkaar op de rug.

Arnold verstijfde. Een ijskoud gevoel kroop vanuit zijn maag omhoog. Zijn handen werden klam. Toen draaide hij zich met een ruk om en liep naar de ingang van de school. Achter zijn rug werd nog iets geschreeuwd, maar dat hoorde hij niet meer.

Even later trok hij zijn jas uit en smeet hem woedend op de kapstok. En opeens stond de rector naast hem.

‘Goedemorgen, Arnold.’

Hij schrok, keek de rector onvast aan en gaf geen antwoord.

De rector nam hem scherp op en vroeg rustig: ‘Waarom was je gisteren niet op school?’

Arnold haalde diep adem. In de gangen klonk het lawaai van jongens en meisjes die hun lokaal opzochten. Hij zei: ‘Ik eh... voelde me niet zo lekker.’

‘Kwam dat van die vechtpartij, denk je?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Misschien wel.’

‘Dus je bent gisteren de hele dag thuis geweest?’

Arnold was meteen op zijn hoede. Waarom vroeg de rector dat? Had hij hem misschien zien lopen, gistermorgen? Of had hij het van iemand gehoord? Hij antwoordde voorzichtig: ‘Nee, meneer..., ik eh... heb nog een eindje gewandeld. Mijn moeder zei dat dat beter voor mij was.’

De rector bleef hem aankijken met zijn koele, grijze ogen. ‘Heb je ook een briefje van je ouders meegebracht?’

‘Nee, meneer.’

‘Waarom niet?’

‘Dat heb ik vergeten, meneer.’ Hij wierp een tersluikse blik naar het einde van de gang, waar zijn klasgenoten de trap opstommelden.

De rector vroeg: ‘Is dat alles wat je me te zeggen hebt, Arnold?’

‘Ja, meneer.’

‘Weet je dat zeker?’

Arnold klemde zijn lippen opeen en knikte.

[p. 32]

‘Wel, Arnold, ga dan maar naar je klas. Je tas staat bij de conciërge.’

‘Ja, meneer.’ Arnold voelde het zweet in zijn nek prikken. Vervolgens haastte hij zich naar de kamer van de conciërge die hem met een nors gezicht zijn tas aanreikte. Twee minuten later zat hij op zijn plaatsje in het lokaal, links bij het raam.

De klas gniffelde nog steeds, maar hield daar mee op toen meneer Dijkman, leraar geschiedenis binnenkwam.

‘Goedemorgen, allemaal!’

‘Goedemorgen, meneer!’

Meneer Dijkman liep naar zijn lessenaar, zette zijn tas neer en pakte de bijbel. ‘We zullen maar meteen beginnen’, zei hij, ‘want we hebben vanmorgen veel te doen. Ik zal jullie psalm 83 voorlezen.’ Hij wachtte tot iedereen stil was, waarna zijn zachte, maar doordringende stem het lokaal vulde.

 
‘Een lied. Een psalm Asafs.
 
O God, zwijg niet, houd u niet als doof,
 
en wees niet stil, o God.
 
Want zie, uw vijanden maken getier,
 
en uw haters steken het hoofd op.
 
Zij maken listig een geheime aanslag tegen uw volk,
 
en beraadslagen tegen uw verborgenen.
 
Zij hebben gezegd: Komt en laat ons hen uitroeien,
 
dat zij geen volk meer zijn,
 
dat aan de naam van Israël niet meer gedacht worde.’

Met een half oor luisterde Arnold naar de opsomming van volken die erop uit waren Israël te verdelgen. Hij staarde het raam uit dat uitzicht bood op een klein plantsoen. Een vrouw liet een hond uit. Op de weg erachter knetterde een autobus met gasgenerator voorbij.

‘... verschrik hen als een wervelwind’, hoorde hij meneer Dijkman voorlezen. ‘Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid.’ En opeens waren Arnolds zintuigen tot het uiterste gespitst. Voorzichtig gluurde hij over zijn schouder om te ontdekken dat een stuk of wat jongens en meisjes spottend in zijn richting keken. Hij draaide zijn hoofd terug naar de leraar die net zijn bijbel sloot. Maar aan meneer Dijkman

[p. 33]

was niets bijzonders te merken. Hij vouwde zijn handen en sprak een eenvoudig gebed uit.

Het ‘amen’ werd meteen gevolgd door rumoer met tassen en boeken die op de banken werden uitgestald.

Meneer Dijkman speurde de klas rond. ‘Weet iemand misschien waar Martin Jonkers is?’

Hans van Beek hief zijn hoofd op. ‘Weet u dat dan niet?’

‘Wat zou ik moeten weten?’

‘Ze hebben de winkel van Jonkers in puin geslagen..., gisteravond. Ik denk dat Martin moet helpen de boel op te ruimen.’

Arnold bewoog zich niet. Maar in zijn hoofd tolden plotseling de wildste gedachten. De boekhandel van Jonkers in puin geslagen? Wie zouden dat gedaan hebben? Hij had er niets over gehoord... Zou zijn vader misschien zoiets bedoeld hebben toen hij donderdagmiddag kwaad de deur uitliep? Of was er een andere reden?

‘Weet je ook wie het gedaan hebben?’ vroeg meneer Dijkman.

Hans aarzelde. ‘Mijn vader zegt dat het eh... NSB-ers waren... Ze hadden tenminste zwarte uniformen aan...’

‘WA-mannen’, zei meneer Dijkman. Zijn gezicht stond strak toen hij eraan toevoegde: ‘Zulke dingen gebeuren nu eenmaal, jongens. Ik hoop alleen dat jullie je daarmee nooit zult inlaten...’

In de stilte die op zijn woorden volgde steeg hier en daar licht gegrinnik op.

‘Wie meende daarom te moeten lachen?’

De klas zat roerloos.

‘Was jij dat, Johan?’

‘Nee, meneer...’

Meneer Dijkman zei scherp: ‘Lach nooit om zulke dingen. Begrepen?’ ‘We lachten ook niet omdat dat gebeurd is met die winkel’. antwoordde een meisje van de achterste bank, ‘maar om iets anders...’

‘Mag ik dat dan misschien weten, Marloes?’

‘Eh..., liever niet, meneer...’

Arnold keek weer uit het raam, maar hij zag niets, geen plantsoen, geen straat. Zijn hart bonkte met felle slagen. Hij wist drommels goed waarom ze hadden zitten grinniken. Maar meneer Dijkman dan? Speelde die een spelletje?

[p. 34]

Hij hoorde de leraar zeggen: ‘Goed, Marloes, dan zullen we er verder niet over praten.’ Hij liet er meteen op volgen: ‘Doe je boeken maar open bij paragraaf vijftien. Dan zullen we zien of de familie Habsburg er inderdaad in slaagt de macht in Europa in handen te krijgen.’

De les verliep verder zonder incidenten, maar Arnold kon zijn gedachten er nauwelijks bijhouden. Martin Jonkers had dus zijn verdiende loon gekregen. En zijn vader ook. Eigenlijk had hij daar nu blij om moeten zijn: zijn grootste treiteraar had er immers van langs gekregen. Hij voelde zich echter allesbehalve opgelucht.

Na de bel voor het tweede lesuur schuifelde hij zwijgend achter de anderen aan naar het wiskundelokaal. Het was er een stuk rumoeriger dan bij de geschiedenisles en Arnold zat nog maar vijf minuten of er vloog een prop dichtgevouwen papier op zijn bank. Bliksemsnel keek hij om zich heen om te zien wie dat naar hem toegegooid had; zijn klasgenoten zaten echter met uitgestreken gezichten naar het bord te staren.

Arnold vouwde het papier open en las.

 
Een snotaap van de NSB
 
sjouwt altijd met de moffen mee.
 
Dan zegt hij: Houzee, kameraden,
 
wij gaan het vaderland verraden!
 
Ik weet in 't bos nog een piloot,
 
die schieten jullie straks maar dood.
 
En slaat er iemand op mijn kruin,
 
sla dan zijn winkel maar in puin.
 
 
 
Wie lid is van de NSB
 
stinkt erger dan een open plee.

De wiskundeleraar scheen zich er opeens van bewust te zijn dat het stiller was dan normaal. Opmerkzaam keek hij de klas in tot hij Arnold zag. Hij vroeg: ‘Is er wat, Arnold?’

‘Ik voel me niet zo lekker, meneer... Mag ik even naar de wc?’

‘Ga je gang.’

Hij stapte de bank uit en liep naar de deur. De ogen van vijfentwintig

[p. 35]

klasgenoten prikten als gloeiende naalden in zijn rug. Toen klapte de deur dicht. Uit het lokaal steeg opnieuw rumoer op.

Er was niemand in de gang en zijn vlugge voetstappen klonken luid en hol. Even later sloot hij zichzelf op in de toiletruimte. Vervolgens viste hij het papier uit zijn zak, verscheurde het en liet de snippertjes in de closetpot vallen. Daarna trok hij door.

Hij deed het allemaal automatisch, want in hem laaide een ongelooflijke woede. De smeerlappen! De pestkoppen...! Hij kon ze wel vermoorden! De hele morgen waren ze nu al bezig. Hete tranen brandden achter zijn ogen toen hij zich omdraaide. En toen pas zag hij ook wat er met hanepoten op de wc-deur was gekalkt: HALLO. Hang Alle Laffe Landverraders Op.

En weer was er die benauwende kramp, die hem het ademhalen haast onmogelijk maakte. Hij klemde zijn vuisten tot de knokkels wit werden. Dáár waren ze dus op uit geweest! De schoften! En er was niemand die er iets tegen deed, ook de leraren niet! Die konden alleen maar vrome stukjes lezen, waar ze met schijnheilige tronies naar zaten te luisteren. Net als in de kerk. Daar preekten ze over liefde, maar bij de uitgang spuwden ze vlak voor je op de grond.

Arnold wachtte een minuut. Daarna verliet hij het toilet en keerde terug naar zijn lokaal.

De klas was meteen stil. De leraar keek hem onderzoekend aan. ‘Voel je je al wat beter?’

Hij antwoordde luid: ‘Stukken, meneer... Ik heb even wat vuiligheid weggespoeld.’

De man keek hem bevreemd aan en keerde zich vervolgens weer tot de sommen op het bord.

De klas bleef stiller dan anders.

Waarschijnlijk waren ze door Arnolds venijnige antwoord een beetje uit het veld geslagen, want er gebeurde verder niets. Behalve bij Nederlands, het laatste vak van de zaterdagmorgen. Tien minuten voor de bel klapte de leraar nietsvermoedend het bord om. Zelfs iemand met slechte ogen had het kunnen lezen: NSBé - NSBeter - NSBeest.

De klas joelde.

De leraar wierp een onzekere blik op Arnold, pakte snel de wisser en veegde het uit.

[p. 36]

Toen zei hij streng: ‘De schrijver van dit fraais meldt zich na de les bij mij!’

De rust keerde onmiddellijk weer, maar de leraar voelde dat het weinig zin meer had om nog les te geven.

Een klein kwartier later verdrongen ze zich naar de uitgang. Ditmaal lieten ze Arnold met rust.

De leraar bleef alleen.

prepostterug  begin  verder