terug  begin  verderprepost
[p. 104]

13

Arnold voelde het bloed uit zijn gezicht trekken. De twee waren in elk geval een jaar ouder dan zij. En dat kon je wel zien ook. Hij zette zich schrap om er bliksemsnel vandoor te kunnen gaan.

Maar Piet scheen er anders over te denken. Hij was bleek geworden. Zijn handen omklemden het stuur van zijn fiets. ‘Wat willen jullie?’ vroeg hij.

‘Hoor dat stuk ongeluk’, zei de ander sarcastisch. ‘Wat willen jullie... Niet alleen een grote bek, nog stom ook!’

‘Als jullie ons aanraken moet je niet gek staan te kijken als jullie iets vervelends overkomt!’

‘Kijk eens aan, meneer praat nog deftig ook. Wij houden niet van die maniertjes, kereltje.’

‘Ik waarschuw jullie!’ snauwde Piet.

‘In naam van de Führer, zeker.’

Piet werd rood van woede. ‘Dat zal ik onthouden!’ siste hij. Hij duwde zijn fiets verder.

De jongens drongen op hen in. Piet werd bij de arm gegrepen. Arnold kreeg een schop.

Volkomen onverwachts liet Piet het stuur los. Zijn bewegingen waren razend snel. Terwijl zijn fiets tegen de straat kletterde trof zijn rechtervuist zijn tegenstander hard in de maag. Naar adem happend sloeg de jongen dubbel. Maar Piet gaf hem geen tijd om bij te komen. De knokkels van zijn linkerhand raakten hem onder de kin.

De jongen wankelde achteruit en zocht steun tegen een muur. Aan zijn bovenlip kleefde bloed.

Zijn vriend deinsde terug.

‘Jij ook zoiets?’ snauwde Piet.

De jongen gaf geen antwoord. Hij greep zijn vriend bij de mouw en trok hem mee. ‘Kom op, Gert, die smeerlap gebruikt trucs!’

Gert wierp een bange blik op zijn tegenstander. Toen strompelde hij haastig mee. Twintig meter verder keek zijn vriend nog eens om. ‘Smerige rotzakken!’ schold hij. ‘Vuile NSB-ers!’

[p. 105]

Piet siste tussen zijn tanden: ‘Nou zal ik ze krijgen! Hoe heten ze?’

Arnold was te verbouwereerd om meteen te antwoorden. Hij keek toe hoe Piet zijn knokkels wreef en vervolgens zijn fiets oppakte. Tenslotte zei hij: ‘Gert Veenkamp en eh... hoe heet die ander ook weer - Harm Huisman, geloof ik. Ze zijn allebei blijven zitten. Ik ken ze nog niet zo goed.’

‘Dat onthou ik wel.’

‘Wat wil je dan?’

‘Dacht je dat ik dit erbij laat zitten? Ik laat me niet uitschelden!’

‘Je hebt hem anders een flink pak op zijn huid gegeven.’

‘Nog lang niet genoeg. Anders hadden ze hun mond wel gehouden.’

Arnold zei: ‘Ik dacht dat je nooit wilde vechten.’

‘Dat heb ik niet gezegd. Maar zij begonnen. Dat heb je zelf gezien. Toen moest ik ook wel.’

‘Waar heb je dat geleerd?’

‘Wat?’

‘Dat boksen.’

‘Dat heb ik je net verteld - in Hilversum, bij de Jeugdstorm.’

‘Kun je dat mij ook leren?’

‘Natuurlijk. Jullie allemaal wel.’

Ze liepen verder. Arnold voelde zich opgewonden. Hij had een vriend. En niet de eerste de beste..., een knaap die durfde. En kon boksen! Twee klappen en Gert Veenkamp was nergens meer! Hij zei: ‘Ga je even mee naar mijn huis?’

‘Nou - liever niet. Een andere keer. Ik moet huiswerk maken.’

‘Huiswerk? Zoveel hebben we toch niet op.’

‘Nee, dat is zo, maar ik maak het toch liever eerst. Dat moet van m'n vader. Ik zie je morgen wel.’

‘Ja, goed.’

Piet stapte op en fietste weg. ‘Tot morgen!’ riep hij.

‘Tot kijk!’ Arnold keek hem na. Opeens kreeg hij een idee. ‘Zeg Piet, ik weet nog niet waar je woont!’ schreeuwde hij.

Maar Piet Bergman hoorde hem niet meer.

Een beetje teleurgesteld liep Arnold naar huis, waar zijn moeder hem kennelijk stond op te wachten.

‘Waar kom jij zo laat vandaan?’

[p. 106]

‘Ik heb met Piet Bergman gepraat’, zei hij. ‘En we hebben gevochten.’

‘Jongen! Alweer? Gevochten..., met Piet Bergman?’

‘Nee - natuurlijk niet! Een paar lui begonnen te klieren. Zittenblijvers. Ze zitten vlak voor me. De hele dag hadden ze al vervelend zitten doen. Vlak bij school stonden ze ons op te wachten.’

‘Was jij met die Piet Bergman?’

‘Ja, ma!’ Zijn ogen begonnen te schitteren. ‘Hij sloeg er gelijk een knock out. In twee klappen.’

Mevrouw Westervoort schudde haar hoofd.

‘Waarom moet jij ook altijd tussen die ruziezoekers zitten? Nou Piet Bergman weer...’

‘Zij begonnen, ma. En Piet is een fantastische vent! Als u dat gezien had! Hij is ook bij de Jeugdstorm. Hij wil ons boksen leren en worstelen. Dat doen ze in Hilversum ook.’

‘Daar zaten we allemaal op te wachten’, zei Rita. ‘Als ik uitga wil ik jou voortaan als beschermer.’

‘Het is zo, Rita!’

‘Ik hou anders helemaal niet van dat vechten en ruziemaken’, zei mevrouw Westervoort.

‘Wij maken geen ruzie, die anderen beginnen altijd. Maar dat is nu afgelopen!’

‘Een volgende keer beginnen jullie?’ vroeg Rita.

‘Nee, dat bedoel ik niet. Je moet alleen niet bang zijn. Dat zegt Piet ook. Je moet desnoods van je af kunnen slaan. Piet wil proberen de Jeugdstorm hier te veranderen. Er moet hier een stormbaan komen, zegt ie.’

‘Als ik dat zo hoor is die Piet een flinke opschepper.’

‘Dat is niet waar!’ stoof Arnold op. ‘Als hij er vanmiddag niet bij geweest was... Je had eens moeten zien hoe die zakken er vandoor gingen.’

‘Arnold!’

‘Die slungels, bedoel ik.’

‘Als jij je eerste wedstrijd bokst kom ik kijken’, beloofde Rita.

Mevrouw Westervoort keek bezorgd. ‘Boksen..., ik vind het maar niets.’

‘Het is een sport, ma!’

‘Een sport? Ze kunnen je wel doodslaan!’

[p. 107]

De volgende morgen tijdens het tweede lesuur werd er op de deur van het lokaal geklopt. Het was de conciërge.

‘Goede morgen, meneer. Gert Veenkamp en Harm Huisink moeten bij de rector komen.’

De leraar fronste zijn wenkbrauwen. ‘Nu?’

‘Zeker, meneer. Het schijnt dringend te zijn.’

Arnold kon er niets aan doen dat hij een kleur kreeg. Stiekem loerde hij naar Piet, maar die zat schijnbaar onbewogen zijn Franse grammatica te bestuderen.

De leraar haalde zijn schouders op. ‘Gert, Harm - jullie hebben het gehoord. Zeker weer wat uitgehaald, hè?’

De beide jongens keken verongelijkt en stapten het lokaal uit.

Het duurde echter bijna een half uur voor ze terug waren. Ditmaal met bange, bleke gezichten.

‘Zo, jongens, dat heeft tamelijk lang geduurd. Zo te zien is het jullie niet meegevallen.’

Ze schudden hun hoofd en schoven zonder iets te zeggen terug in de bank.

Pas in de middagpauze hoorde Arnold iets van wat er gebeurd was. Hij stond op de trap. Om de hoek hoorde hij een paar klasgenoten zacht praten. ‘D'r waren moffen bij de baas, vanmorgen. Veenkamp en Huisink hebben onder uit de zak gekregen.’

‘Waarom?’

‘Ze hebben die NSB-ertjes, die Westervoort en Bergman uitgescholden.’

‘Nou en...’

‘Dat hebben ze verraden.’

‘De schoften! Dan moeten we ze met z'n allen te grazen nemen!’

‘Ben je gek? Die Bergman brengt je meteen aan. Zijn pa schijnt een belangrijk baantje te hebben op het stadhuis. En hij kan boksen. Hij heeft Gert Veenkamp met twee klappen tegen de grond geslagen.’

Arnold daalde de trap verder af. Hij had genoeg gehoord.

‘Maar als we met z'n allen...’ Ze verstomden toen ze hem zagen.

Arnold liep hen voorbij. Hij voelde hun blikken in zijn rug priemen. Maar hij voelde ook hun angst. Voor het eerst. Het gaf hem een triomfantelijk gevoel van macht.

[p. 108]

's Middags trof hij Piet weer op het schoolplein. ‘Ze zijn bang’, zei hij.

‘Dat heb ik je toch gezegd! Je moet niet over je laten lopen. Je moet ze desnoods voor je laten kruipen!’

Arnold keek Piet onderzoekend aan. ‘Wat bedoel je?’

‘Dat zegt mijn vader altijd.’

‘O.’

‘En mijn vriend ook. Die is bij de SS. Al een half jaar. Hij gaat binnenkort naar Rusland. Tegen de bolsjewisten vechten. Over een paar jaar ga ik ook bij de SS.’

‘O...Zeg ik hoorde vanmorgen een paar lui zeggen dat ze ons te grazen willen nemen.’

‘Dat durven ze toch niet.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Tuurlijk. Die doen het al in hun broek als ze mij zien.’

 

Piet Bergman scheen gelijk te krijgen. Waar hij en Arnold verschenen, hielden gesprekken op en gingen groepjes uiteen. Meer dan ooit werden ze gemeden.

De leraren merkten het ook. Ze werden voorzichtiger in hun uitlatingen. Behalve meneer Moolenaar.

‘Wij hadden in Nederland een democratie’, zei hij op een dag. ‘Net als bij de Grieken. Maar jullie hebben bij geschiedenis natuurlijk wel geleerd dat een stelletje barbaren uit het oosten onder leiding van een of andere dictator probeerde die democratie de das om te doen. Ik zou zeggen - net als in Nederland...’

Twee dagen later werd meneer Molenaar in de pauze door de Duitse politie gearresteerd. Ze hadden geen ongelukkiger moment kunnen kiezen, want de hele school stond er naar te kijken hoe hij in de overvalwagen werd geduwd en afgevoerd.

Een verontwaardigd gegrom steeg op. En toen even later de bel het einde van de pauze aankondigde maakte niemand aanstalten naar binnen te gaan. Behalve Piet en Arnold.

Arnold voelde de tastbare haat van driehonderd leerlingen. En het zweet brak hem aan alle kanten uit.

‘Ze gaan niet naar binnen’, zei hij.

[p. 109]

‘Dat moeten zij weten’, antwoordde Piet. ‘Wij gaan wèl!’

Ze liepen naar hun lokaal, maar ze waren de enigen. Ook de leraar kwam niet. En plotseling klonk van buiten het Wilhelmus. Het werd gezongen met een enthousiasme zoals Arnold het nog nooit gehoord had. Maar hij vond het niet mooi. Eerder angstaanjagend.

De rector verscheen in de deuropening, wierp een snelle blik naar binnen en liep toen gejaagd de gang door en de trap af.

Buiten werd het stil. Doch Arnold durfde niet te gaan kijken. Hij hoorde de rector de leerlingen toespreken. Meneer Borger stond waarschijnlijk bij de ingang schuin onder hun lokaal, want flarden van zijn toespraak drongen tot hem door.

‘Ik begrijp jullie. Wij begrijpen jullie allemaal. Jullie hebben geprotesteerd, maar nu... heeft nu lang genoeg geduurd. Nog langer buiten blijven staan is zinloos. Dat zou alleen maar... En ik denk niet dat jullie dat graag zouden willen. Wat jullie deden was goed... jullie nu weer naar binnen te gaan en de lessen te hervatten.’

Ze deden wat hun gevraagd werd. Maar niet met veel lawaai, zoals anders. Integendeel. Op de gangen en trappen heerste een grimmig stilzwijgen, gepaard met het haast dreigende geschuifel van honderden voeten.

Arnold hoorde zijn klasgenoten aankomen. Maar hij had een boek voor zich en keek niet op. Zijn tenen krampten in de punten van zijn schoenen. En opeens had hij het koud.

De klas liep vol. En al die tijd sprak niemand een woord. Niemand scheen zich ook maar te bewegen. De leraar Frans ging achter zijn tafel zitten, begon met de les, dicteerde, stelde vragen, maar nog steeds reageerde niemand.

Arnold wierp een snelle blik om zich heen. Het was genoeg om te constateren dat zeker drie paar koude ogen hem onafgebroken aanstaarden. Nerveus bladerde hij in zijn leerboek en maakte nutteloze aantekeningen. Intussen verwenste hij Piet Bergman. Die had natuurlijk verteld wat Moolenaar had gezegd. En zo erg was dat toch niet geweest. Dan had hij het nog wel anders gehoord! En nu zaten ze met de brokken. Die afgrijselijke stilte - die was tienmaal erger dan alles wat er tot nu toe gebeurd was. Zijn handen waren klam en hij had moeite ze stil te houden. Met geweld moest hij zelfs een opwelling onderdrukken

[p. 110]

om schreeuwend de klas uit te rennen. En vlak daarna brandden de tranen in zijn ogen.

De leraar wist er evenmin raad mee. Gedurende een paar minuten probeerde hij zijn leerlingen weer bij de les te betrekken, maar tenslotte hield hij daarmee op. Toen heerste er alleen weer de stilte. Wreed en meedogenloos.

Nog nooit had een kwartier zo lang geduurd.

En pas toen de bel ging voor het volgende lesuur en de leraar verdwenen was, begonnen er een paar te fluisteren. Het laatste lesuur van de morgen verliep zelfs vrij normaal, maar Arnold kon zich onmogelijk op de stof concentreren. Meer dan ooit vreesde hij de pauze. Wat zouden ze doen? Piet en hem opwachten? Alle kans, natuurlijk. Dan moest hij maar in het lokaal blijven, net zo lang tot iedereen vertrokken was. Hij bleef in het lokaal. Alleen. Piet vertrok tegelijk met de anderen. En hij wachtte. Een kwartier. Twintig minuten. Af en toe keek hij uit het raam. Tenslotte zag hij niemand meer op het schoolplein. Toen pakte hij zijn tas en verliet het lokaal.

In de gang botste hij bijna tegen een van de meisjes van zijn klas, Marloes ter Winkel. Het was onmogelijk haar vernietigende blik te ontwijken.

‘Ik heb... niks gezegd’, stamelde hij.

Ze antwoordde niet. Ze ging alleen even opzij om hem te laten passeren, met het gebaar van iemand die bang is voor de aanraking met een weerzinwekkend dier.

Arnold holde de school uit, keek links en rechts. Niemand te zien. Toen haastte hij zich naar huis.

 

‘Jij komt ook nooit eens een keer op tijd!’ verweet mevrouw Westervoort hem. ‘Wij zijn al lang aan het eten.’

‘Ik ga vanmiddag niet weer naar school’, bracht hij uit. Zijn stem was schor.

‘Begin je nu alweer met die kunsten?’ vroeg meneer Westervoort. ‘Wat is er nu weer?’

‘Ze hebben Moolenaar opgehaald. En nu denkt iedereen...’

‘Wie zijn ze?’

‘De Duitsers. Ze hebben hem meegenomen in een auto. 't Was een hele rel. Iedereen bleef buiten in de pauze.

[p. 111]

Alleen Piet en ik waren binnen. Ze hebben het Wilhelmus gezongen.’ ‘Wat vertel je me nou? Het Wilhelmus? De brutaliteit! Zijn ze op die school helemaal gek geworden? En waarom is die Moolenaar gearresteerd?’

‘Hij heeft iets gezegd over de Duitsers. Tenminste, die bedoelde hij.’

‘Daar weet ik niets van! Waarom heb je mij dat niet verteld?’

‘Och, ik dacht dat het niet zo erg was. Maar ik denk dat Piet het heeft doorgegeven.’

‘Weet jij dat niet zeker?’

‘Nee, hij heeft mij niets verteld.’

‘Wat heeft Moolenaar precies gezegd?’

‘Hij had het over barbaren uit het oosten. Precies weet ik het ook niet meer. Die wilden de democratie om zeep helpen. In Griekenland. Net zoals in Nederland.’

‘En jij vond dat niet zo erg? Besef jij eigenlijk wel in wat voor tijd wij leven? En wat voor een gevaarlijk individu die Moolenaar is? Je moest je schamen! Die jongen van Bergman - die heeft het tenminste begrepen.’ Meneer Westervoort haalde diep adem. ‘En jij gaat vanmiddag gewoon naar school.’

‘Ik ga niet, pa! Ze denken natuurlijk allemaal dat ik het ook heb aangebracht.’

‘Dat had jij ook inderdaad moeten doen.’

‘Moet ik me dan nog meer rottigheid op de hals halen?’

‘Als jij zulke dingen niet durft te zeggen gedraag je je als een lafaard!’

‘Toe Koos, je moet niet zo overdrijven.’

‘Wat is het weer gezellig’. zei Rita. ‘Ik ga maar weer eens naar m'n kamer.’

‘Jullie schijnen nog steeds niet te beseffen wat er vandaag in Nederland aan de hand is. Begrijpen jullie niet dat onze samenleving op het spel staat? En dat er, vooral in het onderwijs, allerlei lieden zijn die proberen die samenleving te ondermijnen?’ Meneer Westervoort balde zijn vuisten.

‘En er is maar één middel om ons Vaderland te redden: onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan onze Leider!’

‘Voor de oorlog...’ begon Rita.

‘Wàt - voor de oorlog... Wou jij soms beweren dat het voor de oorlog

[p. 112]

beter was? Hoe vaak moet ik jullie dat nog zeggen - voor de oorlog was Nederland overgeleverd aan de willekeur van een stelletje op centen beluste ambtenaren. Een democratie noemen ze dat! Ministers die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Het ene kabinet na het andere. En een parlement waar een stel slampampers niets anders doet dan ons belastinggeld opmaken met bekvechten. Zeuren over de onbenulligste dingen - dat kunnen ze!’

‘En wat heeft die zogenaamde democratie ons gebracht? Alleen maar ellende. Vijfhonderdduizend werklozen. Armoede. Honger in tienduizenden gezinnen. Om van straatrellen en muiterij maar helemaal niet te spreken. En nu er eindelijk een krachtige leiding is..., nu je 's avonds weer rustig over straat kunt lopen zonder dat je bang hoeft te zijn om het slachtoffer te worden van misdadigers - nu komt uitgerekend zo'n leraar vertellen dat barbaren de democratie om zeep hebben geholpen! Ik herhaal het nog eens: die Piet Bergman heeft het uitstekend gedaan. Daar kunnen jullie een voorbeeld aan nemen.’

‘Bent u uitgepraat, pa?’ vroeg Rita.

Meneer Westervoort antwoordde niet.

‘Ik wou alleen maar zeggen dat het voor de oorlog aan tafel in elk geval veel gezelliger was. Ik ga, hoor!’ Ze was de keuken uit voor meneer Westervoort kon protesteren.

Een half uur later vertrok Arnold naar school. Maar hij kwam terug toen hij er zeker van was dat zijn vader naar het stadhuis was gegaan.

‘U zegt niks tegen pa, hè?’ vroeg hij.

Mevrouw Westervoort schudde haar hoofd.

prepostterug  begin  verder