De eerste schooldag na de vakantie.
Arnold was tamelijk laat van huis gegaan; dan hoefde hij niet lang te wachten tot de bel ging. Hij had het goed uitgekiend, want hij kon meteen doorlopen. In de gang had de conciërge het nieuwe lokalenrooster opgeschreven: klas 3 hbs - lokaal 10.
Lokaal 10 zag uit op de binnenplaats. Het was er somber en donker - geen sfeer om een nieuwe cursus met frisse moed te beginnen.
Arnold wilde zijn vaste plaatsje links vooraan opzoeken, maar dat was al bezet door twee andere jongens. Zittenblijvers, zag hij meteen.
‘Dat is mijn plaats’, zei hij.
‘Wàs’, verbeterde een van de jongens opgewekt. ‘Nu is het ónze plaats.’
‘Daar zat ik vorig jaar.’
‘Dan wordt het tijd dat je eens een keer verandert.’ Hij grijnsde breed. ‘En wij hebben de oudste rechten.’
Arnold bleef enkele ogenblikken besluiteloos staan, maar toen hij inzag dat hij daar weinig mee opschoot, ging hij een bank naar achteren.
De beide jongens draaiden zich om en knikten hem welwillend toe. ‘Goed zo. Zo hoort het. Knaapjes als jij moeten hun plaats kennen.’
Arnold staarde woedend terug. ‘Kijk voor je!’ siste hij. ‘En bemoei je met je eigen zaken!’
De twee keken elkaar geamuseerd aan. ‘Waar haalt zo'n ventje het vandaan, hè? Moet je hem zien zitten... Je zou hem een cent geven.’
‘Die kan ie krijgen’, zei de ander. Zijn toon werd dreigend, toen hij eraan toevoegde: ‘In de pauze...’
De klas liep vol. Naast Arnold kwam echter niemand te zitten.
Net als voor de vakantie, dacht hij. Òf ze deden niets anders dan hem treiteren, òf ze lieten hem links liggen. Onopvallend keek hij de klas rond. Dezelfde gezichten als altijd, op ongeveer dezelfde plaatsen. Behalve op een bank achter in de klas: een nieuwe leerling. Tamelijk stevig gebouwd, een smal, door de zon gebruind gezicht, lichtblauwe ogen en strak achterover gekamd, blond haar.
In de bank daarnaast zat Hans van Beek. Zijn harde stem was zelfs boven alle lawaai uit te horen. ‘Hebben jullie het ook gehoord? Ze hebben...’
Verder kwam hij niet. Meneer Moolenaar, de aardrijkskundeleraar, een beweeglijk en driftig man, stond als bij toverslag voor de klas. ‘Môrgen, allemaal!’
Ze schoten recht.
‘Goede vakantie gehad?’ ratelde meneer Moolenaar. ‘Ik neem aan van wel, voorzover je vandaag de dag van een goede vakantie kunt spreken. Om te beginnen - ik zie een paar nieuwe, en’ (hij maakte een buiging naar Arnolds voorburen) ‘een paar oude gezichten.’ Hij raadpleegde zijn papieren en wendde zich vervolgens tot de jongen op de achterste bank. ‘Jij bent Piet Bergman?’
‘Ja, meneer.’
‘Jij woont hier nog niet lang, wel?’
‘Vorige week zijn we verhuisd, meneer.’
‘Juist. Uit Hilversum, nietwaar?’
‘Ja, meneer.’
‘Op welke school ben je daar geweest?’
‘Op het Christelijk Lyceum.’
‘Juist, juist..., goed, goed. Wel, ik hoop dat je het hier naar je zin zult hebben.’
Arnold keek over zijn schouder. Bergman... Die naam had hij eerder gehoord. Maar waar? Tijdens het bijbellezen en gebed bleef hij erover piekeren, maar het wilde hem niet te binnen schieten.
Meneer Moolenaar was een voortvarend man: na het uitdelen van het rooster was hij al aan het lesgeven voor Arnold het in de gaten had. ‘Dit jaar gaan we Nederland behandelen’, zei hij. ‘Neem je boek maar voor je.’
Arnold bukte zich naar zijn tas en ontmoette de blik van een van de jongens voor hem. ‘Goed je best doen, hoor ventje’, fluisterde deze.
‘Stik!’
De leraar had scherpe oren. ‘Zei jij misschien iets Arnold?’
Arnold kwam met een rood hoofd overeind. ‘Ik zei niks, meneer.’
Meneer Moolenaar schonk er verder geen aandacht aan. Met enthousiaste armbewegingen, alsof hij er zelf bij geweest was, begon hij het
ontstaan van Nederland uiteen te zetten. ‘Zand, grind en klei’, zei hij.
‘Daar wonen we op en daar leven we van.’
‘Hij liever dan ik,’ fluisterde iemand.
‘En hoe is dat hier allemaal terechtgekomen? Juist - langs de grote rivieren, de Rijn, de Maas en de Schelde. Vooral langs de Rijn, zand en klei uit Zwitserland en Duitsland.’ Zijn stem werd plotseling scherper. ‘Sommige mensen denken zelfs dat Nederland om die reden hoort bij het land waar het zijn aanslibsel vandaan heeft.’
Meneer Moolenaar had opeens niet meer te klagen over gebrek aan aandacht.
‘Ik hoef jullie natuurlijk niet te zeggen dat er een onvoldoende klaarligt voor degene die dat bij een proefwerk durft op te schrijven.’
Arnold zat in zijn boek te turen, maar hij zag niets. Dit was regelrecht aan het adres van de Duitsers, wist hij. Of was het misschien speciaal voor hem bedoeld? Maar dat was onwaarschijnlijk. In de ‘Stormmeeuw’ had hij gelezen dat Nederland nooit een provincie mocht worden van een ander land. En de Leider had herhaaldelijk gezegd dat hij niet zou toestaan dat het vaderland in vreemde handen zou vallen. En de Duitse bezetters? Dat waren de beschermers van het vaderland, de verdedigers van het vrije westen tegen de verschrikkingen van het Russische communisme.
‘Meneer...’
Iedereen keek om. Piet Bergman, de nieuwe leerling, had zijn vinger opgestoken.
‘Ja, Piet?’
‘Rekent u het fout als iemand op een proefwerk een andere mening opschrijft dan die van u?’
Het werd muisstil.
Meneer Moolenaar schraapte zijn keel. ‘Dat hangt ervan af...’
‘Volgens mij kunt u dat niet doen.’
Dit hadden ze nog niet eerder meegemaakt. Wie durft zoiets tegen een leraar te zeggen. Of zou dat in Hilversum heel gewoon zijn?
Meneer Moolenaar zei nadrukkelijk: ‘Ik geloof niet dat er leerlingen zijn die mij kunnen vertellen wat ik wel en wat ik niet mag doen - zelfs al komen die leerlingen uit Hilversum!’
Piet Bergman had geen weerwoord. Secondenlang keek hij de leraar
strak aan. Toen boog hij zich over zijn boek.
De klas haalde weer adem. Piet Bergman had verloren. Of toch niet? Meneer Moolenaar vervolgde zijn les, maar het was net of hij iets van zijn zelfverzekerdheid kwijt was. Pas toen hij ijstijden besprak kreeg hij zijn enthousiasme terug.
Arnold luisterde maar half. Waarom had Piet Bergman dat gezegd? Zomaar - uit brutaliteit? Of had het te maken met de opmerking over dat proefwerk? Hij keek om en zag dat de nieuweling ijverig notities zat te maken. Hij was niet op zijn achterhoofd gevallen, dat was duidelijk. En hij durfde! De eerste les al. Arnold zou zoiets nooit gezegd hebben. Bij zijn belangstelling voor Piet Bergman kwam nu ook bewondering.
In de pauze bleven ze in het lokaal. Een stromende regen, vergezeld van knetterende donderslagen maakte een ommetje onmogelijk. In de klas was het al gauw een bende. Iemand keerde de tas van zijn buurman om, de bordewisser plofte tegen de muur en proppen papier vlogen rond.
‘Jongens, ik heb hier een mooie!’ brulde Hans van Beek. ‘Moet je horen!
Een gejuich steeg op. In het rumoer zag Arnold Piet Bergman opeens uit zijn bank stappen. Hij liep naar Hans van Beek, griste hem het papier met het gedicht uit de vingers en liep ermee naar de prullenbak. Toen verscheurde hij het langzaam en nadrukkelijk. De snippers dwarrelden omlaag.
Hans van Beek was te verbluft om te reageren. Maar de klas had het opeens in de gaten. En meteen heerste er een sfeer van wantrouwen en vijandigheid.
Piet Bergman liep terug naar zijn plaats. Pas toen hij weer in zijn bank zat, begon een van de zittenblijvers: ‘Zeg, lefgozer, waar bemoei jij je mee? Jij hoeft niet te denken dat we dat pikken!’ Hij stapte uit zijn bank.
Piet Bergmans gezicht werd vuurrood. ‘En ik hoef een belediging van de Führer niet te pikken!’ snauwde hij terug.
De stilte die op zijn woorden volgde had niets gezelligs. De jongen voor Arnold keek de ander glazig aan. Toen ging hij langzaam weer zitten. Arnold verroerde zich niet. Piet Bergman.., ook een NSB-er? Zo goed als zeker! Eindelijk een kameraad op school! In dezelfde klas, notabene. En eentje die niet bang was.
De pauze was voorbij. De lessen gingen door. Maar Arnolds gedachten dwaalden voortdurend af. Hij wilde graag even met Piet praten. Maar niet in de klas. Buiten, straks, om half een.
Dat liep echter mis. De leraar was bij het laatste uur van de morgen nog maar nauwelijks vertrokken of Piet Bergman schoot de klas uit. Arnold propte de boeken in zijn tas en holde hem na, maar in het gedrang op de trap verloor hij hem uit het oog. Toen hij de schooldeur uitkwam, zag hij hem juist het schoolplein affietsen.
Arnold was niet al te teleurgesteld. Vanmiddag hadden ze nog twee uur les. Dan had hij nog een kans. Of anders morgen.
‘Hoe was het op school?’ Mevrouw Westervoorts belangstelling was vermengd met bezorgdheid.
‘Goed.’
‘Gelukkig. Maar heb je ons niet meer te vertellen?’
‘Er is een nieuwe leerling.’
‘Een schokkende gebeurtenis’, kon Rita niet nalaten te zeggen.
‘Een jongen of een meisje?’ vroeg mevrouw Westervoort.
‘Een jongen natuurlijk’, zei Rita vlug. ‘Voor meisjes heeft ie nog geen belangstelling.’
‘Stil nou even, Rita...’
‘Hij heet Piet Bergman’, zei Arnold.
Meneer Westervoort kwam achter zijn krant vandaan. ‘Bergman, zei je?’
‘Ja.’
‘Uit Hilversum?’
‘Ja, hoe weet u dat? Kent u hem?’
‘Die jongen niet, maar zijn vader wel. Sinds gisteren.’
‘Zeg pa, is hij soms ook lid van onze Beweging?’
‘Ja.’
‘Waar hebt u hem dan ontmoet?’
‘In het stadhuis.’
‘Werkt hij daar?’
‘Ja. En hou nu maar op met zeuren. Ik heb trek in eten. Gea, heb je 't klaar?’
‘Bijna.’
‘Ik mag toch zeker wel wat vragen,’ zei Arnold verongelijkt.
‘Ja, natuurlijk. Alleen hoor ik nu al een maand niks anders dan Bergman, Bergman en nog eens Bergman.’
‘En u zei dat u hem pas gisteren ontmoet hebt.’
‘Hij is gemeentesecretaris geworden’, bromde meneer Westervoort.
‘Vorige maand benoemd.’
Mevrouw Westervoort zei: ‘Je vader had ook gesolliciteerd.’
‘Hebt u gesolliciteerd voor gemeentesecretaris? Ik dacht dat u burgemeester wilde worden.’
Meneer Westervoort probeerde te glimlachen. ‘Iemand die gemeentesecretaris is maakt meer kans om ergens burgemeester te worden.’
‘O.’
Ze schoven aan tafel.
Arnold zei: ‘Misschien slaat u dat baantje dan gewoon over. Wanneer moet u examen doen?’
‘Volgende maand.’
‘Ik hoop dat u slaagt.’
Mevrouw Westervoort zei: ‘Dat hopen we allemaal, jongen.’
‘Die Piet Bergman is niet bang’, begon Arnold weer. ‘Hij had een grote mond tegen Moolenaar.’
‘Zo, waarom?’
‘Moolenaar zei dat er mensen waren die denken dat Nederland bij Duitsland hoort, omdat de grote rivieren daar vandaan komen - of zoiets.’
Meneer Westervoort fronste zijn wenkbrauwen. ‘Zo, zei hij dat?’
‘Ja, en als wij dat zouden opschrijven, kregen we een onvoldoende.’
‘Dat mag hij niet doen.’
‘Dat zei Piet Bergman ook. En volgens mij was Moolenaar daar flink gepikeerd over.’
‘Die Moolenaar moet oppassen’, bromde meneer Westervoort. ‘Ik heb al meer dingen over hem gehoord die niet zo fraai zijn.’
‘Hij geeft goed les’, zei Arnold.
‘Dan is ie des te gevaarlijker. Arnold, zodra je weer zoiets hoort, moet je het mij vertellen.’
‘Waarom?’
‘Die leraren denken dat ze alles kunnen zeggen - en intussen ondermijnen ze het gezag. Dat moet maar eens afgelopen zijn.’
‘Zou je dat nu wel doen, Koos?’ zei mevrouw Westervoort. ‘Ik ben zo bang dat Arnold daar moeilijkheden mee krijgt.’
‘Wat Arnold mij vertelt hoeft toch zeker niemand te weten.’
‘Wat Moolenaar zei was toch wáár’, zei Arnold. ‘Nederland blijft toch zelfstandig?’
‘Jazeker. Maar waarom moet hij de Duitsers tegelijkertijd een trap nageven? Waarom noemde hij Engeland niet?’
‘Engeland grenst niet aan ons land’, zei Arnold.
‘Dat heeft er niets mee te maken’, antwoordde meneer Westervoort korzelig. ‘Wedden dat hij nooit een kwaad woord over de Engelsen zegt maar alleen op de Duitsers afgeeft?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Let maar eens op. En als het inderdaad zo is, hoor ik het ogenblikkelijk van jou.’
Die middag was Arnold eerder de school uit dan Piet Bergman. Bij het fietsenhok wachtte hij hem op.
‘Hallo.’
Piet Bergman keek hem even scherp aan. ‘Hallo’, zei hij kort. Hij maakte aanstalten om zijn fiets te pakken.
‘Hoe vind je het hier?’ vroeg Arnold.
Piet kneep zijn ogen half dicht. ‘Ik denk niet dat dat jou iets kan schelen.’
Het was een antwoord dat Arnold niet had verwacht. Hij klemde zijn vingers op elkaar. ‘Dat kan me juist wèl wat schelen’, zei hij.
‘Ik zou niet weten waarom.’
‘Ik zit bij jou in de klas. Ik heet Arnold Westervoort.’
‘Nou, dat is dan mooi.’ Piet trok zijn fiets uit de staander.
‘Ik ben bang dat je het niet snapt.’
‘Dat zou best eens kunnen wezen.’
‘Jij kent deze school niet.’
‘Dat zal dan gauw genoeg gebeuren.’
Arnold zei woedend: ‘Zeg, zijn ze daar in Hilversum allemaal zo stronteigenwijs? Als je maar weet dat we dat hier niet gewend zijn!’
‘Dan moeten jullie dat maar leren!’ snauwde de ander terug. Hij sloeg zijn been over de stang.
Een paar klasgenoten liepen het schoolplein af. ‘Soort zoekt soort!’ jouwden ze.
Piet Bergman verstarde. Secondenlang staarde hij het groepje na. Toen hij zich tot Arnold wendde was de blik in zijn ogen veranderd. ‘Dus, je wou met mij... praten?’ vroeg hij aarzelend.
‘Ja, dat wou ik. Maar ik heb er weinig zin meer in. De groeten!’
‘Nee, wacht nou even... Doe nou niet zo aangebrand.’
‘Als er één aangebrand doet, ben jij het wel!’
‘Ja, natuurlijk... Kijk..., dat bedoelde ik niet zo.’
Arnolds gezicht stond onwillig.
‘Ik geloof dat ik..., ik dacht eh...’ Piet stokte.
‘Wat dacht je?’
‘Ik dacht dat je een geintje wilde uithalen. Daar had mijn vader me voor gewaarschuwd, zie je. En toen ik jou zag staan...’
Arnold knikte. ‘Mijn vader is lid van de NSB’, zei hij. ‘De jouwe ook, nietwaar?’
‘Hoe weet jij dat?’
‘En jouw vader is gemeentesecretaris.’
‘Ja, maar...’
‘Mijn vader werkt ook op het stadhuis.’
‘O.’ Piet stond wat te schutteren met zijn fiets. ‘Zeg...’
‘Ja?’
‘Neem me niet kwalijk, van daarnet... Ze hadden me verteld dat zowat iedereen hier tegen de NSB is.’
‘Dat is ook zo.’
‘Hier op school ook?’
‘Op school ben ik de enige.’ Arnold glimlachte. ‘Tenminste, tot nu toe.’
‘De enige!? Hoe heb je dat volgehouden?’
‘Dat weet ik eigenlijk zelf ook niet. Was dat bij jullie dan niet zo?’
‘Ik zat in een klas met alleen maar NSB-ers.’ Piet Bergman werd enthousiaster. ‘Ze hadden ons expres bij elkaar gezet. En als een van ons heibel had, vlogen we er allemaal op af.’
‘Dat kan hier niet’, zei Arnold.
‘Maar we zijn nu in elk geval met ons tweeën. Heb jij wel eens rottigheid gehad?’
‘Vaak.’
‘Heb je daar nooit iets tegen gedaan?’
Arnold wilde zich niet laten kennen. ‘Ja, natuurlijk wel.’
‘Wat dan?’
‘Nou - gevochten en zo.’
‘Fout’, zei Piet beslist. ‘Daar schiet je niks mee op. Je moet ze een grote mond geven. Daar zijn ze bang voor.’
‘Hier niet.’
‘O nee? En wat deed die vent in de klas dan, vanmorgen? Die durfde opeens niks meer te zeggen!’
Arnold dacht aan de manier waarop Piet een van de zittenblijvers had overbluft. ‘Ja, dat is zo.’
‘Je moet niet benauwd zijn’, zei Piet. ‘Ook niet voor de leraren. Ze kunnen je niks maken. En ze hoeven ook niet aan te komen met rotsmoesjes, zoals die figuur van aardrijkskunde. Ik hoef mijn vader maar een seintje te geven of fffft...!’ Piet maakte een gebaar waarmee je hinderlijke stofjes verwijdert.
‘Mijn vader zei vanmiddag ook dat ik zulke dingen moest doorgeven.’
‘Heb je dat dan nog nooit gedaan?’
‘Nee - eigenlijk niet.’
‘Jij bent te bang’, zei Piet nogmaals. ‘Je moet laten merken dat je niet over je laat lopen. Moet je eens even opletten hoe aardig ze dan tegen je gaan doen.’
Ze liepen het schoolplein af.
‘Jij bent zeker ook bij de Jeugdstorm?’ vroeg Piet.
‘Ja, maar ik kom niet zo vaak.’
‘Waarom niet?’
‘Och, ik vind 't eigenlijk een saaie boel.’
‘Een saaie boel? Dan had je bij ons in Hilversum moeten wezen! Hebben ze hier geen stormbaan?’
‘Nee, we doen wel eens een speurtocht. En veertien dagen geleden ben ik nog een week naar een kamp geweest. Niks aan. Alleen maar zingen, spelletjes doen en wandelen.’
‘'t Lijkt de padvinderij wel’, spotte Piet. ‘Doen jullie niet aan sport - worstelen en boksen of zo?’
‘Ook niet.’
‘Dat moeten we dan zien te veranderen’, zei Piet vastbesloten.
‘Je doet net of jij de baas bent’, antwoordde Arnold.
‘Je hoeft niet de baas te zijn om zoiets veranderd te krijgen. Met een paar goeie ideeën kom je ook een heel eind. Die stormbaan moet er komen.’
‘Zo'n veld met klimpalen en zo, die ze ook bij kazernes hebben?’
‘Ja. In Hilversum hadden we een machtige baan! We deden altijd wie er het snelst overheen kon. Het record was één minuut, twintig seconden.’
‘Wie had dat?’
‘Ik.’
‘Dat krijg je hier nooit voor elkaar.’
‘O nee? Dat zal ik dan wel eens laten zien.’
‘Nee - ik bedoel dat ze zo'n stormbaan maken. Daar is onze groep veel te klein voor. We zijn maar met vijfentwintig, dertig man..., als iedereen komt. Dat kost veel te veel geld.’
‘Dan haal ik m'n vader erbij. Dat moet de gemeente dan maar betalen.’
Ze stonden op het punt de hoek om te lopen, toen twee jongens onverwachts uit een portiek opdoken: de zittenblijvers.
‘Daar heb je ze’, grijnsde de een. ‘Es kijken of ze nog zo'n grote bek hebben als vanmorgen.’