terug  begin  verderprepost
[p. 77]

10

Zaterdag, 20 juni 1942.

Arnold had het toch klaargespeeld. Het had hem de nodige energie en overredingskracht gekost, maar daar had hij dan ook bijna zes weken de tijd voor gehad. Eerst voorzichtig, later steeds gedurfder had hij zijn vader gevraagd of hij tóch meemocht naar Utrecht. Hij had zich uitgesloofd. Hij had karweitjes opgeknapt. Hij had boodschappen gedaan. Hij was zelfs een paar keer in het uniform van de Jeugdstorm naar school gegaan.

En tenslotte had zijn vader toegegeven.

 

Nu zat hij met zijn kameraden in de bus. Achterin. En hij genoot. Het was schitterend zomerweer en door de open ramen woei een frisse bries.

In verscheidene plaatsen waar ze langs kwamen stonden mensen langs de kant te wuiven. Niet veel, maar ze waren er dan toch maar.

Het gaf hem een warm gevoel van binnen.

Bovendien hoefde hij vandaag eens niet bang te zijn voor dat eeuwige getreiter. Hij was nu onder kameraden. Geen dubbelzinnige opmerkingen, geen gefluister, geen beledigingen. Integendeel. Ze zongen, uit volle borst. Halverwege Utrecht hadden ze bijna alle liederen van de NJS al afgewerkt, waarna de leider hen waarschuwde dat ze nog wat lucht moesten sparen voor de grote plechtigheid. Maar ze waren bijna niet te houden en wedijverden in geluidskracht met de motor van de bus.

 

Drie kwartier later draaiden ze de ruime parkeerplaats voor het stadion op. Er stonden verscheidene personenauto's en tientallen autobussen. Grote groepen mensen stonden opgewekt met elkaar te praten. Anderen dromden naar de ingang. En daar tussendoor zag hij overal licht- en donkerblauw - de kleuren van de Jeugdstorm. Aan de rand van het plein, op enige afstand stonden belangstellenden te kijken.

En opeens was het of Arnold een koude rilling kreeg. Die jongen daar,

[p. 78]

half verscholen tussen een paar omstanders, groot en fors, was dat Karel...?

Hij tuurde door de ramen van de bus, maar de schittering van het zonlicht speelde hem parten.

Al die weken had hij niets meer van Martin en zijn vriend gehoord. De politie had ze niet te pakken kunnen krijgen. En op school zwegen ze er ook over. Tenminste, in zijn aanwezigheid. Was het mogelijk dat de vent hier plotseling opdook? Of had hij zich vergist? Hij bleef turen, maar hij zag hem niet meer. En al spoedig ging zijn twijfel over in zekerheid: het kon Karel nooit geweest zijn. Wat zou die hier moeten zoeken?

‘Kom op, Arnold! We zijn er!’

Geschrokken draaide hij zich om om te ontdekken dat de meeste jongens en meisjes de bus al verlaten hadden. Hij haastte zich naar de uitgang, waarna hij zijn vrienden al gauw had ingehaald. Samen liepen ze naar de ingang van het stadion.

‘Hier wachten’, gebood hun leider.

Ze bleven staan en keken omhoog naar het bouwwerk van steen en beton. Talrijke mannen passeerden hen, mannen in burger en in uniform.

Zijn vader moest hier ook ergens bij zijn. Die was waarschijnlijk al binnen, want hij was een uur eerder vertrokken. Arnold had hem vanmorgen voor zijn verjaardag een prachtig vulpotlood gegeven. Het had hem vijf gulden gekost, maar dat had hij er wel voor over gehad. En zijn vader was er erg blij mee geweest.

Na een kwartiertje mochten ook de Jeugdstormers en -stormsters naar binnen. Dat wil zeggen: daar moesten ze opnieuw wachten. En nu bijna een uur. Tot het grote moment toch nog onverwachts aanbrak.

‘Stormers en Stormsters, opgelet!’

Ze stelden zich op in rijen van drie. Voorop gingen de tamboers en vlaggedragers, daarachter de trompetters en hoornblazers.

‘Voorwaarts mars!’

De trommels roffelden. De trompetten schalden en op een teken van de hopman begonnen ze te zingen:

[p. 79]
 
Wij, Neerlands Jeugd, vereend te saam
 
voor 't schone ideaal,
 
wij dragen fier de stormersnaam
 
en strijden stoer als staal!
 
 
 
Refrein: Wij zijn op mars, aan ons de jeugd!
 
Komt, makkers, sluit de rij!
 
Wij zijn op mars, aan ons de jeugd!
 
Voor 't Dietse volk marcheren wij!
 
 
 
Wij bieden elk onz' stormersgroet
 
langs bos en veld en reê.
 
Wij eren orde, tucht en moed
 
en roepen luid: Hoezee!
 
 
 
Komt, Dietse knapen, roert de trom,
 
slaat geestdrift, sterk en fel,
 
Snelt saam, rukt op in dichte drom,
 
slaat, Stormers, jeugd-appèl!

Met het einde van het lied hielden ze halt. De trommels en trompetten verstomden, maar van de tribunes barstte een donderende ovatie los.

Arnold stond stram in de houding. Dit was het dus, dacht hij - de lotsverbondenheid waar zijn vader zo vaak over gesproken had. Die zeldzame kameraadschap die je alleen kon aantreffen bij Nationaal-Socialisten. Hij begreep niet dat niet veel meer mensen daarvan doordrongen waren. Of zou het dan waar zijn wat één van hun leiders pas had gezegd: ‘Slechts enkelen zijn zo bevoorrecht klaar en helder te zien wat er in de mensen en de jeugd leeft en straks zal groeien’? Was hij een van die bevoorrechten?

Plotseling viel er een ademloze stilte. Arnold rekte zijn nek uit. ‘De Leider!’ riep iemand.

Daar kwam hij! Rustig daalde hij de monumentale trap af en schreed het stadion binnen. Het was voor het eerst dat Arnold hem zag. Hij was kleiner dan hij had gedacht. En even onderging hij dat als een teleurstelling. Op de foto's die hij van hem gezien had leek hij veel

[p. 80]



illustratie

groter. Maar hij liep veerkrachtig en vastberaden.

Even later had hij het met bloemen versierde podium bestegen. En toen pas juichten de duizenden: ‘Mussert, houzee! Mussert, houzee!’

Mussert hief zijn hand op en onmiddellijk werd het doodstil. Nergens bewoog meer iemand. Alleen de vanen en vlaggen, rood-wit-blauw en zwart-rood, ontplooiden zich in de zwakke wind.

Toen begon de Leider te spreken.

Het was een korte toespraak en toen Mussert die beïndigd had, strekte Arnold met de anderen geestdriftig zijn arm: ‘Mussert, houzee! Mussert, houzee!’

Daarna kwam het grote ogenblik. Drieduizend mannen stonden kaarsrecht in het stadion en legden de eed af. Het was een onvergetelijk moment. De Leider sprak en als een versterkte echo klonk het uit die drieduizend monden: ‘Ik zweer de Leider van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland, Anton Mussert, trouw tot in de dood. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig.’

Arnold durfde bijna niet ademhalen. Nu begreep hij het. Hij begreep waarvoor ze gekomen waren, uit het hele land. Hij begreep ook het

[p. 81]



illustratie

geweldige ideaal waarvoor ze alles over moesten hebben: trouw aan de Leider, trouw aan een man, die zijn leven over zou hebben voor het Vaderland. Hij had het pas nog gelezen in de ‘Stormmeeuw’, het blad van de NJS: ‘Was in Nederland Mussert niet opgestaan, dan zou de strijd van onze voorouders vergeefs zijn geweest, dan zouden Willem de Zwijger, De Ruyter, Tromp en zovele anderen hun bloed tevergeefs geofferd hebben.’

Hij schrok op toen de anderen begonnen te zingen, maar meteen zong hij hartstochtelijk mee:

 
De Leider trouw
 
in nood en zorgen
 
De Leider trouw
 
in 't stormgetij
 
De Leider trouw
 
wij! - volk van morgen
 
De Leider trouw,
 
dat zweren wij!
[p. 82]

Daarna sprak Mussert opnieuw. ‘Ik heb uw eed aanvaard’, zei hij. ‘En ik heb door het aanvaarden van die eed mij verplicht tegenover u tot trouw. Trouw aan de beginselen van de Beweging. Trouw aan de bronnen. Trouw aan het Vaderland. Trouw aan de Germaanse lotsverbondenheid, trouw aan de bond der Germaanse staten, die levensvoorwaarde is voor de toekomst van Europa en daarmee ook voor het volk. Trouw aan de Germaanse Führer, die door God geroepen is om Europa te beschermen tegen overweldiging en knechting, tegen het goddeloze communisme en het gewetenloze kapitalisme. Zo zij mijn trouw, zo waarlijk helpe mij God, van Wie wij alleen de kracht en het inzicht moeten ontvangen om onze roeping te volgen en Wie wij verantwoordelijk zijn voor al onze daden, aan het einde onzer dagen. Houzee, mijn kameraden!’

 

Een uur later waren ze terug in de bus. De stemming was uitgelaten en opnieuw brulden ze hun kelen schor. Toen Arnold thuiskwam was hij bijna zijn stem kwijt.

Mevrouw Westervoort stond hem op te wachten. ‘Hoe was het?’

‘Fantastisch!’ fluisterde hij.

‘Jongen, je hebt geen stem meer over!’

‘Komt van het zingen, ma.’

Rita kwam er ook bij staan. ‘Schreeuwen zal je bedoelen!’

‘Jij kunt het natuurlijk weer niet hebben dat je niet meemocht! Is pa er nog niet?’

‘Nee... Heb je hem nog gezien?’

‘Nee, nergens. Maar dat kon ook niet. Er waren er vast wel tienduizend.’

‘Je zult wel weer overdrijven’, zei Rita.

‘Nee, echt niet. Het hele stadion was vol.’

‘Er is vanmorgen nog een brief voorje gekomen’, zei mevrouw Westervoort.

‘Van wie?’

‘Dat weet ik niet. Er staat geen afzender op. Ik heb hem op je kamer gelegd.’

‘Hebt u hem dan nog niet gelezen?’

Ze zei glimlachend: ‘Dat hoort toch niet - brieven van anderen openmaken...’

[p. 83]

Arnold vloog de trap op, scheurde de enveloppe open en las. Het was een kort briefje en het was niet ondertekend. Maar het was of een kille hand hem langzaam de keel dichtkneep. ‘Jij hebt ons verraden, vuile NSB-er’ stond er. ‘Dat vergeten wij nooit. En we zullen jou dat smerige verraderswerk betaald zetten.’

Hij voelde zijn benen slap worden. De kamer draaide voor zijn ogen. Versuft liet hij zich op bed zakken en staarde naar het briefje. Van Martin Jonkers en Karel Rot. Het stond er niet op, maar dat hoefde ook niet. Wie anders zou hem zo'n brief schrijven?

Ze lagen dus op de loer. Misschien zaten ze elke dag naar hem uit te kijken om hem op een geschikt moment te pakken te nemen. En hij was weerloos. Hij kon niets doen. Hoogstens kon hij...

‘Arnold!’ riep zijn moeder, ‘waar blijf je nou?’

Hij reageerde niet.

‘Arnold!’

Hij schrok op. ‘Ja, ik kom eraan.’ Werktuiglijk liep hij naar beneden, het briefje in zijn hand.

‘Wat staat er in de brief? Mag ik hem ook lezen? Of...’ Ze brak af. ‘Zeg, wat is er met jou aan de hand? Voel je je niet goed?’

Hij gaf zijn moeder het briefje. ‘Lees maar...’

Ze las. En ze werd nog bleker dan haar zoon. ‘Dit... dit is verschrikkelijk! Hoe... hoe durven ze!’

‘Wat is er?’ vroeg Rita nieuwsgierig.

‘Een dreigbrief. Ze bedreigen Arnold omdat hij dat ontdekt heeft, van die diefstallen, je weet wel...’

‘O...’ Ze was duidelijk geschrokken en keek haar broer met grote ogen aan. Toen zei ze: ‘Had je er dan ook niet mee bemoeid! Jij steekt ook ook altijd overal je neus in. Nou kun je eens zien hoe gevaarlijk dat is.’ ‘Hou je mond Rita’, zei mevrouw Westervoort. ‘Hier kon Arnold niets aan doen. Het had jou net zo goed kunnen overkomen.’ Ze legde het briefje op tafel. ‘We wachten tot vader thuis is. Die zal wel een oplossing weten.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Jongen, jongen, dat jou zoiets weer moet overkomen. En dat nog wel na zo'n fijne dag.’

Een half uur later kwam meneer Westervoort thuis. Zijn stemming was uitstekend, maar dat veranderde zodra ze hem van de brief hadden verteld.

[p. 84]

‘De schurken!’ mompelde hij. Hij bekeek de brief nauwkeurig. ‘Waar komt ie vandaan?’

‘Dat staat er niet op.’

‘Ik bedoel - waar is ie gepost? Waar heb je de enveloppe?’

‘Boven.’ Arnold haalde de enveloppe op en gaf hem aan zijn vader.

‘Utrecht’, zei deze meteen. ‘Kijk maar naar het poststempel. Hij is in Utrecht gepost.’

‘Dan was het toch Karel’, zei Arnold.

‘Wat bedoel je?’

‘Ik heb hem gezien. In Utrecht. Hij stond vanmorgen bij het stadion te kijken. Tenminste, dat meende ik.’

Meneer Westervoort dacht na. ‘Ik zal de politie weer moeten inschakelen’, besloot hij. ‘En als dat niet helpt, waarschuw ik desnoods onze kameraden in Utrecht. Het is toch te gek om los te lopen dat iemand dreigbrieven krijgt, omdat hij een stelletje dieven aanbrengt!’

prepostterug  begin  verder