terug  begin  verderprepost
[p. 60]

8

De beide jongens hadden de loopplank versperd. Achter hem bevond zich de woonark, links en rechts klotste het water van de haven.

Wild vlogen de gedachten door zijn hoofd. Hij zou van de loopplank kunnen springen en proberen zwemmend weg te komen. Of hard schreeuwen om de aandacht te trekken. Maar op de kade zag hij niemand. Het enige wat hij kon doen was op de beide jongens afstormen. Hij deed een woeste uitval.

Martin en zijn vriend hadden daar waarschijnlijk op gerekend. Vier sterke handen vingen hem op en smeten hem terug tegen de deur. Het hout kraakte.

‘Dat zou je wel willen, vuile NSB-er!’ siste Martin. ‘Maar dit keer kom je niet zo gemakkelijk van ons af!’

Arnolds ogen waren groot van angst. Zijn schouder deed pijn. Zijn hart bonsde. ‘Laat me door!’ hijgde hij, ‘ik heb jullie niets gedaan.’

Martins vriend begon te grijnzen. ‘O, nee...? En wat is dit dan?’ Hij griste Arnold het briefje uit handen en wierp er een korte blik op. Toen staarde hij Arnold aan met half toegeknepen ogen. ‘Als ik het niet dacht..., dezelfde smeerlapperij!’ Zijn vuist schoot naar voren.

Arnold was geen partij voor de jongen die zeker drie jaar ouder was dan hij. Hij werd vastgegrepen en met onweerstaanbare kracht achteruit geduwd.

‘Martin - deur open!’ Zijn stem had een scherpe klank.

Arnold probeerde van zich af te schoppen, maar zijn tegenstander leek ijzer in zijn vingers te hbben. Naar adem snakkend werd hij de woonark ingeperst.

Martin sloot de deur.

Zijn vriend liet Arnold los. ‘Zitten!’ beval hij.

Arnold slikte moeilijk. De angst kroop in zijn keel omhoog. Wat zouden ze willen? Ze hadden hem natuurlijk zitten opwachten. Of misschien waren ze hem gevolgd. En nu kon hij nergens meer heen. Een gevoel van radeloosheid dreigde zich van hem meester te maken.

Maar toen, als in een flits, dacht hij aan die duizenden, over wie zijn

[p. 61]

vader hem verteld had. Die in nog veel groter gevaar verkeerden. Die vochten aan het Russische front in het oosten; die doorgingen, ook al floten de kogels hen om de oren; ook al ontploften overal bommen. Zij vochten voor het Vaderland en tegen het communisme. Daar hadden ze zelfs hun leven voor over. Dat waren helden, die voor niets en niemand bang waren. En hij - hij stond te trillen op zijn benen. Hij hoorde het zijn vaandrig op de Jeugdstorm nog zeggen: alleen armzalige stakkers zijn bang. Alleen knaapjes zonder pit en met kromgegroeide ruggetjes kennen angst. Maar de echte Germaanse jongen staat rechtop. Zijn houding straalt kracht uit. En in zijn ogen ligt een vastberaden gloed.

Arnold voelde zijn bloed opeens tintelen. Zijn bangheid verdween. Hij keek zijn tegenstanders rustig aan. ‘Jullie kunnen barsten’, zei hij. ‘Laat me onmiddellijk gaan.’ Hij deed een pas naar de deur.

Waar de ander het mes vandaan haalde was niet te zien, maar het blikkerde Arnold plotseling voor ogen. ‘Jij probeert niets!’ snauwde hij. Martin keek geschrokken. ‘Karel, ben je gek? Dat kun je niet doen!’ ‘Wat kan ik niet doen...?’

‘Je kunt hem niet... Je snapt best wat ik bedoel.’

Karel bleef zijn slachtoffer in het oog houden. ‘Ik snap het heel goed’, zei hij langzaam, ‘maar voor die NSB-zwijnen was het wel het beste.’ Hij liet zijn mes zakken. ‘En nou zitten!’ beval hij.

Arnold gehoorzaamde. Hij had ook niet anders gekund. In zijn benen zat lood. Zijn handen beefden. ‘Jullie moeten me laten gaan’, zei hij schor.

Karel lachte schamper. ‘Ons NSB-ertje blaft al niet zo hard meer. Maar probeer alsjeblieft wat anders te bedenken. Vuiligheid, bijvoorbeeld. Daar ben je toch zo goed in, niet? Zeker op de Jeugdstorm geleerd.’ Hij keek Martin aan. ‘Ze zijn dat marcheren en die stomme gemeenschapsavonden natuurlijk spuugzat. En nu bedenken ze alleen maar vuiligheid!’ Hij smeet Arnolds briefje op tafel. ‘Zoals dit hier... Daar moet je nou nèt NSB-er voor heten!’

Arnold schudde zijn hoofd. ‘Niet waar’, fluisterde hij. ‘Je liegt! Jullie zijn valserikken..., en dieven!’

Karel stak een hand in zijn zak. ‘Kijk eens aan’, grijnsde hij. ‘Het kereltje heeft nog een grote mond ook. Zeker van zijn vader geërfd.’

[p. 62]

Arnold wilde overeind vliegen, maar een trap tegen zijn benen smeet hem terug op de vloer. De pijn schoot door hem heen.

‘Probeer zoiets niet weer!’ snauwde Karel. Hij borg zijn mes op. Wijdbeens bleef hij voor Arnold staan. ‘Zeg eens, NSB-ertje, aan wie heb je verteld dat je hierheen bent gegaan?’

Arnold beet op zijn lip. Beurtelings keek hij van Karel naar Martin, die erbij stond of hij met de toestand niet goed raad wist. Kon hij maar iemand waarschuwen. Liep er maar iemand over de kade. Maar hoe zou hij dat ooit kunnen zien? De gordijnen waren gesloten. En in de halfduistere woonark zag hij niets dat hem zou kunnen helpen ontsnappen.

‘Nou, komt er nog wat van?’

‘Dat zeg ik niet’, antwoordde Arnold.

‘Dus je hebt het wel tegen iemand gezegd!?’ beet de ander hem toe. Arnold haalde zijn schouders op.

‘Zeg op, Arnold’, begon nu ook Martin. ‘Wie weet er nog meer van?’

Karel zei: ‘Dat krijg ik er wel op een andere manier uit!’ Hij haalde uit voor een nieuwe trap.

‘Wacht!’ Arnold veegde zijn handen af aan zijn broek. ‘Ik... ik zal het zeggen...’, stotterde hij. ‘Bert...’

‘Bert - wie?’

‘Bert Landman.’

‘Die ken ik niet. Hoort ie ook bij dat verradersclubje?’

Arnold zweeg.

‘Zeg op!’

‘Hij is ook bij de Jeugdstorm, ja.’

‘Wanneer heb je hem gesproken?’

Arnold dacht snel na. Er was misschien een kans om hen in verwarring te brengen. ‘Gistermiddag’, antwoordde hij.

‘Je liegt!’

‘Ik lieg niet.’

‘Waarom ben je hier dan alleen heengekomen?’

‘Dat vond ik beter. En eh... Bert durfde niet goed.’

Karels mond vertrok in een spotlach. ‘Hoe is het mogelijk! En dat voor een held van de Jeugdstorm!’ Hij wendde zich naar Martin. ‘Ken jij die Bert Landman?’

[p. 63]

‘Nooit van gehoord.’

‘Dan zal ie ook wel niet bestaan.’

‘Ik ken niet veel lui van de Jeugdstorm’, zei Martin.

‘Bedoel je dat dit misbaksel’ - hij wees op Arnold - ‘de waarheid zegt?’ ‘Dat weet ik niet.’

Karel leunde tegen de deurpost. Zijn grijns was verdwenen. ‘Zeg, NSB-ertje, je hebt je ouwelui niks verteld, hè?’

‘Mijn vader en moeder weten er niets van’, antwoordde Arnold.

‘Waar woont die Bert Landman?’

De vraag verraste Arnold. ‘Wat...? O, dat eh... weet ik niet.’

Karels ogen vernauwden zich. ‘Bedoel je dat je ons dat niet wilt vertellen?’

Arnold gaf geen antwoord.

Karel leunde niet meer tegen de deurpost. ‘Waar woont dat ventje?’

Arnold bewoog onwillig zijn schouders. ‘In de Voorstraat.’

‘Nummer?’

‘Vijfendertig.’ Hij kneep zijn handen tot vuisten. Stel je voor dat ze toevallig wisten wie daar woonde.

‘Voorstraat vijfendertig’, herhaalde Karel. En tegen Martin: ‘Daar gaan we op af.’

Martin keek bezorgd. ‘Wou jij dat joch ook hierheen halen?’

‘Dat weet ik nog niet. Daar vinden we wel wat op. Maar eerst zullen we ons NSB-ertje even vastknopen.’ Hij baande zich een weg door de rommel en haalde uit een doos een bos touw te voorschijn. ‘Handen op de rug!’ gebood hij.

Arnold stribbelde niet tegen. Zijn polsen werden tegen elkaar gesnoerd, waarna zijn enkels hetzelfde lot ondergingen. De harde vezels sneden in zijn huid, maar hij zei niets.

Drie minuten later vertrokken de twee. Het hangslot klikte op de deur.

Daarna werd het stil.

 

Ze waren er dus ingetrapt... Maar voor hoe lang? De Voorstraat was ongeveer twintig minuten lopen. Dat betekende dat ze na een kleine drie kwartier weer zouden komen opdagen. En dan zouden ze weten dat hij gelogen had.

Drie kwartier had hij de tijd om zich te bevrijden. Het was niet veel

[p. 64]

maar hij moest het proberen. Hij trok aan de touwen. Maar de stremming van de bloedsomloop verdoofde zijn handen en de boeien om zijn enkels waren vakkundig gelegd. Al gauw moest hij zijn pogingen opgeven. Hij rustte vijf minuten; toen rolde hij zich op de ruwe kokosmat naar het midden van het vertrek. Misschien lag er tussen de rommel iets waarmee hij zich zou kunnen losmaken. Met zijn gebonden voeten duwde hij dozen opzij. Hij vond niets.

Opnieuw rustte hij. Hoe laat zou het zijn? Een uur of vijf, vermoedelijk. Een straal zonlicht kierde langs de deur. Ze hadden er inderdaad een latje tegen gespijkerd, zag hij. Ze hadden erop gerekend dat hij terug zou komen. En hij was in een afschuwelijke val gelopen. Karel was de ergste, had hij gemerkt. Die vent had een misdadigerskop. Die zou er misschien niet eens voor terugdeinzen de verschrikkelijkste dingen te doen. Waarvoor had hij anders dat mes bij zich?

Die gedachte en de benauwde lucht in het scheepje deden hem opnieuw het zweet uitbreken. Hij werkte zich in zittende houding omhoog en schoof naar het kleine aanrecht. Met zijn voeten draaide hij aan de kruk van het kastje. Het was een ongemakkelijke houding en toen hij het eindelijk open had, trilde hij van moeheid.

Het kastje was leeg.

Arnold draaide zich om en ging met de rug tegen het aanrecht zitten. Hoe lang was hij nu al bezig? Een kwartier? Twintig minuten? Dan zouden ze nu wel ongeveer bij de Voorstraat zijn. En hij was machteloos. Kon hij maar iets door de ramen gooien. Iets zwaars bijvoorbeeld. Zijn ogen zochten de ruimte af. Hij zag echter niets bruikbaars. Bovendien kon hij zijn armen nauwelijks bewegen. Gooien was helemaal onmogelijk.

Hij klemde zijn tanden opeen en werkte zich met inspanning van alle krachten omhoog. Vervolgens hipte hij met kleine sprongetjes naar de deur, liet zich weer op de grond zakken en begon tegen het houtwerk te schoppen. Het maakte tamelijk veel lawaai, maar na een halve minuut was hij doodmoe. En de strakke touwen schaafden zijn huid kapot.

Hij haalde diep adem. ‘Help!’ schreeuwde hij. En nog eens: ‘Help!’ Het had luid moeten klinken, maar de brok in zijn keel vervormde het tot een paar schorre kreten.

Opnieuw wachtte hij. Minutenlang. Er verscheen niemand. Wie zou

[p. 65]

er ook moeten komen? Wie had er op deze zonnige middag belangstelling voor een oude woonschuit in een uithoek van de haven?

Moedeloos schudde hij zijn hoofd. Het verdriet krampte in zijn keel. Straks kwamen ze terug. En dan...? Loslaten zouden ze hem nooit. Ze waren natuurlijk veel te bang dat hij alles zou vertellen. Maar - als hij ze nou eens zou beloven niets te zeggen, tegen niemand. Hij zou hun zijn erewoord kunnen geven. In zijn hart wist hij echter dat ze hem niet zouden vertrouwen - niet, na de leugens die hij hun had verteld. Hij moest proberen los te komen. Nu. Hij had vast niet meer dan tien minuten.

Voor de tweede maal zag hij kans op de been te komen. Hij sprong terug naar het aanrecht, liet zich tot hurkhouding zakken en schuurde met de touwen langs een scharnier. Het touw haakte herhaaldelijk aan een schroef, maar toen hij de rug van zijn hand openhaalde, hield hij ermee op. Het was zinloos. Hij richtte zich op en zag enkele ogenblikken alleen maar zwart voor zijn ogen. Hij leunde tegen de rand van de gootsteen, waar de flessen drank nog steeds onaangeroerd stonden.

Op dat moment was het of de tijd even stilstond. Dat hij daar niet eerder aan gedacht had. Die flessen... Glas..., scherp glas!

De moeheid scheen uit hem weg te zakken. Hij schoof naar de gootsteenbak, boog zich voorover en nam een flessenhals tussen zijn tanden. Toen trok hij de fles omhoog, draaide zich opzij en liet hem vallen. Het glaswerk bonkte op de vloer en rolde een eind weg. Maar er vloog geen splintertje af. Bliksemsnel greep hij een tweede. Zijn tanden deden pijn toen hij ermee over de vloer hipte. Hij mikte nauwkeurig voor hij losliet.

De knal van barstend glas dreunde door het kamertje. Twee liter drank stroomde over de vloer, vergezeld van de prikkelende lucht van alcohol. Arnold gunde zich geen tijd. Bijna achteloos ging hij tussen de gebroken flessen zitten en grabbelde naar een grote, messcherpe scherf. Toen begon hij voorzichtig te schuren.

Het was veel moeilijker dan hij gedacht had en toen hij eindelijk los was, waren er kostbare minuten verstreken. Maar zijn voeten had hij in een oogwenk bevrijd.

Hij bestastte zijn gewonde handen. Door zijn voeten joeg een bijtende pijn. Wankelend deed hij een paar passen naar de deur.

[p. 66]

Op dat ogenblik hoorde hij voetstappen op de loopplank. De woonark wiebelde. Zacht pratende stemmen. Ze waren terug!

Arnold schuifelde achterwaarts, greep een volle fles uit het gootsteentje en bleef doodstil staan, vlak achter de deur.

Er klonk gemorrel van een sleutel. Een stem zei: ‘We hadden kunnen nagaan dat die vent ons belazerde. Hij zal het weten ook!’

De deur zwaaide open. Karel verscheen in de opening. Een seconde keek hij stomverbaasd en ongelovig naar de verzameling scherven. Het volgende moment kon hij alleen door een razendsnelle reactie voorkomen dat de neerzwaaiende fles hem tegen het hoofd trof. Nu sloeg het wapen hem tegen de schouder. Met een schreeuw van pijn wankelde hij achteruit.

Arnold liet de fles vallen. Met een sprong was hij bij de deur en stompte Martin tegen de borst. Deze kwam bijna te vallen, maar greep hem bij zijn been. Arnold struikelde. Zijn handen sloegen tegen het hout van de loopplank. Hij schopte van zich af, eenmaal..., tweemaal. Toen was hij los. Hij vloog overeind, bereikte de wal en rende de kade op.

Achter zich hoorde hij woedende kreten.

Maar hij keek niet eenmaal om.

prepostterug  begin  verder