terug  begin  verderprepost
[p. 85]

11

Wekenlang gebeurde er niets. Geen nieuwe brieven, geen dreigementen. Maar evenmin een bericht dat de politie de twee had gearresteerd. En de door meneer Westervoort te hulp geroepen Utrechtse vrienden hadden laten weten dat het zoeken naar zulke jongens onbegonnen werk was. Arnolds vader had begrijpend geknikt. ‘Onze kameraden daar hebben ook wel wat anders aan hun hoofd’, had hij gezegd. ‘Die kunnen zich natuurlijk niet overal mee bemoeien. We moeten maar extra voorzichtig zijn.’

Arnold wàs voorzichtig. De eerste dagen durfde hij nauwelijks op straat te komen. En de weg naar school legde hij af als een schichtig, opgejaagd dier. Martin en Karel konden immers zomaar komen opduiken. Of zouden ze dat niet durven? Hij wist het niet. En die onzekerheid maakte hem angstig.

Zijn schoolwerk werd er niet beter op. De laatste proefwerken voor de overgang waren slecht. De leraren zeiden niets, maar zijn klasgenoten grijnsden vol leedvermaak. Vooral toen hij een repetitie Duits terugkreeg met een twee erop.

Zijn overgang naar de derde klas kwam echter niet in gevaar. En toen hij na de laatste schooldag zijn tas in een hoek smeet zei hij: ‘Ziezo, voorlopig ben ik van die rotzooi af!’

Mevrouw Westervoort schudde haar hoofd. ‘Dat moet je niet zeggen, Arnold. Wees blij dat jij verder kunt leren. Hoeveel jongens van jouw leeftijd krijgen daar niet eens de kans voor.’

‘Leren, leren, altijd leren! Ik ben er spuugzat van! Ik wou dat ik een baan had. Dan verdiende ik tenminste wat. Dan hoefde ik niet iedere dag naar die stomme school!’

‘Wou jij dan liever je toekomst vergooien? Neem een voorbeeld aan je vader. Die heeft nooit de kans gehad verder te studeren. En je weet hoe hij elke avond urenlang zit te werken om in te halen wat hij vroeger heeft moeten missen.’

‘Nou en...? Wat schiet hij ermee op? Ik moet nog zien dat hij ergens burgemeester wordt.’

[p. 86]

‘Arnold, zo mag je niet praten! Wat bezielt jou toch?’

‘Mij bezielt niks. Maar pa heeft nooit ergens meer tijd voor. Òf hij werkt zich een ongeluk - en al die tijd mogen wij geen mond open doen - òf hij moet weer naar een of andere vergadering.’

‘Je weet best hoe belangrijk dat werk voor hem is.’

‘Voor hem, ja. Maar ik heb er genoeg van elke avond stommetje te zitten spelen.’

Mevrouw Westervoort was verbaasd. ‘Jij hebt nooit gezegd dat je dat vervelend vond. Jij zit toch altijd te lezen? Ik dacht dat je dat fijn vond.’

‘Ach, ma, laten we er maar over ophouden.’

Ze haalde diep adem en zei zacht: ‘Er zit jou iets dwars, Arnold.’

‘Er zit mij niets dwars.’

‘Jawel...’

‘Goed, dan wel.’

‘Die twee jongens, misschien...?’

Hij keerde zich met een ruk om en staarde het raam uit.

‘Zou je misschien een paar dagen de stad uit willen?’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Misschien knap je daar wel van op.’

Hij haalde een zakdoek te voorschijn en snoot luidruchtig zijn neus.

‘Ik zou niet weten waar ik heen moest.’

‘Ik wel. Naar oom Nico en tante Riek.’

‘Oom Nico en tante Riek?’

‘Ja, heb je daar soms iets op tegen?’

‘Tegen oom en tante niet. Maar die stomme meiden!’

‘Die zijn intussen vijftien, zestien jaar en niet zo stom als jij denkt.’

‘Wat moet ik daar dan doen?’

‘Op de boerderij helpen, natuurlijk.’ Mevrouw Westervoort zag dat Arnolds ogen vochtig waren geworden. ‘Jij moet maar een poosje wat anders doen dan achter de boeken zitten.’

Hij knikte.

 

Diezelfde avond ging er een brief op de post. Het duurde echter meer dan een week voor er antwoord kwam. Oom Nico schreef dat hij Arnold graag op de boerderij zou willen ontvangen, maar dat het hem op dit moment niet zo goed uitkwam. Ze hadden het erg druk en

[p. 87]

het was hard werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. In die drukte zou haast niemand zich met Arnold kunnen bemoeien en dat zou toch wel erg jammer zijn van zo'n logeerpartij. Misschien in de herfstvakantie, schreef hij. Dat zou beter uitkomen. Dan was de seizoendrukte achter de rug. In de brief stond ook dat het Arnold wel zou tegenvallen, want er woonden geen jongens van zijn leeftijd in de buurt. De enige was Harm, een jongen van een andere boerderij. Maar die was juist in die tijd weg met vakantie. Het speet hem allemaal erg, maar hij kon er ook niets aan doen. Hij besloot de brief met de hartelijke groeten aan allemaal.

Meneer Westervoort las de brief met stijgende ergernis. Ten slotte smeet hij het papier woedend op tafel. ‘Rotsmoesjes!’ snauwde hij. ‘Allemaal rotsmoesjes!’ Hij keek zijn vrouw aan. ‘Net iets voor die broer van jou! Mooie verhalen, maar intussen te beroerd om iemand een plezier te doen. De hartelijke groeten... Nou die kan ie krijgen! Je hoeft niet te denken dat die kerel hier nog één voet over de drempel zet!’

‘Misschien hèbben ze 't ook wel erg druk’, verweerde mevrouw Westervoort zich.

‘Nou en...! Dan zou Arnold toch mooi kunnen helpen! Of niet soms? Hij zou blij moeten wezen met een extra kracht. Maar nee - hij is bang dat Arnold niet genoeg aandacht krijgt, de schijnheilige! Ze willen Arnold niet hebben - dàt is het! En waarom niet? Omdat ze bang zijn..., bang voor de buren. Bang voor praatjes. Voor roddel.’

‘Nico was toch ook lid van de Beweging?’

‘Wàs, ja. Maar hij was een van de weinigen in zijn dorp. En toen het erop aankwam heeft hij haastig bedankt. Ik hoor het hem nòg zeggen: de NSB voldoet toch niet zo aan mijn verwachtingen. Maar als je 't mij vraagt steekt er wat anders achter!’

‘Wat zou erachter kunnen steken?’

‘Weet ik het? Zwarte handel, misschien. Of gierigheid.’

‘Gierigheid?’

‘Ja, dat weet je toch van de vorige keer! Hoe vaak heeft ie niet gezegd dat Arnold een flinke eter was en dat Riek heel wat aardappelen extra moest schillen. We hadden ook beter moeten weten en die brief nooit moeten versturen.’

Mevrouw Westervoort maakte een hulpeloos gebaar. ‘En Arnold dan?

[p. 88]

Wat moet hij nou?’

‘Thuisblijven, natuurlijk. Er zijn hier ook genoeg karweitjes te doen. Het schuurtje opruimen, de fiets schoonmaken... En hij heeft toch de Jeugdstorm? Daar trekken ze er toch ook een week op uit?’

‘Dat is pas midden augustus’, zei Arnold.

‘Dan wacht je maar tot midden augustus.’ Wat milder voegde hij eraan toe: ‘We kunnen zaterdagmiddag ook nog wel even gaan vissen. Als je zin hebt, tenminste.’

Arnold klaarde wat op. ‘Hoeft u dan niet naar een vergadering?’

‘Nee.’

‘Gaan we dan naar het Bramerdiep?’

‘Mij best.’

 

Die zomer ging meneer Westervoort twee keer mee naar het viswater. De rest van de tijd vulde Arnold met karweitjes, boodschappen doen, lezen en zich vervelen. De kibbelarijen met Rita duurden voort tot ze op een avond partij voor hem koos.

Ze zaten aan tafel toen meneer Westervoort opeens zei: ‘Jij komt niet vaak meer op de Jeugdstorm, wel?’

Arnold schrok op. ‘Ik...? Eh..., nou ja, af en toe.’

‘Af en toe, ja. Maar niet vaak genoeg.’

‘Ik ben er dinsdagavond nog geweest.’

‘Maar daarvoor heb je veertien dagen verstek laten gaan.’

‘Ik had wat anders te doen.’

Meneer Westervoort sneed zijn aardappelen in kleine stukjes. ‘Jouw leider was niet erg tevreden over je’, zei hij strak.

‘Dat is dan jammer.’

Meneer Westervoort legde mes en vork neer. ‘Wat zei je dāar, Arnold?’

‘De leider mag me niet zo graag’, antwoordde Arnold haastig. ‘Ik moet altijd de rottigste karweitjes opknappen. Anderen maken de rommel en ik moet altijd alles opruimen.’

‘Maak jij dan geen rommel?’

‘Nou ja..., natuurlijk wel. Maar niet meer dan de anderen.’ Hij begon het eten op zijn bord te prakken.

‘Je leider vertelde mij een heel ander verhaal.’

Arnold stak een grote hap in zijn mond. Hij zweeg.

[p. 89]

‘Kun je mij niet behoorlijk aankijken als ik tegen je praat?’

Onwillig hief hij zijn hoofd op.

‘Meneer Mulder vertelde mij dat jij de laatste weken nergens meer belangstelling voor hebt.’

‘Dat is niet zo’, verweerde Arnold zich zwakjes.

‘Als iemand een voordracht houdt’, ging meneer Westervoort verder, ‘zit je erbij alsof het jou allemaal niets interesseert. Bij een wandeling loop je maar wat te slungelen en als er gezongen wordt doe jij geen mond open!’

‘Ik zing niet zo goed’, bromde Arnold.

‘Onzin, jij hebt altijd prima gezongen.’

‘Ik krijg de baard in de keel.’

Rita begon zachtjes te grinniken.

‘Daar valt niets te lachen!’ viel meneer Westervoort uit. ‘En jij, Arnold, jij gaat vaker naar de Jeugdstorm en je gedraagt je daar zoals het behoort!’

‘Ik vind dat Arnold gelijk heeft’, zei Rita opeens. ‘Ik ben er toch ook afgegaan. Waarom moet hij er dan wel per se heen?’

‘Arnold is een jongen.’

‘Sjonge, wat een ontdekking’, spotte ze. ‘Maar ik kan me best voorstellen dat hij zich daar stierlijk zit te vervelen. 't Is altijd hetzelfde. Zingen, spelletjes, volksdansen en marcheren.’

Arnold vergat te eten. Meende Rita dat? Met ingehouden adem staarde hij naar zijn vader, angstig afwachtend tot de bom zou barsten.

Meneer Westervoort keek zijn dochter geruime tijd aan. Zijn handen bewogen zich rusteloos over het tafelkleed. Ten slotte zei hij: ‘Ik ben bang dat je er niet veel van begrepen hebt, Rita. En dat is jammer. Heel jammer. Je mag gerust weten dat je moeder en ik daar erg verdrietig om zijn. Wij hebben altijd ons best gedaan jou en ook Arnold op te voeden tot mensen waar ons volk wat aan heeft. Een tijdje geleden heb ik nog gedacht dat je dat zelf wel zou inzien. Ik heb je niets in de weg gelegd. Ik heb gedacht dat je zelf wel zo verstandig zou zijn de weg te gaan die wij jou gewezen hebben. We hebben je veel vrijheid gegeven. Je mocht doen en laten wat je wilde. Is dat dan allemaal voor niets geweest? Moeten we jou, een meisje van zeventien, soms nog dwingen dat te doen wat goed voor je is?’

[p. 90]

‘Ik weet heus wel wat goed voor me is, pa’, antwoordde Rita. ‘Daar hoeft u me niet voor te dwingen.’

‘En waarom zei je dat dan - van de Jeugdstorm?’

‘Omdat dat zo is.’

Mevrouw Westervoort mengde zich in het gesprek. ‘Wat weet jij daar van, Rita?’

‘Gehoord.’

‘Van wie?’

‘Dat kun je toch van iedereen horen.’

‘Iedereen?’ onderbrak meneer Westervoort. ‘Je gaat toch zeker niet om met verkeerde vrienden, hè?’

Rita haalde haar schouders op. ‘Ik geloof het niet.’

Meneer Westervoort zei: ‘Ik geloof dat je moeder gelijk had, een paar weken geleden.’

‘Wat bedoelt u?’

‘Jij komt voorlopig 's avonds de deur niet meer uit.’

‘Wat!? En ik heb vanavond een afspraak!’

‘Je hebt gehoord wat ik zei!’

‘Dat is toch te gek, pa!’ stoof Rita op. ‘Ik kan niet zomaar iemand laten stikken!’

‘Nee, maar je vader en moeder wel!’ snerpte hij.

‘Wat een onzin!’ riep ze wanhopig. ‘Zoëven zei u nog dat ik zelf mocht weten wat goed voor me was!’

‘Dat heb ik niet gezegd. En voorlopig maak ík wel uit wat goed voor jou is. Jij blijft thuis!’

‘Koos’, suste mevrouw Westervoort. ‘Zou je dat...’

‘Hou je er buiten, Gea!’ snauwde hij. ‘Dit regel ik!’

‘Regelt u het hier verder dan ook maar!’ snikte Rita opeens. Ze vloog overeind en rukte de keukendeur open.

‘Rita, hier blijven!’

Ze luisterde niet en rende de trap op. Boven sloeg de deur van haar kamer dicht.

Meneer Westervoort stond op. Zijn kaken waren strak.

Mevrouw Westervoort greep haar man bij de arm. ‘Koos, alsjeblieft! Kalm nou...!’

Hij rukte zich los. Even leek het of hij toch naar boven zou gaan. Toen

[p. 91]

ging hij langzaam weer zitten.

Arnold at verder. Bijna stiekem. Maar het eten smaakte hem niet meer. Zijn hoofd was vol verwarde gedachten. Wat mankeerde Rita? Zo had hij haar nog nooit meegemaakt. Waarom zou ze hem geholpen hebben? Af en toe keek hij even naar zijn ouders, maar die zeiden niets. Ze aten. Zijn vaders gezicht stond somber. In de ogen van zijn moeder glinsterden tranen.

Een kwartier later sloop hij de trap op en glipte Rita's kamer binnen. De gordijnen waren half gesloten. Zijn zusje lag op bed. Haar oogleden waren rood en gezwollen.

‘Wat kom je doen?’ fluisterde ze.

‘Ik kom even bij je.’

‘Waarom?’

‘Och..., zomaar.’

Ze draaide zich op haar zij met haar gezicht naar de muur.

‘Ik eh...’ begon hij. ‘Ik ben het met je eens.’

Ze gaf geen antwoord.

‘Je hebt gelijk - van de Jeugdstorm.’

‘O.’

‘Wil je..., wil je een glaasje water?’

‘Doe niet zo stom!’

‘Nou - ik dacht alleen maar...’ Hij haperde. ‘En eh... nog bedankt dat je me geholpen hebt.’

Weer geen antwoord.

‘Nou - dan ga ik maar.’

Ze knikte.

Bij de deur draaide Arnold zich nog even om. Hij zag dat haar lippen trilden.

 

Sinds die dag werd de stemming er niet beter op. Aan tafel heerste vaak een drukkend stilzwijgen. Wel probeerde mevrouw Westervoort af en toe met geforceerde opgewektheid een onderwerp aan te snijden, maar de gesprekken verzandden meestal in onbenulligheden.

Op een zondagmorgen in augustus werd dat nog erger. Meneer Westervoort had besloten toch maar weer eens naar de kerk te gaan. Alleen. Rita en Arnold hadden geen zin en mevrouw Westervoort was erg

[p. 92]

verkouden. ‘Er is avondmaal, vanmorgen’, had meneer Westervoort gezegd. ‘En dat wil ik liever niet missen.’

Ruim een uur later was hij terug. Bleek en met bevende handen.

Ze keken hem verbaasd aan. ‘Is de kerk nu al uit?’

Hij strengelde zijn vingers ineen om het trillen te beheersen. ‘Voor mij is de kerk inderdaad uit! Voorgoed!’ Zijn stem was hees.

‘Wat is er dan gebeurd?’

‘Ik ben aan het avondmaal geweigerd.’

‘Wat!? Aan het avondmaal...’

‘En jullie...!’ Hij zocht naar woorden. ‘Jullie zetten vanaf vandaag geen voet meer in die kerk! Nog nooit in mijn leven ben ik zo diep beledigd. En dat in een kerk! Ik heb altijd gedacht dat in een kerk de mensen gelijk waren. Dat voor God alle mensen gelijk waren. Maar ik heb me zeker vergist. Ik ben waarschijnlijk te naïef geweest. NSB-ers tellen niet meer mee.’

Mevrouw Westervoort schudde vertwijfeld haar hoofd. ‘Maar je bent toch zo vaak naar de kerk geweest. En nooit...’

‘Er was een andere dominee. Zo'n jonge, onbeschofte vlerk. Pas afgestudeerd natuurlijk. En nou de wijsheid al in pacht.’

‘Hoe wist hij dan dat jij lid van de Beweging bent?’

‘Aan mijn speldje, natuurlijk.’

‘Waarom draag je dat dan ook?’

‘Gea!’ Zijn stem was hard en fel. ‘Mag ik soms niet meer opkomen voor onze beginselen? En mag ik dan helemaal niets meer laten zien van onze trouw aan het vaderland? Moet ik mij daarvoor misschien schamen?’

‘Dat niet, nee. Maar het is misschien toch verstandig...’

‘Dat heeft niets met verstandig te maken. Dat heeft alleen met plicht te maken! En als je praat over verstandig - die snotneus met zijn toga aan, die had verstandig moeten zijn. Want je snapt zeker wel dat ik dit niet neem!’

‘Maar Koos...’

‘Iemand die mij zo diep beledigt - en niet alleen mij, maar onze hele Beweging - die moet de gevolgen dan ook maar ondervinden.’

‘Koos, we hadden toch afgesproken dat je zoiets nooit zou aanbrengen.’

‘Als het alleen om mij persoonlijk ging, ja. Maar nu heeft die vlerk

[p. 93]

de hele Nationaal Socialistische Beweging voor schut gezet. Voor twaalfhonderd mensen. Ik kon ze bijna horen gniffelen - goed zo, voortreffelijk! De NSB krijgt zijn vet. Die dominee durft. Dat kàn, dat màg ik niet over zijn kant laten gaan!’ Hij begon in de kamer te ijsberen. ‘Daar ga ik werk van maken. Nu meteen!’

‘Wat wil je doen? Waar wil je heen?’ Haar toon was smekend. ‘Koos, alsjeblieft, zou je nou niet wachten tot morgen? Dan kun je er eerst eens rustig over nadenken. Doe nou geen onbezonnen dingen.’

‘Doe ik onbezonnen dingen als ik aangifte doe van zo'n verschrikkelijke belediging?’

‘Ja, maar 't is zondag. Je kunt nu niemand bereiken.’

Meneer Westervoort staarde een tijd somber voor zich uit. Toen liet hij zich tenslotte in een stoel zakken en verschool zich achter een krant.

prepostterug  begin  verder