‘Heb je geen huiswerk voor maandag?’ Mevrouw Westervoort keek Arnold onderzoekend aan.
Hij legde zijn hand op de klink van de deur. ‘O, dat doe ik morgen wel.’
‘Op zondag...?’
‘Wat kan mij dat nou schelen! Trouwens, de tijd die we vroeger in de kerk zaten kan ik nu mooi aan mijn huiswerk besteden.’
Ze gaf geen antwoord.
Arnold voelde dat hij een kleine overwinning had behaald. ‘Nou’, zei hij, ‘dan ga ik maar.’ Hij opende de deur.
‘Waar ga je heen?’
‘Och..., ik zie wel.’
‘Toch niet weer naar die steiger, hè?’
‘Nee.’
‘Zul je voorzichtig zijn?’
Hij zuchtte. ‘Ik kan zo langzamerhand echt wel op mezelf passen. U ziet ook altijd overal gevaar in.’ Hij zag de bezorgde blik in haar donkere ogen. ‘Misschien ga ik ook nog wel even naar de Jeugdstorm’, voegde hij eraan toe.
‘Moet je dan je uniform niet aan?’
‘Nee. Als ik het nodig heb, kom ik het wel halen.’
‘Nou, goed. Hoe laat kom je thuis?’
‘Een uur of vijf, denk ik.’
Ze knikte. ‘En pas goed op jezelf.’
Hij stapte de straat op en sloot de deur achter zich. De torenklok van de Westerkerk wees kwart over twee.
Het was nog steeds tamelijk koud en uit grijze wolken daalde een fijne motregen. Arnold zette zijn kraag op en liep de stad in. Naarmate hij het centrum naderde werd het wat drukker - een gelukkige omstandigheid, want hij voelde er niets voor op te vallen. Hij passeerde een
textielwinkel waar klanten zich met bonkaarten in de hand bij de toonbank verdrongen. Een eindje verder stond een groepje Duitse militairen te praten. De meeste mensen liepen er met een boog omheen.
Na een minuut of tien kwam hij bij de straat waar de boekhandel van Jonkers zich bevond. Hij liep door tot een meter of dertig van de winkel. Toen bleef hij staan, schijnbaar geïnteresseerd de uitstalling in een etalage aan de andere kant bekijkend. Maar in de spiegelende winkelruit had hij een goed overzicht. Dat wil zeggen: hij zag een winkel waarvan de etalage met planken was dichtgespijkerd. De deur in het portiek ernaast was aan het oog onttrokken, maar hij verwachtte niet anders of daar zou het er net zo uitzien. De WA-mannen hadden hun werk goed gedaan!
Arnold voelde geen medelijden. Ze hadden het er ook zelf naar gemaakt, de treiteraars. En als Johan Laning niet oppaste, kon hij ook zo'n portie krijgen. Het speet hem nu dat hij dat papier vanmorgen had weggegooid. Dat had hij misschien nog wel eens als bewijs kunnen gebruiken.
Voorzichtig liep hij een meter of tien verder naar de volgende winkel. Het was er een met visartikelen. Dat betekende dat hij rustig een tijdje kon blijven staan zonder argwaan te wekken. Af en toe keek hij snel even over zijn schouder, maar het enige wat hij ontdekte was dat de straatstenen voor de boekhandel zwartgeblakerd waren. Waarschijnlijk hadden ze een stel boeken op straat verbrand. Alle kans dat de WA-mannen verboden lectuur hadden aangetroffen. Had hij zijn vader zelf niet horen zeggen dat Jonkers best eens joods bloed kon hebben? Dan was het maar goed dat ze de troep eens flink onder handen hadden genomen. Ten slotte kon je dat tuig niet hard genoeg aanpakken. En het was een verstandige maatregel dat joden niet overal meer mochten komen. Laatst had er in het Nationaal Dagblad nog een artikel gestaan over het strand. Daar was het nu ook verboden voor joden. ‘De Noordzee zal niet meer dienen ter afspoeling van vet jodenvlees’ had er gestaan. ‘En de heerlijke Germaanse Natuur zal worden beveiligd voor de zedeloosheid en vernielzucht van in de woestijn behorende lieden...’
Ze zouden het wel niet prettig vinden, maar ze hadden het er zelf naar gemaakt. De Jeugdstormleider had ook al gezegd dat ze maar eens moesten nagaan wie er eigenlijk in de mooiste huizen van de stad woon-
den. En hoe was dat gespuis aan het geld gekomen? Waarschijnlijk door afpersing en bedrog.
Zou Jonkers inderdaad een jood zijn? In dat geval was Martin het ook. Alleen - Martin was blond en joden hadden zwart haar. Tenminste, dat dacht hij. Of zouden daar ook wel uitzonderingen op zijn?
Met nietsziende ogen stond hij een tijd te staren naar de verzameling hengels, dobbers en snoeren, maar er gebeurde niets, behalve dat sommigen voor de dichte winkel even de pas inhielden. Soms zeiden ze iets tegen elkaar met strakke gezichten.
Besluiteloos keerde Arnold zich af van de hengelzaak en slenterde langzaam terug. Op de hoek keek hij nog eenmaal over zijn schouder.
En toen zag hij hem.
Martin Jonkers kwam uit het portiek van de boekwinkel, stak de straat over en liep haastig langs de huizen in tegenovergestelde richting.
Even wist Arnold niet wat hij doen moest. Had Martin hem gezien? Had hij staan wachten tot hij weggegaan was? Maar dan had hij er toch zeker van moeten zijn dat hij de straat had verlaten? Of had zijn klasgenoot zoveel haast dat hij daar niet op had kunnen wachten? Dat laatste was echter niet waarschijnlijk, want Martin Jonkers keek niet één keer in zijn richting.
Arnold nam een snel besluit: hij begon Martin te volgen.
Het was gemakkelijker dan hij gedacht had. Martin liep de straat uit zonder een blik achter zich te werpen. Daarna sloeg hij linksaf, volgde een tijdlang een smalle straat langs een gracht, stak een bruggetje over en vervolgde zijn weg aan de overkant. Arnold liep nu meer risico gezien te worden, want ze raakten langzamerhand uit het centrum. Er waren maar weinig voetgangers en hij zou ongetwijfeld ontdekt worden als Martin omkeek.
Maar Martin keek niet om. Integendeel. Het leek wel of hij steeds meer haast kreeg. In de buurt van het Lyceum had hij zelfs een voorsprong van bijna honderd meter. En toen hij opnieuw een zijstraat insloeg, duurde het dan ook even voor Arnold eveneens de hoek bereikte. Het was een straat die met een lichte helling naar het haventje leidde. In het haventje, dat in verbinding stond met de rivier, lagen een paar vissersschepen. En langs een aanlegsteiger dobberden roeiboten.
Van Martin geen spoor meer...
Arnold bleef staan en speurde de kade langs. Waar was die vent opeens gebleven? In een van de vervallen pakhuizen misschien? Of was hij om de graanmaalderij links van hem heengelopen en teruggerend door een andere steeg? En waarom had hij zo'n haast gehad? Had hij Arnold dan toch nog in de gaten gekregen? Of zou hij bezig zijn met iets wat het daglicht niet kon verdragen?
De nieuwsgierigheid waarmee Arnold zijn klasgenoot was gevolgd sloeg om in argwaan. Zijn vader had vast gelijk: die Jonkers deugden niet. Alle kans dat Martin erop uitgestuurd was om de een of andere smerige streek uit te halen. Dan hadden ze zeker nog niet genoeg geleerd, gisteravond. Maar goed dat hij dat zaakje in de gaten had gehouden. Misschien kreeg hij nu de kans om die ellendige treiteraar eens flink te grazen te nemen.
Arnold stapte de kade op. Het had opgehouden met regenen, maar een kille noordwestenwind blies hem in het gezicht. Op het grijze water van de haven klotsten golven. Maar daar had hij geen oog voor. Terwijl hij een onverschillige houding probeerde aan te nemen, tuurde hij naar de overkant. Naast het gebouwtje van de visafslag stond een fabriek en op de smalle strook land tussen de rivier en de haven bevond zich een kleine scheepswerf. Er waren wel tien plaatsen waar Martin zich had kunnen verstoppen. Maar alles zag er verlaten uit.
Hij liep langs de pakhuizen, glipte een steegje in en keek vanaf zijn smalle schuilplaats opnieuw over het haventje. Nog steeds was er niemand. Wel had hij een beter uitzicht op de kant waar hij vandaan was gekomen.
Achter de vooruitgeschoven laadplek van de graanmaalderij zag hij twee woonschepen liggen. Ze waren verveloos en slecht onderhouden. Vlak boven de waterlijn vertoonden zich roodbruine roeststrepen. Voor de raampjes van de dichtstbij liggende boot hingen rafelige gordijnen. Een paar minuten lang hield hij de woonboten scherp in het oog. Maar er gebeurde niets.
Arnold beet zich op de lippen. Martin moest tòch iets hebben gemerkt. Waarschijnlijk zat hij hem nu ergens uit te lachen. En maandagmorgen..., maandagmorgen zouden ze weer beginnen met hun eeuwige pesterijen. En, Arnold, was het leuk bij de haven? Heb je geen koudje gevat...?
Hoefde hij maar niet weer naar die rotschool. Kon hij maar ergens een baantje krijgen. Dan kon hij wat geld verdienen. Dat zouden ze thuis ook wel fijn vinden. Zoveel verdiende zijn vader ook weer niet op het stadhuis. Maar de baantjes lagen niet voor het opscheppen. Tenminste, niet voor jongens van veertien jaar. Het enige wat hij kon doen was bonen plukken in de vakantie. Maar daar schoot hij weinig mee op. Hij moest een manier zien te vinden om van school...
Op dat moment zag hij de gordijnen van de woonboot bewegen. En meteen klopte zijn hart tweemaal zo snel als normaal. Er zat iemand in dat bootje. Martin...? Of iemand anders? Hij tuurde naar de overkant van het haventje tot zijn ogen begonnen te tranen. Als het Martin was, wat moest die dan in een woonark? Of was die het eigendom van zijn vader? Maar Martin had nooit verteld dat ze zo'n ding hadden. En waarvoor was dan dat stiekeme gedoe?
Met al zijn zintuigen gespannen bleef Arnold het scheepje in de gaten houden. Het was intussen harder gaan waaien. Bovendien bood het tochtige steegje weinig bescherming. Na een kwartier rilde hij van de kou. En na twintig minuten begonnen zijn voeten pijn te doen. Tweemaal passeerden hem een paar mannen, maar die hadden geen belangstelling voor hem.
Hij stond op het punt terug te lopen om poolshoogte te nemen, toen hij opeens iemand op de loopplank van de woonark zag. Het was een forse donkerblonde jongen van een jaar of zeventien. Hij droeg een boodschappentas. Zonder zich te haasten stapte hij de kade op en verdween in de straat waar Arnold vandaan was gekomen.
Arnold kon een gevoel van teleurstelling niet onderdrukken. Had hij een half uur staan blauwbekken. En allemaal voor niks. Martin was 'em natuurlijk al lang gesmeerd. Met een gemompelde verwensing stak hij zijn handen in zijn zakken en verliet de steeg.
En dat was fout.
Want op hetzelfde ogenblik verscheen Martin Jonkers. Ook hij had een tas bij zich. Voor hij de wal opliep keek hij om zich heen.
Arnold had precies één seconde nodig om terug te duiken in de beschutting van de steeg. Maar hij wist niet zeker of Martin hem gezien had. En hij durfde niet het risico te nemen om de hoek te kijken. Een volle
minuut stond hij doodstil tegen de stenen gedrukt. Toen gluurde hij behoedzaam de kade langs.
Martin Jonkers was opnieuw verdwenen.
Arnold begon bijna een hekel aan zichzelf te krijgen om de stommiteiten die hij had uitgehaald. Nu was hij Martin voor de tweede maal kwijt. En waar was die vent nu weer gebleven? Was hij de ander gevolgd? Of had hij hem gezien en was hij de woonark weer ingekropen? En wat moesten ze met die tassen? Boodschappen doen? Dan deden ze het wel op een vreemde manier.
Arnold wachtte nog een paar minuten, maar toen er niets gebeurde liep hij opnieuw de kade op. Voorzichtiger dan zoëven schoof hij langs de huizen. De boot verloor hij niet meer uit het oog. Alles zag er echter verlaten uit. In de straat naar het centrum speelden alleen een paar kinderen.
Hij naderde de woonark. Zo te zien hadden ze de spullen goed afgesloten. Een hangslot op de deur. Aan de kant van de wal dikke gordijnen voor de ramen.
Hij liep de loopplank op en voelde de lichte deining onder zijn voeten. Het hangslot zag er stevig uit, maar het gebogen ijzer aan de deurpost was roestig. Een van de schroeven was afgebroken. Arnold keek over zijn schouder en haalde vervolgens zijn zakmes te voorschijn. Een paar minuten later had hij de drie andere schroeven losgedraaid; de ijzeren beugel liet los. Hij stak de schroeven en het hangslot in zijn zak en trok de deur open.
Het interieur van de woonark was nog havelozer dan de buitenkant. Er lag een kleed op de grond met het vuil van jaren erop vastgekoekt. Tegen de wanden plakten flarden behang. De smalle raamkozijnen waren beschimmeld en de vloer kraakte onder zijn voeten.
Maar de woonark werd ook helemaal niet meer gebruikt om in te wonen. Het was een onbeschrijflijke troep. Overal lagen dozen en papieren. Het gootsteentje was volgepropt met flessen. Zeker een stuk of twintig fietsbanden lagen in wanorde tegen een zijwand.
Arnold bleef enkele ogenblikken verbijsterd staan. Aan de mogelijkheid dat hij betrapt zou kunnen worden dacht hij niet meer. Zijn hart bonsde hem in de keel. Hij wist het zeker: dit waren gestolen spullen! Hij trok een paar stukken grauw papier opzij. Zie je wel..., pakken kof-
fie..., en thee. In een andere doos tabak. En die flessen in de gootsteen..., drank: jenever en brandewijn. Tenminste, dat stond op de etiketten. En fietsbanden! Gloednieuw waren ze.
Arnold vergat de kou die hij geleden had. Hij vergat ook dat hij zich gedroeg als een doodgewone inbreker. Hij begreep alleen dat hij iets erg belangrijks had ontdekt. Het had allemaal in de krant gestaan, weken geleden. In verscheidene zaken waren diefstallen gepleegd. Hij kon zich niet meer precies herinneren waar ze hadden ingebroken, maar dat waren natuurlijk kruidenierszaken geweest. En rijwielhandels. Hij betastte het gave rubber van een band. Hoeveel zou zo'n ding nu wel kosten? Vijfentwintig gulden? Of was het al meer? En hier lagen ze voor het oprapen!
Hij stapte tussen de dozen door en opende een lage deur naar een ander vertrekje. De rommel was er zo mogelijk nog groter. Lege dozen, een stuk of tien pakken thee en overal lakens en handdoeken.
Arnold trok voorzichtig een stapeltje lakens opzij. Een zwakke benzinelucht drong in zijn neus. Hij zag meteen waar die lucht vandaan kwam: onderin een grote doos lagen vijf blikken. Hoe waren ze daar aan gekomen? Ook gestolen natuurlijk. Maar waar? Iedereen die nog een beetje benzine had bewaakte die als een kostbare schat. En hier lag minstens vijftig liter!
Zorgvuldig legde hij de lakens op hun plaats, sloot het kamertje en was even later weer buiten. Hij voelde zich vreemd opgewonden en zijn handen trilden toen hij de schroeven vastdraaide. De spullen in de woonark waren zeker honderden guldens waard. Misschien zelfs wel meer dan duizend. Wat zouden Martin en die andere knaap daarmee doen? Verkopen? Maar aan wie? Het was in elk geval duidelijk dat dekopersergeen distributiebonnen voor nodig hadden zoals in de winkel. Hij had Martin moeten volgen. Dan had hij nu geweten waar die met zijn boodschappentas heenging. Alleen had hij dan niet geweten wat er in zat. En nu kon hij...
Op dat ogenblik wist hij opeens wat hij doen moest. Hij stapte de wal op en haastte zich de stad in. Een kwartier later zat hij op zijn kamer.
Toen pakte hij een stuk papier en schreef na enig nadenken met blokletters:

Hij las het briefje twee keer over. Toen hij er zeker van was dat niemand de letters als zijn handschrift zou herkennen, vouwde hij het papier dicht. Een enveloppe had hij nog in de la van zijn tafel. Een postzegel vond hij in het dressoir, beneden. Toen ging hij opnieuw de deur uit, op weg naar het postkantoor.
Wat zou die pestkop van een Martin raar staan te kijken als hij dat briefje maandag vond. Nu kreeg die smeerlap dan eindelijk zijn verdiende loon. En hij werd een tientje rijker. Heel wat anders dan dat armzalige kwartje zakgeld in de week. En ze zouden betalen. Tenminste - hij hield opeens de pas in - als Martin dat briefje zelf vond. Stel dat zijn vader de post openmaakte. Wat dan? Of zou Jonkers alles van de diefstallen van zijn zoon afweten? Waarschijnlijk niet. In dat geval viel zijn plan mooi in duigen. Hij moest er zeker van zijn dat Martin dat briefje zelf in handen kreeg. En daarvoor was maar één manier.
Tien minuten later was Arnold terug bij de haven. Het was er nog steeds even stil als eerder op de middag. Voor de tweede maal liep hij de loopplank op, scheurde de enveloppe open en schoof het opgevouwen briefje door de spleet tussen de deur en de drempel.
Daarna slenterde hij de stad in.