terug  begin  verderprepost
[p. 53]

7

Het proefwerk geschiedenis was niet moeilijk, maar toch kon Arnold zich slecht op zijn werk concentreren. Steeds opnieuw gingen zijn gedachten naar wat er gisteravond was gebeurd. Hij had de tien gulden goed opgeborgen. Maar toch... Zou zijn moeder niets ontdekken? Stel je voor dat ze bij het schoonmaken van zijn kamer iets vond. Of anders Rita. Die was zo nieuwsgierig als een ekster. Dan zou hij op de proppen moeten komen met een verklaring. En dat zou allesbehalve gemakkelijk zijn. Hij kon natuurlijk zeggen dat hij het ergens verdiend had. Maar het was de vraag of ze dat zouden geloven.

En dan Martin Jonkers. Gepest had hij hem niet meer. Alleen, toen hij hem vanmorgen bij de kapstok tegen het lijf liep, had hij hem aangekeken met een eigenaardige blik. Zou Martin iets vermoeden? Of verbeeldde hij zich dat alleen maar? Hij was toch geweldig op zijn hoede geweest, gisteravond. Of zouden ze hem vanaf een andere plek hebben gadegeslagen? Met een verrekijker, bijvoorbeeld.

Arnold kreeg het opeens warm. Tersluiks keek hij naar zijn klasgenoten, maar die waren allemaal ingespannen aan het schrijven. Van Martin Jonkers, die in de andere hoek van het lokaal zat, zag hij alleen maar het blonde haar.

‘Arnold!’ De stem van meneer Dijkman was hard en droog.

Hij schrok hevig. Iedereen keek op.

‘Je blijft wel bij je eigen werk, hè?’

‘Ja, meneer...’, stotterde hij, ‘ik deed niks...’

‘Dat is het 'em juist!’ antwoordde de leraar.

De klas rumoerde.

‘Stilte!’ beval meneer Dijkman. ‘Iedereen weer aan het werk.’

Arnold boog zich over zijn papier. Hij proefde de onderdrukte vrolijkheid. En het maakte hem woedend. Kon hij ze allemaal maar eens een lesje geven. Maar in plaats daarvan moest hij zijn mond houden en braaf een stel vragen beantwoorden. Zijn vingers omklemden zijn pen. Bijna gedachteloos noteerde hij een paar zinnen.

Op de gang klonk geluid van stemmen, vergezeld van harde voetstap-

[p. 54]

pen. Daarna het slaan van deuren, gevolgd door een verwijderd gemompel. Even heerste er een lichte onrust in de klas, maar al spoedig was iedereen weer in zijn werk verdiept. Totdat het rumoer op de gang weer toenam. Een stevige klop op de deur van het lokaal: de rector stond op de drempel. Om zijn mond lag een verbeten trek. ‘Mag ik u even storen, meneer Dijkman? Hier zijn een paar “heren”’ (hij sprak het woord op een speciale manier uit) ‘die graag iets willen controleren.’

Achter de rector verschenen twee mannen in het uniform van de Duitse politie. De klas zat bewegingloos.

Meneer Dijkman werd bleek. Een beetje onhandig kwam hij achter zijn lessenaar vandaan. ‘Dat zal moeilijk gaan, meneer Borger, we zijn juist bezig met een proefwerk.’

De rector maakte een berustend gebaar. ‘Het duurt maar een paar minuten’, zei hij.

Meneer Dijkman kreeg iets van zijn zelfverzekerdheid terug. ‘Het is een buitengewoon belangrijk proefwerk’, antwoordde hij. ‘Het telt extra zwaar mee voor de overgang.’

De rector knikte begrijpend. Hij keerde zich om naar de beide Duitsers om het hun uit te leggen, maar het gepraat had hun vermoedelijk al te lang geduurd. Ze schoven meneer Borger opzij, stapten naar binnen en gingen zwaar en breed voor de klas staan.

‘Allemaal tas leeghalen!’ commandeerde de een. Zijn Nederlands was niet eens slecht.

Enkele ogenblikken heerste er een volslagen verwarring. Toen gingen er een paar demonstratief met de armen over elkaar zitten. Onmiddellijk volgde de rest van de klas dit voorbeeld. Alleen Arnold bukte zich om zijn tas te pakken.

De Duitsers verstarden. ‘Laatste waarschuwing!’ snauwden ze. ‘Tassen leeg! Sofort!’

Mijn Dijkman opende en sloot zijn handen. ‘Doe alsjeblieft wat jullie gevraagd wordt’, zei hij. Zijn stem was schor. ‘Het heeft geen zin.’

De klas kwam in beweging. Maar niet op de manier die de Duitsers hadden verwacht. Alsof het afgesproken werk was grepen ze hun schooltassen en keerden ze om op de vloer. Boeken, schriften en etuis vlogen in grote wanorde over de grond. In een paar seconden heerste

[p. 55]

er een onbeschrijflijke bende. Toen kroop iedereen door de chaos om zijn eigendommen eruit te vissen.

Het ging allemaal niet erg geruisloos. Bovendien was het duidelijk dat dit langer dan een paar minuten zou duren. En dat was niet naar de zin van de beide politiemannen.

‘Stilte!’ bulderde dezelfde van zoëven. ‘Zitten! Allemaal zitten!’

Ze gehoorzaamden traag en na veel gerommel met losse blaadjes en papieren die steeds weer op de grond vielen.

De Duitsers speurden de klas rond, waarna ze alle kastjes begonnen leeg te halen. Boeken werden uitgeschud, agenda's gecontroleerd, schriften doorgebladerd. Pas na vijf minuten deden ze hun eerste vangst: uit de agenda van Marloes ter Winkel fladderde een tekening, een tekening van de Führer Adolf Hitler die bezig was in een roeiboot de Noordzee over te steken. Eronder stond: ‘Und wir fahren gegen England.’

De politiemannen hadden weinig gevoel voor humor. ‘Hoe kom je aan die rommel?’

Marloes zag witjes. ‘Dat weet ik niet.’

‘Dat is jouw agenda?’

‘Ja.’

‘Dan zul je ook wel weten hoe je eraan komt.’

Marloes' ogen knipperden nerveus. ‘Iemand moet het in mijn agenda hebben gestopt.’

Er verscheen iets van een grijns op het gezicht van de Duitsers. ‘Altijd dezelfde smoesjes. Je naam!’

‘Marloes.’

‘Marloes wie...?’

‘Ter Winkel.’

Het was doodstil geworden. De rector en meneer Dijkman stonden met bleke gezichten toe te kijken. Aan de repetitie geschiedenis dacht niemand meer.

‘Je zult er meer van horen!’ Een van de mannen noteerde haar naam, waarna ze hun speurtocht voortzetten. Het vinden van de tekening scheen hen echter tevreden te hebben gesteld, want de grondigheid waarmee ze te werk gingen nam af. Bij Arnolds bank volstonden ze met een onverschillige greep in zijn kastje. Er kwam maar één papier te voorschijn, maar bijna drie rijen ver was te zien wat erop stond:

[p. 56]

een primitieve, maar toch goed lijkende tekening van Mussert, de leider van de NSB. Met grote letters was erbij geschreven:

 
Ik voel me groot, maar 'k ben nog klein,
 
en iedereen noemt mij een zwijn.

Er ging een golf van opwinding door de klas.

Arnold hapte naar adem. ‘Dat is niet van mij...’, bracht hij uit. ‘Dat hebben ze in mijn kastje gestopt! De valserikken, de pestkoppen! Altijd moeten ze mij hebben...’

‘Maul halten!’ blafte de Duitser. ‘Je naam!’

‘Ik heb het niet gedaan!’ protesteerde hij opnieuw. Tranen van woede en vernedering brandden in zijn ogen. ‘Ik vind zulke tekeningen zelf ook erg. Mijn vader...’

Verder kwam hij niet. De politieman sleurde hem de bank uit en schreeuwde hem woedend toe: ‘Je naam - of we nemen je mee!’ Hij liet Arnold los die terugzakte op zijn plaats.

‘Arnold’, fluisterde hij. ‘Arnold Westervoort. Maar echt...’

‘Zwijg!’ beval de ander. Hij keerde zich tot de beide leraren. ‘Die twee zullen er meer van horen’, zei hij kortaf. ‘Van u verwachten we dat u uw leerlingen regelmatig controleert. Wanneer we weer van zulke dingen aantreffen’ - hij zwaaide met de in beslag genomen tekeningen - ‘zullen we niet aarzelen de strengste maatregelen te nemen.’

Hij wachtte niet op antwoord en stampte met zijn collega de klas uit.

 

Arnold was verdoofd. Hij zat voorover, zijn handen voor zijn gezicht en met een half oor luisterend naar het toenemende lawaai achter hem. Een streek was het, een vuile, smerige, misselijke rotstreek. Ze hadden het papier natuurlijk stiekem in zijn vak geduwd, terwijl iedereen bezig was geweest zijn spullen van de grond te rapen. Tranen drupten tussen zijn vingers door. De woede golfde in hem omhoog. Hij kon zich niet meer beheersen. Met een ruk keerde hij zich om.

‘Smerige lafaards!’ Zijn stem sloeg over. ‘Ellendelingen! Ik zal het jullie betaald zetten! Altijd zitten jullie mij te treiteren. Altijd moeten jullie mij hebben... Maar dit keer...’

Meneer Dijkman greep in. Hij stapte op Arnold af en pakte hem bij de schouder. ‘Zo is het genoeg, Arnold!’

Arnold had zich willen losrukken, maar iets in de stem van de leraar

[p. 57]

weerhield hem daarvan. Met starre ogen keek hij hem aan. ‘Het is hun schuld’, zei hij schor. ‘Zij beginnen steeds opnieuw...’

Meneer Dijkmans stem was weer rustig als altijd. ‘Denk je dat wij het leuk vinden, wat er zoëven is gebeurd?’ vroeg hij. ‘Denk jij dat iedereen zich hier even lekker voelt?’ Hij keerde langzaam terug naar zijn lessenaar. ‘Leveren jullie de repetitieblaadjes maar in.’

‘Ik heb 't nog niet af, meneer’, zei een meisje.

‘Geeft niet, Ida. Ik geloof niet dat jullie nog in de stemming zijn om verder te werken. Ik zal wel eens kijken wat jullie er tot nu toe van gemaakt hebben.’

‘Maar dit proefwerk telt toch zwaar mee voor de overgang’, zei een ander ongerust. ‘Dat hebt u daarnet zelf gezegd.’

Meneer Dijkmans blik was meewarig. ‘Gert, je moet nog een heleboel leren.’ Hij verzamelde het gemaakte werk, waarna hij op de ordeloze stapels boeken en cahiers wees. ‘En nu gaan jullie alle rommel die je gemaakt hebt grondig opruimen. Jullie krijgen daarvoor de tijd tot het einde van de les.’

 

Die middag fietste Arnold naar huis. Zijn woede was gezakt, maar het onaangenaam knagende gevoel dat hij op geen enkele manier door zijn klasgenoten werd geaccepteerd was erger geworden. Op een schofterige manier hadden ze de spot met hem gedreven. Zelfs de Duitse politiemannen waren erin gelopen. Hij kon het ze ook nauwelijks kwalijk nemen. Een weerzinwekkende tekening was het geweest. Zou hij alles aan zijn vader vertellen? Waarschijnlijk zou die dan wel maatregelen nemen. Maar misschien had hij dan helemaal geen leven meer op school. Hij moest toch maar proberen zich er doorheen te slaan. Als hij gewoon bleef doen zagen ze misschien wel in dat ze met hun gepest niets opschoten. Trouwens, hij had zich toch ook voorgenomen zich niet weer zo op te winden. Tenslotte had hij een van de beruchtste figuren in zijn klas volledig in de tang... En zolang hij die tang stevig in handen had, hoefde hij zich geen zorgen te maken.

Hij zette zijn fiets in het gangetje naast hun huis en liep meteen door naar zijn kamer. Gelukkig, het postzegelalbum lag nog op dezelfde plaats als gisteren. Hij sloeg het open en liet de bankbiljetten nogmaals door zijn vingers glijden. Het papier knisterde zacht.

[p. 58]

Hij kon er het beste postzegels voor kopen, bedacht hij. Of een nieuw album. Dan hield hij vast nog wel wat geld over voor zegels. Behalve voor die serie uit 1860. Die kostte nu al meer dan vijftien gulden. Dan moest hij wachten tot hij nog meer geld had.

Maar... waarom zou hij wachten? Ze hadden hem immers grif een tientje betaald. Dan kon hij even goed nòg eens een briefje schrijven. Ten minste vijftien gulden zou hij deze keer vragen. Of twintig. En dan zou hij er ook mee ophouden, want anders werd het te gevaarlijk.

Hij vouwde zijn album dicht.

‘Wat heb jij daar?’

Arnold had zijn zusje niet horen aankomen. Hij schrok hevig. ‘Wat...?’

‘Ik wist niet dat jij zoveel geld had.’

Hij voelde zijn handen klam worden. Stommeling, die hij was. Hij had de deur van zijn kamer ook dicht moeten doen. ‘Gespaard’, zei hij zwakjes.

‘Ha..., van je zakgeld zeker!’

‘Ja, van mijn zakgeld.’

‘Hoeveel krijg je dan wel niet?’

‘Een eh... kwartje in de week.’

Ze trok een spottend gezicht. ‘Wou jij zeggen dat jij tien weken lang geen cent hebt uitgegeven?’

Arnold keek zijn zusje strak aan. Tien weken, had ze gezegd. Dan had ze niet alles gezien. Alleen maar één rijksdaalder. Hij zei snel: ‘Nou ja, ik heb ook een paar postzegels verkocht.’

‘Sjonge, meneer is handelaar. Nou, dan weet ik tenminste bij wie ik moet aankloppen als ik geld nodig heb.’ Ze draaide zich om en roffelde met snelle voeten de trap af.

Arnold bleef enkele ogenblikken doodstil zitten. Toen haalde hij het geld uit zijn album, maakte er een rolletje van en stopte het in een holte onder de vensterbank.

Daarna verliet hij zijn kamer.

Zondag, 10 mei 1942.

De zon scheen helder en er waaide een zachte bries. Er wandelden veel mensen op straat. Alleen bij de haven was het tamelijk stil, ten minste

[p. 59]

even stil als een week geleden. Die stilte kwam Arnold goed van pas. Aan pottekijkers had hij geen behoefte. Behoedzaam rondspeurend slenterde hij de kade op. Zouden Martin en zijn vriend in de boot zitten? Waarschijnlijk niet. Ze zouden op zondagmiddag toch niets kunnen halen of brengen. Wie nu met zware boodschappentassen liep te zeulen zou veel te veel in de gaten lopen.

Toch ging hij de woonboot voorbij, begaf zich vervolgens helemaal naar de andere kant tot het hek van de fabriek en liep toen op zijn dooie gemak terug.

Hij had er bijna tien minuten voor nodig, maar nu wist hij ook zeker dat hij zijn briefje onopgemerkt op dezelfde plek kon bezorgen. Twintig gulden had hij ditmaal gevraagd. Het had hem een halve middag gekost uit te zoeken waar ze het geld moesten neerleggen, maar dat was nu geen probleem meer: in een ongebruikt schuurtje bij de watertoren. Daar konden ze zich niet verstoppen.

Voor de tweede maal naderde hij de woonboot, stapte de loopplank op en bukte zich snel om het papier onder de deur door te schuiven. Maar dat ging moeilijker dan de vorige keer. Het briefje stootte tegen iets hards en kreukte in een lelijke vouw. Ergens anders dan maar. Hij streek het papier glad en prutste het opnieuw in de kier. Het resultaat was echter hetzelfde: weer stokte het.

Met zenuwachtig bevende vingers probeerde Arnold het voor de derde keer. Weer mis... Ze hadden iets voor de deur gelegd, dat was duidelijk. Of misschien wel iets op de onderste rand vastgespijkerd.

Op dat moment hoorde hij vlugge voetstappen. Bliksemsnel keerde hij zich om. Maar hij was te laat..., hopeloos te laat.

Martin Jonkers en zijn vriend hadden de loopplank bereikt, doch ze schenen opeens geen haast meer te hebben.

Voor Arnold was er geen uitweg.

prepostterug  begin  verder