terug  begin  verderprepost
[p. 67]

9

Arnold kwam thuis. Dat wil zeggen: hij rukte de deur open, vloog struikelend over de drempel en plofte tenslotte op een stoel in de huiskamer.

Meneer Westervoort, die bezig was achter zijn bureau, keerde zich geërgerd om. ‘Zeg, wat zijn dat voor manieren? Kan dat niet wat minder? De hele zondagmiddag ben je nergens - om dan als een gek binnen te komen stormen! Je moest...’ Zijn blik viel op Arnolds gewonde handen. ‘Waar heb jij nu weer gezeten?’

Arnold kon nauwelijks een woord uitbrengen. Zijn schouders schokten.

‘Zeg op - wat heb jij uitgevoerd?’

‘Ze... hebben me... opgesloten...’

‘Opgesloten...?’ Meneer Westervoort kwam achter zijn bureau vandaan. ‘Je wilt me toch niet vertellen dat die knapen weer bezig zijn geweest?’

Arnold knikte. ‘Ze wilden... me... vermoorden..., geloof ik.’

‘Wat!?’

‘In een woonark. Ze hadden gestolen...’

Meneer Westervoort greep een stoel en omklemde de leuning tot zijn knokkels wit werden. ‘Nou moet jij eens goed naar mij luisteren, Arnold. Jij houdt op met dat gejammer en vertelt mij kort en duidelijk wat er gebeurd is. Aan dat onsamenhangende gepraat heb ik niets.’

Arnold keek zijn vader aan. ‘Waar is ma?’ vroeg hij. Zijn stem klonk onvast.

‘Ma is naar de kerk.’

‘Hoe laat... is het dan?’

‘Wat doet het ertoe hoe laat het is! Vertel eerst maar eens even waar jij hebt gezeten. Hoe komen die striemen op je handen?’

‘Ze hebben me vastgebonden. Ik had...’ Hij slikte moeilijk. ‘Mag ik... een glaasje water?’

Meneer Westervoort haalde diep adem. ‘Moet ik dat soms ook nog voor je halen? Doe alsjeblieft niet zo kinderachtig.’

Arnold stond op, verliet de kamer en kwam terug. Zijn handen trilden

[p. 68]

en zijn tanden klapperden tegen het glas toen hij een teug nam.

Meneer Westervoort nam hem zwijgend op en schoof vervolgens een stoel bij. ‘Voor de dag ermee, Arnold. En nou geen onzin... Goed, ik heb me misschien een beetje kwaad gemaakt. Maar dat was de schrik, zullen we maar zeggen. Wie komt er nou ook als een dolleman de kamer binnenstormen!’

Arnold vertelde. Met horten en stoten. ‘Ik liep langs de haven, heel toevallig. En daar lag een woonark. De deur stond open. Toen ben ik naar binnen gegaan om te kijken. Er lagen allemaal spullen in, fietsbanden en koffie en zo... En toen dacht ik - die zijn vast gestolen. Ik wilde teruggaan, maar toen kwamen die jongens. Die hebben...’

‘Welke jongens?’

‘Martin en Karel.’

‘Martin Jonkers weer?’

‘Ja.’

‘En wie is Karel?’

‘Een grote vent, zo sterk als...’

‘Ik bedoel zijn achternaam.’

‘Weet ik niet.’

‘Zit ie bij jou op school?’

‘Nee.’

‘Wat hebben ze gedaan?’

‘Mij vastgebonden.’

Meneer Westervoort siste tussen zijn tanden. ‘Heb je dat allemaal zomaar toegelaten?’

‘Die ene vent was veel sterker dan ik. En ze waren met z'n tweeën. En die Karel..., die had een mes.’ Arnold dronk zijn glas leeg. Hij voelde zich kalmer worden.

‘En toen hebben ze jou zeker weer losgelaten?’

‘Nee, ze zijn weggegaan.’

‘Waarheen?’

‘Weet ik niet... En toen heb ik flessen op de grond kapot laten vallen. En daar heb ik de touwen mee doorgesneden.’

Meneer Westervoorts kaken maakten malende bewegingen. ‘Waar ligt die woonark?’

‘In de haven.’

[p. 69]

‘Ben je daar al vaker geweest?’

‘Eh... nee.’

‘Liggen er fietsbanden, zei je?’

‘Ja, en koffie en handdoeken en ook thee en blikken benzine.’

Meneer Westervoort deed iets wat Arnold niet dikwijls van hem gehoord had: hij vloekte hard en nadrukkelijk. Toen stond hij op. ‘Kom mee!’ zei hij kortaf.

‘Waar gaan we dan heen?’

‘Naar de politie! Wat dacht jij dan?’

Arnold keek naar zijn gezwollen polsen. ‘En mijn handen dan?’

‘Die paar schrammetjes? Een echte Hollandse jongen geeft daar toch zeker niet om! Trouwens, de vorige week wasje ook niet zo kleinzerig!’

‘Ja, maar - dit doet zo'n pijn.’

Meneer Westervoort begon zich op te winden. ‘Wat vind jij nou belangrijker, zitten klagen over een paar zere handjes of meehelpen een stel misdadigers op te sporen?’

Arnold stond traag op. Langzaam liep hij achter zijn vader aan, die al bij de voordeur was.

‘Nou, schiet je nog een beetje op?’

‘Ja - ik kom al.’ Onzeker stapte hij het trottoir op en keek meteen snel om zich heen. Hij zag niemand, behalve een paar wandelaars. Ze waren hem dus niet achterna gekomen. Maar wie weet - stonden ze hem ergens op te wachten, net als bij de haven. Ze waren natuurlijk razend. Zijn vader was nu wel bij hem, maar misschien kon hen dat niets schelen. Misschien...

‘Wat sta je te treuzelen?’

‘Ik eh... treuzel helemaal niet.’ Hij had moeite de stevige pas van zijn vader bij te houden. Bij elke straathoek keek hij schichtig in alle richtingen. Van Karel en Martin was niets te bekennen.

Het politiebureau was niet ver. Ze werden ontvangen door een dommelende agent. Hij keek glazig door het loket, maar toen hij het NSB-speldje van meneer Westervoort zag, fronste hij de wenkbrauwen.

‘Waar komt u voor?’

‘Ik kom aangifte doen van een diefstal.’

‘Een diefstal...’, herhaalde de man, ‘juist.’ Hij stond langzaam op, slofte naar een ladenkast en haalde er een langwerpig boek uit. Daarna legde

[p. 70]

hij het voor zich op tafel en begon omslachtig te bladeren.

Meneer Westervoort kneep zijn vingers samen. ‘Het is erg belangrijk’, zei hij. ‘U moet namelijk weten...’

De agent wuifde afwerend. ‘Eén ogenblikje, alstublieft. Niet alles tegelijk. Eens even kijken..., ja, hier heb ik het - diefstallen.’

‘En ik kom ook aangifte doen van mishandeling van mijn zoon, hier’, zei meneer Westervoort.

De agent keek verstoord op en klapte het boek dicht. ‘Waar komt u nu eigenlijk voor - voor diefstal of mishandeling?’

‘Voor allebei’, antwoordde meneer Westervoort haastig. ‘U moet namelijk weten...’

‘Meneer, ik vraag u vriendelijk: niet alles tegelijk! U moet van ons geen wonderen verwachten. De mensen denken maar dat we altijd meteen voor alles en iedereen klaar staan... Wat wilt u nou eerst vertellen, diefstal of mishandeling?’

‘Diefstal.’

‘Goed.’ Hij sloeg het boek weer open. ‘Uw naam?’

Meneer Westervoort begon rood te worden. ‘Ken u me dan niet? Ik werk al jaren op het stadhuis.’

De agent staarde zijn bezoeker enige tijd aan. ‘Het spijt me, meneer, maar we kunnen niet iedereen kennen. De mensen denken wel eens...’

‘Westervoort!’ snauwde Arnolds vader.

‘Goed. Wes-ter-voort, dus. Adres?’

‘Klinkerstraat zeventien.’

‘Klin-ker-straat ze-ven-tien. Geboortedatum?’

Meneer Westervoort kon zich niet meer beheersen. ‘Zou u nou eens eindelijk naar mij willen luisteren? Overal in de stad zijn diefstallen gepleegd, ik kom u daar inlichtingen over geven en u praat over een geboortedatum! Moet ik uw chef er soms bijhalen?’

De agent keek hem onverstoorbaar maar toch oplettend aan. ‘Zei u dat u inlichtingen over diefstallen kon geven?’

‘Dat zei ik, ja!’

‘Bent u dan niet zelf bestolen?’

‘Nee!’

Hij sloot het boek. ‘Had u dat dan meteen gezegd!’

‘Dat hèb ik meteen gezegd!’

[p. 71]

‘U kwam aangifte doen van een diefstal.’

‘Dat bedoelde ik ook!’

‘Zegt u dan alstublieft wat u bedoelt.’ De agent slofte terug naar de kast en haalde een ander boek te voorschijn. ‘Bent u getuige geweest van die diefstallen?’

Meneer Westervoort knarsetandde. ‘Nee, maar mijn zoon hier weet waar de gestolen goederen liggen - fietsbanden, koffie, tabak en benzine.’

De politieman keek opeens geïnteresseerd. ‘Fietsbanden, zei u? Hoeveel?’

Arnold zei: ‘Wel een stuk of acht, denk ik.’

‘En benzine...?’

‘Een paar blikken.’

‘Waar ligt dat allemaal?’

‘In een woonark in de haven.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik ben er geweest. Ze hebben mij nog een poos vastgebonden.’

‘Wie zijn ze?’

‘Een paar jongens.’

‘Ken je ze?’

‘Ja, Martin Jonkers en een zekere Karel.’

De agent vernauwde zijn ogen. ‘Karel Rot?’

‘Weet ik niet.’

‘Groot, fors gebouwd, een jaar of zeventien?’

‘Ja.’

‘Karel Rot’, zei de ander. ‘Een ogenblikje.’ Hij stond op om zich naar een zijvertrek te begeven, toen de telefoon rinkelde. Hij nam op. ‘Politie - agent Burema... Ja... Wat!?... Ja, we komen eraan!’ Hij smeet de hoorn op de haak. Even staarde hij zijn bezoekers aan. ‘Er is brand’, zei hij kort. ‘In de haven. Een oude woonark.’ Toen verdween hij.

Enkele minuten later fietsten drie agenten in snelle vaart de straat uit in de richting van de haven. Ergens begon de sirene van een brandweerauto te loeien.

 

Diezelfde avond wist de hele stad wat er gebeurd was: twee jongens hadden een woonscheepje in brand gestoken, waarin ze gestolen goede-

[p. 72]

ren hadden opgeslagen. Ze hadden alles met benzine overgoten en het bootje was totaal uitgebrand. De daders 'waren spoorloos. De vaders van de beide jongens waren gearresteerd, maar een uur later weer vrijgelaten: zij bleken nergens van te weten. De waarde van de gestolen artikelen bedroeg volgens de politie ongeveer drieduizend gulden.

Maandag, 11 mei 1942.

Een grijze morgen. Arnold stond op met het gevoel of zijn spieren met een hamer waren bewerkt. Bovendien had hij slecht geslapen - de gebeurtenissen van de vorige dag hadden voortdurend door zijn hoofd gespookt.

Hij liep naar het raam en trok de gordijnen open. Een fijne regen daalde loodrecht uit de hemel. In jassen gehulde figuren haastten zich door de glimmende straat. Hij kleedde zich aan en sjokte de trap af. Uit de keuken klonken vertrouwde geluiden.

Zijn vader was de eerste die hem begroette. ‘Morgen, Arnold, gefeliciteerd!’

‘Gefeliciteerd?’

‘Ja, gefeliciteerd! Onze Leider is toch jarig vandaag!’

‘Hè? O, ja... Dank u wel. U ook gefeliciteerd.’

‘Dank je.’ Meneer Westervoort liep de gang in en pakte de zwartrode NSB-vlag, die hij de vorige avond had klaargezet. Hij droeg haar naar buiten en stak de vlaggestok in de houder. Even stond hij met een glimlach naar het doek te kijken, maar toen trok hij de deur weer dicht. ‘Jammer dat het geen mooier weer is.’

‘De boeren zullen anders best blij zijn met een beetje regen’, antwoordde mevrouw Westervoort. ‘En de groente is zo schandalig duur. Wat er nog te krijgen is, dan. En je moet er uren voor in de rij staan.’

‘Ach, dat zijn toch maar kleinigheden’, zei meneer Westervoort korzelig. ‘Over een paar weken is er weer volop. Trouwens, ik heb in de krant gelezen dat de mensen veel te veel groente weggooien. Van de bloemkool, bijvoorbeeld. Die stronken zijn nog best te gebruiken.’

‘Ik heb het ook gelezen’, zuchtte ze. ‘Alleen jammer dat er geen bloemkool te koop is.’

‘Nou ja, dat zal ook wel voor andere groente gelden.’ Hij wendde

[p. 73]

zich tot Arnold. ‘Waarom heb jij je uniform niet aan?’

‘M'n uniform? Dat heb ik toch nooit aan naar school.’

‘Op de verjaardag van onze Leider hoor jij je uniform te dragen. Ga naar boven om je te verkleden. En schiet een beetje op. Anders kom je nog te laat ook.’

Arnold schudde zijn hoofd. ‘Ik doe het niet.’

‘Wàt zeg je?’ Meneer Westervoort legde mes en vork neer. ‘Jij doet ogenblikkelijk wat ik je zeg!’

‘Ik trek geen uniform aan’, herhaalde Arnold hardnekkig. ‘Dan pesten ze nog veel erger.’

‘We hadden afgesproken dat je me dadelijk zou vertellen wanneer je weer geplaagd wordt! Jij trekt nu onmiddellijk je uniform aan!’

‘Koos’, begon mevrouw Westervoort, ‘als die jongen nou...’

‘Gea, laat dit alsjeblieft aan mij over! Dacht je dat ze mij nooit bespotten? Dacht je dat ik het zo gemakkelijk had? En ik doe toch ook mijn werk!’

‘Ja, maar zonder uniform’, viel Arnold hem in de rede.

Meneer Westervoort schoof zijn stoel met een ruk achteruit. ‘Brutale vlegel! Naar boven, zeg ik je. Ogenblikkelijk!’

Arnold liet zijn boterham staan, rende de keuken uit en de trap op. Boven knalde hij de deur van zijn kamer dicht. Toen ging hij voor het raam staan. Minutenlang, zijn tanden opeengeklemd.

Om acht uur hoorde hij zijn vader van beneden roepen: ‘Komt er nog wat van, Arnold?’

‘Ja, ik kom zo.’ Hij wachtte echter tot hij zijn vader zag wegfietsen. Daarna verliet hij zijn kamer.

Zijn moeder keek hem ongerust aan. ‘Zou je nou maar niet doen wat je vader zegt, jongen?’

‘Ik ben niet gek, ma.’

‘Arnold!’

‘Pa zou er ook wel anders over denken als ie zo gepest werd.’

‘Je vader heeft het al moeilijk genoeg.’

‘Dat zal wel.’ Hij propte een boterham achter zijn kiezen en greep zijn tas. ‘Ik ga, hoor.’

 

Hij was laat. Toch stonden er nog veel jongens en meisjes op de binnen-

[p. 74]

plaats van de school. En Arnold zag meteen waarom. Zeker een stuk of tien vierdeklassers hadden een gele, zeshoekige ster opgespeld, een ster die sinds een week door iedere jood en jodin gedragen moest worden. Dan kon je tenminste zien door wat voor soort lieden Europa eeuwenlang was uitgeperst, had zijn vader gezegd. Maar wat deden die jongens dan met zo'n ster? Dat waren helemaal geen joden! Brutaler kon het niet!

Hij liep langs het groepje. Een paar jongens kregen hem in de gaten. ‘Hé, Westervoort, moet jij nog geen ster? Ze kosten maar een stuiver!’ Zonder iets te zeggen glipte Arnold de school in. Achter hem begon iemand te zingen: ‘Er is er een jarig, hoera, hoera...!’

Die morgen gebeurde er de eerste lesuren weinig. Alleen in de hoek waar Martin altijd zat werd een tijdje gefluisterd, maar hij kon niet verstaan waar ze het over hadden.

Tijdens het lesuur biologie, om kwart over tien, ontstond er toch wat rumoer. Hij hoorde ze mompelen, achter in de klas. En even later, bij de bel voor de pauze, barstte de vrolijkheid los. Hij luisterde scherp. Ditmaal scheen hij echter niet het mikpunt te zijn. ‘Jongens, ik heb wat moois!’ hoorde hij iemand zeggen. ‘Moet je horen wat hier staat. Op dit papier. Het hoort bij het persoonsbewijs. Er staat op: wenken, in acht te nemen bij het persoonsbewijs (P.B.).’

‘Wat zou dat nou?’

‘Stil nou - P.B. betekent Persoons Bewijs.’

‘Hè, hè, dat wisten we nog niet!’

‘Ja, maar 't kan ook wat anders betekenen.’

‘Wat dan?’

‘Piemeltje Bloot.’

Een daverend gelach steeg op.

‘Stil nou..., luister nou even wat er staat...’

Arnold keek om en zag dat een van de jongens, af en toe onderbroken door nieuwe lachsalvo's, van een klein papiertje voorlas.

‘U moet het Piemeltje Bloot te allen tijde bij u dragen en desgevorderd vertonen aan iedere opsporingsambtenaar.

U moet het Piemeltje Bloot zeer zorgvuldig bewaren.

Bij overlijden moet het Piemeltje Bloot worden ingeleverd.

Ingeval van vermissing of ontvreemding van een Piemeltje Bloot moet

[p. 75]

onmiddellijk aangifte worden gedaan bij de politie. Ook kennis geven aan de burgemeester. Deze kan een nieuw Piemeltje Bloot afgeven, tenzij er gegronde redenen bestaan zulks te weigeren.

Niemand mag zich van zijn Piemeltje Bloot ontdoen of daarin enige verandering, aanvulling of toevoeging aanbrengen of doen aanbrengen. Ook is het verboden zijn Piemeltje Bloot aan een ander ten gebruike af te staan of het Piemeltje Bloot van een ander te gebruiken.’

Ze gierden van de lol. Arnold moest meelachen, of hij wilde of niet. Totdat Hans van Beek het in de gaten kreeg. ‘Kijk, jongens!’ schreeuwde hij. ‘Westervoort snapt het ook! Mag je daar wel om lachen van je vader?’

Arnold verstarde. Toen draaide hij zich om. Zijn dag was opnieuw verpest.

Die middag kwam meneer Westervoort later thuis dan gewoonlijk. Hij zette zijn fiets weg en kwam de keuken binnen, waar mevrouw Westervoort, Rita en Arnold al aan tafel zaten. Enkele ogenblikken keek hij zijn zoon strak aan.

Arnold was bang voor een nieuwe uitbrander, maar zijn vader zweeg. ‘Is er iets?’ vroeg mevrouw Westervoort.

Meneer Westervoort knikte. ‘Ik heb de politie op bezoek gehad.’

‘Over die diefstallen?’

‘Nee - over Arnold en over een belediging van onze Leider.’

Arnold werd rood tot achter zijn oren.

‘Op het stadhuis wisten ze het ook al. Hoe, daar ben ik niet achter gekomen. Ik heb me diep, diep geschaamd.’

‘Dat... dat... ik...’, begon Arnold.

‘Je wou me zeker vertellen dat jij daar niet aan meegedaan hebt?’

‘Ja... Ze hadden een tekening in mijn vak gestopt.’

‘Wie?’

‘Wist ik dat maar.’

‘Waarom heb je mij dat niet verteld? Dat hadden we toch afgesproken?’

‘Ja, maar...’

‘Er valt niets te maren!’ beet zijn vader hem toe. ‘Jij had moeten doen wat ik zei! Begrepen?’

‘Ja, pa.’

‘Ik moet op je kunnen vertrouwen. Ik geloof best dat je onze Leider

[p. 76]

nooit zult beledigen. Maar ik vraag me ook af of je wel voor hem op durft te komen, als dat nodig is.’

Arnold bleef naar zijn bord kijken.

‘Het lijkt me daarom ook beter dat je op twintig juni niet meegaat naar Utrecht.’

‘Wat zou Arnold in Utrecht moeten doen?’ vroeg mevrouw Westervoort verbaasd. ‘Ik dacht dat je daar alleen heenging?’

‘Ik zal het maar meteen vertellen, voordat je het van iemand anders hoort - de Jeugdstormafdeling van onze stad heeft een uitnodiging ontvangen om de plechtigheid in Utrecht bij te wonen.’

Arnold keek op.

‘Maar, zoals ik zei - het lijkt me beter dat Arnold niet meegaat.’

‘Waarom niet?’ vroeg Arnold voorzichtig.

Meneer Westervoort zei vermoeid: ‘Ik denk dat onze Leider het niet prettig zou vinden als hij wist dat er jongens bij waren die op zijn verjaardag het uniform van de Jeugdstorm niet durven dragen.’

Arnold boog opnieuw zijn hoofd. Zijn vader had gelijk. Hij had zich aangesteld, vanmorgen. En pesten deden ze hem toch, uniform of geen uniform. ‘Ik trek het straks wel aan’, zei hij zacht.

‘Dat is mooi van je, jongen’, hoorde hij zijn vader zeggen. ‘Maar wel wat te laat.’

prepostterug  begin  verder