terug  begin  verderprepost
[p. 45]

6

Donderdag, 7 mei 1942.

Een lichte avond. De lage zon scheen langs een dunne wolkenbank en kleurde de huizen geelrood.

Voor de tweede keer fietste Arnold langs de ingang van het park. En evenals de vorige dagen speurde hij de omgeving af. Maar ditmaal geen spoor van Martin Jonkers en zijn vriend. Gisteravond hadden ze er wel gezeten. En eergisteren ook. Tussen de struiken, op een kleine verhoging, een meter of dertig van de witte steen. Het was de enige plek waar ze zich konden verbergen. En Arnold wist dat. Daarom had het hem ook geen enkele moeite gekost ze te ontdekken. Hij was er langs gereden zonder ook maar iets van belangstelling te tonen voor de witte steen.

Ze hadden hem waarschijnlijk wel zien gaan. Maar ze hadden het natuurlijk niet kunnen opbrengen dagenlang op de loer te liggen. En nu was zijn geduld beloond. Tenminste - als ze werkelijk het gevraagde geld onder de steen hadden gelegd.

Arnold kon zich echter nauwelijks voorstellen dat ze dat niet hadden gedaan. Met zoveel gestolen spullen moesten ze wel bang zijn dat iemand de politie inlichtte. Tenzij ze in twee dagen alles naar een andere plek hadden verhuisd...

Hij keerde en reed terug naar de ingang van het plantsoen, ditmaal langzamer dan de vorige keer. Bij de witte steen remde hij plotseling, stapte af en inspecteerde zijn fiets, alsof er iets aan mankeerde. Terwijl hij aan de spaken frunnikte keek hij nog eenmaal om zich heen.

Niemand vertoonde zich.

Toen stapte hij snel naar de steen en tastte in de smalle holte eronder. Het volgende ogenblik had hij een klein blikken doosje in zijn hand. Bliksemsnel stopte hij het in zijn zak, sprong op zijn fiets en ging er vandoor.

Het had allemaal niet meer dan enkele seconden geduurd en hij was er zo goed als zeker van dat niemand iets had gezien. Snel reed hij de straten door. Vijf minuten later was hij thuis.

[p. 46]

Boven, in zijn kamer, haalde hij het doosje te voorschijn. Het deksel klemde een beetje en zijn vingers trilden toen hij het open peuterde. Maar toen kon hij een triomfantelijke glimlach niet meer onderdrukken. Daar lagen ze, vier opgevouwen briefjes van een rijksdaalder. Voorzichtig nam hij de kostbare biljetten uit het doosje en streek ze glad op zijn tafel. Tien gulden! Zoveel geld had hij nog nooit gehad. Wat zou je daar allemaal niet voor kunnen kopen? En wat had hij het gemakkelijk verdiend! Maar daar had hij ook recht op. Hoe vaak had Martin Jonkers hem niet zitten pesten! Het was dus niet meer dan rechtvaardig dat hij daar maar eens flink voor moest betalen. Martin kon hem in het vervolg treiteren wat hij wilde, hij had hem volledig in zijn macht. Tien gulden! En ze hadden het vlot betaald. Dan zaten ze knap in de benauwdheid. Misschien hadden ze nog wel meer willen geven als hij erom gevraagd had...

Hij kreeg het opeens warm. Een hoger bedrag vragen...,.dat kon hij alsnog doen. Over een dag of veertien bijvoorbeeld. Hij moest niets overhaasten. En natuurlijk op een andere plaats.

Hij vouwde de rijksdaalders op en stopte ze tussen de laatste bladzijden van zijn postzegelalbum. Toen liep hij fluitend de trap af.

In de gang botste hij bijna tegen zijn zusje op. Ze keek hem aan met een mengeling van verbazing en spot.

‘Sjonge, wat ben jij vrolijk! Zo heb ik je in geen tijden gezien. Zeker een lot in de loterij gewonnen!’

Arnold voelde dat hij een kleur kreeg. Zijn vrolijkheid sloeg om in ergernis. ‘Ach, bemoei je d'r niet mee! Als ik fluiten wil, dan fluit ik!’

Rita's verbazing nam toe. ‘Ik zèg er toch ook niets van’, antwoordde ze. ‘Voor mijn part fluit je uren achter elkaar. Maar je liep de laatste dagen rond met een gezicht als een oorworm. En mag ik dat dan gek vinden?’

‘Jij hoeft niets gek te vinden!’ zei Arnold onlogisch. ‘Ga jij vanavond maar weer naar je vriendjes. Jij laat toch zo graag naar je fluiten!’

Nu was het Rita's beurt om geërgerd te zijn. ‘Daar heb jij niets mee te maken!’ snauwde ze. ‘Als ik 's avonds uit wil, dan ga ik 's avonds uit! Ten slotte kan ik er ook weinig aan doen dat een snotjochie als jij daar nog niet aan toe is!’

[p. 47]

‘Oh nee...? Jij denkt zeker dat...’

Mevrouw Westervoort stak haar hoofd om de kamerdeur. ‘Jongens..., moet dat nou altijd zo? Kunnen jullie niet eens één keer normaal tegen elkaar doen?’

‘Tegen normale mensen wil ik best normaal doen!’ zei Rita vinnig.

‘Ze heeft altijd wat te vitten’, begon Arnold.

‘Ik had niets te vitten. Maar hij vliegt al in brand als je hem aankijkt. Ik vroeg alleen of ie een lot in de loterij gewonnen had - en meneer ontplofte zowat!’

Mevrouw Westervoort zuchtte. ‘Is dat waar, Arnold?’

Hij trok een onwillig gezicht. ‘Ze bemoeit zich ook altijd overal mee.’

‘Waar bemoeide ze zich dan mee?’

‘Ach niks. Laat maar.’ Arnold liep langs zijn moeder de kamer in, nog steeds geërgerd en bovendien kwaad op zichzelf. Hij had niet zo stom moeten reageren. Nu merkten ze misschien dat er iets bijzonders was. En dat wilde hij juist voorkomen. Het enige wat hij nu nog kon doen was hun aandacht afleiden.

Hij liep naar zijn vader toe die in de hoek van de kamer aan zijn bureau aantekeningen zat te maken. Een paar boeken lagen opengeslagen.

Meneer Westervoort keek op. Zijn blik had iets verstoords. ‘Waar hadden jullie ruzie over?’

‘Och, niks bijzonders, pa. 't Is alweer over.’ Een tikje haastig voegde hij eraan toe: ‘Waar bent u nou mee bezig?’

Meneer Westervoort bladerde in een van de boeken. ‘Weet je wat dit is?’

‘Nee...’

‘Het Burgerlijk Wetboek.’

Arnold keek naar de duizenden lettertjes die kennelijk niet geschreven waren om de lezer een paar prettige uurtjes te bezorgen. ‘Moet u dat allemaal weten?’

‘Nou, allemaal... Maar wel het belangrijkste. Je wordt niet zomaar burgemeester.’

‘Duurt dat nog lang?’

‘Wat..., voor ik burgemeester ben?’

‘Ja.’

‘Volgend jaar misschien.’

[p. 48]

‘Verdient u dan ook meer dan nu?’

‘Stukken!’

‘Gaan we dan ook verhuizen?’

‘Dat denk ik wel.’

‘Maar u weet nog niet waar we dan naar toe gaan?’

‘Nee, geen idee. We gaan daarheen, waar ze me nodig hebben.’ Meneer Westervoort keek zijn zoon aan. ‘Maar waarom vraag je mij dat allemaal?’

Arnolds gedachten gingen razendsnel. Hij kon toch moeilijk zeggen dat hij bezig was met een afleidingsmanoeuvre. Hij zei: ‘Nou, zomaar... Trouwens, ik zal wel met jullie mee moeten, niet?’

Meneer Westervoort glimlachte. ‘Dat lijkt mij het meest praktische, ja.’ Hij bladerde opnieuw in zijn papieren, waarna hij vervolgde: ‘Zeg, Arnold, ik heb een woordenboek nodig. Haal het jouwe even van boven.’

‘Het Duitse woordenboek?’

‘Nee, het Nederlandse.’

‘Goed, 't komt eraan.’ Hij nam de trap met twee treden tegelijk, blij dat zijn tactiek was gelukt. Als zijn moeder nu maar niet weer begon te zeuren. Hij hoorde haar in de keuken, terwijl Rita in de hal bezig was haar mantel aan te trekken. Met het woordenboek in zijn hand bleef hij boven aan de trap staan wachten tot ze vertrok.

‘Joehoe, ik ga hoor!’ hoorde hij haar roepen.

‘Hoe laat kom je thuis?’ Dat was zijn moeder.

‘O, dat weet ik niet.’

‘Toch niet weer zo laat als de vorige week, hè?’

‘Ik zal wel eens zien.’

Arnold hoorde zijn moeder de hal inlopen, terwijl ze zei: ‘Zolang jij niet thuis bent, doe ik geen oog dicht.’

Rita leek niet onder de indruk. ‘Nou, dan gaat u wat lezen. Met een mooi boek vliegt de tijd om.’

‘Je weet best wat ik bedoel. Er kan van alles gebeuren.’

‘Ja, dat is waar.’ Rita's toon werd spottend. ‘Ik kan in het donker gepakt worden. Misschien wel aangerand... Of ik kan door terroristen overvallen worden. Maar als ik thuis blijf kan ik door 't bed heenzakken!’ Ze lachte schaterend. ‘Mams, maak u toch niet zo'n zorgen. Ik kan

[p. 49]

heel goed op mezelf passen. Daag!’

Een paar seconden later viel de deur achter haar dicht. Arnold hoorde het geklik van haar voetstappen verdwijnen. Langzaam liep hij de trap af, terug naar de huiskamer. Zijn moeder stond uit het raam te kijken. De blik in haar ogen was bezorgd.

‘Ik heb geen vat meer op dat kind’, klaagde ze. ‘Ze gaat haar eigen gang. Ze doet precies wat ze zelf wil. Kan ze nou niet een beetje rekening met ons houden?’

Meneer Westervoort schoof zijn stoel achteruit. ‘Je moet daar niet zo over zitten tobben’, zei hij. ‘Trouwens, wat deed jij 's avonds, toen je zeventien was?’

‘In elk geval niet met jan en alleman de hort opgaan.’

‘Doet Rita dat dan wel?’

‘Ik weet het niet... Ze komt altijd zo laat thuis. Als er maar geen ongelukken van komen.’

‘Wat bedoel je?’

‘Je weet best wat ik bedoel. Rita ziet nergens problemen.’

‘Rita is alleen maar een vrolijke meid.’

‘Juist daarom. Ze zou best eens in de grootste moeilijkheden kunnen komen.’ Ze maakte een hulpeloos gebaar. ‘Koos, zou jij niet eens kunnen nagaan wat ze allemaal uitspookt?’

‘Wat? Ik achter Rita aansjouwen om haar te bespioneren? Ik pieker er niet over.’

‘Ja maar, als ze nou eens in verkeerd gezelschap terechtkomt?’

‘Voorzover ik weet is ze tot nu toe alleen maar in gezelschap van Jürgen geweest.’

‘En Manfred...’

Meneer Westervoort fronste zijn wenkbrauwen. ‘Of wou jij dat soms verkeerd gezelschap noemen?’

‘Dat niet direct, maar...’ Ze haperde.

‘En Rita is toch niet alleen’, vervolgde hij. ‘Ze gaat toch altijd samen met haar vriendin?’

Mevrouw Westervoort knikte. ‘Ja, met Ansje. Maar samen kunnen ze ook wel gekke dingen doen. Je hoort zoveel narigheden, tegenwoordig.’

Meneer Westervoort stond op en pakte zijn vrouw bij de schouders.

[p. 50]

‘Gea, haal je toch niet van alles in je hoofd. Die Jürgen en Manfred zijn aardige jongens. Of niet soms?’

Ze knikte zwijgend.

‘Nou dan... Láát haar dan eens een keer om twaalf uur 's nachts...’

‘...Om één uur!’

‘Goed, om één uur thuiskomen. Daar zal ze echt niet ziek van worden. Misschien kunnen we die jongens eens wat vaker uitnodigen.’ Om zijn lippen kwam een glimlach. ‘Dan kan ik mijn Duits ook nog eens oefenen. Dat zou best eens van pas kunnen komen.’ Hij trok een stoel bij en duwde zijn vrouw erop. ‘Ik moet jullie nog iets vertellen’, zei hij. ‘Arnold, ga jij er ook eens bij zitten.’

Arnold schoof aan tafel, terwijl hij zich afvroeg wat er aan de hand zou zijn. Zijn vader was zo opgewekt. Bijna onnatuurlijk, vond hij. Zoals hij over Rita had gepraat... Hij had altijd gedacht dat zijn vader en moeder dezelfde mening over haar hadden.

‘Ik kan mijn verjaardag waarschijnlijk niet thuis vieren’, zei meneer Westervoort.

Mevrouw Westervoort keek haar man niet-begrijpend aan. Toen vroeg ze: ‘Wat bedoel je? Ben je op 20 juni niet thuis?’

‘Precies.’ Hij zei het met een glimlach.

‘Ik begrijp niet wat je daar voor prettigs aan vindt. Je bent op zaterdagmiddag toch altijd vrij?’

‘Dat ben ik ook. Alleen - ik moet naar een belangrijke bijeenkomst.’

‘O, weer een vergadering.’

‘Niet zomaar een vergadering. Ik heb een persoonlijke uitnodiging van onze Leider.’

‘Wat!?’

‘Op 20 juni is er een belangrijke bijeenkomst in Utrecht. In het voetbalstadion. Alle vooraanstaande partijleden zijn daar uitgenodigd.’

‘Moet je daar echt naar toe?’

Even leek hij een beetje uit het veld geslagen door haar geringe enthousiasme. Toen zei hij heftig: ‘Daar kan ik niet gemist worden, Gea... Daar màg ik niet gemist worden! Dit is de kans van mijn leven! Denk je dat onze Leider mij ooit zou hebben uitgenodigd als hij niets in mij zag? Dit is niet een vergadering waar alle NSB-kameraden zijn uitgenodigd! Trouwens, daar zou het stadion veel te klein voor zijn

[p. 51]

- Nee, daar komen alleen degenen die zich het meest voor de Beweging hebben ingezet.’

‘Ga je alleen?’

‘Nee, Goossen, onze kringleider, gaat ook mee.’ Hij keek naar het ernstige gezicht van zijn vrouw. ‘Ben je niet blij?’

‘Ik...? Jawel, hoor. Ik vind het alleen jammer van je verjaardag.’

‘Die verjaardag is minder belangrijk. Overigens, dan kunnen we twee dingen tegelijk vieren!’

‘Wat gaan jullie doen op die bijeenkomst?’

‘Wel eh..., het gaat om de - hoe zal ik het zeggen - om de verbondenheid van onze kameraden met onze Leider. Het wordt een geweldige demonstratie. En het wordt natuurlijk uitgezonden voor de radio. Dan kan iedereen horen dat het ons gaat om de overwinning van het Nationaal Socialisme en de redding van ons land en ons volk. Je zult eens zien hoeveel mensen er dan anders over ons zullen gaan denken!’

Arnold had aandachtig geluisterd. De ruzie met zijn zusje was hij al bijna vergeten. Zijn vader naar de Leider van de Beweging, Anton Mussert! En ze kwamen voor de radio. Kon hij er ook maar bij zijn! Tegen beter weten in vroeg hij gretig: ‘Kan ik niet mee, pa?’

Meneer Westervoort lachte hartelijk. ‘Dat is nog niets voor jou. Maar ik vind het fijn dat je het vraagt. En jij kunt zeker wat doen - schrijf onze Leider een kaart of een brief. Dat zal hij beslist waarderen. Misschien krijg je wel bericht terug. Dan weet je zeker dat jij er ook bij hoort!’

Arnold keek teleurgesteld, maar zijn moeder knikte hem toe. ‘Doe maar wat je vader zegt, m'n jongen.’

Meneer Westervoort legde zijn hand op de schouder van zijn zoon. ‘We gaan een belangrijke tijd tegemoet, Arnold. En om alle problemen op te lossen hebben we goeie krachten nodig, mensen uit het goede, Germaanse hout gesneden. Vandaag ik, morgen jij! Zul je dat onthouden?’

Arnold voelde weer die vreemde tinteling die er van zulke woorden uitging. Hij knikte zwijgend.

‘Prachtig!’ In de ogen van meneer Westervoort streden trots en ontroering om de voorrang. ‘Ik ben blij met jou, Arnold!’ Hij zweeg enkele ogenblikken. Toen hij verder ging had zijn stem een andere klank.

[p. 52]

‘Tussen haakjes - heb jij nog weer last gehad van die eh... knaap van Jonkers?’

Arnold kon er niets aan doen dat zijn gezicht vuurrood werd. ‘Jonkers...?’ stotterde hij. ‘Martin Jonkers...? Eh, nee - hij is een paar dagen niet op school geweest... Dat is alles.’

‘Dus dat gepest van hem is afgelopen?’

‘Ja.’

‘En van de anderen?’

‘Ook eh..., niet meer dan anders. Of eigenlijk - minder.’

‘Mooi zo. Ik heb het altijd wel gezegd: dat tuig is alleen maar gevoelig voor een harde les. Als je weer last van ze hebt moet je mij dat onmiddellijk vertellen.’

Arnold knikte alleen maar.

prepostterug  begin  verder